Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:4913

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
23-05-2018
Datum publicatie
01-06-2018
Zaaknummer
17/01147
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2017:5075, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Cassatie: ECLI:NL:HR:2019:1317
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

IB/PVV. Inkomsten uit hennepkwekerij? Vermoeden van onschuld. Verband met strafprocedure. Bewijs.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2018/1161
Viditax (FutD), 01-06-2018
FutD 2018-1482
V-N 2018/44.1.5
Viditax (FutD), 13-09-2019
NTFR 2018/1327
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

locatie Arnhem

nummer 17/01147

uitspraakdatum: 23 mei 2018

Uitspraak van de vijfde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 3 oktober 2017, nummer AWB 16/2857, ECLI:NL:RBGEL:2017:5075, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Utrecht (hierna: de Inspecteur)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De Inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2012 een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 77.862. Aan belastingrente is daarbij een bedrag berekend van € 2.297.

1.2.

De Inspecteur heeft bij in één geschrift verenigde uitspraken op bezwaar de bezwaren ongegrond verklaard.

1.3.

Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.

1.5.

Partijen hebben het Hof bericht dat zij niet ter zitting zullen verschijnen. Het Hof heeft daarop het onderzoek gesloten.

2 Vaststaande feiten

2.1.

Belanghebbende staat vanaf 9 januari 2009 in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens ingeschreven op het adres [a-straat 1] te [Z] (hierna: de woning in [Z] ). Belanghebbende woont op dit adres met zijn partner en kinderen, die ook op dit adres staan ingeschreven. De eigendom van de woning berust bij de partner van belanghebbende. Voor deze woning is een hypothecaire geldlening van € 340.000 afgesloten.

2.2.

In de periode 25 maart 2002 tot 9 januari 2009 stond belanghebbende in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens ingeschreven op het adres [b-straat 2] te [A] . Belanghebbende is eigenaar van deze woning en van een garagebox op het adres [b-straat 2A] (hierna: de woning en garagebox in [A] ). Op de woning en garagebox in [A] rust een hypotheekschuld van € 210.000.

2.3.

Belanghebbende was in het onderhavige jaar in loondienst bij [B] BV. De looninkomsten bedroegen € 36.488.

2.4.

[In] 2013 heeft de Politie Utrecht (hierna: de politie) in een verlaagde ruimte achter de garage behorend bij de woning in [Z] een in werking zijnde hennepdrogerij aangetroffen met onder meer 4.502 gram henneptoppen. Daarnaast heeft de politie op dezelfde dag in de garage die via de woning in [A] toegankelijk was, een hennepkwekerij aangetroffen. Er was reeds geoogst. Op de vloer van de kweekruimte stonden 166 potten met resten van hennepplanten.

2.5.

Over de hennepdrogerij in de woning in [Z] heeft belanghebbende verklaard dat hij door mensen is benaderd die hem hebben gevraagd om hennep te drogen. Over de hennepkwekerij in de woning in [A] heeft belanghebbende aanvankelijk geen verklaring willen afleggen. Op 22 april 2013 heeft belanghebbende tegenover de politie verklaard dat hij de woning in [A] vanaf mei 2012 en de garagebox in [A] vanaf oktober 2012 heeft verhuurd aan een zekere [C] . Belanghebbende heeft bij de politie diverse bescheiden overgelegd die betrekking hebben op deze verhuur. Belanghebbende heeft verder verklaard dat hij in januari 2013 besloten had de woning in [A] te koop te zetten maar dat hij er toen achter kwam dat in de garage, die toegankelijk was via de woning, een hennepkwekerij aanwezig was. Na bedreigingen door de huurder en andere personen heeft hij met hen afgesproken dat de laatste oogst in zijn woning in [Z] zou worden gedroogd en dat de woning in [A] vervolgens zou worden hersteld. Aldus belanghebbendes verklaring tegenover de politie.

2.6.

De politie heeft nader onderzoek naar huurder [C] en de overgelegde bescheiden gedaan, hetgeen tot de conclusie heeft geleid dat vermoedelijk sprake is van identiteitsfraude en dat de door belanghebbende overgelegde documenten vals zijn.

2.7.

Belanghebbende heeft op 17 maart 2013 zijn aangifte IB/PVV voor het jaar 2012 ingediend, zonder daarin inkomsten uit de hennepdrogerij of –kwekerij te vermelden. Hij heeft de rente op de hypothecaire geldleningen ter zake van zowel de woning in [Z] als de woning in [A] als rente van schulden die behoren tot de eigenwoningschuld in aftrek gebracht. Aangifte is gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 16.558 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 4.717.

2.8.

De Inspecteur is in het kader van de gegevensuitwisseling tussen ketenpartners binnen het Convenant Aanpak Hennepteelt in kennis gesteld van de ontmanteling van de hennepdrogerij en –kwekerij in de woningen in [Z] en [A] . Hij heeft belanghebbende daarover bericht bij brief van 1 mei 2013 en tevens medegedeeld dat de inkomsten daaruit als inkomsten uit overige werkzaamheden in de aangifte IB/PVV 2012 moeten worden aangegeven. De Inspecteur heeft belanghebbende verder om nadere informatie verzocht. Belanghebbende heeft bij brief van 29 mei 2013, onder verwijzing naar zijn eerdere verklaringen bij de politie, geantwoord dat hij de woning en de garage in [A] heeft onderverhuurd, dat hij de gegevens over de huurder aan de politie heeft verstrekt, dat hij de huurinkomsten bij zijn aangifte in box 3 heeft verantwoord en dat hij verder geen inkomsten heeft gehad uit de hennepkwekerij.

2.9.

De verbalisant [D] heeft op 18 maart 2014 van zijn bevindingen een relaas proces-verbaal opgemaakt. Ook van de verhoren zijn processen-verbaal opgemaakt. Deze processen-verbaal behoren tot de gedingstukken. Op basis van het voornoemde proces-verbaal van 18 maart 2014 heeft [D] op 18 maart 2014 een “rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij” opgemaakt. Hij is ervan uitgegaan dat in de woning in [A] vijf oogsten van 166 hennepplanten hebben plaatsgevonden in de periode van 30 januari 2012 tot 14 januari 2013. De in de hennepdrogerij in de woning in [Z] aangetroffen henneptoppen zijn volgens belanghebbende afkomstig uit de hennepkwekerij in de woning in [A] . Omdat deze oogst in beslag is genomen, is voor de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel uitgegaan van vier oogsten. [D] heeft op basis van de normen van het zogenoemde BOOM-rapport de opbrengst van de vier oogsten berekend op € 60.470,08 en de kosten op € 8.828,88. Het wederrechtelijk verkregen voordeel is voor de periode 30 januari 2012 tot 14 januari 2013 berekend op € 51.641,20.

2.10.

Bij brieven van 19 augustus 2015 en 16 september 2015 heeft de Inspecteur belanghebbende bericht dat van de aangifte wordt afgeweken. De rente die betrekking heeft op de hypotheekschuld op de woning in [A] , zijnde een bedrag van € 9.663, wordt gecorrigeerd. Deze hypotheekschuld behoort niet tot de eigenwoningschuld. Daarnaast zal de Inspecteur het in het “rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij” vermelde bedrag van € 51.641 als resultaat uit overige werkzaamheden tot het belastbaar inkomen uit werk en woning rekenen. De aanslag is met dagtekening 2 oktober 2015 met inachtneming van deze correcties opgelegd.

2.11.

Belanghebbende is door de officier van justitie gedagvaard om [in] 2016 als verdachte ter terechtzitting van de politierechter te Utrecht te verschijnen. De dagvaarding behelsde (na wijziging) drie strafbare verwijten. Volgens het eerste tenlastegelegde feit zou belanghebbende in strijd met de Opiumwet kort gezegd [in] 2013 te [Z] opzettelijk 4502 gram henneptoppen hebben geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig hebben gehad. Volgens het tweede primair tenlastegelegde feit zou belanghebbende in strijd met de Opiumwet [in] 2013 in [A] , samen of alleen, opzettelijk 160 hennepplanten geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval aanwezig hebben gehad (in een garage van een pand aan het [b-straat 2] ) . Ten tweede subsidiair is tenlastegelegd dat belanghebbende [in] 2013 onbekend gebleven personen opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest, door aan die onbekend gebleven personen het pand aan het [b-straat 2] ter beschikking te stellen voor de teelt/het kweken van hennepplanten. De officier van justitie heeft geen ontnemingsvordering ingediend. Als derde strafbare feit is diefstal van elektriciteit te [A] [in] 2013 tenlastegelegd.

2.12.

Bij vonnis [in] 2016 van de politierechter is belanghebbende veroordeeld voor het medeplegen van het opzettelijk aanwezig hebben van 4502 gram henneptoppen in het pand aan de [a-straat 1] te [Z] . Daarnaast is hij veroordeeld voor de medeplichtigheid aan het opzettelijk telen van ongeveer 160 hennepplanten in de garage van het pand aan het [b-straat 2] te [A] , door aan onbekend gebleven personen dit pand voor de teelt/het kweken van hennepplanten ter beschikking te stellen. Tevens is belanghebbende veroordeeld voor het medeplegen van diefstal van elektriciteit. Belanghebbende is vrijgesproken van het tweede primair tenlastegelegde feit. Tegen deze beslissingen is geen hoger beroep ingesteld.

3 Geschil

3.1.

Tussen partijen is in geschil of de aanslag IB/PVV tot het juiste bedrag is opgelegd. Meer in bijzonder is in geschil of de Inspecteur terecht inkomsten uit hennepkwekerij tot het belastbaar inkomen uit werk en woning heeft gerekend. De correctie van de renteaftrek van € 9.663 is niet in geschil.

3.2.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de stukken.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, van de uitspraak op bezwaar en kennelijk tot vermindering van de aanslag tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 26.221 en dienovereenkomstige vermindering van de beschikking belastingrente.

3.4.

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Beoordeling van het geschil

Fiscale kader en oordeel strafrechter

4.1.

Het Hof stelt voorop dat volgens vaste jurisprudentie van de belastingkamer van de Hoge Raad heeft te gelden dat de belastingrechter niet is gebonden aan de feitenvaststelling door een strafrechter in een tegen belanghebbende gevoerde (onherroepelijk geworden) strafzaak ter zake van hetzelfde feitencomplex, noch aan enig oordeel van de strafrechter in die strafzaak. De belastingrechter dient zelfstandig een oordeel over het fiscale geschil te vormen.

4.2.

Naar aanleiding van het arrest Melo Tadeu heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 2 juni 2017, nr. 15/05179, ECLI:NL:HR:2017:958 evenwel het volgende overwogen:

“(…)

2.4.1

Uit de rechtspraak van het EHRM leidt de Hoge Raad af dat het in artikel 6, lid 2, EVRM neergelegde vermoeden van onschuld niet is beperkt tot procedures betreffende een ‘criminal charge’, maar zich kan uitstrekken tot een daarop volgende bejegening door een bestuurlijke autoriteit of gerechtelijke procedure die op zichzelf bezien niet onder de reikwijdte van artikel 6, lid 2, EVRM valt (zoals een procedure betreffende een belastingaanslag). In laatstbedoelde gevallen dient de belanghebbende te stellen en te bewijzen dat een voldoende band (‘link’) bestaat tussen de strafrechtelijke procedure en de latere bejegening door een bestuurlijke autoriteit of de latere gerechtelijke procedure. Een dergelijk verband is bijvoorbeeld aanwezig als die latere procedure een onderzoek vereist van de uitkomst van de eerdere strafrechtelijke procedure, in het bijzonder in een geval waarin die latere procedure de rechter dwingt tot een onderzoek van een strafrechtelijk oordeel, tot een heroverweging of beoordeling van het bewijs in het strafrechtelijk dossier, tot een oordeel over de deelname van de belanghebbende aan de gebeurtenissen die hebben geleid tot de eerdere ‘criminal charge’, of tot een oordeel over de bestaande aanwijzingen van mogelijke schuld van de belanghebbende. Het hiervoor bedoelde verband met artikel 6, lid 2, EVRM is niet beperkt tot de situatie waarin de strafrechtelijke procedure is geëindigd in een vrijspraak, maar kan ook aan de orde zijn indien het betreft belanghebbenden “in respect of whom criminal proceedings have been discontinued”. Vergelijk voor dit een en ander EHRM 12 juli 2013, nr. 25424/09, Allen tegen Verenigd Koninkrijk, ECLI:CE:ECHR:2013:0712JUD002542409, punten 92 tot en met 104.

2.4.2.

Uit de rechtspraak van het EHRM volgt tevens dat een strafrechtelijke vrijspraak niet eraan in de weg hoeft te staan dat in een latere gerechtelijke procedure de gedragingen waarvan de belanghebbende is vrijgesproken, als gevolg van minder strenge bewijsregels of op grond van aanvullend bewijs bewezen worden verklaard, mits de rechterlijke autoriteiten door hun optreden, de motivering van hun beslissing of de door hen gebruikte bewoordingen geen twijfel doen ontstaan over de juistheid van een vrijspraak van hetgeen de verdachte in de strafzaak werd verweten (vgl. HR 20 maart 2015, nr. 13/03959, ECLI:NL:HR:2015:643, BNB 2015/173, rechtsoverweging 2.6.6).

(…)”.

4.3.

Uit overweging 2.4.1. van voornoemd arrest volgt dat de stelplicht en de bewijslast van het verband tussen de onderhavige procedure en de strafprocedure rust op belanghebbende.

4.4.

Belanghebbende heeft in hoger beroep gesteld dat de Inspecteur het zorgvuldigheidsbeginsel heeft geschonden door enkel gegevens uit het strafrechtelijk onderzoek en het BOOM-rapport te gebruiken en vervolgens voorbij te gaan aan de vrijspraak van de politierechter voor het kweken van hennep en het niet starten van een ontnemingsprocedure op basis van hetzelfde onderzoek.

4.5.

Het Hof begrijpt het standpunt van belanghebbende aldus dat hij stelt dat er een ‘link’ bestaat tussen de tegen hem gevoerde strafrechtelijke procedure en de onderhavige fiscale procedure. Het Hof acht deze stelling aannemelijk en verwerpt het standpunt van de Inspecteur dat de strafprocedure en de daaruit voortvloeiende (gedeeltelijke) vrijspraak niet het jaar 2012 betreft. Het strafrechtelijk onderzoek is immers geheel gebaseerd op de invallen in de woningen in [Z] en [A] op 14 januari 2013, waarbij vervolgens een berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel is gemaakt over de voorafgaande periode die zich uitstrekt tot nagenoeg het hele jaar 2012. De door de Inspecteur toegepaste correctie voor het jaar 2012 van € 51.641 ter zake van vermeende inkomsten uit hennepteelt vindt louter haar grond in het strafrechtelijk onderzoek. Deze samenloop betekent dat het Hof in wezen is gehouden een onderzoek te verrichten naar de uitkomst van de eerdere strafrechtelijke procedure (een onderzoek van het strafrechtelijk oordeel en een beoordeling van het bewijs in het strafrechtelijk dossier).

4.6.

Het voorgaande leidt ertoe dat het vermoeden van onschuld van artikel 6, lid 2, EVRM ook geldt in de onderhavige belastingprocedure. Dit betekent niet dat het Hof niet op basis van andere bewijsregels of aanvullend bewijs tot een ander oordeel dan de strafrechter kan komen. Het Hof zal zich evenwel rekenschap ervan moeten geven dat het door zijn optreden, de motivering van de uitspraak of de gebruikte bewoordingen geen twijfel doet ontstaan over de juistheid van de (gedeeltelijke) vrijspraak van hetgeen belanghebbende in strafrechtelijke procedure is verweten.

Fiscale (bewijs)regels

4.7.

Ieder die door de inspecteur is uitgenodigd tot het doen van aangifte IB/PVV is – voor zover hier van belang – gehouden die aangifte te doen door de in de uitnodiging gevraagde gegevens duidelijk, stellig en zonder voorbehoud in te vullen, te ondertekenen en toe te zenden (artikel 8, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen; hierna: AWR).

4.8.

Wanneer deze aangifteverplichting niet wordt nagekomen door de belastingplichtige, wordt in een belastingprocedure de bewijslast omgekeerd en verzwaard (artikel 27e, van de AWR). Alsdan rust op de belastingplichtige de last om te doen blijken, dat wil zeggen overtuigend aan te tonen, dat de opgelegde aanslag onjuist is.

4.9.

Deze omkering en verzwaring van de bewijslast vindt ook plaats bij een aangifte die wezenlijke inhoudelijke gebreken vertoont, omdat ook dan niet kan worden gezegd dat de vereiste aangifte is gedaan.

4.10.

Voor de inkomstenbelasting geldt dat bij inhoudelijke gebreken in een aangifte slechts dan de vereiste aangifte niet is gedaan, indien aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast is vastgesteld dat sprake is van één of meer gebreken die ertoe leiden dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting verhoudingsgewijs aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. Tevens is vereist dat het bedrag van de belasting dat als gevolg van de hiervoor bedoelde gebreken in de aangifte niet zou zijn geheven, op zichzelf beschouwd aanzienlijk is. Inhoudelijke gebreken in de aangifte worden slechts in aanmerking genomen indien de belastingplichtige ten tijde van het doen van de aangifte wist of zich ervan bewust moest zijn dat daardoor een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting niet zou worden geheven. Ook dit moet worden vastgesteld aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast (vgl. HR 30 oktober 2009, nr. 07/10513, ECLI:NL:HR:2009:BH1083). Bij de beoordeling van een en ander moet worden uitgegaan van het te betalen bedrag aan belasting na verrekening van eventuele voorheffingen en heffingskortingen (vgl. HR 9 januari 2015, nr. 13/03820, ECLI:NL:HR:2015:17).

4.11.

Bij het bepalen van het resultaat komen niet in aftrek kosten en lasten die verband houden met misdrijven ter zake waarvan de belastingplichtige door een Nederlandse strafrechter bij onherroepelijke uitspraak is veroordeeld (artikel 3.14, eerste lid, aanhef en onderdeel d, van de Wet IB).

Beoordeling van het geschil

4.12.

De Inspecteur heeft zich op het standpunt gesteld dat belanghebbende niet de vereiste aangifte heeft gedaan, omdat hij de hypotheekschuld die betrekking heeft op de woning in [A] ten onrechte als eigenwoningschuld heeft aangemerkt en de verschuldigde rente ten onrechte ten laste van het belastbaar inkomen uit werk en woning (box 1) heeft gebracht. Volgens de Inspecteur wist belanghebbende dat de woning te [A] en de op de financiering van die woning betrekking hebbende schuld vermogensbestanddelen zijn waaruit inkomen uit sparen en beleggen wordt genoten (box 3) en waarvan de hypotheekrente niet in box 1 aftrekbaar is.

4.13.

Het Hof stelt voorop dat dit standpunt van de Inspecteur niet los kan worden gezien van diens standpunt dat belanghebbende resultaten uit overige werkzaamheden heeft genoten door in de woning te [A] een hennepkwekerij te exploiteren. Dit standpunt brengt mee dat kosten die verband houden met deze hennepteelt in beginsel ten laste van het resultaat daarvan kunnen worden gebracht. Hieronder vallen dan ook de rentelasten die betrekking hebben op de hypotheek van de woning in [A] . Anders dan de Inspecteur betoogt, vindt de aftrekbeperking van artikel 3.14, eerste lid, aanhef en onderdeel d, van de Wet IB, geen toepassing omdat belanghebbende door de strafrechter is vrijgesproken van het kweken of telen van hennep in de woning in [A] . In het door de Inspecteur voorgestane feitencomplex (belanghebbende gebruikte de woning in [A] voor hennepteelt) zijn aldus de rentelasten aftrekbaar, zodat niet aannemelijk is dat belanghebbende ten tijde van het doen van de aangifte wist of zich ervan bewust moest zijn dat door het in aftrek brengen van deze rentelasten een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting niet zou worden geheven. Het beroep van de Inspecteur op omkering van de bewijslast op deze grond faalt daarom.

4.14.

Het Hof zal ook ambtshalve beoordelen of artikel 27e van de AWR moet worden toegepast omdat belanghebbende tot een substantieel bedrag niet-aangegeven inkomsten uit een hennepkwekerij heeft genoten, zoals door de Inspecteur wordt gesteld.

4.15.

De Inspecteur heeft zich, ter onderbouwing van zijn standpunt dat belanghebbende inkomsten uit vier oogsten van de hennepkwekerij heeft genoten, beroepen op de bevindingen van het strafrechtelijk onderzoek. Daartoe behoren onder meer de verklaringen van belanghebbende en van [C] en de bevindingen van de verbalisanten die de woningen in [Z] en [A] op 14 januari 2013 zijn binnengetreden. De Inspecteur heeft zich tevens gebaseerd op het rapport “berekening wederrechtelijk verkregen voordeel uit hennepkwekerij”. De Inspecteur heeft bij het opleggen van de aanslag volstaan met het één op één overnemen van de bevindingen van de politie. Ook in de fase van bezwaar, beroep en hoger beroep heeft de Inspecteur zelf geen onderzoek verricht naar bijvoorbeeld de privé-uitgaven van belanghebbende.

4.16.

Naar het oordeel van het Hof kan uit de door de Inspecteur gestelde feiten zoals opgenomen in het relaas proces-verbaal het vermoeden worden geput dat belanghebbende in 2012 inkomsten uit een hennepkwekerij heeft genoten. Belanghebbende heeft echter gesteld dat hij de woning in [A] had verhuurd en dat de inkomsten uit de hennepkwekerij niet aan hem zijn toegekomen. Ter onderbouwing van zijn stellingen verwijst belanghebbende naar de verklaring die hij op 22 april 2013 heeft afgelegd bij de politie en naar de door hem overgelegde documenten met betrekking de verhuur van de woning en de garagebox in [A] , welke stukken eveneens behoren tot het relaas proces-verbaal. Met deze stellingen heeft belanghebbende naar het oordeel van het Hof het vermoeden van in 2012 genoten inkomsten uit de hennepkwekerij ontzenuwd, in die zin dat hij voldoende twijfel heeft gezaaid omtrent de juistheid van het vermoeden (vgl. HR 25 oktober 2002, nr. 36.898, ECLI:NL:HR:2002:AE9354).

4.17.

Uit het strafvonnis volgt naar het oordeel van het Hof dat de beslissingen van de politierechter naar aanleiding van de op basis van het strafrechtelijk onderzoek uitgebrachte dagvaarding, geen andere conclusie toelaten dan dat de strafrechter, anders dan de officier van justitie, ervan is uitgegaan dat belanghebbende, in ieder geval in januari 2013, niet zelf actief (als medepleger) bij de kweek en/of teelt en verkoop van hennep was betrokken, maar dat belanghebbende slechts de woning in [A] aan derden ter beschikking heeft gesteld. Mede gelet op dit oordeel van de strafrechter, in het bijzonder de vrijspraak voor het kweken/telen van hennep in de woning in [A] , op het feit dat belanghebbende niet is gedagvaard voor het kweken of telen van hennep in het jaar 2012 en geen ontnemingsprocedure is gestart ter zake van de vermeende opbrengsten uit vier oogsten in het jaar 2012 en op het feit dat de Inspecteur geen eigen onderzoek heeft verricht, komt het Hof, anders dan de Rechtbank, tot de conclusie dat de Inspecteur niet erin is geslaagd aannemelijk te maken dat belanghebbende in 2012 substantiële inkomsten uit de hennepkwekerij heeft genoten die door hem niet in zijn aangifte IB/PVV voor dat jaar zijn verantwoord. Voor omkering en verzwaring van de bewijslast bestaat derhalve geen grond.

4.18.

Ook anderszins acht het Hof de Inspecteur niet erin geslaagd om aannemelijk te maken dat belanghebbende in 2012 een bedrag van € 51.641 of een lager bedrag aan niet in de aangifte verantwoorde inkomsten heeft genoten. De correctie van de inkomsten uit hennepkwekerij moet daarom vervallen.

4.19.

De Inspecteur heeft in hoger beroep nog aangevoerd dat hij een beroep doet op interne compensatie omdat belanghebbende bij de politie en bij de politierechter heeft verklaard dat hij freelancewerkzaamheden heeft verricht, terwijl hij de inkomsten daaruit niet in zijn aangifte heeft verantwoord. Het Hof zal aan het beroep op interne compensatie voorbijgaan omdat het Hof uit het proces-verbaal van de zitting bij de Rechtbank afleidt dat de Inspecteur deze stelling onvoorwaardelijk heeft ingetrokken. De Inspecteur heeft ter zitting van de Rechtbank immers desgevraagd verklaard dat hij geen beroep doet op interne compensatie omdat hij dat eerder had moeten onderbouwen.

4.20.

Nu belanghebbende heeft erkend dat de rentelasten tot een bedrag van € 9.663 ten onrechte als rente van een eigenwoningschuld in aanmerking zijn genomen en het Hof niet aannemelijk acht dat deze rentelasten als negatief resultaat uit overige werkzaamheden in aanmerking moeten worden genomen, moet het belastbaar inkomen uit werk en woning worden vastgesteld op € 26.221 (€ 77.862 -/- € 51.641).

4.21.

Het hoger beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Belanghebbende heeft hiertegen geen zelfstandige grieven aangevoerd. Nu de aanslag wordt verminderd, moet ook de beschikking belastingrente dienovereenkomstig worden verminderd.

Slotsom
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep gegrond.

5 Griffierecht en proceskosten

Het Hof ziet aanleiding de Inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep heeft moeten maken. Het Hof stelt deze kosten overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 1.002 voor de kosten in eerste aanleg (2 punten (beroepschrift en bijwonen zitting  wegingsfactor 1  € 501) en € 501 voor de kosten in hoger beroep (1 punt (hogerberoepschrift)  wegingsfactor 1  € 501), ofwel in totaal op € 1.503. Het Hof ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de kosten van de bezwaarfase nu belanghebbende daar in bezwaar niet om heeft verzocht.

6 Beslissing

Het Hof:

– vernietigt de uitspraak van de Rechtbank,

– verklaart het beroep bij de Rechtbank gegrond,

– vernietigt de uitspraken op bezwaar,

– vermindert de aanslag tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 26.221,

– vermindert de beschikking belastingrente dienovereenkomstig,

– veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 1.503,

– gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht vergoedt, te weten € 46 in verband met het beroep bij de Rechtbank en € 124 in verband met het hoger beroep bij het Hof.

Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Linssen, voorzitter, mr. R.A.V. Boxem en mr. A.I. van Amsterdam, in tegenwoordigheid van mr. A. Vellema als griffier.

De beslissing is op 23 mei 2018 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

(A. Vellema) (I. Linssen)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 23 mei 2018

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH DEN HAAG.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.