Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:4702

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
23-05-2018
Datum publicatie
24-05-2018
Zaaknummer
21-005017-13
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2013:BZ9363, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bewezenverklaring van het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde. De onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde feiten leveren op: telkens: met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen, begaan tegen een aan zijn zorg toevertrouwde minderjarige, meermalen gepleegd.

Verdachte heeft zich in zijn hoedanigheid als sportmasseur/verzorger schuldig gemaakt aan plegen van ontuchtige handelingen met drie minderjarige jongens van 11-12 jaar oud. De ontucht met de jonge jongens vond steeds herhaaldelijk plaats en gedurende een lange periode van enkele maanden tot een jaar. (..)

Het hof neemt de bevindingen en conclusies uit de Pro Justitia rapportage van de deskundige over en maakt deze tot de zijne. Het hof is gelet daarop van oordeel dat verdachte ten aanzien van de ten laste gelegde feiten verminderd toerekeningsvatbaar was en houdt daarmee rekening bij de strafoplegging.

(..)

Veroordeling tot een voorwaardelijke gevangenisstraf en oplegging van bijzondere voorwaarden, waaronder opname in een zorginstelling voor klinische behandeling, met een proeftijd van vijf jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-005017-13

Uitspraak d.d.: 23 mei 2018

TEGENSPRAAK

Promis

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Gelderland van 3 mei 2013 met parketnummer 06-940258-12 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1950] ,

wonende te [woonplaats] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 4 maart 2015, 5 augustus 2016, 24 mei 2017 en 9 mei 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman,

mr. J.F. Schouwenaar, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

De rechter in eerste aanleg heeft verdachte bij vonnis van 3 mei 2013 ter zake van de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten veroordeeld tot een gevangenisstraf van 8 maanden waarvan 4 maanden voorwaardelijk met aftrek van het voorarrest, met een proeftijd van 5 jaar en met oplegging van algemene en bijzondere voorwaarden.

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere strafoplegging komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1:
hij (op één of meerdere tijdstippen) in of omstreeks de periode van 1 augustus 2011 tot 1 maart 2012 te [plaats] , in ieder geval in Nederland, met [benadeelde 1] , geboortedatum [1999] , zijnde een in zijn, verdachtes, hoedanigheid van sportmasseur/verzorger aan verdachtes zorg toevertrouwde pupil, buiten echt, één of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, door de penis en/of de billen van die [benadeelde 1] te betasten, terwijl die [benadeelde 1] toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt.

2:
hij (op één of meerdere tijdstippen) in of omstreeks de periode van 1 augustus 2011 tot 1 maart 2012 te [plaats] , in ieder geval in Nederland, met [benadeelde 2] , geboortedatum [1999] , zijnde een in zijn, verdachtes, hoedanigheid van sportmasseur aan verdachtes zorg toevertrouwde pupil, buiten echt, één of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, door de penis en/of de billen van die [benadeelde 2] te betasten, terwijl die [benadeelde 2] toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt.

3:
hij (op één of meerdere tijdstippen) in of omstreeks de periode van 1 december 2010 tot 1 december 2011 te [plaats] , in ieder geval in Nederland, met [benadeelde 3] , geboortedatum [1999] , zijnde een in zijn, verdachtes, hoedanigheid van sportmasseur aan verdachtes zorg toevertrouwde pupil, buiten echt, één of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, door de penis van die [benadeelde 3] te betasten, terwijl die [benadeelde 3] toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1:
hij (op één of meerdere tijdstippen) in of omstreeks de periode van 1 augustus 2011 tot 1 maart 2012 te [plaats] , in ieder geval in Nederland, met [benadeelde 1] , geboortedatum [1999] , zijnde een in zijn, verdachtes, hoedanigheid van sportmasseur/verzorger aan verdachtes zorg toevertrouwde pupil, buiten echt, één of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, door de penis en/of de billen van die [benadeelde 1] te betasten, terwijl die [benadeelde 1] toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt.

2:
hij (op één of meerdere tijdstippen) in of omstreeks de periode van 1 augustus 2011 tot 1 maart 2012 te [plaats] , in ieder geval in Nederland, met [benadeelde 2] , geboortedatum [1999] , zijnde een in zijn, verdachtes, hoedanigheid van sportmasseur aan verdachtes zorg toevertrouwde pupil, buiten echt, één of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, door de penis en/of de billen van die [benadeelde 2] te betasten, terwijl die [benadeelde 2] toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt.

3:
hij (op één of meerdere tijdstippen) in of omstreeks de periode van 1 december 2010 tot 1 december 2011 te [plaats] , in ieder geval in Nederland, met [benadeelde 3] , geboortedatum [1999] , zijnde een in zijn, verdachtes, hoedanigheid van sportmasseur aan verdachtes zorg toevertrouwde pupil, buiten echt, één of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, door de penis van die [benadeelde 3] te betasten, terwijl die [benadeelde 3] toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde levert op:

telkens: met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen, begaan tegen een aan zijn zorg toevertrouwde minderjarige,

meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

Verdachte heeft zich in zijn hoedanigheid als sportmasseur/verzorger schuldig gemaakt aan plegen van ontuchtige handelingen met drie minderjarige jongens van 11-12 jaar oud.

De ontucht met de jonge jongens vond steeds herhaaldelijk plaats en gedurende een lange periode van enkele maanden tot een jaar.

Verdachte heeft door aldus te handelen zeer ernstig misbruik gemaakt van het vertrouwen dat kinderen/ jeugdigen over het algemeen stellen en ook moeten kunnen stellen in volwassenen.

Ten tijde van het bewezenverklaarde handelen was verdachte 60-61 jaar en ten opzichte van de slachtoffers was sprake van een leeftijdsverschil van ongeveer 50 jaar. Daarmee staat buiten kijf dat sprake was van een grote mate van overwicht van verdachte op het slachtoffer.

Daarbij komt dat de zeer jonge slachtoffers zich ten opzichte van verdachte, werkzaam als sportmasseur bij hun voetbalclub, in een uiterst afhankelijke en kwetsbare positie bevonden.

Het bewezenverklaarde houdt een ingrijpende aantasting in van de persoonlijke, lichamelijke en geestelijke integriteit van de slachtoffers. Door zijn handelen heeft verdachte hen op een nare wijze, en geenszins passend bij hun leeftijdsfase, in aanraking gebracht met seksualiteit hetgeen bij de slachtoffers gevoelens van onvrijheid en onveiligheid, beklemming en/of onmacht teweeg moet hebben gebracht. Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van zedendelicten als hier aan de orde daarvan dikwijls nog langdurig geestelijke schade plegen te ondervinden.

Uit de schriftelijke slachtofferverklaringen van de aangevers gevoegd bij de voegingsformulieren van de benadeelde partijen blijkt dat de slachtoffers psychische klachten ondervonden als gevolg van het misbruik. Bij tenminste één van hen was destijds inschakeling van professionele psychologische hulp noodzakelijk en ook de andere slachtoffers hebben destijds blijkens de toelichting op de vordering tot schadevergoeding, last gehad van psychische klachten.

Het hof rekent verdachte zijn handelen zwaar aan.

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof verdachte ter zake van de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten zal veroordelen tot een gevangenisstraf van 365 dagen waarvan 362 dagen voorwaardelijk, met aftrek van het voorarrest, met een proeftijd van 5 jaar en met oplegging van algemene en bijzondere voorwaarden, zoals geadviseerd door de reclassering.

Bij de strafoplegging houdt het hof rekening met een de verdachte betreffend uittreksel justitiële documentatie van 10 april 2018 waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld ter zake van een soortgelijk delict. Naast onderhavige veroordeling maakt het strafblad van verdachte alleen nog melding van een transactie wegens een strafbaar feit in het kader van de Wegenverkeerswet.

Bij de strafoplegging houdt het hof voorts rekening met hetgeen omtrent de persoon van verdachte is gebleken, op basis van het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep en de zich in het dossier bevindende - ook tijdens de procedure in hoger beroep opgemaakte - voorlichtingsrapportages.

Behalve een recent reclasseringsrapport van 11 december 2017 bevat het dossier onder meer een Pro Justitia rapportage van 4 november 2015 van drs. T.W. van de Kant, GZ-psycholoog, een in opdracht van het gerechtshof opgemaakt aanvullend Pro Justitia rapport van genoemde psycholoog van 28 januari 2017 en een recente brief van de forensische polikliniek [naam polikliniek] d.d. 10 april 2018.

Uit deze rapportages blijkt - samengevat - het volgende.

In zijn aanvullende PJ rapportage van 28 januari 2017 stelt drs van de Kant dat bij verdachte is sprake van een vermijdende persoonlijkheidsstoornis met dwangmatige kenmerken en een pedofiele stoornis. De pedofilie stoornis en de vermijdende persoonlijkheidsstoornis hebben een bepalende rol gespeeld in de totstandkoming van de ten laste gelegde feiten. Verdachte is onvoldoende in staat om gelijkwaardige, wederkerige relaties aan te gaan. Daarnaast is hij onvoldoende in staat te reflecteren op zijn eigen gedrag en zijn zijn empathische vermogens beperkt.

De deskundige adviseert om verdachte als verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen ten aanzien van de ten laste gelegde feiten.

Gezien de - uit het psychologisch onderzoek gebleken - voorgeschiedenis van vergelijkbare feiten, het beperkte vermogen tot zelf-reflexie en de escalatie in frequentie van feiten, wordt de kans op herhaling van een soortgelijk feit op de middellange en lange termijn als matig ingeschat. Op langere termijn vormen de spanningen als gevolg van het uitkomen van de feiten en de strafrechtelijke procedure en consequenties echter een mogelijke risicofactor voor nieuw grensoverschrijdend gedrag. De deskundige adviseert een intensieve klinische behandeling van verdachte, in een forensisch psychiatrische instelling gespecialiseerd in zedenproblematiek. Aan een klinische opname/ behandeling kan ambulant vervolg worden gegeven.

Het hof neemt voornoemde bevindingen en conclusies van de deskundige over en maakt deze tot de zijne. Het hof is gelet hierop van oordeel dat verdachte ten aanzien van de ten laste gelegde feiten verminderd toerekeningsvatbaar was en houdt daarmee rekening bij de strafoplegging .

Uit het schrijven van [naam polikliniek] van 10 april 2018 blijkt voorts dat verdachte op 21 maart 2017 bij deze instantie een intakegesprek had. Naar aanleiding hiervan werd een behandelplan opgesteld. Na ontvangst van het aanvullende Pro Justitia rapport werd [naam polikliniek] duidelijk dat in het verleden sprake is geweest nog veel meer zedendelicten - het betasten van jonge jongens – begaan door verdachte. Daarop is besloten over te gaan tot het eerst verder in kaart brengen van actuele risicofactoren voor delict-herhaling, huisbezoeken en psychiatrisch consult. Sinds september 2017 is sprake van tweewekelijkse behandelgesprekken met een psychosociaal behandelaar.

Verdachte komt alle afspraken goed na en ervaart de gesprekken als prettig. Hij brengt veel vrije tijd door in een werkplaats.

De reclassering bericht in zijn meest recente rapportage dat verdachte in oktober 2017 bij het IFZ werd aangemeld. Verdachte is geschikt voor opname in FPK [naam FPK] van de GGZ Drenthe, waar behandeling kan plaatsvinden gericht op zedenproblematiek. Verdachte is op een wachtlijst geplaatst. Indien plaatsing te [naam FPK] te lang gaat duren, gaat het IFZ op zoek naar een andere geschikte klinische plek. Verdachte heeft zijn medewerking toegezegd aan een klinisch behandeltraject.

Mocht het hof komen tot een (deels) voorwaardelijke veroordeling, dan luidt het advies om de volgende bijzondere voorwaarden op te leggen, met een langdurige proeftijd:

 een langdurige meldplicht bij reclassering;

 opname in een zorginstelling voor klinische behandeling;

 de verplichting tot het verlenen van medewerking aan ambulante behandeling, na afloop van de klinische fase;

 meerdere andere aanwijzingen betreffende het gedrag.

Ter zitting van het hof op 9 mei 2018 is mevrouw [naam reclasseringswerker] , reclasseringswerker bij Reclassering Nederland, gehoord. Zij heeft een toelichting gegeven ten aanzien van de persoon van verdachte en de in het meest recente rapport van de reclassering d.d. 11 december 2017 geadviseerde bijzondere voorwaarden.

Verdachte heeft ook ter terechtzitting in hoger beroep verklaard medewerking te willen verlenen aan de door de psycholoog en reclassering geadviseerde intensieve - klinische en ambulante - behandeling.

Verdachte en zijn raadsman hebben het hof verzocht om in elk geval geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen aangezien verdachte enorm opziet tegen een periode in detentie.

Met inachtneming van het voorgaande en alles afwegende komt het hof komt tot oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf van de hierna te melden duur, en met oplegging van bijzondere voorwaarden en een langdurige proeftijd.

Ten aanzien van de proeftijd.

Het hof ziet redenen om aan de voorwaardelijke gevangenisstraf en de op te leggen voorwaarden een proeftijd van vijf jaar te verbinden, nu er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de veroordeelde wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 1.000,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 1.000,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 2 bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 1.000,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 3 bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 57, 247 en 248 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) maanden.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 5 (vijf) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 5 (vijf) jaren ten behoeve van het vaststellen van zijn/haar identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde verplicht is zich binnen vijf werkdagen na het onherroepelijk worden van dit arrest te melden bij de afdeling toezicht van Reclassering Nederland, [adres] te.. tel [telefoonnummer] ) en verplicht is om zich gedurende de volledige proeftijd te melden zo frequent als en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht. Gedurende de klinische behandeling vinden de meldplichtcontacten plaats via een bezoek van de reclassering aan de kliniek.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde verplicht is om zich gedurende de volledige proeftijd op basis van de door het NIFP-IFZ afgegeven indicatiestelling te laten opnemen in de Forensisch Psychiatrische Afdeling FPK te [plaats] of een soortgelijke intramurale instelling, zulks ter beoordeling van het NIFP-IFZ, waarbij de veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de (geneesheer-)directeur van die instelling zullen worden gegeven. De veroordeelde zal daarbij ook zijn volledige medewerking verlenen aan verfijning van reeds aanwezige diagnostiek.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde gedurende de volledige proeftijd wordt verplicht zich na afloop van zijn klinische behandeling voor resterende delictgerelateerde problematiek te laten behandelen bij de forensisch psychiatrische polikliniek [naam polikliniek] te [plaats] , of een soortgelijke ambulante forensische zorginstelling, zulks ter beoordeling van de reclassering, waarbij de veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven. Het zorgaanbod wordt beschikbaar gesteld op een nader te bepalen datum, in overleg met behandelinstelling en de reclassering.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat veroordeelde zich gedurende de proeftijd onthoudt van het (op digitale of andere wijze) met een seksuele intentie communiceren met minderjarigen; de veroordeelde zal zich niet begeven in internetomgevingen waarin kinderpornografisch materiaal kan worden verkregen of waarin over seksuele handelingen met kinderen wordt gecommuniceerd;

Stelt als bijzondere voorwaarde dat veroordeelde gedurende de volledige proeftijd geen minderjarigen binnen in zijn woning en/of zijn verblijfplaats zal laten zonder de aanwezigheid van een gezaghebbende, indien en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

Stelt als bijzondere voorwaarde dat het de veroordeelde gedurende de volledige proeftijd wordt verboden vrijwilligerswerk te verrichten waarbij hij minderjarigen begeleidt of daar veelvuldig mee in contact komt, zonder aanwezigheid van een gezaghebbende, indien en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 1] ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 1.000,00 (duizend euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 1] , ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 1.000,00 (duizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 20 (twintig) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 1 maart 2012.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 2] ter zake van het onder 2 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 1.000,00 (duizend euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 2] , ter zake van het onder 2 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 1.000,00 (duizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 20 (twintig) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 1 maart 2012.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 3] ter zake van het onder 3 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 1.000,00 (duizend euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 3] , ter zake van het onder 3 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 1.000,00 (duizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 20 (twintig) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 1 december 2011.

Aldus gewezen door

mr. B.J.J. Melssen, voorzitter,

mr. K. Lahuis en mr. J.S. van Duurling, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. J.M. van Westerlaak, griffier,

en op 23 mei 2018 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Proces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van het gerechtshof van 23 mei 2018.

Tegenwoordig:

mr. B.J.J. Melssen, voorzitter,

mr. M. van Leent, advocaat-generaal,

mr. J.M. van Westerlaak, griffier.

De voorzitter doet de zaak uitroepen.

De verdachte is niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.

De voorzitter spreekt het arrest uit.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.