Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:5034

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
31-05-2018
Datum publicatie
08-06-2018
Zaaknummer
21-004248-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Zeden: artt. 245 en 247 Sr

De verklaringen van aangeefster bevatten discrepanties, terwijl het hof mogelijk steunbewijs niet overtuigend en daarom onvoldoende redengevend acht voor een bewezenverklaring. Daarom wordt de verdachte vrijgesproken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-004248-17

Uitspraak d.d.: 31 mei 2018

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank

Midden-Nederland van 21 juli 2017 met parketnummer 16-659247-16 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1964,

wonende te [woonplaats] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 18 mei 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en veroordeling ter zake van het onder 1 en 2 ten laste gelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, waarvan 9 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, en toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, inclusief de gevorderde wettelijke rente, met oplegging van een schadevergoedingsmaatregel. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsvrouw,

mr. M. Heere-Helmink, en mr. G.J.M. Kruizinga, advocaat te Amsterdam, namens de benadeelde partij [benadeelde] , naar voren is gebracht.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

Nu de rechtbank verdachte heeft vrijgesproken van het onder 3 ten laste gelegde, kan verdachte voor zover het hoger beroep is gericht tegen deze vrijspraak daarin niet worden ontvangen.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof is onderworpen vernietigen, omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt, en opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is - voor zover voor dit hoger beroep van belang - tenlastegelegd dat:

1:
hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 4 mei 2009 tot en met

4 mei 2012 in de gemeente [gemeente] , althans in het arrondissement Midden-Nederland, met [benadeelde] , geboren op [geboortedatum] 1996, die de leeftijd van twaalf, maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd die hebben bestaan uit of mede hebben bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, immers heeft hij verdachte (meermalen) zijn penis in de vagina van die [benadeelde] gebracht;

2:
hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 4 mei 2009 tot en met

4 mei 2012 in de gemeente [gemeente] , althans in het arrondissement Midden-Nederland, met [benadeelde] , geboren op [geboortedatum] 1996, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, bestaande in het ontuchtig

- uittrekken van de kleding en/of het ondergoed van die [benadeelde] en/of

- ( meermalen) betasten van de met kleding bedekte borst(en) en/of de blote borst(en) en/of de blote schaamstreek van die [benadeelde] en/of

- ( meermalen) betasten van de vagina van die [benadeelde] .

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak

De verdachte heeft bij de politie, de rechtbank en het hof steeds ontkend zich schuldig te hebben gemaakt aan het plegen van de aan hem onder 1 en 2 ten laste gelegde ontuchtige handelingen.

Het op 23 februari 2015 door de politie opgemaakte mutatierapport van de telefonische melding van de toen 18 jarige meldster [benadeelde] betreffende seksueel misbruik door verdachte tussen 1 januari 2009 en 31 juli 2014 levert voor de verdachte belastend wettig bewijs op. Hetzelfde geldt voor het proces-verbaal informatief gesprek zeden

d.d. 26 februari 2015 en het proces-verbaal verhoor aangeefster d.d. 12 maart 2015, waarin [benadeelde] telkens nader verklaart over het door verdachte bij hem thuis gepleegde seksueel misbruik.

Het hof heeft in deze door [benadeelde] afgelegde verklaringen op verschillende onderdelen, waaronder de frequentie van het seksueel misbruik, wanneer het is gebeurd, de slaapkamers waarin en de bedden waarop het seksueel misbruik heeft plaatsgevonden en de frequentie van haar verblijf bij verdachte thuis, discrepanties geconstateerd. Het hof overweegt hierbij dat het niet gaat om details. Dit doet afbreuk aan de bewijswaarde van haar afgelegde verklaringen. Voorts stelt het hof vast dat aangeefster bij haar verhoor bij de rechter-commissaris op 8 juni 2017 in vergelijking met haar aangifte ook niet geheel eenduidig heeft verklaard.

Naast voormelde wettige bewijsmiddelen is steunbewijs te vinden in het

proces-verbaal van verhoor van de getuige [getuige 1] (de stiefvader van een toenmalig vriendinnetje van aangeefster [benadeelde] ) d.d. 9 augustus 2016, zijnde de persoon aan wie [benadeelde] als eerste over het seksueel misbruik heeft verklaard, het proces-verbaal van verhoor van de getuige [getuige 2] (de moeder van aangeefster

[benadeelde] ) d.d. 25 september 2015 en het aanvullende proces-verbaal van haar verhoor d.d. 18 augustus 2016, alsmede het proces-verbaal van verhoor van de getuige

[getuige 3] (de toenmalige vriend van aangeefster [benadeelde] )

d.d. 11 augustus 2016.

Het hof acht dit steunbewijs echter onvoldoende overtuigend en daarom onvoldoende redengevend voor een bewezenverklaring van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten. Zo blijkt uit de verklaring van de getuige [getuige 1] dat [benadeelde] niet vanuit haar zelf spontaan het seksueel misbruik aan hem heeft verteld, maar dat hij dit 'uit haar heeft moeten trekken'. [getuige 1] is blijkens zijn verklaring daartoe gekomen omdat hij op grond van ervaringen met een aan zijn zorg toevertrouwde minderjarige die eveneens seksueel zou zijn misbruikt, het vermoeden had dat ook [benadeelde] misbruikt zou kunnen zijn. [benadeelde] heeft zich tegenover [getuige 1] slechts in algemene bewoordingen geuit en heeft zich niet specifiek uitgelaten over welke ontuchtige handelingen verdachte nu precies bij haar zou hebben gepleegd. Het hof heeft twijfels over de wijze waarop de uitlatingen van [benadeelde] in dit gesprek tot stand zijn gekomen, hetgeen eveneens de bewijswaarde van deze verklaring aantast.

Dit laatste geldt ook voor hetgeen [benadeelde] aan haar moeder, de getuige [getuige 2] , en aan haar vriend, de getuige [getuige 3] , heeft verteld. Dat [benadeelde] op haar 13e of 14e jaar haar moeder heeft verteld dat het van onderen bij haar zeer deed en dat het ruw voelde, zou ook het gevolg kunnen zijn geweest van iets anders dan seksueel contact met verdachte.

Dat [benadeelde] volgens [getuige 3] dingen deed, toen zij, ná het seksueel misbruik door verdachte, voor het eerst seks had met hem, waarvan deze [getuige 3] heeft verklaard dat een meisje dat bij het eerste seksuele contact dat zij heeft niet zou doen, brengt niet mee dat daaruit kan worden afgeleid dat [benadeelde] eerder seksuele ervaringen met verdachte moet hebben gehad..

Op grond van het vorenstaande heeft het hof uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

Gebleken is dat de benadeelde partij zich ter zake van het onder 1 en 2 ten laste gelegde in het geding in eerste aanleg heeft gevoegd en dat haar vordering in eerste aanleg geheel is toegewezen. Derhalve duurt de voeging ter zake van haar gehele vordering tot schadevergoeding in het geding in hoger beroep voort.

Nu aan de verdachte ter zake van het onder 1 en 2 ten laste gelegde geen straf of maatregel wordt opgelegd, terwijl ter zake van die feiten evenmin artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht wordt toegepast, dient de benadeelde partij, gelet op het bepaalde in artikel 361, tweede lid, aanhef en onder a, van het Wetboek van Strafvordering, in haar vordering

niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Gelet op het vorenstaande dient de benadeelde partij, als de in het ongelijk gestelde partij, te worden veroordeeld in de kosten van het geding door de verdachte gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 3 ten laste gelegde.

Vernietigt het vonnis voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.

Verwijst de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Aldus gewezen door

mr. E. de Witt, voorzitter,

mr. P.W.J. Sekeris en mr. L.G. Wijma, raadsheren,

in tegenwoordigheid van G.A. Boersma, griffier,

en op 31 mei 2018 ter openbare terechtzitting uitgesproken.