Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:4761

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
25-05-2018
Datum publicatie
13-06-2018
Zaaknummer
WAHV 200.190.163
Rechtsgebieden
Strafprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Omvang van het geschil in hoger beroep. Proceskostenvergoeding. Familierelatie. Raadplegen Brp.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 200.190.163

25 mei 2018

CJIB 186393076

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

zittingsplaats Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank Limburg

van 10 maart 2016

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [A] ,

voor wie als gemachtigde optreedt [B] ( [C] B.V.),

kantoorhoudende te [A] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie genomen beslissing gegrond verklaard, die beslissing vernietigd en het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaard. Voorts heeft de kantonrechter het verzoek van de betrokkene tot vergoeding van kosten afgewezen.

Het procesverloop

De gemachtigde van de betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld. Tevens is verzocht om vergoeding van kosten.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De gemachtigde van de betrokkene heeft schriftelijk een nadere toelichting gegeven op het beroep.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een reactie te geven op de nadere toelichting op het beroep. Hiervan is geen gebruik gemaakt.

De griffier van het hof heeft de advocaat-generaal verzocht om aanvullende informatie.

Na ontvangst van de aanvullende informatie, is de gemachtigde van de betrokkene in de gelegenheid gesteld daarop te reageren. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

Beoordeling

1. De gemachtigde stelt dat het verzoek om proceskostenvergoeding ten onrechte is afgewezen door de kantonrechter. De door de advocaat-generaal aangedragen grond - dat de rechtsbijstand niet op zakelijke basis is verleend, omdat de betrokkene de moeder van de gemachtigde is - maakt geen deel uit van het geschil, nu geen incidenteel hoger beroep is gesteld. Het hoger beroep moet naar mening van de gemachtigde worden beperkt tot hetgeen in hoger beroep wordt betwist door de betrokkene, namelijk het oordeel van de kantonrechter over het afwijzen van het verzoek om proceskostenvergoeding wegens het vermeende gemis van rechtsbijstand als vast onderdeel van een duurzame, op het vergaren van inkomsten gerichte, taakuitoefening. Daarnaast is het raadplegen van de Basisregistratie personen (Brp) door de advocaat-generaal onrechtmatig geweest en leidt dit tot een schending van de privacy van de betrokkene. Verder voert de gemachtigde aan dat geen onderscheid tussen de zakelijke voorwaarden wordt gemaakt vanwege een verwantschap.

2. De kantonrechter heeft het verzoek om proceskostenvergoeding afgewezen en daartoe overwogen dat niet is gebleken dat het verlenen van rechtsbijstand een vast onderdeel vormt van een duurzame, op het vergaren van inkomsten gerichte, taakuitoefening, zodat de kantonrechter het ervoor houdt dat geen sprake is geweest van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

3. Ter discussie staat wat als de omvang van het geschil moet worden aangemerkt. De omvang van het geschil wordt in bestuursrechtelijke procedures bepaald door de gronden die de indiener van het beroepschrift aanvoert in relatie tot de bestreden beslissing. Verder bestaat er geen mogelijkheid tot het instellen van incidenteel hoger beroep, omdat hoofdstuk 8 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet van toepassing is verklaard in procedures op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv).

4. De gronden in hoger beroep richten zich tegen de beslissing van de kantonrechter tot afwijzing van het verzoek om proceskostenvergoeding. Het geschil in hoger beroep is hiertoe beperkt. Dat de aangevoerde gronden zich toespitsen op de overweging van de kantonrechter dat niet is gebleken dat het verlenen van rechtsbijstand een vast onderdeel vormt van een duurzame, op het vergaren van inkomsten gerichte, taakuitoefening, maakt niet dat de omvang van het geschil verder wordt beperkt tot slechts deze overweging van de kantonrechter.

5. Ingevolge artikel 13a van de Wahv juncto artikel 1, aanhef en onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht, kan een veroordeling in de kosten betrekking hebben op kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

6. In hoger beroep is voldoende gebleken dat het verlenen van rechtsbijstand een vast onderdeel vormt van een duurzame, op het vergaren van inkomsten gerichte, taakuitoefening. De kantonrechter heeft het verzoek ten onrechte op deze grond afgewezen.

7. De advocaat-generaal heeft aangevoerd dat het verzoek tot vergoeding van proceskosten wel terecht is afgewezen nu uit de Brp blijkt dat de betrokkene de moeder is van de gemachtigde en dat zij op hetzelfde adres woont als het opgegeven correspondentieadres van het adviesbureau van de gemachtigde. De rechtsbijstand is hierop gelet niet op zakelijke basis verleend. De advocaat-generaal is verzocht nader toe te lichten waarop de bevoegdheid in deze zaak is gebaseerd om de Brp te raadplegen. De advocaat-generaal verwijst hiervoor naar artikel 3.2 van de Wet brp in samenhang met het Autorisatiebesluit Minister van Veiligheid en Justitie ten behoeve van de officieren van justitie bij de arrondissementsparketten en de advocaten-generaal bij de ressortsparketten (hierna: het Besluit).

8. Het hof stelt vast dat in artikel 2, derde lid, van het Besluit onder meer staat opgenomen dat slechts om een gegeven dat is opgenomen in bijlage I (waaronder gegevens uit het Brp vallen) kan worden verzocht over een persoon in de hoedanigheid van verdachte, gewezen verdachte, veroordeelde, ter beschikking gestelde of een persoon tegen wie een strafrechtelijk financieel onderzoek is ingesteld ter zake van ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Dit is in deze zaak niet aan de orde. Het Brp mocht dan ook niet op grond van voornoemd besluit worden geraadpleegd.

9. Aan het voorgaande zal het hof geen gevolgen verbinden, omdat - ook zonder raadpleging van de Brp - gelet op de stukken van het dossier aannemelijk is dat tussen de gemachtigde en de betrokkene een familierelatie bestaat en de gemachtigde behoort tot het huishouden van de betrokkene. De gemachtigde en de betrokkene hebben dezelfde achternaam en de adresgegevens van het adviesbureau van de gemachtigde komen overeen met de adresgegevens van de betrokkene. Dit brengt mee dat in beginsel aangenomen moet worden dat de rechtsbijstand door de gemachtigde niet op zakelijke basis is verleend en dus niet kan gelden als beroepsmatig verleend (ABRvS 7 november 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY2474). Dat dit mogelijk anders is, is niet met concrete feiten of omstandigheden onderbouwd door de gemachtigde. De enkele stelling dat geen onderscheid tussen de zakelijke voorwaarden wordt gemaakt vanwege een verwantschap, is hiertoe onvoldoende. De verzochte kosten komen daarom niet voor vergoeding in aanmerking.

10. De kantonrechter heeft het verzoek om proceskostenvergoeding terecht afgewezen. Deze beslissing wordt, gelet op hetgeen onder 6. tot en met 9. is overwogen, bevestigd met verbetering van gronden. Gegeven deze beslissing wordt het verzoek om proceskostenvergoeding in hoger beroep ook afgewezen.

Beslissing

Het gerechtshof:

bevestigt de beslissing van de kantonrechter met verbetering van gronden;

wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af.

Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Stoop als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.