Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:49

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
02-01-2018
Datum publicatie
13-04-2018
Zaaknummer
200.184.121
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Overeenkomst Rood-voor-Rood met gesloten beurs.

Uitleg artikel 5.1 Rood-voor-Rood overeenkomst;

tekortschieten in de nakoming ervan; aansprakelijkheid voor (vertragings-)schade.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.184.121

(zaaknummer rechtbank Overijssel C/08/142679 HA ZA 13-570)

arrest van 2 januari 2018

in de zaak van

de publiekrechtelijke rechtspersoon

Gemeente [plaats] ,

zetelend te [plaats] ,

appellante in het principaal hoger beroep,

geïntimeerde in het (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: de gemeente,

advocaat: mr. R.D. Boesveld,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[landbouwbedrijf] ,

gevestigd te [plaats] ,

geïntimeerde in het principaal hoger beroep,

appellante in het (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna: [landbouwbedrijf] ,

advocaat: mr. J.H. Niemans.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 18 april 2017 hier over.

1.2

Ter uitvoering van dat arrest heeft op 1 november 2017 een meervoudige comparitie van partijen plaatsgevonden.

1.3

Vervolgens heeft het hof arrest bepaald.

1.4

De gemeente vordert in het (principaal) hoger beroep – kort samengevat – vernietiging van de vonnissen van de rechtbank Overijssel van 22 oktober 2014, 25 februari 2015 en 14 oktober 2015 en afwijzing alsnog van de vorderingen van [landbouwbedrijf] , met veroordeling van [landbouwbedrijf] tot terugbetaling van hetgeen de gemeente uit hoofde van het eindvonnis van de rechtbank Overijssel van 14 oktober 2015 aan [landbouwbedrijf] heeft voldaan, alsmede in de kosten van het geding.

1.5

[landbouwbedrijf] voert verweer in het principaal hoger beroep en stelt in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep (wederom) dat de gemeente toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen, dat de opgetreden vertragingen veroorzaakt zijn door, althans voor rekening komen van de gemeente en dat de gemeente aansprakelijk is voor alle daaruit voortvloeiende schade, zoals o.a. de fiscale schade, de renteschade, het vermogensverlies door het opzeggen van de financiering en een kostenveroordeling in beide instanties.

1.6

De gemeente heeft in het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep verweer gevoerd.

2 De vaststaande feiten

Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in de rechtsoverwegingen 1.1 tot en met 1.11 van het bestreden tussenvonnis van 22 oktober 2014.

3 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

3.1

[landbouwbedrijf] heeft in eerste aanleg kort samengevat gevorderd dat de rechtbank voor recht verklaarde primair dat de gemeente toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst Rood-voor-Rood met gesloten beurs ( [straat] te [plaats] ) (hierna ook: de RvR-overeenkomst) en subsidiair dat de gemeente onrechtmatig heeft gehandeld jegens [landbouwbedrijf] , gezien de onnodige vertragingen en onzorgvuldigheden, alsmede zowel primair als subsidiair bepaalde dat de gemeente aansprakelijk is voor de bij [landbouwbedrijf] ontstane (vertragings-)schade, voor zover nodig nader op te maken bij staat en dat de gemeente het berekende bedrag aan de claim vennootschapsbelasting voor een bedrag van € 100.629,- diende te betalen, nu [landbouwbedrijf] niet binnen de geldende termijn heeft kunnen herinvesteren, het laatste bedrag vermeerderd met de wettelijke rente, een en ander met veroordeling van de gemeente in de buitengerechtelijke kosten ad € 5.000,- en de kosten van het geding.

3.2

De gemeente heeft in eerste aanleg gemotiveerd verweer gevoerd.

3.3

De rechtbank heeft bij vonnis van 22 oktober 2014 voorlopig geoordeeld dat de gemeente is tekortgeschoten in de nakoming van artikel 5.1, laatste zin van de

RvR-overeenkomst wat betreft de compensatiekavel aan [straat] (ong.) te [plaats] (hierna ook: [straat] ). Dat gold volgens de rechtbank in elk geval voor de termijn tussen het ter inzage leggen van het ontwerpbestemmingsplan en het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan.
De wettelijke termijn, die tussen partijen in de RvR-overeenkomst was

afgesproken, is, aldus de rechtbank, overschreden. Naar het voorlopig oordeel van de rechtbank gold dat (mogelijk) ook voor het voortraject (r.o. 15.1 tot en met 15.3). De gemeente heeft zich, naar het zich volgens de rechtbank liet aanzien, onvoldoende ingespannen om de planologische procedure zo spoedig mogelijk te starten en te doorlopen.

De lengte van de vertraging (en dus de vraag of ook in het voortraject al sprake is geweest van een tekortkoming in de nakoming) achtte de rechtbank van belang voor de hoogte van de schade. De rechtbank heeft daarop een comparitie van partijen gelast om zich nader te laten informeren over het tijdsverloop in en voorafgaand aan de partiële herzieningsprocedure.

Bij vonnis van 25 februari 2015 heeft de rechtbank [landbouwbedrijf] in de gelegenheid gesteld te bewijzen dat zijn bouwvergunningsaanvraag van 20 augustus 2009 voor de compensatiekavel aan [straat] (ong.)/ [straat] te [plaats] (hierna ook: [straat] ) is ingetrokken op verzoek van de gemeente. De rechtbank berekende de daaruit voortvloeiende vertraging op
7 maanden, welke vertraging, bij het slagen van het desbetreffende bewijs, aan de gemeente moest worden toegerekend. Voorts overwoog de rechtbank dat de aan de gemeente toe te rekenen vertraging in de ruimtelijke ordeningsprocedures voor wat betreft [straat] 10,5 maanden beloopt, zodat de door [landbouwbedrijf] gevorderde verklaring voor recht dat de gemeente toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de
RvR-overeenkomst toewijsbaar was.

Bij eindvonnis van 15 oktober 2015 ten slotte heeft de rechtbank geoordeeld dat [landbouwbedrijf] in de levering van het opgedragen bewijs was geslaagd. De rechtbank heeft vervolgens voor recht verklaard dat de gemeente toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de

RvR-overeenkomst en derhalve aansprakelijk is voor de ontstane (vertragings-)schade als hiervoor vermeld, nader op te maken bij staat. De gemeente is veroordeeld in de kosten van het geding. Het meer of anders gevorderde is door de rechtbank afgewezen, waaronder de claim vennootschapsbelasting.

5 De beoordeling van de grieven en de vordering

5.1

De gemeente kan zich met de vonnissen van de rechtbank Overijssel van
22 oktober 2014, 25 februari 2015 en 15 oktober 2015 niet verenigen en heeft daartegen hoger beroep ingesteld onder aanvoering van een achttal grieven. Het hof zal deze achtereenvolgens behandelen.

5.2

Met haar eerste grief voert de gemeente aan dat de rechtbank ten onrechte is teruggekomen op een bindende eindbeslissing in het tussenvonnis van 22 oktober 2014 over de voor de compensatiewoning aan [straat] gevolgde procedure, waarbij komt dat zij partijen ten onrechte niet in de gelegenheid heeft gesteld zich over haar daartoe strekkend voornemen uit te laten.

5.3

Aan deze grief ontbreekt in dit hoger beroep voldoende belang, nu de gemeente de onderliggende vraag, namelijk of de intrekking door [landbouwbedrijf] op 9 maart 2010 van haar bouwvergunningsaanvraag d.d. 20 augustus 2009 al dan niet voor rekening van de gemeente komt, in dit hoger beroep opnieuw aan de orde kan stellen en – met haar tweede grief – ook daadwerkelijk stelt. Deze grief zal het hof derhalve buiten verdere behandeling laten.

5.4

De gemeente stelt met haar grief 2 de kwestie van de intrekking van bedoelde bouwvergunningsaanvraag d.d. 20 augustus 2009 opnieuw aan de orde. Allereerst voert de gemeente aan dat de rechtbank door te overwegen dat de gemeente na indiening van de bouwvergunningsaanvraag niet nogmaals (kon) aanvoeren ‘dat het plan in strijd met de redelijke eisen van welstand is’ en dat de gemeente niet aan haar inspanningsverplichting heeft voldaan door ‘in de voorfase (…) niet alle welstandsproblemen aan te kaarten, maar [landbouwbedrijf] een bouwaanvraag te laten indienen die hij later weer moet intrekken’ in strijd met artikel 24 Rv buiten de door partijen getrokken grenzen van de rechtsstrijd zou zijn getreden. Bovendien zou de gemeente zich ook op dit punt niet hebben kunnen uitlaten.

5.5

Wat betreft hetgeen hiervoor onder 5.4 is vermeld, ontbreekt ook aan deze grief voldoende belang, nu deze problematiek in hoger beroep opnieuw kan worden behandeld en [landbouwbedrijf] voor zover noodzakelijk haar gronden en stellingen heeft aangevuld. Deze problematiek maakt derhalve in elk geval deel uit van de rechtsstrijd in hoger beroep. Ook deze grief zal het hof daarom in zoverre buiten verdere behandeling laten.

5.6

Voorts komt de gemeente met haar tweede grief materieel op tegen het oordeel van de rechtbank omtrent de toerekening van de vertraging in de ruimtelijke procedures betreffende [straat] , die als gevolg van de intrekking van de eerste bouwvergunningaanvraag ter plaatse is opgetreden. Zij voert aan dat er in de welstandscommissie voorafgaand aan de aanvrage van 20 augustus 2009 een drietal (ingevolge commentaar van de welstandscommissie achtereenvolgens gewijzigde) schetsontwerpen voor het beoogde bouwwerk zijn besproken. Het derde ontwerp werd, zo is ter gelegenheid van de meervoudige comparitie van partijen duidelijk geworden, besproken in de vergadering van de welstandscommissie d.d. 11 juni 2009, waarbij [X] , bouwkundig tekenaar, voor [landbouwbedrijf] aanwezig was. Uit productie H4 bij memorie van grieven blijkt, zo voert de gemeente aan, dat het plan slechter was geworden. Volgens de gemeente is vast te stellen dat ook voor de vervolgens op 1 september 2009 door haar ontvangen aanvraag, naar het hof begrijpt van 20 augustus 2009, gold dat de kritiek van de welstandscommissie op de eerdere schetsontwerpen op belangrijke punten van de zijde van [landbouwbedrijf] niet ter harte was genomen. [landbouwbedrijf] heeft er met de hiervoor bedoelde aanvraag dan ook zelf voor gekozen om ‘in eerste instantie een aanvraag om een bouwvergunning in te dienen voor een bouwplan, waarvan zij wist, of althans redelijkerwijs kon weten, dat daarvoor wegens strijd met de redelijke eisen van welstand geen vergunning zou kunnen worden verleend’. De vertraging die daardoor is ontstaan valt de gemeente, anders dan de rechtbank heeft overwogen, dan ook niet aan te rekenen, aldus nog steeds de gemeente.

5.7

[landbouwbedrijf] heeft bij memorie van antwoord gemotiveerd bestreden dat intrekking van de aanvrage van 20 augustus 2009 nodig was. Deze aanvraag werd, zo licht zij toe, ingediend ná oplossing van de welstandsproblemen en nadat de gemeente tegen [X] had gezegd dat het schetsontwerp voldoende was. Uit de tekening gevoegd bij de aanvraag van 20 augustus 2009 blijkt ogenblikkelijk, zo licht zij toe, dat die tekening conform de eerdere aanwijzingen van de welstandscommissie werd aangepast: de knik was uit het gebouw, de verbinding was aangepast, er was een zadeldak gekomen etc. Dat de stellingen van de gemeente niet houdbaar zijn, blijkt ook wel, zo voert zij aan, uit de beperkte wijzigingen bij de intrekking en het opnieuw indienen van het schetsontwerp. Zij betwist derhalve expliciet hetgeen ter zake door de gemeente is aangevoerd.

5.8

Het hof oordeelt als volgt.

Ter gelegenheid van de meervoudige comparitie van partijen is de onderhavige kwestie uitgebreid aan de orde gekomen. Het commentaar van de welstandscommissie van 11 juni 2009 vormde, zo heeft het hof uit het verhandelde afgeleid, voorafgaand aan de aanvraag van 20 augustus 2009, de laatste feedback van de welstandscommissie. Vaststaat dat tussen de tekening voor de aanvraag en de tekening gevoegd bij de aanvraag van 31 maart 2010 nog enig, zij het zeer beperkt verschil bestaat, met name wat betreft de dakbedekking van het (aangebouwde) bijgebouw. Zoals de rechtbank in haar tussenvonnis van 25 februari 2015 ook heeft overwogen, zit tussen de bouwaanvragen als zodanig (overigens) geen verschil en is alleen bij onderdeel 9a van de aanvraag (materiaal en kleurgebruik) één regel (handgeschreven) toegevoegd: ‘bijgebouw; materiaal pannen; kleur: rood of zwart’.

In eerste aanleg is vastgesteld dat de eerste aanvraag is ingetrokken op verzoek van de gemeente. Voor [X] was het blijkens zijn getuigenverklaring niet geheel duidelijk welke de precieze reden was voor het desbetreffende verzoek. Hij meende dat de reden was dat het nieuwe bestemmingsplan veel langer op zich liet wachten dan de bedoeling was. Als de aanvraag niet zou worden ingetrokken zou er volgens hem van rechtswege een vergunning ontstaan. ‘De aanvraag van maart 2010 week (volgens [X] , hof) niet af van de eerste aanvraag. (Hij, hof) kon hem immers gelijk indienen. Als er een kleine wijziging nodig is, bijvoorbeeld in de kleurstelling, hoef je geen nieuwe aanvraag in te dienen. Je kunt dat ook in aanvullende stukken wijzigen.’

Dat intrekking van de aanvraag van 20 augustus 2009 voor de vergunbaarheid van de aanvrage nodig was, is al met al niet komen vast te staan.

Zelfs indien daarvan sprake was heeft de gemeente, ook daarnaar ter gelegenheid van de comparitie van partijen in hoger beroep gevraagd, niet verklaard waarom zij met haar verzoek aan [X] (voor [landbouwbedrijf] ) gedurende de periode van 1 september 2009 (de datum waarop de aanvraag van 20 augustus 2009 kennelijk bij haar werd geregistreerd) tot in maart 2010 heeft gewacht. Volgens de eigen stellingen van de gemeente immers was bij de indiening van de aanvraag van 20 augustus 2009 kenbaar dat daarop geen vergunning kon worden verleend (zie de memorie van grieven onder 74). Zij had [landbouwbedrijf] daarop derhalve dadelijk, althans kort nadien kunnen – en ingevolge de RvR-overeenkomst ook moeten – wijzen, zoals door [landbouwbedrijf] ook is bepleit. Met de rechtbank is het hof derhalve van mening dat hier sprake is van een onnodige, voor rekening van de gemeente komende vertraging.

Het bewijsaanbod van de gemeente dat haar van de intrekking van de bouwvergunnings-aanvraag voor de compensatiewoning aan [straat] van 20 augustus 2009 geen verwijt kan worden gemaakt, zal het hof passeren, nu de gemeente haar desbetreffende verweer, zoals uit het voorgaande blijkt, zo al ter zake doende, onvoldoende heeft onderbouwd. Zij heeft geen (voldoende concrete) feiten aangevoerd, die, mits bewezen, tot een ander oordeel dienen te leiden.

Wat betreft het materiële gedeelte faalt grief 2 derhalve.

5.9

De gemeente bestrijdt met grief 3, in verband met de compensatiewoning aan [straat] , het oordeel van de rechtbank dat sprake is van een aan de gemeente toe te rekenen vertraging van vier maanden in de periode tussen november 2009 en het overleg met de provincie over de partiële herziening in maart 2010 (door de rechtbank aangemerkt als ‘fase 2’). Zij schrijft het termijnverloop toe aan de op 8 november 2009 genomen beslissing een bestemmingsplanprocedure te volgen. Alvorens het daarvoor benodigde overleg met de provincie te voeren, achtte zij onderzoek naar alternatieve locaties nog aangewezen, gelet op de bezwaren van omwonenden en agrariërs tegen de bouw van een compensatiewoning op het perceel aan [straat] . [landbouwbedrijf] wees aangedragen alternatieve locaties evenwel van de hand, waarop haar op 11 februari 2010 werd meegedeeld dat van provinciezijde in beginsel geen bezwaren tegen de compensatiewoning aan [straat] bestonden, alsmede welke stukken [landbouwbedrijf] ten behoeve van een op te stellen voorontwerpbestemmingsplan diende te overleggen.

De gemeente concludeert zich in de onderhavige periode voldoende te hebben ingespannen om de bouw van de onderhavige compensatiewoning planologisch mogelijk te maken.

5.10

[landbouwbedrijf] bestrijdt de motivering van de gemeente op dit punt. Zij licht toe dat er al veel eerder duidelijkheid bestond over het feit dat er aan [straat] geen sprake kon zijn van een artikel 19 lid 2 WRO (oud) procedure. Zij wijst op de notulen van de Raadscommissie Ruimte en Milieu van 20 oktober 2010 (productie 2 bij memorie van antwoord), waaruit blijkt dat voor B&W in september 2009 al duidelijk was dat, vanwege het onthouden van goedkeuring aan de kernrandzone, niet werd overgegaan tot het voeren van de artikel 19 lid 2 WRO (oud) procedure. Zij betwist (juridische) bezwaren tegen de bouw van de compensatiewoning. Zij heeft nimmer ingestemd met het zoeken naar alternatieve locaties, laat staan met opschorting van de procedures voor de compensatiewoning aan [straat] : zij had een afspraak met de gemeente en een afspraak met een koper ( [koper] ) voor die locatie, aan wie zij ( [landbouwbedrijf] en [koper] ) ook gebonden waren.

5.11

Het hof oordeelt als volgt.

Uit de notulen van de commissie Ruimte en Milieu van 20 oktober 2010 blijkt inderdaad dat er voor de gemeente in september 2009 al duidelijkheid bestond dat voor de planologische realisatie van de compensatiewoning aan [straat] , vanwege het onthouden van goedkeuring aan de kernrandzone, niet met een artikel 19 lid 2 WRO (oud) procedure zou kunnen worden volstaan. Tegelijkertijd heeft [landbouwbedrijf] zich, door de gemeente niet bestreden, beroepen op haar afspraak met de gemeente ten aanzien van de locatie van de tweede compensatiewoning aan [straat] en met [koper] ten aanzien van de verkoop daarvan. Waar [koper] ook niet naar een andere plek wilde uitwijken, zoals [landbouwbedrijf] heeft gesteld en de gemeente niet heeft weersproken, was het zoeken naar alternatieve locaties in die fase een gepasseerd station. Daarvan uitgaande had de gemeente vanaf september 2009 de mogelijkheid om, zo nog nodig, het overleg met de provincie op te starten en om [landbouwbedrijf] ter zake te informeren en om de aanlevering van benodigde gegevens te vragen en is het door de rechtbank aangenomen, met een en ander gepaard gaande verwijl in fase 2 van vier maanden (tot in maart 2010) voor rekening van de gemeente geenszins te ruim bemeten.

Grief 3 faalt derhalve.

5.12

De gemeente voelt zich blijkens haar vierde grief mede bezwaard door het oordeel van de rechtbank dat haar een verwijt gemaakt kan worden ter zake van het tijdsverloop tussen de aanbieding aan het college van B&W van het concept voorontwerp-bestemmingsplan voor de compensatiewoning aan [straat] op
22 februari 2011 en de vaststelling van het bestemmingsplan op 6 september 2011 (fase 5).

De gemeente is van mening dat een tijdsverloop van ongeveer zes en een halve maand tussen de aanbieding van het concept van het voorontwerpbestemmingsplan aan het college van B&W en de vaststelling van het ontwerpbestemmingsplan niet zodanig is dat moet worden geoordeeld dat de gemeente niet aan de op grond van de overeenkomst op haar rustende inspanningsverplichting heeft voldaan. Zij voert aan dat met de behandeling van de inspraakreacties de nodige tijd gemoeid zou zijn geweest, ook als de commissie Ruimte en Milieu in de vergadering van 13 april 2011 geen negatief advies aan B&W had uitgebracht.

5.13

[landbouwbedrijf] heeft daartegenover naar voren gebracht, dat er geen enkele reden was om over dit gedeelte van de procedure zo lang te doen. Zij wijst er in dit verband op dat de materie niet nieuw was evenmin als de locatie. Eenieder was bij de voorliggende fase en de gemaakte afspraken reeds betrokken. Het negatieve advies van de commissie, in weerwil van reeds gemaakte afspraken, veranderde daar niets aan. Derhalve heeft het dientengevolge stilleggen van de procedure met twee maanden tot onnodige, voor rekening van de gemeente komende vertraging geleid, aldus [landbouwbedrijf] . De gemeente diende de procedure voortvarend te doorlopen.

5.14

Het hof oordeelt als volgt.

Gelet op de afspraken tussen [landbouwbedrijf] en de gemeente, neergelegd in de RvR-overeenkomst tussen partijen, met de verplichting van de gemeente zich in te spannen om de planologische procedure zo spoedig mogelijk af te ronden, doch binnen de wettelijke termijn (artikel 5.1 van de RvR-overeenkomst), bestond voor de gemeente jegens [landbouwbedrijf] niet de vrijheid tot het opschuiven van de procedure met twee maanden als gevolg van de schermutselingen in de commissievergadering voor rekening van [landbouwbedrijf] . Het hof verwijst in dit verband mede naar hetgeen hierna onder 5.17 t/m 5.20 naar aanleiding van grief 5 zal worden overwogen. Een andere afweging aan de zijde van de gemeente komt in de verhouding tussen [landbouwbedrijf] en de gemeente voor rekening en risico van de gemeente.

Grief 4 faalt derhalve.

5.15

De gemeente voelt zich volgens grief 5 tevens bezwaard door het oordeel van de rechtbank over de periode tussen de ter inzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan op 16 september 2011 en de vaststelling door de gemeenteraad van het bestemmingsplan op
30 mei 2012 (fase 6). Hoewel tussen partijen, aldus de gemeente, niet ter discussie staat dat de wettelijke beslistermijn inderdaad met ongeveer 4,5 maand is overschreden, acht zij onjuist dat de termijnoverschrijding van de wettelijke beslistermijn volgens de rechtbank volledig aan de gemeente is toe te rekenen. Zij voert aan dat veel burgers en agrariërs met tal van argumenten bezwaar maakten tegen het planologisch mogelijk maken van een woning en dat de zienswijzen tegen het ontwerpbestemmingsplan zorgvuldig dienden te worden beantwoord, wat de nodige tijd vergde. Een termijn van 7,5 maand vanaf de ter inzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan is voor een en ander zeker niet ongebruikelijk, aldus de gemeente. De rechtbank legt artikel 5.1 laatste volzin van de RvR-overeenkomst buitendien onjuist uit, zo meent de gemeente. Naar haar mening is sprake van een inspanningsverbintenis, ook voor wat betreft het beslissen binnen de wettelijke termijn en niet van een resultaatsverbintenis. Zij leidt dit af uit zowel de bewoordingen van artikel 5.1 van de RvR-overeenkomst als uit de bedoelingen van partijen, zoals deze althans wat haar betreft voor de hand liggen en in de ruimtelijke ordeningspraktijk ook gebruikelijk zijn. Ook uit de correspondentie na de totstandkoming van de overeenkomst blijkt dat de gemeente is uitgegaan van ‘een tijdspad dat in de praktijk gebruikelijk is en niet slechts van de wettelijke termijnen’, aldus nog steeds de gemeente.

5.16

[landbouwbedrijf] wijst erop dat de gemeente zich er in de RvR-overeenkomst toe heeft verbonden zich ten aanzien van de gehele te doorlopen procedure in te spannen, ‘doch’ zij zou binnen de wettelijke termijnen blijven. Ook [landbouwbedrijf] beroept zich voor haar standpunt zowel op de bewoordingen van artikel 5.1: zo snel als mogelijk, maar in ieder geval binnen de wettelijke termijnen, als op de bedoeling daarmee van partijen. Het gaat hier naar haar mening om een resultaatsverplichting, waarvan de niet-nakoming, om welke reden dan ook, een toerekenbare tekortkoming van de gemeente oplevert. De wettelijke termijnen illustreren ook datgene wat de wetgever als redelijke buitengrens heeft gezien, aldus [landbouwbedrijf] , uitgaande van de meest complexe zaken. Van het laatste is volgens [landbouwbedrijf] overigens zeker geen sprake. Wat de gemeente als bij haar ‘gebruikelijk’ of ‘niet ongebruikelijk’ ziet, komt voor haar rekening. Door nu te wijzen op termijnen die kennelijk (uit een zekere gewoonte) worden overschreden, laat de gemeente zien dat zij haar verplichting zich in te spannen, niet zo serieus nam, aldus nog steeds [landbouwbedrijf] .

5.17

In verband met de uitleg van het in artikel 5.1 van de RvR-overeenkomst bepaalde stelt het hof het volgende voorop.

De vraag hoe in een schriftelijk contract de verhouding van partijen is geregeld en of dit contract een leemte laat die moet worden aangevuld, kan niet worden beantwoord op grond van alleen maar een taalkundige uitleg van de bepalingen van dat contract. Voor de beantwoording van die vraag komt het immers aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij kan mede van belang zijn tot welke maatschappelijke kringen partijen behoren en welke rechtskennis van zodanige partijen kan worden verwacht.

5.18

De overeenkomst is, zo is ter gelegenheid van de meervoudige comparitie van partijen van gemeentezijde vermeld, opgemaakt naar een door de gemeente gehanteerd model, waarin nog wijzigingen zijn aangebracht. Uit hetgeen in de processtukken dan wel ter zitting naar voren is gekomen, is het hof niet gebleken dat over de onderhavige passage tussen partijen is gesproken. De verhouding tussen de gemeente en [landbouwbedrijf] was in zoverre enigszins ongelijkwaardig dat [landbouwbedrijf] in hoge mate van de gemeente afhankelijk was voor de totstandkoming van de RvR-overeenkomst, waarop zij was aangewezen voor het welslagen van haar herinvestering, hetgeen de gemeente ook zonder meer duidelijk was dan wel kon zijn. Uit dien hoofde was snelheid voor [landbouwbedrijf] essentieel.

5.19

Artikel 5.1, laatste zin van de RvR-overeenkomst luidt als volgt:

‘(…) De gemeente spant zich in om de planologische procedure zo spoedig mogelijk af te ronden, doch binnen de wettelijke termijn.’

Naar de tekst ervan laat deze bepaling zich niet anders lezen dan dat de gemeente op zich nam de wettelijke termijnen niet te overschrijden, in zoverre als een resultaatsverbintenis dus. De toevoeging ‘doch binnen de wettelijke termijnen’ zou geen redelijke zin hebben als ter zake eveneens slechts van een inspanningsverbintenis sprake was. Ook het woord ‘doch’ duidt op een tegenstelling. De gemeente voert, zo begrijpt het hof, aan dat zij met de bepaling heeft bedoeld een voor haar geldende inspanningsverbintenis vast te leggen die inhield dat het bestemmingsplan binnen het gebruikelijke tijdspad zou worden vastgesteld (zie hiervoor onder 5.15). Zij heeft echter geen feiten en omstandigheden naar voren gebracht op grond waarvan het voor [landbouwbedrijf] duidelijk was dat in weerwil van de tekst van artikel 5.1 op de gemeente toch niet de verplichting rustte het bestemmingsplan binnen de wettelijke termijn vast te stellen. Dat de gemeente na het sluiten van de overeenkomst in correspondentie heeft verwezen naar dit gebruikelijke tijdspad is onvoldoende om daaruit de gezamenlijke partijbedoeling af te leiden dat het ook in dit opzicht slechts om een inspanningsverbintenis ging, althans dat [landbouwbedrijf] had moeten begrijpen dat de gemeente daarvan uitging.

5.20

De gemeente heeft de termijnoverschrijding op zichzelf niet bestreden. Ook heeft zij geen relevante redenen voor de termijnoverschrijding naar voren gebracht. De (enkele) insprekers met zienswijzen zijn in zoverre niet als buitensporig aan te merken. Het hof merkt bovendien op dat uit hetgeen de gemeente naar voren heeft gebracht ook geenszins voortvloeit dat zij zich heeft ingespannen voor een zo snel mogelijke voltooiing van de procedure, binnen de wettelijke termijnen. Zij is immers volgens haar eigen stellingen uitgegaan van ‘een gebruikelijk tijdspad’.

Het bewijsaanbod van de gemeente dat haar geen verwijt kan worden gemaakt van de duur van de voor de compensatiewoning aan [straat] doorlopen bestemmingsplanprocedure en/ of de voorbereiding ervan, zal het hof passeren, nu de gemeente haar desbetreffende verweer, zoals uit het voorgaande blijkt, zo al ter zake doende, onvoldoende heeft onderbouwd. Zij heeft geen (voldoende concrete) feiten aangevoerd die, mits bewezen, tot een ander oordeel dienen te leiden.

Grief 5 faalt derhalve.

5.21

Met grief 6 verzet de gemeente zich tegen de verwijzing van de zaak naar de schadestaatprocedure. Allereerst meent zij dat van een toerekenbare tekortkoming in de nakoming harerzijds geen sprake is. Voorts ontbreekt naar haar mening het causaal verband tussen haar handelen en de door [landbouwbedrijf] gestelde schade. Het kan naar haar mening niet (mede) aan haar worden toegerekend dat de Rabobank het aan [landbouwbedrijf] verstrekte krediet heeft opgezegd.

5.22

[landbouwbedrijf] houdt de gemeente aansprakelijk voor de schade die zij heeft geleden door de toerekenbare tekortkoming van de gemeente in de nakoming van de overeenkomst. De door [landbouwbedrijf] geleden schade is, naar zij stelt, het gevolg van vertraging veroorzaakt door de gemeente. Wat betreft het opzeggen van het krediet door de Rabobank ging het de bank erom dat er indertijd zoveel vertraging was opgelopen dat de bank op 3 juli 2012 kon schrijven dat de gemeente ‘politiek gevangen zat met deze kwestie’. Bovendien moet, aldus nog steeds [landbouwbedrijf] , niet uit het oog verloren worden dat het in die tijd nog alleszins onzeker was of de gemeente de procedure ten aanzien van [straat] wel zou winnen. Indien de gemeente alsnog in het ongelijk was gesteld, was [landbouwbedrijf] ‘terug bij af geweest’. De gemeente is, zo voert [landbouwbedrijf] verder aan, ook gewezen op de dreigende consequenties. [landbouwbedrijf] wijst er verder op dat zij de compensatie hard nodig had voor de herinvestering, hetgeen gegeven de vertraging onmogelijk werd.
Zij heeft dientengevolge, zo merkt zij in aanvulling op de onderbouwing en specificering in eerste aanleg van de door haar geleden schade nog op, voorts een aanzienlijke korting moeten geven aan de koper van het compensatieperceel aan [straat] , [koper] , welke korting als schade is aan te merken en tevens in causaal verband staat met de opgelopen vertraging.

5.23

Gegeven de opgetreden vertraging en het voor de gemeente kenbare belang van [landbouwbedrijf] bij spoed in verband met de herinvestering van [landbouwbedrijf] acht het hof de mogelijkheid van schade als vereist (en genoegzaam) voor verwijzing naar de schadestaatprocedure voorshands voldoende aannemelijk. Het hof wil een definitieve beoordeling van deze grief echter aanhouden, omdat het hof aanleiding ziet de beoordeling van de schade inclusief het voor toewijzing van een schadevergoedingsvordering benodigde causaal verband zelf af te doen. Het hof wil daartoe echter niet overgaan zonder partijen in de gelegenheid te stellen zich daarover bij akte uit te laten. Het hof zal partijen daarvoor de gelegenheid bieden.

5.24

Grief 7 betreffende de gevorderde verklaring voor recht dat de gemeente toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de RvR-overeenkomst, faalt gelet op het voorgaande.

5.25

Grief 8 betreffende de proceskostenveroordeling in eerste aanleg zal het hof, gelet op hetgeen hiervoor onder 5.23 is overwogen, aanhouden.

5.26

[landbouwbedrijf] heeft voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingesteld, voor het geval het hof de gemeente in het principaal hoger beroep geheel of gedeeltelijk in het gelijk zou stellen. Het hof zal de beoordeling van het incidenteel hoger beroep aanhouden.

6 De slotsom

6.1

Bij de grieven 1 en 2 (deels) heeft de gemeente geen belang. De grieven 2 (deels), 3 tot en met 5 en 7 falen. Het hof zal de zaak verwijzen naar de rol voor uitlating partijen, voor het eerst [landbouwbedrijf] , over het voornemen van het hof de schade, het causaal verband inbegrepen, zelf te beoordelen in plaats van de zaak daartoe te verwijzen naar de schadestaatprocedure.

6.2

Het hof zal verder iedere beslissing aanhouden.

7 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

verwijst de zaak naar de roldatum 30 januari 2018 voor uitlating door [landbouwbedrijf] als hiervoor onder 6.1 omschreven;

houdt verder iedere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. L.F. Wiggers-Rust, M.J.F.N. van Osch en F.J. de Vries en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 2 januari 2018.