Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:4869

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
29-05-2018
Datum publicatie
11-09-2018
Zaaknummer
200.206.585
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uitleg polisvoorwaarden brandverzekeringsovereenkomst bij deskundigentaxatie/voortaxatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
S&S 2018/138
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.206.585

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, 404971)

arrest van 29 mei 2018

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

in eerste aanleg: eiser ,

hierna: [appellant] ,

advocaat: mr. A.J. van Steenderen,

tegen:

de naamloze vennootschap

ASR Schadeverzekering N.V.,

gevestigd te Utrecht,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: ASR,

advocaat: mr. W.A.M. Rupert.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van 23 maart 2016 en 21 september 2016 die de rechtbank Midden-Nederland heeft gewezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 2 december 2016,

- de memorie van grieven, met producties,

- de memorie van antwoord,

- de pleidooien overeenkomstig de pleitnotities. Hierbij is akte verleend van het overleggen van de producties 29 tot en met 35 .

2.2.

Na afloop van de pleidooien heeft het hof arrest bepaald.

3 De vaststaande feiten

3.1.

[appellant] is eigenaar van twee percelen gelegen op de [adressen] . Op deze percelen was een woonboerderij met praktijkruimte (tandartspraktijk) (hierna: woonboerderij) gebouwd. Hiervoor heeft [appellant] twee schadeverzekeringen afgesloten bij ASR.

3.2.

De documentatie met betrekking tot de schadeverzekering voor het gedeelte van de woonboerderij dat is gelegen aan het [adres 1] bestaat uit:

- een polisblad met [polisnummer] gedateerd 5 augustus 2014,

- een clausuleblad behorend bij het polisblad van 5 augustus 2014,

- Particuliere Verzekering Algemene Voorwaarden model BBA 06-2 (hierna: BBA-06-2),

- Particuliere Verzekering Toelichting model BBA 06-2 (hierna: Toelichting BBA-06-2),

- Bijzondere Voorwaarden Woonhuisverzekering Extra Uitgebreid model BGA-07- 1

(hierna: BGA-07-Ol).

3.3.

De documentatie met betrekking tot de schadeverzekering voor het gedeelte van de woonboerderij dat is gelegen aan het [adres 2] is door [appellant] als productie 2 overgelegd en bestaat uit:

- een polisblad niet [polisnummer] gedateerd 5 augustus 2014,

- een clausuleblad behorend bij liet polisblad van 5 augustus 2014,

- Bedrijfsverzekeringen Algemene Voorwaarden model BBZ 11-1 (hierna: BBZ 11-1),

- Bedrijfsverzekeringen Toelichting model BBZ 11-1 (hierna: Toelichting BBZ 11-1),

- Bijzondere Voorwaarden Uitgebreide Indexverzekering voor Gebouwen model BE-07-1

(hierna: BE-07-1).

3.4.

Artikel 1, lid 4, van de onder 3.2 en 3.3 genoemde Algemene Voorwaarden bepaalt dat de bepalingen en clausules die op het polisblad staan vermeld voor gaan op de bepalingen in de algemene en bijzondere voorwaarden en dat de bepalingen van de bijzondere voorwaarden voor gaan op die van de algemene voorwaarden.

3.5.

Op het polisblad met betrekking tot (het gedeelte van) de woonboerderij aan [adres 1] is vermeld dat de bestemming van het verzekerde object die van “woning” is.

3.6.

Op het polisblad met betrekking tot (het gedeelte van) de woonboerderij gelegen aan [adres 2] is vermeld dat de bestemming van het verzekerde object die van

“woning en tandartspraktijk” betreft.

3.7.

Op 8 februari 2015 is er brand geweest op [adressen] , waarbij de woonboerderij verloren is gegaan.

3.8.

[appellant] heeft een beroep gedaan op zijn schadeverzekeringen, waarna ASR onder beide schadeverzekeringen dekking heeft verleend voor de daardoor ontstane schade.

3.9.

Beide schadeverzekeringen zijn afgesloten op basis van een zogeheten voortaxatie. Deze voortaxatie is op 23 september 2010 verricht door [bedrijf 1] . (hierna: [bedrijf 1] ). De voortaxatie is verricht op basis van herbouwwaarde. Op het clausuleblad van de schadeverzekeringen is over deze voortaxatie — voor zover van belang — het volgende vermeld:

“Deskundigentaxatie

Wij beschouwen de verzekerde som die op het polisblad staat vermeld als de door deskundige(n) vastgestelde waarde. Het taxatierapport is door [bedrijf 1] TAXATIES op 23-09-20 10 gemaakt (…) Bij een gedekte gebeurtenis vergoeden wij de verzekerde waarde van de verzekerde zaken volgens deze taxatie als werkelijke waarde onmiddellijk voor die gebeurtenis.”

3.10.

In de bijzondere polisvoorwaarden BGA-07-1 die van toepassing zijn op de schadeverzekering betreffende de onroerende zaak gelegen aan het [adres 1] is vermeld:

“Artikel 9

Vaststelling van de schade

Vaststelling van de waarde van het woonhuis

(…)

2. Wij houden als waarde aan:

a. de herbouwwaarde

als de verzekerde ons binnen 12 maanden na de schadedatum meedeelt dat hij tot herbouw of herstel op dezelfde plaats en met dezelfde bestemming overgaat. De herbouw of het herstel moet dan binnen 3 jaar na de schadedatum hebben plaatsgevonden.

b. de verkoopwaarde

als niet of niet binnen de periode van 3 jaar die onder a staat genoemd de herbouw of

het herstel is voltooid. (...).

Artikel 10

Vergoeding van de schade

1. Vergoeding bij beschadiging of verlies van het woonhuis

Wij vergoeden het bedrag dat voor de schade is vastgesteld met inachtneming van

artikel 4.

(...)

3. Uitkering van het schadebedrag

Wij kunnen na vaststelling van de schade op basis van de herbouwwaarde eerst een betaling doen van 50% van het op die basis berekende bedrag. De betaling van het eventuele restant gebeurt nadat het herstel of herbouw is voltooid. De totale vergoeding van de schade bedraagt nooit meer dan de werkelijk gemaakte kosten. Als de schadevergoeding op basis van de verkoopwaarde lager is dan op basis van de herbouwwaarde, doen wij een betaling van 100% van het bedrag dat op basis van de

verkoopwaarde is berekend. Dit bedrag wordt in één keer uitgekeerd.

(...).”

3.11.

In de bijzondere polisvoorwaarden BE-07-1 die van toepassing zijn op de schadeverzekering betreffende de onroerende zaak gelegen aan het [adres 2] is het volgende vermeld:

“(...)

Artikel 10

Vaststelling van de schade

Vaststelling van de waarde van de verzekerde zaken

1. Wij houden als waarde aan:

a. de herbouwwaarde

als de verzekerde ons binnen 12 maanden na de schadedatum meedeelt dat hij tot herbouw of herstel op dezelfde plaats en met dezelfde bestemming overgaat. De herbouw of het herstel moet dan binnen 3 jaar na de schadedatum hebben plaatsgevonden.

b. de verkoopwaarde

als niet of niet binnen de periode van 3 jaar die onder a staat genoemd de herbouw of het herstel is voltooid. (...)

Artikel 11

Vergoeding van de schade

1. We vergoeden het bedrag dat voor de schade is vastgesteld, tot maximaal het verzekerde bedrag, zoals omschreven in artikel 3.

(...)

5. Wij kunnen na vaststelling van de schade op basis van herbouwwaarde eerst een betaling doen van 40% van het op die basis berekende bedrag. De betaling van het eventuele restant gebeurt nadat het herstel of de herbouw is voltooid en de nota’s door ons zijn ontvangen.

De totale vergoeding van de schade bedraagt nooit meer dan de werkelijk gemaakte kosten.

Als de schadevergoeding op basis van de verkoopwaarde lager is dan op basis van de herbouwwaarde, doen wij een betaling van 100% van het bedrag dat op basis van de verkoopwaarde is berekend. Dit bedrag wordt in één keer uitgekeerd.

(...).”

3.12.

In artikel 9 van de algemene polisvoorwaarden BBA 06-2 en BBZ 11-1 is telkens vermeld:

“Uitbetaling/termijnen

1. Wij vergoeden de schade aan de verzekerde zaak binnen 4 weken nadat wij alle gegevens in ons bezit hebben die betrekking hebben op de schade en voor ons noodzakelijk zijn om de schade te kunnen beoordelen. Binnen deze termijn zijn wij geen wettelijke rente verschuldigd. (…)”

3.13.

[appellant] heeft aan ASR te kennen gegeven tot herbouw van de onroerende zaken op dezelfde plaats en met dezelfde bestemming te willen overgaan. ASR heeft een schade-expert ( [bedrijf 2] ) aangewezen om namens haar de omvang van de schade vast te stellen en [appellant] heeft een contra-expert ( [bedrijf 1] ) ingeschakeld om namens hem eveneens de schadeomvang vast te stellen. Beide schade-experts (hiertoe benoemd bij akte d.d. 23 februari 2015) hebben vervolgens een taxatie van – onder meer – de schade aan de woonboerderij aan zowel [adres 1] als [adres 2] uitgevoerd. In de daarvan opgemaakte aktes van taxatie is telkens het verschil tussen de herbouwwaarde voor de brand en de waarde na de brand vermeld. Deze aktes zijn op 1 mei 2015 voor akkoord getekend door [appellant] .

4 De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1.

Tussen partijen staat vast dat de herbouwwaarde van [adres 1] en [adres 2] , met inachtneming van de waarde na de brand, respectievelijk € 58.756 en € 1.982.018 is en dat ASR naast andere schadeposten telkens de helft van die bedragen aan [appellant] heeft betaald. [appellant] vordert betaling van het restantbedrag van € 1.020.387, te vermeerderen met wettelijke rente en betaling van buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten. De rechtbank heeft deze vorderingen afgewezen kort gezegd, op grond van de overweging dat ASR een beroep toekomt op artikel 10 lid 3 BGA 07-1 en artikel 11 lid 5 BE 07-1 waarin is bepaald dat ASR na vaststelling van de schade op basis van de herbouwwaarde eerst een betaling van 50% (of 40%) kan doen van het op die basis berekende bedrag en het resterende bedrag wordt betaald als de herbouw is voltooid, hetgeen niet het geval is, zodat de vordering van [appellant] nog niet opeisbaar is.

4.2.

[appellant] is hiertegen met zes grieven opgekomen. Met de grieven I tot en met III betoogt hij dat ASR hem, vier weken na de taxatie die na de brand in opdracht van ASR en [appellant] is verricht (productie 4 bij dagvaarding in eerste aanleg), de volledige schade had moeten vergoeden. Op het pleidooi is gebleken dat ASR erkent dat [adres 1] is herbouwd en dat het tweede deel van de herbouwwaarde (minus restantwaarde) ad € 29.378 betaald dient te worden. Ter beslissing ligt nog wel voor of ASR, zoals [appellant] stelt, eerder tot betaling van dit bedrag was gehouden en of zij daarom wettelijke rente over (ook) dit bedrag is verschuldigd.

4.3.

[appellant] heeft zijn beroep op volledige en onmiddellijke (binnen vier weken na de schadetaxatie) uitkering van de schade in de eerste plaats gegrond op artikel 7:960, tweede zin, BW waarin is bepaald dat in geval van een voortaxatie geen beroep kan worden gedaan op het indemniteitsbeginsel (inhoudend dat een schadeverzekering niet de strekking mag hebben dat de verzekerde bij de verwezenlijking van het risico in een duidelijk voordeliger positie raakt). Dit betoog van [appellant] faalt. De voortaxatie betreft een vaststellingsovereenkomst en strekt ertoe de onzekerheid over de werkelijke waarde van de gebouwen vóór de brand te beëindigen. De voortaxatie is het uitgangspunt voor de na de ramp te berekenen schade. Vast staat daarmee dat voor de berekening van de schade de bij de voortaxatie gekozen waarderingsmaatstaf moet worden gehanteerd. Omdat een voortaxatie de mogelijkheid in zich bergt dat een verzekerde bij deze berekening in een voordeliger positie raakt, voorziet de tweede volzin van artikel 7:960 BW in een uitzondering op de hoofdregel. Het artikel bepaalt derhalve niet het moment waarop, bij een gedekte gebeurtenis, aanspraak op betaling van de schade gemaakt kan worden.

4.4.

[appellant] heeft zijn beroep op volledige en onmiddellijke schade-uitkering voorts gegrond op de tekst van de voortaxatieclausule op het polisblad, al dan niet in combinatie met artikel 9 lid 1 van zowel BBA 06-2 als BBZ 11-1. Daarin is bepaald dat de schade wordt uitgekeerd binnen vier weken na ontvangst van de akte van schadetaxatie. Nu [appellant] deze schadetaxatie op 1 mei 2015 akkoord heeft bevonden, diende in elk geval uitkering plaats te vinden binnen vier weken na die datum. Volgens [appellant] zien de artikelen 10 BGA 07-1 en 11 BE 07-1 niet op het moment van de uitkering maar bepalen deze de omvang van de vergoeding van de schade. ASR komt daarom volgens hem geen beroep toe op de artikelen 10 lid 3 BGA 07-1 en 11 lid 5 BE 07-1, waarin is opgenomen dat de schadevergoeding in termijnen kan worden uitgekeerd.

4.5.

Voor de beantwoording van de vraag of [appellant] recht heeft op onmiddellijke en volledige betaling van de kort na de brand, mede op de voortaxatie geënte, vastgestelde waarde dienen de polissen, de clausulebladen en de op de polissen vermelde, toepasselijke algemene en bijzondere voorwaarden te worden uitgelegd.

Bij die uitleg komt het in het algemeen gesproken niet alleen aan op een taalkundige uitleg van de bewoordingen van de overeenkomst, maar ook op de bedoeling van partijen ten tijde van het aangaan van de overeenkomst en op hetgeen zij onder de omstandigheden redelijkerwijs van elkaar konden en mochten verwachten (HR 13 maart 1981, NJ 1981, 635, Ermes c.s./Haviltex), gewaardeerd naar hetgeen maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen (o.a. HR 1 oktober 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR2974, TCM/ [verweerder] ). Niet is gesteld of gebleken dat partijen vooraf over de voortaxatieclausule hebben gesproken of onderhandeld. Tussen partijen staat verder vast dat over de (op de polisbladen vermelde) voorwaarden voorafgaand aan de totstandkoming van de beide schadeverzekeringsovereenkomsten niet is onderhandeld noch is gesproken of anderszins gecommuniceerd. Daarom is de uitleg van de voortaxatieclausule en polisvoorwaarden met name afhankelijk van objectieve factoren zoals de bewoordingen waarin de desbetreffende bepaling is gesteld, gelezen in het licht van de voortaxatieclausule en polisvoorwaarden als geheel en van de (eventueel) bij de polisvoorwaarden behorende toelichting (vgl. HR 16 mei 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC2793, Chubb/Europoint).

4.6.

In de onderhavige zaak luidt de voortaxatieclausule (rov. 3.6) dat de op het polisblad vermelde verzekerde som als de door deskundige(n) vastgestelde waarde wordt beschouwd en dat ASR bij een gedekte gebeurtenis de verzekerde waarde vergoedt (aan [appellant] ) volgens de taxatie van de deskundigen als de werkelijke waarde onmiddellijk voor de gedekte gebeurtenis. In de artikel 9 van de algemene polisvoorwaarden staat telkens (BBA 06-2 en BBZ 11-1) onder het kopje ‘uitbetaling/termijnen’ dat ASR de schade aan de verzekerde zaak vergoedt binnen vier weken nadat ASR alle gegevens in bezit heeft die betrekking hebben op de schade en die noodzakelijk zijn om de schade te kunnen beoordelen. De toelichtingen bij deze algemene voorwaarden (Toelichting BBA 06-2 en Toelichting BBZ 11-1) geven geen nadere informatie over deze begrippen. In de bijzondere voorwaarden staat in artikel 10 lid 3 BGA 07-1 en 11 lid 5 BE 07-1 onder het kopje ‘uitkering van het schadebedrag’ telkens dat ASR na vaststelling van de schade, op basis van de herbouwwaarde eerst een betaling doet van 50% (of 40% ex artikel 11 lid 5 BE 07-1) van het op die basis berekende bedrag en dat betaling van het eventuele restant geschiedt nadat het herstel of de herbouw is voltooid. In artikel 11 lid 5 BE 07-1 staat dat het tweede deel wordt betaald als ‘de nota’s’ door ASR zijn ontvangen. Bij dit alles geldt, aldus deze beide bijzondere voorwaarden, dat de totale vergoeding van de schade nooit meer bedraagt dan de werkelijke kosten. Wat partijen verdeeld houdt is of ASR (gedeeltelijk) een beroep kan doen op genoemde artikelen 10 lid 3 BGA 07-1 en 11 lid 5 BE 07-1.

4.7.

Volgens [appellant] ziet artikel 11 BE 07-1 (en ook artikel 10 BGA 07-1) op de omvang van de vergoeding in verschillende situaties. In lid 5 van eerstgenoemde polisvoorwaarde ligt de nadruk, in zijn visie, op de zinsnede ‘De totale vergoeding van de schade bedraagt nooit meer dan de werkelijk gemaakte kosten.’ Dat is waar het indienen van de herbouwfacturen op ziet, namelijk het bepalen van de maximale vergoeding op basis van de herbouwwaarde. ASR heeft dit onderdeel van lid 5 weggewuifd door te stellen dat die zinsnede niet speelt vanwege de voortaxatie maar daarmee wordt de essentie van deze polisvoorwaarde aangetast. Het naar eigen inzicht aanpassen van de polisvoorwaarden tijdens een discussie na de schade is onaanvaardbaar. Een polisvoorwaarde is van toepassing of niet van toepassing, maar niet een beetje.

Verder stelt artikel 11 lid 5 BE 07-1 voorwaarden aan het uitkeren van de schade namelijk het indienen van herbouwfacturen terwijl de voortaxatieclausule geen voorwaarden stelt en een onvoorwaardelijke schadevergoeding impliceert. De rechtbank heeft de eis van het indienen van de herbouwfacturen dan ook ten onrechte gekoppeld aan het moment van uitkeren. Deze facturen dienen ter vaststelling van de omvang van de schade. Het is niet zo dat er tijdens de herbouw uitkeringen worden gedaan telkens op basis van een ingediende factuur, aldus [appellant] .

4.8.

Volgens ASR geldt de afspraak over het moment van uitkering te allen tijde bij een op herbouwwaarde gebaseerde dekkingsafspraak en is de ratio daarvan een logische: de herbouwuitkering is er alleen voor verzekerden die werkelijk herbouwen in de zin van de polis. Een verzekerde die slechts een voornemen tot herbouw uit, heeft nog geen recht om aanspraak te kunnen maken op een volledige uitkering op basis van de herbouwwaarde. Eerst na voltooiing van de herbouw kan feitelijk worden vastgesteld of is herbouwd in de zin van de polis. Als is herbouwd in de zin van de polis zal ASR het restant uitkeren (binnen de vier weken termijn van art 9 BBA 6-2 en van BBZ 11-1).

4.9.

Het hof oordeelt als volgt. Uit de beide bepalingen (artikel 10 lid 3 BGA 07-1 en 11 lid 5 BE 07-1) blijkt dat daarin geen rekening is gehouden met het geval dat sprake is van een voortaxatie in de zin van artikel 7:960 BW. In deze polisvoorwaarden is immers sprake van betaling van ‘het eventuele restant’ en staat er telkens: ‘De totale vergoeding van de schade bedraagt nooit meer dan de werkelijke gemaakte kosten.’ Hieruit moet worden afgeleid dat het vergoeden van de schade in twee gedeeltes is bepaald om te voorkomen dat meer wordt uitgekeerd dan de daadwerkelijke herbouwkosten. Uit de in artikel 11 lid 5 BE 07-1 voorgeschreven overlegging van ‘nota’s’ blijkt eveneens dat de bepaling ziet op het aantonen van de hoogte van de herbouwkosten. ASR heeft niet, voldoende duidelijk, toegelicht met welk ander doel deze nota’s worden gevraagd. De strekking van de beide bepalingen is derhalve om vast te stellen dat niet meer wordt vergoed dan de werkelijke kosten. In het onderhavige geval is de hoogte van de te vergoeden schade (mede op basis van de voortaxatie) echter al vastgesteld in de schadetaxaties van 1 mei 2015. Een keuze voor [appellant] voor vergoeding op grond van herbouwwaarde of verkoopwaarde zoals bepaald in artikel 9 BGA-07-1 en artikel 10 BE-07-1 heeft [appellant] niet, omdat partijen met de voortaxatie zijn overeengekomen dat de schadetaxatie – evenals de voortaxatie – zonder meer zal worden gebaseerd op de herbouwwaarde. ASR heeft in het licht van de schadetaxaties ook erkend dat de zin ‘De totale vergoeding van de schade bedraagt nooit meer dan de werkelijke gemaakte kosten.’ niet van toepassing is en zij heeft afgezien van de voorgeschreven overlegging van de nota’s. Die erkenning strookt met het feit dat, zoals hiervoor overwogen, vanwege de omstandigheid dat de schadetaxatie diende te worden en is geënt op een voortaxatie de mogelijkheid aanwezig is dat een verzekerde in een voordeliger positie raakt en dus meer wordt vergoed dan de werkelijk gemaakte kosten. Die omstandigheid is door partijen voorzien. Nu de artikelen 10 lid 3 BGA 07-1 en 11 lid 5 BE 07-1 derhalve niet zijn geschreven voor de situatie waarbij de schadetaxatie diende te worden en is geënt op een voortaxatie, komt ASR geen beroep toe op deze bepalingen, ook niet voor een gedeelte. Het hof neemt daarbij mede in aanmerking dat als ASR deze voorwaarde (vergoeding in termijnen) aan [appellant] had willen stellen, dan had zij deze bepaling – mede vanwege de voorzienbaar zware financiële last voor [appellant] – dan op duidelijke en kenbare wijze aan [appellant] had moeten voorhouden en niet moeten opnemen in een deels niet op de situatie van [appellant] toegesneden bepaling. Het voorgaande betekent tevens dat het recht op schadevergoeding er evenmin van afhangt of [appellant] de woning binnen de in de bijzondere polisvoorwaarden genoemde (inmiddels verlengde) termijn herbouwt in de zin van deze polisvoorwaarden.

Bij deze uitleg betrekt het hof dat de voortaxatie van artikel 7:960 BW niet slechts strekt tot bepaling van de waarde van de verzekerde zaak, maar naar haar aard tevens beoogt elke andere discussie uit te sluiten over de vraag of de verzekerde na (algeheel) tenietgaan van het verzekerde, recht heeft op uitkering van het verzekerde bedrag (vgl HR 17 december 1993, NJ 1994/243) alsook dat [appellant] als verzekeringnemer in redelijkheid uit de tekst van de voortaxatie mocht afleiden dat de op basis van die taxatie bepaalde schade zou worden uitgekeerd.

4.10.

De tussenconclusie is dat de grieven voor een deel slagen en dat de vordering tot betaling van € 1.020.387 wordt toegewezen.

4.11.

Wat betreft de gevorderde wettelijke rente geldt het volgende. Het rapport van de na de brand verrichte taxatie is op 1 mei 2015 geaccordeerd door [appellant] . Voldoende aannemelijk is dat ASR toen, althans korte tijd later, over dat rapport beschikte en dat zij daarmee alle gegevens in haar bezit had die betrekking hadden op de schade en noodzakelijk waren om de schade te kunnen beoordelen. Ingevolge artikel 9 van de op de beide polissen toepasselijke algemene voorwaarden (BBA-06 en BBZ-11-1) diende ASR binnen vier weken daarna de schade te vergoeden. ASR erkent dat zij, indien betaling na die termijn – in genoemde polisvoorwaarden – achterwege blijft, wettelijke rente is verschuldigd (memorie van antwoord randnummer 19). Daarmee staat voldoende vast dat ASR vanaf de meer subsidiair genoemde datum 18 juni 2015 in verzuim was zodat de zij vanaf die dag wettelijke rente over het niet-betaalde resterende schadebedrag aan [appellant] verschuldigd is.

4.12.

Het hof passeert het bewijsaanbod van ASR, nu zij geen bewijs heeft aangeboden van feiten die, indien bewezen, kunnen leiden tot een andere beslissing.

4.13.

In grief VI ligt besloten dat ook de afwijzing van de vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten wordt bestreden. Deze vordering wordt eveneens toegewezen omdat voldoende vast staat dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht (in de vorm van minnelijke overleg) en omdat de hoogte van het gevorderde bedrag in overeenstemming is met de tarieven die zijn weergegeven in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten en (daarom) geacht worden redelijk te zijn.

4.14.

De grieven IV en V komen op tegen overwegingen ten overvloede in het bestreden vonnis. Deze grieven behoeven, mede gezien het voorgaande, geen bespreking meer.

5 De slotsom

5.1.

De grieven slagen. Het bestreden vonnis wordt vernietigd en de vorderingen van [appellant] worden alsnog toegewezen met dien verstande dat wettelijke rente vanaf 18 juni 2015 verschuldigd is.

5.2.

Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof ASR in de kosten van beide instanties veroordelen.

De kosten voor de procedure in eerste aanleg aan de zijde van [appellant] zullen worden vastgesteld op:

- explootkosten € 94,19

- griffierecht € 1.533,--

- salaris advocaat € 6.422,-- (2 punten x tarief VIII)

De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [appellant] zullen worden vastgesteld op:

- explootkosten € 96,57

- griffierecht € 1.628,--

- salaris advocaat € 16.501,74 (3 punten x appeltarief per 1 mei 2018)

5.3.

Als niet weersproken zal het hof ook het gevorderde nasalaris toewijzen zoals hierna vermeld.

6 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

vernietigt het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 21 september 2016 en doet opnieuw recht;

veroordeelt ASR tot betaling van € 1.020.387, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW met ingang van 18 juni 2015 tot de dag van de algehele voldoening en de buitengerechtelijke incassokosten ad € 6.775;

veroordeelt ASR in de kosten van beide instanties, tot aan de bestreden uitspraak aan de zijde van [appellant] wat betreft de eerste aanleg vastgesteld op € 1.627,19 voor verschotten en op € 6.422 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en tot aan deze uitspraak wat betreft het hoger beroep vastgesteld op € 1.724,57 voor verschotten en op € 16.501,74 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

veroordeelt ASR in het nasalaris, begroot op € 131,-- of, met bepaling dat dit bedrag zal worden verhoogd met € 68,-- in geval ASR niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak heeft voldaan én betekening heeft plaatsgevonden;

verklaart dit arrest ten aanzien van de daarin vervatte veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. B.J. Engberts, I. Brand en P.H. van Ginkel en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 29 mei 2018.