Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:4815

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
29-05-2018
Datum publicatie
31-05-2018
Zaaknummer
200.202.105/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Koop van een auto. Onvoldoende onderbouwing van de stelling dat de auto inderdaad is gekocht.

Nu de auto niet meer kan worden teruggegeven, dient de dagwaarde van de auto als schadevergoeding te worden betaald.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.202.105/01

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, locatie Almere 4599624 MC EXPL 15-1261 D/954)

arrest van 29 mei 2018

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [A] ,

appellant in het principaal hoger beroep,

geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: eiser in conventie en verweerder in reconventie,

hierna: [appellant],

advocaat: mr. J. Ruijs, kantoorhoudend te Amsterdam,

tegen:

[geïntimeerde] ,

wonende te [B] ,

geïntimeerde in het principaal hoger beroep,

appellant in het incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: gedaagde in conventie en eiser in reconventie,

hierna: [geïntimeerde],

advocaat: mr. W.M. Chung, kantoorhoudend te Amsterdam.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van het vonnis van 20 juli 2016 dat de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Almere heeft gewezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep van 19 oktober 2016,
- het tussenarrest van 13 december 2016, houdende de bepaling van een comparitie na aanbrengen,
- het proces-verbaal van de op 19 januari 2017 gehouden comparitie,

- de memorie van grieven (met producties), tevens vermeerdering van eis,

- de memorie van antwoord/tevens van incidenteel hoger beroep (met producties), tevens wijziging van eis,

- de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep.

2.2

Vervolgens heeft [geïntimeerde] de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

3 De vaststaande feiten

3.1

Het hof gaat in hoger beroep uit van de volgende feiten, nu die tussen partijen niet in geschil zijn.

3.2

[geïntimeerde] is eigenaar geweest van een auto, een Volkswagen Polo met kenteken
[00-YYY-0] (hierna: de auto). Het kentekenbewijs van die auto heeft van 4 juli 2013 tot 18 april 2015 op zijn naam gestaan.

3.3

De auto was feitelijk in gebruik bij de schoonzoon van [geïntimeerde] , de heer [C] (hierna: [C] ). [C] had ook de beschikking over het volledige kentekenbewijs van de auto.

3.4

[C] heeft op enig moment aan [appellant] het volledige kentekenbewijs van de auto overhandigd.

3.5

Op 25 april 2015 heeft [appellant] tegen [C] aangifte gedaan terzake van verduistering van de auto.

Volgens de aangifte had [C] de auto na de verkoop onder zich gehouden om daaraan nog een reparatie aan de turbo te laten verrichten, zou hij de auto op 20 april 2015 terugbrengen, maar heeft hij ondanks herhaalde sommaties geweigerd de auto af te geven.

3.6

Het Openbaar Ministerie heeft [appellant] op 18 mei 2015 bericht de zaak te hebben geseponeerd, omdat de aangifte van [appellant] en de verklaring van [C] als verdachte lijnrecht tegenover elkaar stonden en aanvullend onderzoek geen bewijs voor beide verhalen had opgeleverd. De auto, die in beslag was genomen, is teruggegeven aan [C] .

3.7

Op 28 december 2015 heeft [C] aangifte gedaan van diefstal van de auto. Hij heeft daarbij het vermoeden geuit dat de auto was gestolen door [appellant] .

3.8

Het kenteken van de auto is op 25 juli 2016 overgeschreven op naam van Van Oord-Boll Zeist B.V. Nadien is de tenaamstelling nog gewijzigd op 29 augustus 2016 ( [F] Auto’s Amsterdam B.V.) en 3 februari 2017 ( [D] ).

4 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

4.1

[appellant] heeft in eerste aanleg in conventie – samengevat – gevorderd om [geïntimeerde] te veroordelen tot teruggave van de auto in de staat zoals overeengekomen in de verkoopovereenkomst van 18 april 2015, tot betaling van € 5.000,00 inzake opgelopen schade in de vorm van boetes en naheffingen parkeerbelasting en van € 2.244,00 als vergoeding van schade geleden ten gevolge van het gebruik moeten maken van ander (openbaar) vervoer.
[appellant] heeft zich beroepen op een koopovereenkomst met betrekking tot de auto van [geïntimeerde] en de stelling dat de auto nimmer aan hem ter beschikking is gesteld, hetgeen in de rechtsverhouding tussen partijen voor rekening komt van [geïntimeerde] .

4.2

[geïntimeerde] heeft in eerste aanleg in reconventie – samengevat – gevorderd [appellant] te veroordelen tot:
- teruggave van de auto en de daarbij behorende kentekenpapieren,

- betaling van € 5.000,00 die onverschuldigd is betaald,

- teruggave van een buitenlandse ID-kaart,

- betaling van € 700,00 voor een door [appellant] van [C] gestolen telefoon en € 513,04 aan advocaatkosten,

- betaling van een vergoeding voor vervangend vervoer in de periode dat de auto in

beslag genomen was en vanaf het moment dat [appellant] de auto heeft ontvreemd,
- betaling van een vergoeding voor extra kosten veroorzaakt door boetes die door [appellant] niet tijdig zijn voldaan.

4.3

De kantonrechter heeft bij vonnis van 20 juli 2016 in conventie de vorderingen van [appellant] afgewezen en in reconventie [appellant] veroordeeld tot teruggave van de kentekenpapieren. In conventie is [appellant] veroordeeld in proceskosten, aan de zijde van [geïntimeerde] echter begroot op nihil, en in reconventie zijn de proceskosten gecompenseerd, aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5 De vorderingen in hoger beroep

5.1

Na vermeerdering van eis vordert [appellant] in principaal hoger beroep vernietiging van het vonnis van de kantonrechter te Almere van 20 juli 2016 en, samengevat, toewijzing van zijn oorspronkelijke vorderingen, waarbij het bedrag gevorderd als vergoeding voor het gebruik moeten maken van vervangend vervoer is verhoogd tot € 8.556,-.

5.2

Na wijziging van eis vordert [geïntimeerde] in incidenteel beroep vernietiging van het vonnis van 20 juli 2016 en alleen nog veroordeling van [appellant] tot betaling van € 9.450,-, gespecificeerd als volgt:
a) € 4.450,- als vergoeding van de dagwaarde van de auto,
b) € 5.000,- uit hoofde van onverschuldigde betaling.

Met deze aldus gewijzigde en verminderde vordering van [geïntimeerde] liggen de eerdere vorderingen van [geïntimeerde] in oorspronkelijk reconventie (zie 4.2) niet meer ter beoordeling in hoger beroep voor.

5.3

Tegen de wijzigingen van de vorderingen is geen bezwaar gemaakt. Nu de wijzigingen ook niet in strijd zijn met een goede procesorde, zal het hof op de gewijzigde vorderingen recht doen.

6 De motivering van de beslissing in hoger beroep

6.1

[appellant] is in hoger beroep gekomen onder aanvoering van vier grieven (genummerd 1 tot en met 4). In incidenteel hoger beroep heeft [geïntimeerde] één grief aangevoerd.
Gelet op hun samenhang lenen de grieven zich voor gezamenlijke behandeling.

6.2

De eerste vraag die in hoger beroep voorligt is of tussen partijen (mondeling) een koopovereenkomst tot stand is gekomen, waarbij [geïntimeerde] , via [C] , de auto op 18 april 2015 heeft verkocht en, zo begrijpt het hof, geleverd aan [appellant] . De kantonrechter heeft die vraag ontkennend beantwoord, maar [appellant] bestrijdt dat oordeel.

6.3

Het hof stelt voorop dat op [appellant] conform de hoofdregel van artikel 150 Rv de bewijslast rust van zijn stelling dat hij de auto van [geïntimeerde] heeft gekocht.

[appellant] heeft zich ter onderbouwing van zijn stelling dat de auto aan hem is verkocht (voor een bedrag van € 2.000,-) erop beroepen dat [C] hem op 18 april 2015 in het bezit heeft gesteld van de kentekenpapieren en dat het zonder medewerking van de verkoper niet mogelijk is om, zoals is gebeurd, het kentekenbewijs over te schrijven.
[geïntimeerde] heeft bevestigd dat de kentekenpapieren van de auto door [C] aan [appellant] zijn overhandigd. Volgens [geïntimeerde] is dat echter al op 19 maart 2014 gebeurd, en niet in het kader van een verkoop, maar als borg voor de terugbetaling door [C] van een door hem van [appellant] geleend bedrag (van € 800,-). [geïntimeerde] heeft verder aangevoerd dat het zonder meer mogelijk is om zonder medewerking van de vorige eigenaar het kentekenbewijs over te schrijven, indien men in het bezit is van het volledige kentekenbewijs.

6.4

Het hof overweegt dat uit de tenaamstelling van het kentekenbewijs van de auto op naam van [appellant] nog niet blijkt dat de auto aan hem is verkocht. [geïntimeerde] heeft ter onderbouwing van zijn stelling dat, indien men in het bezit is van het volledige kentekenbewijs, de tenaamstelling ook kan plaatsvinden zonder medewerking van de vorige eigenaar, een print overgelegd van een webpagina van de Rijksdienst voor het Wegverkeer (hierna: RDW) waaruit dat blijkt.

[appellant] heeft die stelling van [geïntimeerde] niet weersproken en/of weerlegd, zodat het hof van de juistheid van die stelling uitgaat.

6.5

Ook uit het ter hand stellen van het volledige kentekenbewijs door [C] aan [appellant] kan nog niet worden afgeleid dat de auto aan [appellant] is verkocht. [geïntimeerde] heeft voor die overhandiging een lezing gegeven –borg voor een lening - die door [appellant] niet (voldoende overtuigend) is weerlegd.
Integendeel, ter onderbouwing van zijn stelling dat sprake is geweest van een lening heeft [geïntimeerde] een bankafschrift overgelegd waaruit kan blijken dat op 19 maart 2014 een bedrag van
€ 800,- is gestort op rekening van [C] (althans een rekening op naam van [E] ) door ICM International Oil Company BV (hierna: ICM), met als omschrijving “lening aan de heer [C1] ”. [appellant] heeft niet weersproken dat [C] ook wel “ [C1] ” wordt genoemd en uit een door [geïntimeerde] overgelegd uittreksel uit de KvK blijkt (onweersproken) dat ICM een onderneming is van [appellant] . Dat wijst (inderdaad) op een lening van [appellant] aan [C] . [appellant] heeft desondanks niet toegelicht hoe die lening en de gestelde afgifte van de kentekenpapieren als borg daarvoor, zich verhouden tot zijn eigen stellingen.

6.6

[appellant] heeft zijn stelling dat hij de auto via [C] van [geïntimeerde] heeft gekocht niet op nog andere wijze onderbouwd. Ook heeft hij van die stelling in hoger beroep geen (voldoende bepaald en gespecificeerd) bewijs aangeboden.
Daarmee dient die stelling te worden verworpen, faalt grief 2, en ontvalt de grondslag aan de vordering van [appellant] tot teruggave van de auto Eveneens ontvalt daarmee de grondslag aan zijn vordering tot vergoeding van de kosten verbonden aan het gebruik maken van vervangend vervoer.

6.7

Uit de verwerping van de stelling van [appellant] dat hij op grond van de door hem gestelde koopovereenkomst eigenaar is geworden van de auto, volgt eveneens dat zijn vordering tot veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling van een bedrag van € 5.000,- als vergoeding van schade wegens boetes en naheffingen parkeerbelasting, niet toewijsbaar is. Omdat [appellant] geen eigenaar is geworden van de auto, heeft hij de auto ten onrechte op zijn naam gezet. Daarmee dient het in zijn verhouding tot [geïntimeerde] voor zijn rekening en risico te worden gelaten dat hij als kentekenhouder is aangesproken tot voldoening van boetes opgelegd wegens verkeersovertredingen die met dat voertuig zijn begaan in de periode dat het kenteken op zijn naam stond. Daarbij geldt dat [appellant] niet heeft weersproken dat die overtredingen door [C] zijn begaan en dat [appellant] geen omstandigheden heeft aangevoerd die met zich brengen dat [geïntimeerde] daarvoor jegens [appellant] verantwoordelijk kan worden gehouden.

6.8

De vorderingen van [appellant] in hoger beroep zijn derhalve niet toewijsbaar. Daarmee heeft [appellant] geen belang (meer) bij verdere bespreking van zijn grieven; die grieven leiden niet tot een andere beslissing.

6.9

[geïntimeerde] heeft in incidenteel hoger beroep aangevoerd dat nu de [appellant] de auto inmiddels heeft doorverkocht, hij die niet meer aan [geïntimeerde] zal kunnen teruggeven. Om die reden vordert [geïntimeerde] in hoger beroep geen teruggave meer van de auto, maar veroordeling van [appellant] tot betaling van een bedrag van € 4.450,- aan vervangende schadevergoeding, berekend op de dagwaarde van de auto.

6.10

In de verwerping van de stelling van [appellant] dat hij de auto heeft gekocht van [geïntimeerde] , ligt besloten dat het er voor dient te worden gehouden dat [geïntimeerde] eigenaar van de auto is gebleven. Vast staat dat inmiddels het kentekenbewijs van die auto niet meer op naam staat van [appellant] , maar is overgeschreven op naam van derden. [appellant] heeft niet weersproken dat die overschrijving alleen kan hebben plaatsgevonden met zijn medewerking. Evenmin heeft [appellant] weersproken dat [F] auto’s de auto daadwerkelijk onder zich heeft gehad en heeft verkocht aan een derde [toev. hof: aan de particulier [D] ]. Daarmee staat vast dat [appellant] er zijn medewerking aan heeft verleend dat [geïntimeerde] inmiddels zijn eigendom van de auto heeft verloren en die niet meer kan terughalen. In zijn rechtsverhouding jegens [geïntimeerde] dient dit te worden aangemerkt als een onrechtmatige gedraging die [appellant] jegens [geïntimeerde] schadeplichtig maakt. De vraag of [appellant] de auto ook heeft gestolen van [geïntimeerde] kan daarbij verder in het midden blijven.

6.11

[appellant] heeft niet weersproken dat de dagwaarde van de auto kan worden gesteld op € 4.450,-. Aangezien de schade van [geïntimeerde] (inderdaad) kan worden gesteld op de dagwaarde van de auto, is daarmee dat bedrag toewijsbaar. In zoverre slaagt grief 1 in incidenteel hoger beroep. Die schade is ontstaan op het moment dat [appellant] zijn medewerking heeft verleend aan het overschrijven van het kenteken op naam van Van Oord-Boll Zeist B.V., derhalve op 25 juli 2016. Vanaf die datum is [appellant] wettelijke rente verschuldigd over het schadebedrag (en dus niet, zoals [geïntimeerde] vordert, vanaf 2 juni 2014, de dag waarop [C] de lening van € 800,- weer zou hebben terugbetaald).

6.12

[geïntimeerde] heeft tevens gegriefd tegen de afwijzing van zijn vordering om [appellant] te veroordelen tot terugbetaling van een bedrag van € 5.000,- . Hij voert aan dat hij middels [C] € 5.000,- aan [appellant] heeft betaald, zodat hij de auto en de autopapieren terug kon krijgen. Dat is niet gebeurd, zodat het bedrag onverschuldigd is betaald.

[appellant] heeft ontkend een betaling van € 5.000,- te hebben ontvangen.

6.13

Het hof is van oordeel dat [geïntimeerde] niet voldoende gemotiveerd heeft gesteld dat hem op grond van de beweerdelijke betaling een vordering uit onverschuldigde betaling op [appellant] toekomt. Hij heeft in dat verband namelijk ook aangevoerd dat met de betaling is aangetoond dat de lening waar alles mee begon is afbetaald. Die lening betreft echter een lening tussen [C] en [appellant] , waar [geïntimeerde] niet bij betrokken was. [C] heeft in eerste aanleg, als gemachtigde van [geïntimeerde] , verder verklaard dat de betaling van € 5.000,- zijn geld betrof. Volgens [C] strekte die betaling tot (gedeeltelijke) betaling van een bedrag dat [appellant] nog van hem vorderde uit hoofde van (rente op) de lening. Een handgeschreven overeenkomst waar [C] , als gemachtigde van [geïntimeerde] , zich in eerste aanleg op heeft beroepen ter onderbouwing van de stelling dat die betaling heeft plaatsgevonden -een verklaring gedateerd 3 september 2015 ondertekend door [C] en beweerdelijk ook door [appellant] -, vermeldt in dat verband dat het een betaling betreft van “ [C1] ”.
Het hof houdt het er aldus voor dat de beweerdelijke betaling kennelijk ziet op (terugbetaling van) de lening van [C] . Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt ook niet in te zien dat [geïntimeerde] aan [appellant] een bedrag van € 5.000,- zou betalen om zijn eigen auto terug te krijgen.
Alleen [C] zou daarom een vordering uit hoofde van die betaling kunnen toekomen. Nu [C] verder geen partij is in deze procedure en [geïntimeerde] evenmin heeft gesteld dat hij handelt als lasthebber van [C] , strandt daarop de vordering van [geïntimeerde] .

In zoverre faalt het incidenteel hoger beroep.

De vraag of het bedrag daadwerkelijk is betaald en zo ja, of de betaling inderdaad onverschuldigd was, kan daarbij verder in het midden blijven.

7 De slotsom

7.1

De grieven in principaal hoger beroep falen en de grief in incidenteel hoger beroep slaagt gedeeltelijk. Het bestreden vonnis voor zover in conventie gewezen zal worden bekrachtigd. Voor zover in reconventie gewezen zal het bestreden vonnis worden vernietigd en zal opnieuw recht worden gedaan als hiervoor aangegeven. Het hof vindt in deze uitkomst tevens aanleiding om [appellant] ook te veroordelen in de kosten van de procedure in eerste aanleg in reconventie. Die kosten aan de zijde van [geïntimeerde] gevallen, zullen echter worden begroot op nihil, nu [geïntimeerde] zich in die procedure niet heeft laten bijstaan door een gemachtigde van professie (maar door zijn schoonzoon, [C] ).

7.2

Als de (overwegend) in het ongelijk te stellen partij zal het hof [appellant] in de kosten van het hoger beroep veroordelen, zowel in het principaal als in het incidenteel hoger beroep. Het salaris advocaat in incidenteel hoger beroep zal daarbij worden bepaald op basis van het in hoofdsom aan [geïntimeerde] toewijsbare bedrag.

Die kosten aan de zijde van [geïntimeerde] zullen worden vastgesteld op € 314,- voor griffierecht en op € 2.537,50 voor salaris advocaat (2 x € 1.074,- (tarief II) en 1 x 0,5 x € 759,- (tarief I).

8 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter te Almere van 20 juli 2016 voor zover in conventie gewezen;

vernietigt dat vonnis voor zover in reconventie gewezen en doet opnieuw recht;

  • -

    veroordeelt [appellant] tot betaling aan [geïntimeerde] van een bedrag van € 4.450,-, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 25 juli 2016 tot de dag van algehele voldoening;

  • -

    veroordeelt [appellant] tot betaling van de kosten van de procedure in reconventie, aan de zijde van [geïntimeerde] gevallen begroot op nihil;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] vastgesteld op € 314,- voor verschotten en op € 2.537,50 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

verklaart dit arrest ten aanzien van de daarin vervatte veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. O.E. Mulder, B.J.H. Hofstee en J. Smit en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op

29 mei 2018.