Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:4962

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
30-05-2018
Datum publicatie
13-06-2018
Zaaknummer
WAHV 200.180.955
Rechtsgebieden
Strafprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De brief van de betrokkene die is ontvangen door de CVOM op 13 augustus 2014 kan niet worden aangemerkt als beroepschrift tegen de inleidende beschikking. De betrokkene heeft in deze brief niet ondubbelzinnig en zonder voorbehoud kenbaar gemaakt dat hij beroep instelt. De inleidende beschikking kan echter niet in stand blijven en wordt vernietigd. De brief van de betrokkene van 17 december 2014 is aangemerkt als administratief beroepschrift, maar bevindt zich niet in het dossier en is niet te achterhalen bij de rechtbank of de CVOM.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 200.180.955

30 mei 2018

CJIB 182808768

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

zittingsplaats Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank Noord-Holland

van 23 november 2015

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [A] ,

voor wie als gemachtigde optreedt [B] ,

kantoorhoudende te [C] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie genomen beslissing ongegrond verklaard. Voorts heeft de kantonrechter het verzoek van de betrokkene tot vergoeding van kosten afgewezen.

Het procesverloop

De gemachtigde van de betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld. Tevens is verzocht om vergoeding van kosten.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen. Hiervan is geen gebruik gemaakt.

De gemachtigde van de betrokkene heeft bij brief van 29 oktober 2017 aanvullende gronden ingediend.

Beoordeling

1. De kantonrechter heeft geoordeeld dat de ongedateerde brief van de betrokkene van augustus 2014 geen administratief beroepschrift is en dat eerst met de brief van 17 december 2014 administratief beroep is ingesteld.

2. De gemachtigde voert aan dat de kantonrechter ten onrechte de ongedateerde brief van de betrokkene van augustus 2014 niet als administratief beroepschrift heeft aangemerkt. De betrokkene kwalificeert niet als juridisch onderlegd persoon. Gelet op de formulering van het onderwerp in de brief, te weten: bezwaarschrift in 1e termijn, en omdat hierin wordt verzocht om een nadere termijn voor de indiening van het bezwaar, had deze brief als administratief beroepschrift moeten worden aangemerkt.

3. Het beroep tegen de inleidende beschikking dient te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen een termijn van zes weken. Deze termijn vangt aan op de dag na die waarop de beschikking aan de betrokkene is toegezonden.

4. Blijkens de gedingstukken is de inleidende beschikking op 21 juli 2014 aan de betrokkene toegezonden. De beroepstermijn eindigde derhalve op 1 september 2014.

5. Het dossier bevat een ongedateerde brief van de betrokkene die door de CVOM op 13 augustus 2014 is ontvangen. In deze brief staat dat de betrokkene overweegt om bezwaar te maken en verzoekt om stukken op grond van de Wet openbaarheid van bestuur. Verder verzoekt de betrokkene een nieuwe termijn voor indiening van zijn bezwaarschrift.

6. Naar het oordeel van het hof kan deze brief, gelet op de gebruikte bewoordingen, niet worden aangemerkt als beroepschrift tegen de inleidende beschikking. De betrokkene heeft in deze brief niet ondubbelzinnig en zonder voorbehoud kenbaar gemaakt dat hij beroep instelt. Daaraan kan niet afdoen dat als onderwerp "bezwaarschrift in 1e termijn" is vermeld en dat wordt verzocht om een nieuwe termijn voor de indiening van zijn bezwaar.

7. De kantonrechter heeft dan ook terecht deze brief niet opgevat als beroepschrift.

8. De kantonrechter heeft, evenals de officier van justitie (zoals blijkt uit het ingediende verweerschrift bij de kantonrechter), een brief van 17 december 2014 van de betrokkene aangemerkt als administratief beroepschrift. Deze brief bevindt zich echter niet in het dossier van het hof. Deze brief is ook niet meer te achterhalen bij de rechtbank of de CVOM.

9. Nu het tegen de inleidende beschikking gerichte beroepschrift ontbreekt, kan het hof niet beoordelen of de kantonrechter een juiste beslissing heeft genomen op het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie die op dat beroepschrift heeft beslist. Bij deze stand van zaken kan de inleidende beschikking niet in stand blijven. De beslissing van de kantonrechter en - met gegrondverklaring van het beroep daartegen - de beslissing van de officier van justitie evenals de inleidende beschikking worden daarom vernietigd. Het tot zekerheid gestelde bedrag moet worden gerestitueerd. De overige bezwaren van de gemachtigde behoeven hierop gelet geen bespreking.

10. Verzocht is om vergoeding van kosten voor rechtsbijstand. Deze kosten, die zijn gemaakt in de procedure bij de kantonrechter en in hoger beroep, komen voor vergoeding in aanmerking. Aan het indienen van het beroepschrift bij de kantonrechter, de nadere toelichting op dat beroep en het hoger beroepschrift dienen in totaal tweeënhalve punten te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt € 501,- en gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 626,25.

Beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter;

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt de beslissing van de officier van justitie en de inleidende beschikking waarbij onder CJIB-nummer 182808768 de administratieve sanctie is opgelegd;

bepaalt dat hetgeen door de betrokkene tot zekerheid is gesteld door de advocaat-generaal aan hem wordt gerestitueerd;

veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene, ter hoogte van € 626,25.

Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Stoop als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.