Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:4807

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
29-05-2018
Datum publicatie
08-06-2018
Zaaknummer
17/00557
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2017:1964, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Cassatie: ECLI:NL:HR:2019:280
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

LB/PVV. Afdrachtvermindering onderwijs. Beroepspraktijkvorming. Voldoen praktijkovereenkomsten aan wettelijke voorwaarden?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2018/1215
Viditax (FutD), 08-06-2018
FutD 2018-1569
V-N 2018/42.1.4
Viditax (FutD), 22-02-2019
NTFR 2018/1361
NLF 2018/1282 met annotatie van
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

locatie Arnhem

nummer 17/00557

uitspraakdatum: 25 mei 2018

Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] BV te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 11 april 2017, nummer AWB 15/5724, ECLI:NL:RBGEL:2017:1964, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Enschede (hierna: de Inspecteur)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 januari 2011 tot en met 31 december 2013 een naheffingsaanslag in de loonheffingen opgelegd. Bij beschikkingen is heffings- en belastingrente berekend en is een vergrijpboete opgelegd.

1.2.

De Inspecteur heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar de bezwaren afgewezen en de naheffingsaanslag en de beschikkingen gehandhaafd.

1.3.

Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en de boete verminderd wegens overschrijding van de redelijke termijn.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.

1.5.

Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend. De Inspecteur heeft een conclusie van dupliek ingezonden. Belanghebbende heeft nadere stukken ingezonden bij brieven van 23 januari 2018 en 31 januari 2018.

1.6.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 februari 2018. Ter zitting zijn gezamenlijk behandeld de zaken met de nummers 17/00557 en 17/00558. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 De vaststaande feiten

2.1.

Veertien werknemers van belanghebbende hebben via de Vak & Werk School deelgenomen aan beroepspraktijkvorming; elf aan deelcertificaten van de opleiding Commercieel medewerker marketing en communicatie (crebo-code 10036) en drie aan deelcertificaten van de opleiding Commercieel medewerker binnendienst (crebo-code 10044).

2.2.

Deze werknemers hebben met de Vak & Werkschool als onderwijsinstelling en [A] als praktijkbiedende organisatie een praktijkovereenkomst voor beroepsopleidingen (POK) gesloten als bedoeld in artikel 7.2.8 van de Wet educatie en beroepsonderwijs (zoals deze destijds luidde) (hierna: WEB). Deze POK’s zijn grotendeels gelijkluidend. De POK van werknemer [B] luidt onder meer als volgt:

Artikel 2 Beroepspraktijkvorming beroepsopleiding

1. De deelnemer volgt de beroepspraktijkvorming in het kader van :

a. Naam opleiding: Commercieel Medewerker Marketing en Communicatie

b. Code opleiding (CREBO-nummer): 10036

c. Kwalificatieniveau: 4

d. Leerweg: Beroepsbegeleidend (BBL)

Artikel 3 Duur en omvang van de beroepspraktijkvorming

1. De beroepspraktijkvorming heeft betrekking op de onderdelen die behoren bij de volledige kwalificatie.

2. De beroepspraktijkvorming omvat in totaal 800 klokuren.

3. De beroepspraktijkvorming vangt aan op 1‑10‑2011 en eindigt uiterlijk op 30-9-2013.”

3 Het geschil

In geschil is of belanghebbende recht heeft op afdrachtvermindering onderwijs. In hoger beroep is niet meer in geschil dat de boete moet worden vernietigd.

4 Beoordeling van het geschil

4.1.

Belanghebbende maakt aanspraak op de afdrachtvermindering onderwijs, op de grond dat veertien van haar werknemers beroepspraktijkvorming als bedoeld in artikel 14, eerste lid, onderdeel a, van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen (hierna: Wva) hebben gevolgd. Die bepaling vereist een op de grondslag van artikel 7.2.8 van de WEB gesloten overeenkomst, de zogenoemde POK. Op grond van dit laatste artikel omvat de overeenkomst onder meer bepalingen over de aanvangsdatum en einddatum van de beroepspraktijkvorming, alsmede het aantal te volgen praktijkuren per kalenderjaar, de begeleiding van de deelnemer en dat deel van de kwalificatie dat de deelnemer tijdens de beroepspraktijkvorming dient te behalen.

4.2.

Belanghebbende stelt en de Inspecteur betwist dat de door de werknemers gesloten POK’s voldoen aan de wettelijke voorwaarden. Bij de beoordeling daarvan is van belang dat de Belastingdienst bij beoordeling van de afdrachtvermindering met voldoende zekerheid zal moeten kunnen vaststellen of in het desbetreffende tijdvak recht bestond op afdrachtvermindering (vgl. HR 15 januari 2016, nr. 15/00350, ECLI:NL:HR:2016:38).

4.3.

De Inspecteur stelt dat de POK’s van de desbetreffende werknemers niet de gevolgde beroepspraktijkvorming vermeldt, omdat daarop de gehele beroepsopleiding is vermeld terwijl slechts drie deelopleidingen zijn gevolgd. Een uitzondering hierop vormt de POK van [C] .

4.4.

Belanghebbende stelt dat in de POK’s met ingangsdatum 1 mei 2012 wel de bedoelde drie deelkwalificaties zijn vermeld. Blijkens het in het hogerberoepschrift opgenomen schema betreft dit [C] en [D] . De Inspecteur betwist dit en stelt dat dat slechts bij [C] het geval is. Het Hof stelt vast dat tot de stukken een kopie behoort van de POK van [D] (Bijlage 11 bij gronden beroep), waarin de deelkwalificaties niet zijn vermeld. Belanghebbende heeft naar het oordeel van het Hof niet aannemelijk gemaakt dat de deelkwalificaties zijn vermeld op een andere POK dan van [C] .

4.5.

Belanghebbende erkent dat in het merendeel van de POK’s de gehele beroepsopleiding is vermeld, te weten Commercieel medewerker marketing en communicatie dan wel Commercieel medewerker binnendienst. In eerste aanleg verdedigde belanghebbende dat aanvankelijk het doel was dat de deelnemers na het behalen van de deelkwalificaties het opleidingstraject zouden kunnen gaan vervolgen met als doel het behalen van het MBO-diploma, maar dat dit geen doorgang heeft gevonden vanwege de Wva-controles door de Belastingdienst (blz. 14/15 gronden beroep). Belanghebbende stelt in hoger beroep dat het buiten kijf stond dat het volgen van slechts 3 deelkwalificaties was overeengekomen (blz. 5 van de gronden hoger beroep) en dat de werknemers de keuze hadden hun opleiding voort te zetten om uiteindelijk het mbo-diploma te behalen (blz. 13). Belanghebbende is van mening dat dit een geringe administratieve onvolkomenheid is die niet in de weg staat aan de rechtsgeldigheid van de POK.

4.6.

De Inspecteur stelt dat het in de POK’s vermelde aantal uren (800) niet is te herleiden tot de gevolgde deelcertificaten. Belanghebbende stelt daartegenover dat de onderwijs- en examenregeling van Vak & Werk School voor de onderscheidenlijk drie deelkwalificaties een aantal normatieve uren van 945 vermeldt.

4.7.

Belanghebbende stelt dat, doordat de 3 deelkwalificaties in de opleiding gecombineerd zijn, zij naar de mening van de examencommissie met een ietwat lager aantal, namelijk 800 uren binnen het traject van belanghebbende konden worden uitgevoerd, mede ook door de onderlinge samenhang van deze deelkwalificaties. Belanghebbende heeft deze stelling naar ’s Hofs oordeel evenwel onvoldoende nader onderbouwd.

4.8.

De Inspecteur wijst erop dat wel een totaal aantal uren is vermeld, maar niet de verdeling daarvan over de kalenderjaren. Belanghebbende erkent dit, maar is van mening dat dit een geringe administratieve onvolkomenheid is die niet in de weg staat aan de rechtsgeldigheid van de POK.

4.9.

Het Hof stelt vast dat de POK’s op verschillende onderdelen niet voldoen aan de wettelijke voorwaarden. In vrijwel alle gevallen is de gehele beroepsopleiding vermeld, terwijl slechts drie deelopleidingen (zouden) worden gevolgd. Voorts is een aantal uren vermeld dat behoort bij noch de gehele beroepsopleiding, noch de te volgen deelopleidingen. Ook is de verdeling van de uren over de kalenderjaren niet vermeld. Deze combinatie van onvolkomenheden staat een doelmatige controle door de Belastingdienst in de weg, ook als in ogenschouw wordt genomen dat in een enkel geval wel de juiste deelkwalificaties zijn vermeld. Het Hof is daarom van oordeel dat belanghebbende geen recht heeft op de afdrachtvermindering.

4.10.

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat het onevenredig en buitenproportioneel is om op grond van de hiervoor vermelde omissies toepassing van de afdrachtvermindering te weigeren. Naar het oordeel van het Hof zijn daarvoor te veel onjuistheden geconstateerd die controle door de Belastingdienst te zeer belemmeren of onmogelijk maken.

4.11.

Gelet op het vorenstaande behoeven de overige stellingen van de Inspecteur geen bespreking.

4.12.

Uit het vorenoverwogene volgt dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd.

4.13.

Het hoger beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de heffings- en belastingrente. Belanghebbende heeft hiertegen geen zelfstandige grieven aangevoerd zodat het hoger beroep ook in zoverre faalt.

4.14.

De Inspecteur concludeert tot vernietiging van de boete. Het Hof zal dienovereenkomstig beslissen. In verband daarmee is het hoger beroep gegrond.

Slotsom

Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep gegrond.

5 Overschrijding redelijke termijn

5.1.

Belanghebbende heeft vergoeding verzocht van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.

5.2.

Voor de berechting van de zaak in eerste aanleg heeft als uitgangspunt te gelden dat deze niet binnen een redelijke termijn is geschied indien de rechtbank niet binnen twee jaar nadat het moment waarop de inspecteur het bezwaarschrift ontvangt, uitspraak doet. Voor de berechting in hoger beroep heeft als uitgangspunt te gelden dat het gerechtshof uitspraak doet binnen twee jaar nadat hoger beroep is ingesteld (HR 19 februari 2016, nr. 14/03907, ECLI:NL:HR:2016:252, rechtsoverweging 3.3.1, 3.4.2 en 3.4.3).

5.3.

Belanghebbende heeft niet in de beroepsfase, maar voor het eerst in hoger beroep verzocht om een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. In een zodanig geval heeft te gelden dat de vraag of die termijn is overschreden door het hof moet worden beoordeeld naar de stand van het geding ten tijde van zijn uitspraak op het hoger beroep, waarbij de duur van de totale procedure tot dan toe in ogenschouw wordt genomen. Een voortvarende behandeling van het hoger beroep kan er in een zodanig geval dan ook toe leiden dat de overschrijding van de redelijke termijn door het bestuursorgaan en/of de rechtbank wordt gecompenseerd (HR 12 december 2014, nr. 14/00797, ECLI:NL:HR:2014:3562).

5.4.

Het bezwaar is ingediend op 27 mei 2014. De Inspecteur heeft op 13 augustus 2015 beslist op het bezwaar. De Rechtbank heeft op het daartegen ingestelde beroep beslist bij uitspraak van 11 april 2017. De procedure van de indiening van het bezwaar tot die uitspraak duurde 2 jaar en 10½ maand.

5.5.

Het hoger beroep is ingediend op 18 mei 2017. Deze uitspraak is gedaan op 25 mei 2018. De hogerberoepsprocedure duurde 1 jaar en ½ maand.

5.6.

Daarmee hebben de procedure tot de uitspraak van de rechtbank en de hogerberoepsprocedure tezamen minder dan vier jaren geduurd, zodat de redelijke termijn niet is overschreden.

6 Griffierecht en proceskosten

Omdat het Hof het hoger beroep gegrond verklaart, bepaalt het Hof dat de Inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht vergoedt.

Het Hof ziet aanleiding de Inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende voor de behandeling van het bezwaar, het beroep en het hoger beroep heeft moeten maken. Daarbij neemt het Hof in aanmerking dat deze zaak samenhangt met de zaak met rolnummer 17/00558.

Het Hof stelt de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar, het beroep en het hoger beroep heeft moeten maken overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 498 voor de kosten in de bezwaarfase (2 punten (bezwaarschrift en hoorzitting)  wegingsfactor 1  € 249, € 1.252,50 voor de kosten in eerste aanleg (2,5 punten (beroepschrift, repliek, bijwonen zitting)  wegingsfactor 1  € 501) en € 1.252,50 voor de kosten in hoger beroep (2,5 punten (hogerberoepschrift, repliek, bijwonen zitting)  wegingsfactor 1  € 501), ofwel in totaal op € 3.003.

Partijen zijn ter zitting overeengekomen dat wegens bijzondere omstandigheden de proceskostenvergoeding moet worden verhoogd met € 800.

Van de totale proceskostenvergoeding van € 3.803 wordt in deze zaak de helft toegekend, oftewel € 1.901,50.

7 Beslissing

Het Hof:

– vernietigt de uitspraak van de Rechtbank voor zover deze betrekking heeft op de boete,

– bevestigt de uitspraak van de Rechtbank voor het overige,

– verklaart het tegen de uitspraak van de Inspecteur inzake de boete ingestelde beroep gegrond,

– vernietigt de uitspraak van de Inspecteur die betrekking heeft op de boete,

– vernietigt de boetebeschikking,

– wijst het verzoek om schadevergoeding af,

– veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 1.901,50,

– gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht vergoedt, te weten € 331 in verband met het beroep bij de Rechtbank en € 501 in verband met het hoger beroep bij het Hof.

Deze uitspraak is op 25 mei 2018 gedaan door mr. J. van de Merwe, voorzitter, mr. R.A.V. Boxem en mr. A.E. Keulemans, in tegenwoordigheid van mr. J.H. Riethorst als griffier.

De beslissing is op 29 mei 2018 in het openbaar uitgesproken.

De griffier,

De voorzitter,

(J.H. Riethorst)

(J. van de Merwe)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op: 29 mei 2018

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.