Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:4982

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
30-05-2018
Datum publicatie
31-05-2018
Zaaknummer
21-000068-18
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2019:833, Niet ontvankelijk
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Dubbele poging doodslag, beroep noodweer/noodweerexces niet aannemelijk geworden. Zwaardere straf opgelegd dan geëist.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-000068-18

Uitspraak d.d.: 30 mei 2018

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Gelderland van 22 december 2017 met parketnummer 05-881330-17 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Turkije) op [geboortedag] 1983,

thans verblijvende in [detentieadres] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 16 mei 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. M. Cankaya, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere strafoplegging komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

feit 1 primair:
hij op of omstreeks 18 juni 2017 te Arnhem, gemeente Arnhem,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om een persoon

genaamd [benadeelde 1] opzettelijk van het leven te beroven, door die [benadeelde 1] :

- eenmaal of meermalen met een mes, althans met een scherp en/of puntig

voorwerp, te steken en/of te snijden in de (boven- en/of onder-) arm(en), in

elk geval in/tegen/op het lichaam van die [benadeelde 1] , en/of

- eenmaal of meermalen met een mes, althans met een scherp en/of puntig

voorwerp, te steken en/of te snijden in het gezicht, in elk geval in/tegen/op

het lichaam van die [benadeelde 1] ,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

feit 1 subsidiair:
hij op of omstreeks 18 juni 2017 te Arnhem, gemeente Arnhem,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon

genaamd [benadeelde 1] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,

door die [benadeelde 1] :

- eenmaal of meermalen met een mes, althans met een scherp en/of puntig

voorwerp, te steken en/of te snijden in de (boven- en/of onder-) arm(en),

in elk geval in/tegen/op het lichaam van die [benadeelde 1] en/of

- eenmaal of meermalen met een mes, althans met een scherp en/of puntig

voorwerp, te steken en/of te snijden in het gezicht, in elk geval in/tegen/op

het lichaam van die [benadeelde 1] ,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

feit 2 primair:
hij op of omstreeks 18 juni 2017 te Arnhem, gemeente Arnhem,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s),

voorgenomen misdrijf om een persoon, genaamd [benadeelde 2] ,

opzettelijk van het leven te beroven, door die [benadeelde 2] :

- eenmaal of meermalen met een mes, althans met een scherp en/of puntig

voorwerp, te steken en/of te snijden in en/of rondom de buik(streek), in elk

geval in/tegen/op het lichaam van die [benadeelde 2] en/of

- eenmaal of meermalen met een mes, althans met een scherp en/of puntig

voorwerp, te steken en/of te snijden in de (linker)schouder(s) en/of de rug,

in elk geval in/tegen/op het lichaam van die [benadeelde 2] en/of

- eenmaal of meermalen met een mes, althans met een scherp en/of puntig

voorwerp, te steken en/of te snijden in de/het (linker)be(e)n(en),

in elk geval in/tegen/op het lichaam van die [benadeelde 2] ;

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

feit 2 subsidiair:
hij, op of omstreeks 18 juni 2017 te Arnhem, gemeente Arnhem,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededaders voorgenomen

misdrijf om aan een persoon genaamd [benadeelde 2] , opzettelijk zwaar lichamelijk

letsel toe te brengen door die [benadeelde 2] :

- eenmaal of meermalen met een mes, althans met een scherp en/of puntig

voorwerp, te steken en/of te snijden in de in en/of rondom de buik(streek), in elk

geval in/tegen/op het lichaam van die [benadeelde 2] en/of

- eenmaal of meermalen met een mes, althans met een scherp en/of puntig

voorwerp, te steken en/of te snijden in de (linker)schouder(s) en/of rug,

in elk geval in/tegen/op het lichaam van die [benadeelde 2] , en/of

- eenmaal of meermalen met een mes, althans met een scherp en/of puntig

voorwerp, te steken en/of te snijden in de/het (linker)be(e)n(en), in elk

geval in/tegen/op het lichaam van die [benadeelde 2] ;

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

feit 3:
hij op of omstreeks 18 juni 2017 te Arnhem, gemeente Arnhem,

[benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven

gericht, althans met zware mishandeling,

immers heeft verdachte opzettelijk dreigend (in de Turkse Taal) geschreeuwd:

“Ik maak jullie dood, ik maak jullie dood” en/of “Kom hier, ik ga schieten”,

althans woorden van soortgelijke (dreigende) aard of strekking.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Standpunt advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd dat de onder 1 primair, 2 primair en 3 tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft de verklaringen van de aangevers betwist. Volgens de verdediging is de agressie in eerste instantie van aangevers uitgegaan; zij hebben verdachte geslagen en geschopt en tegen deze wederrechtelijke aanranding heeft verdachte zich verweerd door een mes te hanteren. Kort gezegd stelt de verdediging dat verdachte primair heeft gehandeld in een noodweersituatie, dan wel dat sprake is geweest van noodweerexces. De verdediging concludeert dat verdachte derhalve vrijgesproken dient te worden van het tenlastegelegde, dan wel dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Bewijsoverwegingen en bewezenverklaring 1

Het hof zal het beroep op noodweer en noodweerexces in dit hoofdstuk bespreken, omdat de waardering ervan nauw samenhangt met de waardering van het bewijs.

Voor een geslaagd beroep op noodweer moet het handelen van verdachte zijn geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding. Van noodweerexces is sprake indien de grenzen van de noodzakelijke verdediging zijn overschreden en die overschrijding een onmiddellijk gevolg is geweest van een hevige gemoedsbeweging die door die aanranding is veroorzaakt.

Het staat vast dat verdachte en aangevers op 18 juni 2017 aanwezig waren in een café/theehuis in Arnhem. Verdachte is op verzoek van één van de aangevers met hen van het café weggelopen. Vervolgens heeft er een incident plaatsgevonden, waarbij verdachte een mes heeft gehanteerd en waarbij beide aangevers ernstig gewond zijn geraakt en naar het ziekenhuis zijn overgebracht.


Ten aanzien van het onder 1 en 2 tenlastegelegde:

Aangever [benadeelde 2] heeft verklaard dat hij en [benadeelde 1] met verdachte van het café wegliepen. Na enkele meters legde verdachte een hand op de schouders van [benadeelde 1] . [benadeelde 1] duwde verdachte weg, maar dat ging niet heel erg hard. Hierop pakte verdachte een mes uit zijn zak. Vervolgens voelde [benadeelde 2] dat hij van achteren werd vastgepakt door de lange man en dat verdachte hem meerdere keren stak met het mes. [benadeelde 1] kwam te hulp en werd toen ook gestoken door verdachte. Daarna renden ze weg. [benadeelde 2] heeft verklaard dat hij drie of vier keer is gestoken; achter in zijn linkerschouder, in zijn linkerbeen en in zijn buik 2.

De rapporterende forensisch arts heeft beschreven dat bij aangever [benadeelde 2] (onder andere) de volgende verwondingen zijn geconstateerd:

  • -

    een diepe steekwond in de linkerflank van de buik, welke insteekwond de linker leverkwab heeft beschadigd (scheur);

  • -

    een diepe steekverwonding in de achterzijde van de linker bovenarm, regio schouder, inwendig doorlopend tot in de achterzijde van de borstwand tussen de derde en vierde rib;

  • -

    een steekverwonding in de linker heup, waarbij de huid geheel door is, en

  • -

    diverse plaatsen kras- of schaafverwondingen.

In het rapport stelt de forensisch arts dat [benadeelde 2] minimaal zes keer is gestoken c.q. gekrast. De krasverwondingen op de linkerborst, op de linkerflank van de buik en op de linker bovenarm passen eerder bij een afweer van het slachtoffer op het mes van de verdachte, dan dat het slachtoffer zich actief in het mes heeft geslagen.

De zeer diepe steekverwondingen in de buik, de achterzijde linker schouder regio en de linker heup passen bij een met zeer veel kracht ingebracht mes in het lichaam. Het slachtoffer heeft drie steekverwondingen in drie verschillende en ver van elkaar afliggende locaties in het lichaam. Het is onaannemelijk dat het voorval van zich in het mes te hebben geslagen door het slachtoffer zich driemaal accidenteel heeft voorgedaan. Wanneer het slachtoffer zichzelf in het mes zou hebben geslagen moet degene die het mes in de hand had dit zeer stevig hebben vastgehouden waarbij minstens drie maal een stekende beweging is gemaakt in de buik, de achterzijde linker schouder regio en de linker heup. Derhalve is het zeer aannemelijk dat er sprake is geweest van een actief stekende beweging van de dader in plaats van een passief in een mes vallende beweging door het slachtoffer, aldus de forensisch arts.

Tevens rapporteert de forensisch arts dat het CT-onderzoek liet zien dat het insteektraject net onder de vena porta van de lever is. Veneuze bloedingen kunnen met zeer veel bloedverlies gepaard gaan, hetgeen in beginsel dodelijk is. Het CT-onderzoek liet een insteektraject zien doorlopend tot in de achterzijde van de borstwand tussen de derde en vierde rib.

Indien de long was aangeprikt was er een pneumothorax (gat in een long) ontstaan. Hierbij kunnen hart met vaatstelsel en longen gecomprimeerd worden, hetgeen in beginsel dodelijk is 3.

Aangever [benadeelde 1] heeft verklaard dat hij naar verdachte is toegelopen en tegen hem heeft gezegd dat hij met hem, verdachte, wilde praten. Vervolgens liep hij met verdachte en [benadeelde 2] een meter of 5 à 10 van het café richting de moskee. Op een gegeven moment werd hij boos en gaf hij verdachte een duw met twee handen. Verdachte ging daardoor een stapje achteruit, maar viel niet. Uit het niets werd [benadeelde 1] vervolgens door verdachte gestoken in zijn linkerarm, aan de onderkant van zijn bovenarm. Hij zag ineens bloed bij zijn linkerarm. Hij zag dat [benadeelde 2] werd vastgehouden door de lange man. Verdachte ging vervolgens naar [benadeelde 2] en stak hem met het mes in zijn buik. Hij maakte meerdere snijbewegingen richting de buik van [benadeelde 2] . Ook zag [benadeelde 1] dat verdachte [benadeelde 2] in zijn rug stak 4.

Bij zijn tweede verhoor heeft [benadeelde 1] verklaard dat hij verdachte heeft weggeduwd omdat hij niet verder met hem wilde praten en dat hij, toen verdachte het mes pakte,

verdachte heeft geslagen. Ook [benadeelde 2] heeft verdachte geslagen 5.

[benadeelde 1] heeft in zijn verhoor bij de rechter-commissaris op 24 oktober 2017 verklaard dat hij verdachte heeft geslagen om het mes weg te slaan wat verdachte in zijn hand had 6.

De forensisch arts heeft bij [benadeelde 1] het volgende letsel beschreven:

  • -

    twee krasverwondingen op de rechter onderarm en linker buik;

  • -

    een snij verwonding op de linkerzijde van het hoofd regio slaap;

  • -

    een matig diepe steekverwonding op de rechter onderarm;

  • -

    een zeer diepe steekverwonding in de linker okselplooi met een begeleidende

veneuze bloeding.

Verder heeft deze arts gerapporteerd dat het letsel met een mes met zowel een snijdende en

stekende eigenschap kan zijn toegebracht. Gezien het letsel is er minimaal vier keer gestoken c.q. gesneden c.q. gekrast. De krasverwondingen op buik en rechter onderarm, de snijwond op de linkerzijde van het hoofd en de matig diepe steekverwonding in het verlengde van de krasverwonding op de rechter onderarm passen eerder bij een afweer van het slachtoffer op het mes van de verdachte, dan dat het slachtoffer zich actief in het mes heeft geslagen.

De zeer diepe steekverwonding in de linker okselplooi past bij een met zeer veel kracht ingebracht mes in de okselplooi. Wanneer slachtoffer zichzelf in het mes zou hebben geslagen, moet degene die het mes in de hand had, dit zeer stevig hebben vastgehouden, waarbij een stekende beweging is gemaakt in de linker okselplooi. Het is zeer aannemelijk dat er sprake is geweest van een actief stekende beweging van de dader in plaats van een passief in een mes vallende beweging door het slachtoffer 7.

Verdachte heeft bij de behandeling van de zaak door het hof ter terechtzitting van 16 mei 2018 verklaard, dat hij bij het café/theehuis was en dat aangevers hem uitnodigden voor een gesprek. Verdachte is met hen meegegaan. Verdachte verklaarde dat hij vervolgens werd geslagen en geschopt door aangevers, dat hij, terwijl hij werd geslagen en geschopt, naar de overkant van de straat is gekropen naar een fiets die bij een lantaarnpaal stond. Daar aangekomen heeft hij de fiets als dekking gebruikt en heeft hij uit zijn rechter broekzak (voorzijde) een mes gepakt. Dit mes heeft hij gebruikt ter afschrikking van zijn belagers, aldus verdachte.

Ter terechtzitting heeft verdachte aangegeven het mes in zijn rechterhand te hebben vastgehouden. Dat is zowel het geval geweest toen hij op zijn knieën op de grond zat als in een situatie waarbij hij op korte afstand tegenover een van de aangevers stond. In laatstgenoemde situatie hield hij het mes met de punt van het mes naar voren gericht. Verdachte heeft verder verklaard dat hij het mes gebruikte om zich te verdedigen, dat hij daarbij zig- zagbewegingen maakte met het mes en dat hij daarbij mogelijk aangevers heeft geraakt met het mes.

Tevens heeft verdachte eerder verklaard dat het gevecht tussen hem en aangever zo’n 15 tot 20 minuten duurde. Ter zitting van het hof heeft verdachte over dat genoemde tijdsverloop nog wel opgemerkt, dat dit niet juist is weergegeven Verdachte heeft willen aangeven dat een incident als hier aan de orde in de beleving van een slachtoffer als veel langer wordt ervaren dan deze in werkelijkheid is.

Verdachte heeft zich twee dagen na het voorval gemeld bij de politie en hij heeft daar zijn verwondingen laten zien. Beschreven is dat hij op zijn knokkels van zijn rechterhand schaafverwondingen had. Op zijn linkerhand was een kras te zien. Op zijn linker onderarm en linker bovenarm waren in totaal drie krassen te zien en verdachte heeft verklaard dat hij last had van zijn achterhoofd. Verder heeft hij verklaard dat twee tanden los zaten en dat hij wat schade had aan de binnenkant van zijn bovenlip 8

Beoordeling

Het hof merkt op, evenals de verdediging, dat de verklaringen van aangevers op enkele ondergeschikte onderdelen tegenstrijdigheden bevatten, echter in de kern -en op essentiële punten- ondersteunen de verklaringen van beide aangevers elkaar. Ook stelt het hof vast dat de verklaringen van de aangevers zeer goed passen bij de bij hen door de forensisch arts geconstateerde letsels en de door hem daaraan verbonden conclusies met betrekking tot de meest aannemelijk geachte toedracht.

Het hof heeft derhalve geen reden om aan de betrouwbaarheid van de door beide aangevers afgelegde verklaringen te twijfelen en neemt die verklaringen tot uitgangspunt bij de vaststelling van de feitelijke gang van zaken.

Het hof stelt in dit verband vast dat verdachte over meerdere, voor deze zaak essentiële, onderdelen van het voorval juist wisselende en ook tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd. De verklaringen van verdachte komen bovendien op van belang zijnde onderdelen niet of nauwelijks overeen met de verklaringen van de vele in deze zaak gehoorde getuigen. Geen van de getuigen heeft namelijk verklaard dat het incident tussen verdachte en aangevers minutenlang duurde en ook is bijzonder opvallend – gelet op de prominente rol die dit onderdeel in verdachtes verklaring heeft – dat geen van de getuigen heeft verklaard over het kruipen van verdachte naar de fiets/lantaarnpaal.

Ter terechtzitting van het hof heeft verdachte -voor het eerst- verklaard dat hij op het moment dat hij door de aangevers werd belaagd en aangevallen om hulp heeft geroepen.

Het hof stelt vast dat ook daarover door geen van de getuigen is verklaard, terwijl dit in de gegeven situatie – het incident speelde zich op relatief korte afstand af van het café – voor de hand zou liggen.

Ook stelt het hof vast dat het bij verdachte geconstateerde relatief geringe letsel niet kan passen bij de door hem afgelegde verklaringen. Het is onaannemelijk dat iemand die – op de wijze zoals verdachte heeft beschreven – minutenlang vrijwel continu door aangevers zou zijn geschopt en geslagen, op alle mogelijke plekken van het lichaam, niet ten minste diverse blauwe plekken, bloeduitstortingen en/of zwellingen zou hebben.

Uit het voorgaande leidt het hof af dat verdachte en beide aangevers op enig moment van het café/theehuis wegliepen. Aangever [benadeelde 1] gaf verdachte vrij kort hierna een duw waarop verdachte een mes pakte, waarmee hij de verwondingen bij de aangevers heeft toegebracht. Door minimaal tien keer met veel kracht te steken en te snijden en daarbij, onder meer, zeer diepe steekwonden toe te brengen aan aangevers, op plaatsen waar steekwonden in beginsel dodelijk kunnen zijn, waren de handelingen van verdachte naar de uiterlijke verschijningsvorm daarvan zo zeer gericht op het doden van beide aangevers, dat daaruit het opzet op dat gevolg – het overlijden van aangevers – van verdachte blijkt. Dat aangevers uiteindelijk niet zijn komen te overlijden, is niet aan verdachte te danken geweest,.

Op grond van de hiervoor vastgestelde feiten en omstandigheden is het hof van oordeel dat het door verdachte geschetste alternatieve scenario niet aannemelijk is geworden en overweegt ten aanzien van het beroep op noodweer c.q. noodweerexces in het bijzonder nog als volgt.

Het hof gaat er vanuit dat het slaan door aangevers van verdachte slechts plaatsvond uit zelfverdediging, als reactie op het trekken van het mes door verdachte. Zoals eerder overwogen, heeft het hof geen reden aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van aangevers te twijfelen, ook niet op dit punt.

De enkele duw door aangever [benadeelde 1] , waarvan niet is gebleken dat verdachte daardoor ten val is gekomen en/of daarvan letsel of pijn heeft ondervonden, is onvoldoende om te kunnen spreken van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding waartegen verdediging noodzakelijk was.

Zelfs als die enkele duw al zou kunnen worden aangemerkt als een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding, dan heeft verdachte in ieder geval door het gebruik van een mes en de wijze van dit gebruik, de grenzen van de noodzakelijke verdediging (subsidiariteit en proportionaliteit) ver overschreden.

Derhalve is geen sprake geweest van een noodweersituatie. Nu geen sprake is van een noodweersituatie wordt ook niet voldaan aan de vereisten voor noodweerexces. Het verweer wordt dan ook verworpen.

Ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde:

[benadeelde 1] heeft verklaard dat hij en [benadeelde 2] na het steekincident samen zijn weggerend richting

de moskee. Tijdens het rennen hoorde [benadeelde 1] verdachte schreeuwen: “Ik maak jullie dood,

ik maak jullie dood”. Na een tijdje zag [benadeelde 1] een grijze auto aankomen waar verdachte uit

sprong en schreeuwde: ‘Kom hier, ik ga schieten” 9.

[benadeelde 2] heeft deze woorden niet gehoord, maar heeft wel bevestigd dat hij en [benadeelde 1] na het

steekincident samen richting de moskee zijn gerend en dat verdachte uit een auto stapte en

dingen riep 10. Bij de rechter-commissaris heeft hij verklaard dat verdachte riep “Ik maak

jullie af’, dat hij iets in zijn hand had en naar hen toe rende 11.

Verdachte heeft verklaard dat aangevers na het incident rennend zijn weggegaan. Hij is toen

8 à 10 meter achter hen aangegaan en heeft geluid gemaakt om hen weg te jagen. Hij heeft mondeling wat gezegd. Ook heeft hij in de auto gezeten richting de moskee en heeft toen weer wat gezegd 12. Hoewel hij bij de politie heeft verklaard op dat moment niet uit de auto te zijn geweest, heeft verdachte ter zitting van de rechtbank verklaard dat hij op die momenten wel vier keer uit de auto is geweest 13.

Beoordeling

Gelet op de verklaring van [benadeelde 1] en op de bevestiging op onderdelen daarvan door [benadeelde 2] en verdachte acht het hof de onder 3 tenlastegelegde bedreiging bewezen.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel – ook in onderdelen – slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 primair, 2 primair en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

feit 1 primair:
hij op of omstreeks 18 juni 2017 te Arnhem, gemeente Arnhem,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om een persoon

genaamd [benadeelde 1] opzettelijk van het leven te beroven, door die [benadeelde 1] :

- eenmaal of meermalen met een mes , althans met een scherp en/of puntig

voorwerp, te steken en/of te snijden in de (boven- en /of onder- ) arm ( en), in

elk geval in/tegen/op het lichaam van die [benadeelde 1] , en /of

- eenmaal of meermalen met een mes , althans met een scherp en/of puntig

voorwerp, te steken en/of te snijden in het gezicht , in elk geval in/tegen/op

het lichaam van die [benadeelde 1] ,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

feit 2 primair:
hij op of omstreeks 18 juni 2017 te Arnhem, gemeente Arnhem,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s),

voorgenomen misdrijf om een persoon, genaamd [benadeelde 2] ,

opzettelijk van het leven te beroven, door die [benadeelde 2] :

- eenmaal of meermalen met een mes , althans met een scherp en/of puntig

voorwerp, te steken en/of te snijden in en/of rondom de buik(streek) , in elk

geval in/tegen/op het lichaam van die [benadeelde 2] en /of

- eenmaal of meermalen met een mes , althans met een scherp en/of puntig

voorwerp, te steken en/of te snijden in de ( linker ) schouder (s) en/of de rug ,

in elk geval in/tegen/op het lichaam van die [benadeelde 2] en /of

- eenmaal of meermalen met een mes , althans met een scherp en/of puntig

voorwerp, te steken en/of te snijden in de/ het ( linker ) be ( e ) n (en) ,

in elk geval in/tegen/op het lichaam van die [benadeelde 2] ;

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

feit 3:
hij op of omstreeks 18 juni 2017 te Arnhem, gemeente Arnhem,

[benadeelde 1] en /of [benadeelde 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven

gericht, althans met zware mishandeling,

immers heeft verdachte opzettelijk dreigend (in de Turkse Taal) geschreeuwd:

“Ik maak jullie dood, ik maak jullie dood” en /of “Kom hier, ik ga schieten”,

althans woorden van soortgelijke (dreigende) aard of strekking.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 primair en 2 primair bewezen verklaarde levert op:

telkens: Poging tot doodslag.

Het onder 3 bewezen verklaarde levert op:

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu ook overigens geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De rechtbank heeft verdachte conform de eis van de officier van justitie veroordeeld tot 6

jaar gevangenisstraf met aftrek. De advocaat-generaal heeft in hoger beroep gevorderd dat

verdachte tot eenzelfde straf zal worden veroordeeld als hem in eerste aanleg is opgelegd.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan, en op grond van de persoon van verdachte. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zonder een in rechte te rechtvaardigen reden krachtig met een mes ingestoken op beide aangevers. Daarbij heeft hij hen diepe en potentieel dodelijke steekwonden toegebracht. Nadat aangevers in doodsangst waren weggerend, is verdachte, in een auto, zelfs nog achter hen aangegaan en heeft hij hen vervolgens verbaal met de dood bedreigd. Beide aangevers hebben gerend voor hun leven. Gelet op het ernstige steekletsel, dat gepaard ging met fors bloedverlies, hadden zij makkelijk het leven kunnen laten.

Door het adequate handelen van derden hebben aangevers het uiteindelijk overleefd.

Het handelen van verdachte getuigt van een totaal gebrek aan respect voor het leven van anderen. Voor buitengewoon ernstige feiten als de onderhavige, die voor de direct betrokkenen, degenen die als getuigen ter plaatse onvrijwillig daarbij aanwezig waren, maar ook voor de samenleving zeer schokkend zijn, kan slechts een langdurige vrijheidsbenemende straf in aanmerking komen.

Bij de straftoemeting heeft het hof kennisgenomen van het ten name van verdachte staand uittreksel Justitiële Documentatie, waaruit blijkt dat hij first-offender is.

Er is niet gebleken van persoonlijke omstandigheden van verdachte waaraan een relevant strafverminderend effect kan worden toegekend.

Met name gelet op de bijzondere ernst van het onder 1 primair en 2 primair bewezenverklaarde is het hof van oordeel dat, anders dan door de rechtbank is opgelegd en door de advocaat-generaal is gevorderd, aan verdachte een zwaardere straf – als na te melden – dient te worden opgelegd. Het hof heeft daarbij mede betrokken dat ten aanzien van aangever [benadeelde 2] geldt dat uit het onderzoek naar voren is gekomen dat een persoon (de lange man) zich heeft bemoeid met de situatie en hem daarbij op enig moment van achteren heeft vastgepakt/vastgehouden, waarbij hij nog weerlozer was tegen over verdachte, die hem ook op dat moment nog met een mes heeft belaagd.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 5.671,--. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 1.725,--. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep niet opnieuw gevoegd. Het hof heeft in hoger beroep te oordelen over de gevorderde schadevergoeding voor zover deze in eerste aanleg is toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 primair bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 7.911,--. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 2.225,--. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep niet opnieuw gevoegd. Het hof heeft in hoger beroep te oordelen over de gevorderde schadevergoeding voor zover deze in eerste aanleg is toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 2 primair bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 45, 57, 285 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2 primair en 3 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 primair, 2 primair en 3 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 1] ter zake van het onder 1 primair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 1.500,-- (éénduizend vijfhonderd euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op 225,-- (tweehonderdvijfentwintig euro).

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 1] , ter zake van het onder 1 primair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 1.500,-- (éénduizend vijfhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 25 (vijfentwintig) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 18 juni 2017.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 2] ter zake van het onder 2 primair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 2.000,-- (tweeduizend euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op 225,-- (tweehonderdvijfentwintig euro).

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 2] , ter zake van het onder 2 primair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 2.000,-- (tweeduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 30 (dertig) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 18 juni 2017.

Aldus gewezen door

mr. H. Heins, voorzitter,

mr. B.J.J. Melssen en mr. M.C.J. Groothuizen, raadsheren,

in tegenwoordigheid van G. Heeres, griffier,

en op 30 mei 2018 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. M.C.J. Groothuizen is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

Proces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van het gerechtshof van 30 mei 2018.

Tegenwoordig:

mr. A.J. Smit, voorzitter,

mr. H. Dijkstra, advocaat-generaal,

mr. S.H. Diepeveen, griffier.

De voorzitter doet de zaak uitroepen.

De verdachte is niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.

De voorzitter spreekt het arrest uit.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.

1 zie de stukken van het voorbereidend onderzoek, opgemaakt door de Politie Eenheid Oost-Nederland, Districtsrecherche Gelderland-Midden, proces-verbaalnummer 20170705.1200 en de verhoren van de door de rechter-commissaris in de rechtbank Gelderland gehoorde getuigen.

2 zie het proces-verbaal aangifte, proces-verbaalnummer PL0600-2017279346-1 (blz. 73 e.v.), gesloten op 18 juni 2017, door [verbalisant 1] , brigadier van politie, en [verbalisant 2] , inspecteur van politie.

3 een schriftelijk bescheid, zijnde een letselverklaring (blz. 268 e.v.), opgemaakt op 28 juli 2017 door [naam] , forensisch arts VGGM Arnhem;

4 zie het proces-verbaal aangifte, proces-verbaalnummer PL0600-2017278692-1 (blz. 79 e.v.), gesloten op 18 juni 2017, door [verbalisant 2] , inspecteur van politie, en [verbalisant 1] , brigadier van politie.

5 zie het proces-verbaal van verhoor aangever, proces-verbaalnummer PL0600-2017278692-13 (blz. 87 e.v.), gesloten op 19 juni 2017, door [verbalisant 3] , aspirant van politie, en [verbalisant 4] , brigadier van politie.

6 zie het door de rechter-commissaris opgemaakt proces-verbaal getuigenverhoor van de op 24 oktober 2017 door [benadeelde 2] afgelegde verklaring,

7 een schriftelijk bescheid, zijnde een letselverklaring (blz. 275 e.v.), opgemaakt op 28 juli 2017 door [naam] , forensisch arts VGGM Arnhem.

8 zie het proces-verbaal verhoor verdachte, proces-verbaalnummer PL0600-2017278692-22 (blz. 168 e.v.), gesloten op 20 juni 2017, door [verbalisant 5] , aspirant van politie, en [verbalisant 6] , hoofdagent van politie.

9 zie het proces-verbaal aangifte, proces-verbaalnummer PL0600-2017278692-1 (blz. 79 e.v.), gesloten op 18 juni 2017, door [verbalisant 2] , inspecteur van politie, en [verbalisant 1] , brigadier van politie.

10 zie het proces-verbaal aangifte, proces-verbaalnummer PL0600-2017279346-1 (blz. 73 e.v.), gesloten op 18 juni 2017, door [verbalisant 1] , brigadier van politie, en [verbalisant 2] , inspecteur van politie.

11 zie het door de rechter-commissaris opgemaakt proces-verbaal getuigenverhoor van de op 24 oktober 2017 door [benadeelde 2] afgelegde verklaring.

12 zie het proces-verbaal verhoor verdachte, proces-verbaalnummer PL0600-2017278692-30 (blz. 176 e.v.), gesloten op 22 juni 2017, door [verbalisant 5] , aspirant van politie, en [verbalisant 7] , inspecteur van politie.

13 zie het proces-verbaal ter terechtzitting van de rechtbank van 12 december 2017.