Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:5023

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
29-05-2018
Datum publicatie
13-06-2018
Zaaknummer
200.236.355/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uithuisplaatsing. Bevoegdheid rechtbank. Sprake van ongeoorloofde overbrenging. Geen sprake van berusting van de pleegouders op grond van artikel 10 sub a Brussel II-bis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.236.355/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/18/182432 / JE RK 18-126)

beschikking van 29 mei 2018

inzake

[verzoekster] ,

wonende te [A] (Duitsland),
verzoekster,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. A.L. Witteveen te Rotterdam,

en

de raad voor de kinderbescherming,

regio Noord Nederland, locatie Groningen,

verweerder,

verder te noemen: de raad.

Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:

1 [de pleegouders] ,

wonende te [B] ,

verder te noemen: de pleegouders,

advocaat: mr. A.E. van Nimwegen te Delfzijl,

2. [de stiefvader] ,

wonende te [A] (Duitsland),

verder te noemen: de stiefvader,
3. de gecertificeerde instelling

Stichting Jeugdbescherming Noord en Veilig Thuis Groningen, kantoorhoudende te Groningen, verder te noemen: de GI.

1
1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 13 maart 2018, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift tevens verzoek tot schorsing met productie(s), ingekomen op 26 maart 2018;

- het verweerschrift van de raad met productie(s).

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 30 april 2018 plaatsgevonden. De moeder is verschenen, bijgestaan door haar advocaat. Namens de raad is de heer [C] verschenen. Ook zijn verschenen de stiefvader, de pleegouders, bijgestaan door

mr. Van Nimwegen, en namens de GI de heer [D] .

3 De feiten

3.1

Uit de moeder is [in] 2014 te [E] (Duitsland) geboren [de minderjarige] . De biologische vader van [de minderjarige] is [F] . De pleegouders zijn de ouders van de biologische vader van [de minderjarige] . De stiefvader heeft [de minderjarige] erkend en heeft samen met de moeder het gezag over [de minderjarige] .

3.2

[de minderjarige] , de moeder en de stiefvader hebben de Nederlandse nationaliteit.

3.3

De moeder en de stiefvader wonen in Duitsland samen met een zoon van de moeder uit een eerdere/andere relatie, alsook een zoon geboren uit het huwelijk van de moeder en de stiefvader.

3.4

In de jaren vanaf zijn geboorte tot in 2015 hebben de pleegouders met regelmaat zorg gedragen voor de opvoeding en verzorging van [de minderjarige] . In de jaren 2015 en 2016 tot en met begin 2017 heeft [de minderjarige] met instemming van de gezaghebbende moeder (en stiefvader) bij de pleegouders in Nederland gewoond en is hij door hen verzorgd en opgevoed.

3.5

Op 4 maart 2017 is, zonder toestemming van de pleegouders, de verblijfplaats van [de minderjarige] gewijzigd. [de minderjarige] is die dag door de moeder en de stiefvader meegenomen naar (hun woonplaats in) Duitsland. Sindsdien verbleef [de minderjarige] bij de moeder en de stiefvader.

3.6

De raad heeft de rechtbank op 16 februari 2018 verzocht [de minderjarige] onder toezicht te stellen en uit huis te plaatsen.

3.7

[de minderjarige] woont vanaf 14 maart 2018 weer bij de pleegouders.

3.8

Bij beschikking van 17 mei 2018 heeft dit hof het verzoek van de moeder tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de uitvoerbaar bij voorraad verklaarde beschikking van

13 maart 2018 afgewezen.

4 De omvang van het geschil

4.1

De moeder is met vijf grieven in hoger beroep gekomen van de beschikking van

13 maart 2018. Grief 1 ziet op de bevoegdheid van de rechtbank.

Grief 2 ziet op de beslissing van de rechtbank om de (biologische) vader als belanghebbende aan te merken. Grief 3 ziet op de gronden voor de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] .

Grief 4 ziet op de gronden voor uithuisplaatsing van [de minderjarige] en het verzoek ex artikel 810a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Grief 5 ziet op schending van artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en de artikelen 3, 19 en 16 van het Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK).

De moeder verzoekt het hof, voor zover hier van belang, de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het verzoek van de raad met betrekking tot de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing af te wijzen, althans (naar het hof begrijpt:) toe te wijzen voor de duur die het hof in goede justitie juist acht. Subsidiair verzoekt de moeder het hof om een nader onderzoek te gelasten op grond van artikel 810a Rv, waarbij gekozen kan worden voor een NIFP-onderzoek.

4.2

De raad voert verweer en verzoekt het hof om de bestreden beschikking te bekrachtigen en, voor zover hier van belang, het verzoek tot een NIFP-onderzoek op grond van artikel 810a Rv af te wijzen.

4.3

Ter zitting van het hof heeft de moeder haar tweede grief ingetrokken, dit omdat het hof de biologische vader zonder gezag niet als belanghebbende aanmerkt, zodat die grief niet meer aan de orde is.

5 De motivering van de beslissing

De bevoegdheid van de Nederlandse rechter

5.1

Ingevolge artikel 8 van de Verordening (EG) Nr. 2201/2003 van de Raad van

27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1347/2000 (hierna: Brussel II-bis), zijn ter zake van de ouderlijke verantwoordelijkheid, onder welk begrip de in deze procedure aan de orde zijnde maatregel van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing begrepen kan worden (zie artikel

1 lid 1 onder b en lid 2 Brussel II-bis), bevoegd de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan het kind zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt, onder voorbehoud van de artikelen 9, 10 en 12.

5.2

Op grond van artikel 10 Brussel II-bis blijven, in geval van ongeoorloofde overbrenging of niet doen terugkeren van het kind, de gerechten van de lidstaat waar het kind onmiddellijk voor de ongeoorloofde overbrenging of niet doen terugkeren zijn gewone verblijfplaats had bevoegd totdat het kind in een andere lidstaat een gewone verblijfplaats heeft verkregen en voldaan is aan een van de onder sub a en b genoemde voorwaarden.

5.3

Uit de stukken is gebleken dat de moeder en pleegouders in mei 2015 hebben afgesproken dat pleegouders de opvoeding en verzorging van [de minderjarige] op zich zouden nemen. Op 16 juni 2015 is [de minderjarige] , met medewerking van de moeder, op het adres van de pleegouders ingeschreven. De moeder heeft [de minderjarige] op 4 maart 2017 bij de pleegouders opgehaald - zogezegd - voor het maken van een gezinsfoto. De moeder heeft [de minderjarige] hierop onverwachts niet teruggebracht naar de pleegouders, maar heeft hem - zonder medeweten of instemming van de pleegouders - meegenomen naar haar woonadres in Duitsland waar hij tot 14 maart 2018 in haar gezin heeft gewoond.

Het hof is, met de rechtbank, van oordeel dat de moeder op grond van het bepaalde in artikel 1:253s lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) geen wijziging in het verblijf van [de minderjarige] mocht brengen zonder toestemming van de pleegouders omdat [de minderjarige] op het moment van overbrengen bijna een jaar en negen maanden bij hen woonde. Nu de pleegouders geen toestemming hebben gegeven voor de overbrenging van [de minderjarige] naar Duitsland en (vervangende) toestemming van de rechtbank daartoe ontbrak was sprake van ongeoorloofde overbrenging of niet doen terugkeren in de zin van artikel 10 Brussel II-bis.

5.4

Niet in geschil is dat [de minderjarige] onmiddellijk voor zijn overbrenging naar Duitsland op

4 maart 2017 zijn gewone verblijfplaats in Nederland had.

Naar het oordeel van het hof was de gewone verblijfplaats van [de minderjarige] ten tijde van indiening van de verzoeken van de raad op 16 februari 2018 inmiddels in Duitsland. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [de minderjarige] , geboren in (een grensstreek in) Duitsland, op dat moment (voor het laatst) bijna een jaar en derhalve - gelet op zijn jonge leeftijd - bijna een kwart van zijn leven in gezinsverband met zijn gezaghebbende ouders en twee (half)broertjes in de woning van zijn ouders in Duitsland (een plaats vlak over de grens) woonde, waar ook met regelmaat zijn (half)zusje verbleef.

Ondanks dat [de minderjarige] zijn gewone verblijfplaats inmiddels in Duitsland had verkregen, blijft, nu sprake is van ongeoorloofde overbrenging of niet doen terugkeren, op grond van artikel 10 Brussel II-bis in beginsel de Nederlandse rechter bevoegd. Dit is slechts anders als voldaan is aan een van de in artikel 10 sub a en b Brussel II-bis genoemde voorwaarden.

Het hof is van oordeel dat aan die voorwaarden niet is voldaan.

5.5

In de eerste plaats is er naar het oordeel van het hof geen sprake van berusting

(artikel 10 sub a Brussel II-bis). De pleegouders bezitten (een vorm van) gezagsrecht, nu aan hen (onder meer) een blokkaderecht toekomt als bedoeld in artikel 1:253s BW alsook de bevoegdheid een verzoek tot beëindiging van het gezag in te dienen op grond van artikel 1:267 BW. De pleegouders hebben in lijn hiermee bij dagvaarding van 4 april 2017 in een kortgedingprocedure gevorderd dat de moeder (en de stiefvader) [de minderjarige] aan de pleegouders zou afgeven en derhalve niet berust in de overbrenging van [de minderjarige] . De voorzieningenrechter heeft zich bij vonnis van 4 mei 2017 onbevoegd verklaard ten aanzien van de vordering van de pleegouders. De pleegouders hebben vervolgens op 17 mei 2017 een verzoekschrift bij de rechtbank ingediend waarin zij (onder meer) verzoeken het gezag van de moeder te beëindigen, en hen te belasten met de voogdij over [de minderjarige] dan wel het hoofdverblijf bij hen te bepalen. In die procedure heeft de rechtbank zich bevoegd bevonden. Voorts is er geen sprake van dat [de minderjarige] al ten minste een jaar in de andere lidstaat verbleef én daar was geworteld (artikel 10 sub b Brussel II-bis). In de loop van de procedure in eerste aanleg verbleef [de minderjarige] weliswaar een jaar in Duitsland (4 maart 2017 tot 14 maart 2018), van een worteling aldaar kan naar het oordeel van het hof echter niet worden gesproken.

Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [de minderjarige] het grootste deel van zijn leven in Nederland heeft gewoond, de Nederlandse nationaliteit heeft, (alleen) de Nederlandse taal verstaat/spreekt en nog niet naar school ging in Duitsland. Dat hij sinds februari 2018 naar de peuterspeelzaal in Duitsland ging, maakt het oordeel van het hof, mede gelet op de korte duur daarvan, niet anders.

5.6

Nu niet is voldaan aan een van de in artikel 10 sub a en b Brussel II-bis genoemde voorwaarden, blijft de Nederlandse rechter bevoegd om van de verzoeken van de raad kennis te nemen. Het hof ziet in het door de moeder aangevoerde geen aanleiding om de zaak op grond van artikel 15 Brussel II-bis te verwijzen naar het gerecht in Duitsland.

Het toepasselijke recht

5.7

Volgens artikel 15 lid 1 van het hier toepasselijke Haags Kinderbeschermingsverdrag van 1996 (Trb. 1997, 299) oefenen de autoriteiten van de verdragsluitende staten de bevoegdheid uit onder toepassing van hun interne recht. Dit betekent dat Nederlands recht van toepassing is.

De machtiging tot uithuisplaatsing

5.8

Het hof zal de grieven tegen de machtiging uithuisplaatsing eerst beoordelen omdat de moeder alleen bezwaar maakt tegen de ondertoezichtstelling voor zover het verzoek tot een machtiging tot uithuisplaatsing wordt afgewezen.

5.9

Ingevolge artikel 1:265b, eerste lid, BW kan de kinderrechter de gecertificeerde instelling, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.

5.10

Het hof stelt voorop dat de mogelijkheid van de pleegouders om zich op grond van artikel 1:253s BW te beroepen op het blokkaderecht onverlet laat dat de raad (daarnaast) op grond van artikel 1:265b, eerste lid, BW een verzoek tot uithuisplaatsing kan doen.

5.11

Het hof is, anders dan de moeder, van oordeel dat de gronden voor de uithuisplaatsing van [de minderjarige] aanwezig zijn en heeft hierbij het volgende in aanmerking genomen.

5.12

Uit de stukken blijkt dat [de minderjarige] zich in de eerste zestien maanden van zijn leven in

een zeer onrustige en instabiele verzorgings- en opvoedingssituatie bevond bij de moeder.

De moeder is in die periode verschillende keren verhuisd, had wisselende relaties en kampte met persoonlijke (psychische) problematiek waardoor zij onvoldoende beschikbaar was voor [de minderjarige] en niet in staat was om hem te bieden wat hij nodig had. De moeder heeft de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] verschillende malen overgelaten aan (telkens) anderen waarbij de pleegouders vanaf de geboorte van [de minderjarige] (de enige) stabiele factor voor [de minderjarige] vormden. Uiteindelijk heeft de moeder de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] in juni 2015 geheel overgedragen aan de pleegouders. [de minderjarige] had toen een forse ontwikkelingsachterstand en vertoonde opvallend gedrag, zoals het bonken met zijn hoofd tegen de grond.

Op het moment dat [de minderjarige] bij de pleegouders terechtkwam stabiliseerden zijn omstandigheden. Hij maakte een positieve gedragsverandering en ontwikkeling door.

De pleegouders boden [de minderjarige] veiligheid, stabiliteit, zorg en stimulans. De moeder heeft zich in die periode weinig betrokken getoond en heeft [de minderjarige] bij de pleegouders nauwelijks bezocht. Doordat de moeder [de minderjarige] in maart 2017 van de ene op de andere dag uit zijn vertrouwde omgeving bij pleegouders heeft weggehaald, is zijn basisvertrouwen (opnieuw) aangetast. [de minderjarige] kwam terecht in een voor hem onbekende omgeving in een ander land en met een nieuwe opvoeder (stiefvader). [de minderjarige] liet in het gezin van de moeder en de stiefvader een terugval in zijn gedrag zien. Volgens de moeder werd die terugval veroorzaakt door de opvoedingssituatie bij de pleegouders. Naar het oordeel van het hof geven het handelen van de moeder en haar opvattingen over de terugval in het gedrag van [de minderjarige] geen blijk van inzicht in de belangen van [de minderjarige] .

5.13

Uit het voorgaande blijkt dat [de minderjarige] in zijn jonge leven al heel veel instabiliteit en onveiligheid heeft gekend. [de minderjarige] is als gevolg van zijn belaste voorgeschiedenis kwetsbaar en beschadigd. Hij ontwikkelt zich op sociaal-emotioneel en fysiek gebied minder snel dan andere kinderen en heeft bovengemiddelde zorg en begeleiding nodig van zijn opvoeder(s). Zoals uit het voorgaande blijkt was de moeder, voordat zij [de minderjarige] bij de pleegouders heeft ondergebracht, niet in staat om hem een opvoedingsklimaat te bieden waarin de continuïteit en veiligheid in zijn dagelijkse verzorging en opvoeding was gewaarborgd. Door [de minderjarige] plotseling bij de pleegouders weg te halen, heeft zij impulsief en wederom niet in zijn belang gehandeld. Naar het oordeel van het hof is niet gebleken dat de moeder nu wel in staat is om zorg te dragen voor de verzwaarde opvoedingssituatie van [de minderjarige] . Dat de moeder inziet dat hulpverlening noodzakelijk is en vanuit het Jugendamt hulp heeft is in het belang van [de minderjarige] te achten, maar kan niet leiden tot een ander oordeel. Het hof acht de uithuisplaatsing van [de minderjarige] dan ook noodzakelijk in het belang van zijn verzorging en opvoeding.

5.14

Gelet op het voorgaande, acht het hof het in het belang van [de minderjarige] dat zijn (huidige) verblijf bij de pleegouders wordt voortgezet. Naar gebleken is, beschikken de pleegouders over de benodigde opvoedkundige capaciteiten en boden, alsook bieden zij [de minderjarige] wat hij in zijn ontwikkeling nodig heeft.

5.15

De moeder heeft (subsidiair) verzocht een nader onderzoek te gelasten op grond van artikel 810a Rv. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen ten aanzien van de noodzaak van

de uithuisplaatsing, ziet het hof geen aanleiding voor een onderzoek zoals door de moeder verzocht. De uitkomsten van een dergelijk onderzoek zijn voor de onderhavige beslissing niet relevant en kunnen niet mede tot beslissing van de zaak leiden. [de minderjarige] heeft een lange periode bij de pleegouders gewoond, waarin zijn zorgelijke gedrag stabiliseerde en hij een positieve ontwikkeling doormaakte. De moeder heeft, terwijl dit indruiste tegen de belangen van [de minderjarige] , hem uit die veilige en vertrouwde omgeving weggehaald. Een onderzoek naar de opvoedvaardigheden van de moeder doet niets af aan de vaststelling dat [de minderjarige] bij de pleegouders - anders dan bij de moeder - de extra aandacht en zorg kan krijgen die hij met zijn kwetsbaarheid nodig heeft. Bovendien oordeelt het hof een nader onderzoek in strijd met de belangen van [de minderjarige] nu dat voor hem op dit moment te belastend is vanwege de onvermijdelijk daarmee gepaard gaande onrust. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [de minderjarige] nog maar kort weer bij de pleegouders woont en de rust die hiermee voor hem recent gecreëerd is niet (opnieuw) verstoord dient te worden.

5.16

Voor zover de moeder een beroep heeft gedaan op artikel 8 EVRM en de artikelen 3,

9 en 16 IVRK overweegt het hof dat de uithuisplaatsing van [de minderjarige] weliswaar een inbreuk vormt op het gezinsleven en/of privéleven, maar dat die inbreuk in dit geval noodzakelijk wordt geacht in het belang van de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] . De uithuisplaatsing van [de minderjarige] is dan ook niet in strijd met genoemde verdragsbepalingen.

De ondertoezichtstelling

5.17

Nu de uithuisplaatsing van [de minderjarige] bij de pleegouders in stand blijft en zijn verblijf aldaar wordt voortgezet, stemt de moeder, zoals zij ter zitting van het hof naar voren heeft gebracht en het hof hiervoor ook al heeft aangegeven, in met de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] . De (voorwaardelijke) grief van moeder op dit punt behoeft derhalve geen bespreking

meer.

6 De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen dient het hof de bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, te bekrachtigen.

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 13 maart 2018, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.P. den Hollander, E.B.E.M. Rikaart-Gerard en

F. Kleefmann, bijgestaan door mr. S.C. Lok als griffier, en is op 29 mei 2018 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.