Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:4675

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
23-05-2018
Datum publicatie
23-05-2018
Zaaknummer
21-002433-16
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOVE:2016:1297, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De stichting die het evenement in Haaksbergen heeft georganiseerd, waarbij een monstertruck het publiek is ingereden, waardoor drie slachtoffers zijn overleden en veel toeschouwers gewond zijn geraakt, waarvan een deel ernstig, wordt veroordeeld tot een voorwaardelijke geldboete van 25.000 euro voor dood door schuld en zwaar lichamelijk letsel door schuld (aanmerkelijke schuld).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-002433-16

Uitspraak d.d.: 23 mei 2018

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Overijssel van 15 april 2016 met parketnummer 08-910027-15 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 17 mei 2017, 17 april 2018, 23 april 2018 en 9 mei 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte, vertegenwoordigd door haar voorzitter [naam voorzitter] , en haar raadslieden, mr. F.G.L. van Ardenne en mr. J.S. Bilgi, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewezenverklaring komt en zal daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1.
zij in of omstreeks de periode van januari 2014 tot en met 28 september 2014 te Haaksbergen zeer althans aanmerkelijk onvoorzichtig, onachtzaam en/of nalatig heeft gehandeld immers heeft zij;

- als [verdachte] het evenement Auto Motor Sportief georganiseerd;

- en/of in het kader daarvan [naam bedrijf] in de persoon van [medeverdachte] gecontracteerd om onder andere een demonstratie, waarbij met een monstertruck over stilstaande autowrakken werd gereden, uit te voeren en waarbij zij zich daaraan voorafgaand onvoldoende heeft vergewist en/of heeft nagelaten zich daadwerkelijk te vergewissen van de risico's die aan de demonstratie verbonden waren;

- en/of ten behoeve van het evenement een vergunning aangevraagd en verleend gekregen; waarbij er door haar onvoldoende zorg voor is gedragen dat de vergunning verlenende instantie op de hoogte was van de precieze inhoud van de stunt en/of zich er niet van vergewist dat de vergunning verlenende instantie (de gemeente Haaksbergen) zich er ook van bewust was dat er een vergunning werd verleend voor een stunt met een monstertruck;

- en/of deze demonstratie laten uitvoeren op een parkeerplaats aan de Stationsstraat te Haaksbergen, waar de ruimte voor een veilige afwikkeling van de geplande stunt en/of manoeuvres met de 'monstertruck' te beperkt was, waarbij er door haar onvoldoende zorg is gedragen voor een afzetting conform de vergunning immers heeft zij een situatie laten bestaan/feitelijk opgebouwd waarbij de monstertruck in de ideale situatie op maximaal 3,3 meter van de dranghekken langs het publiek zou rijden terwijl in de afgegeven vergunning stond opgenomen dat 'de dranghekken dienen te zorgen dat het publiek op een afstand komt te staan van tenminste 10 meter' en/of waarbij er door haar is nagelaten te voorkomen dat de demonstratie in de richting van publiek zou plaatsvinden;

- bij de uitvoering van welke stunt het voertuig het publiek is ingereden waardoor het aan haar schuld te wijten is dat [slachtoffer 1] (geboren [geboortedag] 2008) en/of [slachtoffer 2] ( [geboortedag] 1963) en/of [slachtoffer 3] (geboren [geboortedag] 1941) zijn overleden;

2.
zij in of omstreeks de periode van januari 2014 tot en met 28 september 2014 te Haaksbergen zeer althans aanmerkelijk onvoorzichtig, onachtzaam en/of nalatig heeft gehandeld immers heeft zij;

- als [verdachte] het evenement Auto Motor Sportief georganiseerd;

- en/of in het kader daarvan [naam bedrijf] in de persoon van [medeverdachte] gecontracteerd om onder andere een demonstratie, waarbij met een monstertruck over stilstaande autowrakken werd gereden, uit te voeren en waarbij zij zich daaraan voorafgaand onvoldoende heeft vergewist en/of heeft nagelaten zich daadwerkelijk te vergewissen van de risico's die aan de demonstratie verbonden waren;

- en/of ten behoeve van het evenement een vergunning aangevraagd en verleend gekregen; waarbij er door haar onvoldoende zorg voor is gedragen dat de vergunning verlenende instantie op de hoogte was van de precieze inhoud van de stunt en/of zich er niet van vergewist dat de vergunning verlenende instantie (de gemeente Haaksbergen) zich er ook van bewust was dat er een vergunning werd verleend voor een stunt met een monstertruck;

- en/of deze demonstratie laten uitvoeren op een parkeerplaats aan de Stationsstraat te Haaksbergen, waar de ruimte voor een veilige afwikkeling van de geplande stunt en/of manoeuvres met de 'monstertruck' te beperkt was, waarbij er door haar onvoldoende zorg is gedragen voor een afzetting conform de vergunning immers heeft zij een situatie laten bestaan/feitelijk opgebouwd waarbij de monstertruck in de ideale situatie op maximaal 3,3 meter van de dranghekken langs het publiek zou rijden terwijl in de afgegeven vergunning stond opgenomen dat 'de dranghekken dienen te zorgen dat het publiek op een afstand komt te staan van tenminste 10 meter' en/of waarbij er door haar is nagelaten te voorkomen dat de demonstratie in de richting van publiek zou plaatsvinden;

- bij de uitvoering van welke stunt het voertuig het publiek is ingereden waardoor het aan haar schuld te wijten is geweest dat

- [slachtoffer 4] (gebroken ribben, een gebroken sleutelbeen, een klaplong en een gescheurde milt);

- [slachtoffer 5] (een meervoudige scheenbeenbreuk en een gescheurde knieschijf)

- [slachtoffer 6] (een schedelbasisfractuur, een klaplong, een gebroken rib, een gebroken kuitbeen en een hersenkneuzing)

- [slachtoffer 7] (een gebroken sleutelbeen)

- [slachtoffer 8] (een gebroken sleutelbeen, een gebroken bovenbeen, gebroken ribben, verdraaid bekken en klaplongen)

- [slachtoffer 9] (een gekneusde linkerenkel en littekens rond de linkervoet)

- [slachtoffer 10] (een verrekte nek, een gekneusde nek, verrekte enkelbanden)

- [slachtoffer 11] (een gescheurde lever, gebroken nekwervels, gebroken schouder, klaplongen en gebroken ribben)

- [slachtoffer 12] (gebroken bekken)

- [slachtoffer 13] (gebroken ribben, gebroken rugwervels en een gescheurde lever)

- [slachtoffer 14] (gebroken ribben)

- [slachtoffer 15] (gebroken pols)

- [slachtoffer 16] (gebroken ribben en een hersenschudding)

- [slachtoffer 17] (meerdere breuken, onder andere ribben)

- [slachtoffer 18] (gebroken ribben, gebroken heup, gebroken arm)

- [slachtoffer 19] (hersenletsel en inwendige kneuzingen)

- [slachtoffer 20] (gekneusde voet, kneuzingen aan de borstkast en onderrug)

- [slachtoffer 21] (een gebroken been)

- [slachtoffer 22] (een blijvende verminking in het gezicht, een gebroken kaak en een verbrijzelde oogkas)

- [slachtoffer 23] (deuken in benen)

- [slachtoffer 24] (gekneusde ribben, scheurtje in schouderblad)

- [slachtoffer 25] (gebroken middenvoetsbeentjes)

- [slachtoffer 26] (een gebroken rug, littekens en een klaplong)

- [slachtoffer 27] (gebroken/verbrijzeld bekken)

zwaar lichamelijk letsel heeft/hebben bekomen en/of zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte en/of verhindering in de uitoefening van de ambts- of beroepsbezigheden van genoemde slachtoffers was ontstaan;

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Partiële nietigheid van de dagvaarding

De verdediging heeft aangevoerd dat de dagvaarding ten aanzien van het onder 1 en 2 tenlastegelegde partieel nietig moet worden verklaard, omdat de zinsnede is nagelaten te voorkomen dat de demonstratie in de richting van het publiek zou plaatsvinden niet voldoet aan de eisen van duidelijkheid, begrijpelijkheid en feitelijkheid. De monstertruck heeft voorafgaand aan de stunt alle richtingen op gereden. Volgens de verdediging is het niet logisch dat het openbaar ministerie heeft bedoeld dat nergens publiek had mogen staan, maar wat wel is bedoeld kan nergens uit worden afgeleid. Dat de verdediging in eerste aanleg verweer heeft gevoerd tegen een mogelijke uitleg, brengt niet met zich dat de betreffende zinsnede een opgave van het feit als bedoeld in artikel 261, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering oplevert.

Dit verweer wordt verworpen.

Het hof is met de rechtbank van oordeel dat de hiervoor vermelde zinsnede voldoende specifiek is om – in onderling verband en samenhang met de overige opgenomen feitelijkheden – te kunnen dienen als onderdeel van de tenlastelegging. Gelet op het in eerste aanleg door de verdediging gevoerde verweer is het hof van oordeel dat het voor de verdediging ook duidelijk is wat er met de hiervoor vermelde zinsnede uit de tenlastelegging wordt bedoeld. De verdachte is niet in de verdediging geschaad door de wijze waarop het onder 1 en 2 tenlastegelegde is geformuleerd. De dagvaarding is dan ook in overeenstemming met de eisen gesteld in het eerste lid van artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering, zodat geen sprake is van partiële nietigheid van de dagvaarding

De ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

De verdediging heeft bepleit dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging moet worden verklaard. Daartoe is aangevoerd dat er sprake is van schending van het verbod van willekeur. De keuze van het Openbaar Ministerie om – naast de bestuurder van de monstertruck – alleen verdachte en niet (ook) de burgemeester van de gemeente Haaksbergen te vervolgen is in strijd met de jurisprudentie van het EHRM en de uitspraken van de bestuursrechter over het handelen van de gemeente Haaksbergen rondom de vergunningverlening voor het door verdachte georganiseerde evenement. Volgens de verdediging moet de strafrechtelijke aansprakelijkheid van de gemeente primair worden getoetst aan het ruimere criterium dat in de Europese jurisprudentie is ontwikkeld en niet aan de criteria die de Hoge Raad hanteert, wat betekent dat de gemeente Haaksbergen wel degelijk strafrechtelijk vervolgd kan worden. De verdediging stelt dat er geen sprake is geweest van een redelijke en billijke belangenafweging door het Openbaar Ministerie dan wel dat hiervan niet is gebleken. Het Openbaar Ministerie heeft in redelijkheid niet kunnen oordelen dat met de vervolging van verdachte een door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kon zijn en heeft hierdoor in strijd met de beginselen van een behoorlijk strafprocesrecht gehandeld.

Volgens de verdediging dient het voorgaande op zichzelf reeds tot de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie te leiden, maar zeker ook in samenhang met het door het Openbaar Ministerie voorafgaand aan de behandeling van het hoger beroep op YouTube geplaatste filmpje. De verdediging stelt dat het Openbaar Ministerie daarin een voorschot op het requisitoir neemt door het standpunt van het Openbaar Ministerie in hoger beroep kenbaar te maken. Dit is in strijd met de onschuldpresumptie.

Dit verweer wordt verworpen.

Het hof stelt voorop dat in artikel 167, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering aan het Openbaar Ministerie de bevoegdheid is toegekend zelfstandig te beslissen of naar aanleiding van een ingesteld opsporingsonderzoek vervolging moet plaatsvinden. De beslissing van het Openbaar Ministerie om tot vervolging over te gaan leent zich slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing in die zin dat slechts in uitzonderlijke gevallen plaats is voor een niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging op de grond dat het instellen of voortzetten van die vervolging onverenigbaar is met beginselen van een goede procesorde. Zo een uitzonderlijk geval doet zich voor wanneer de vervolging wordt ingesteld of voortgezet terwijl geen redelijk handelend lid van het Openbaar Ministerie heeft kunnen oordelen dat met (voortzetting van) de vervolging enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kan zijn. In het geval van een zodanige, aperte onevenredigheid van de vervolgingsbeslissing is de (verdere) vervolging onverenigbaar met het verbod van willekeur (dat in de strafrechtspraak in dit verband ook wel wordt omschreven als het beginsel van een redelijke en billijke belangenafweging).

Dat in dit geval sprake is van een aperte onevenredigheid van de vervolgingsbeslissing ten aanzien van verdachte, die meebrengt dat een (verdere) vervolging onverenigbaar is met het verbod van willekeur, valt uit de door de verdediging naar voren gebrachte feiten en omstandigheden niet af te leiden. De enkele omstandigheid dat mogelijk ook nog een ander strafrechtelijk had kunnen worden gevolgd, noopt naar het oordeel van het hof niet tot die conclusie, daargelaten dat het maar de vraag is of – mede in het licht van het recente arrest van de Hoge Raad van 22 februari 2018 (ECLI:NL:HR:2018:236), waarin de Hoge Raad de heersende leer betreffende de strafrechtelijke immuniteit van gemeentes en provincies indien zij in de uitoefening van de aan hun exclusief opgedragen bestuurstaken een strafbaar feit begaan handhaaft – de gemeente Haaksbergen strafrechtelijk vervolgd zou kunnen worden.

Het hof is verder van oordeel dat het verweer voor zover dat betrekking heeft op het door het Openbaar Ministerie gepubliceerde filmpje op YouTube feitelijke grondslag mist. Het hof heeft het filmpje bekeken en stelt vast dat de uitlatingen die de advocaat-generaal daarin heeft gedaan over de schuldvraag en mate van schuld betrekking hebben op de strafzaak tegen de bestuurder van de monstertruck en niet op de strafzaak van verdachte.

Het Openbaar Ministerie is dan ook ontvankelijk in de vervolging.

Overweging met betrekking tot het bewijs

Inleiding

Op zondag 28 september 2014 werd door verdachte in Haaksbergen het evenement Auto Motor Sportief (hierna ook: AMS) gehouden. Eén van de onderdelen van dit evenement bestond uit een demonstratie met een zogenoemde ‘monstertruck’ op het plein aan de Stationsstraat. Medeverdachte [medeverdachte] van het bedrijf [naam bedrijf] (hierna ook: [naam bedrijf] ) was de bestuurder van die monstertruck. De demonstratie bleek te bestaan uit het rijden van een aantal opwarmrondjes en het rijden over een zestal achter elkaar opgestelde autowrakken. Tijdens de uitvoering van dit laatste onderdeel heeft [medeverdachte] kort na het afrijden van de autowrakken de bocht naar links ingezet. Vervolgens is de monstertruck over de dranghekken gereden waarachter zich een deel van het aanwezige publiek bevond. Hierbij is een groot aantal toeschouwers gewond geraakt, waarvan een deel ernstig, en zijn drie slachtoffers overleden.

Voor het evenement AMS heeft [naam voorzitter] , als voorzitter van verdachte, op 17 september 2014 een vergunningaanvraag ingediend. Op de achterzijde van pagina 8 van het vergunningaanvraagformulier is door de aanvrager (voor zover hier relevant) vermeld: “Tijdens het evenement worden demonstraties gedaan door en/of met: (...) 1.500 pk Monstertruck (...)”. Op 24 september 2014 is de vergunning verleend. Eén van de vergunningsvoorwaarden luidde: “Er dienen voldoende maatregelen te worden getroffen ter bevordering van de veiligheid van de bezoekers van de stuntshow; hiertoe dient een deugdelijke voorziening zijn te getroffen (dranghekken). Deze dranghekken dienen te zorgen dat het publiek op een afstand komt te staan van tenminste 10 meter.

Standpunt advocaat-generaal

De advocaat-generaal stelt zich, zakelijk weergegeven, op het standpunt dat het handelen van verdachte kan worden aangemerkt als aanmerkelijk onvoorzichtig, onachtzaam en nalatig. Daartoe is aangevoerd dat verdachte zich in de aanloop naar het evenement onvoldoende heeft geïnformeerd of heeft laten informeren over de risico’s die waren verbonden aan een show met een monstertruck en naar de veiligheidsmaatregelen die gepast waren om die risico’s voor het publiek tot een minimum te beperken. Daarnaast heeft verdachte de show laten uitvoeren op een terrein dat te klein was voor een veilig verloop van de demonstratie met de monstertruck terwijl op dat terrein onvoldoende veiligheidsmaatregelen waren getroffen ter waarborging van de veiligheid van het publiek.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft zich, kort en zakelijk weergegeven, op het standpunt gesteld dat verdachte van het onder 1 en 2 tenlastegelegde moet worden vrijgesproken. Daarbij heeft de verdediging in het licht van het aan verdachte gemaakte schuldverwijt bepleit voor ogen te houden dat zij geen professioneel evenementenbureau is, maar een verzameling van vrijwilligers werkzaam binnen de context van een stichting zonder winstoogmerk. Haar handelen dient daarom in het kader van de schuldvraag getoetst te worden aan dat van een vergelijkbare stichting.

Voorts is aangevoerd dat het niet aan verdachte was om zich te vergewissen van de risico’s, maar dat dit uitsluitend de taak van de burgemeester van de gemeente Haaksbergen was, in het kader van de vergunningverlening. Desondanks heeft verdachte zich voorafgaand aan het contracteren van de bestuurder van de monstertruck, actief vergewist van de risico’s die verbonden waren aan de demonstratie met een monstertruck en mocht zij menen dat deze risico’s minimaal waren.

Daarnaast heeft de verdediging bepleit dat onaannemelijk is dat er causaal verband bestaat tussen het zich door verdachte onvoldoende vergewissen of nalaten zich te vergewissen van de risico’s en het feit dat de monstertruck het publiek is ingereden.

Voorts is aangevoerd dat de burgemeester wél op de hoogte was van de demonstratie met een monstertruck en dat het niet aan een gebrek aan inspanningen van verdachte lag indien hij zich toch onvoldoende bewust is geweest van het feit dat hij de vergunning verleende voor de demonstratie met de monstertruck. Ook ten aanzien van deze gedraging en het ongeval ontbreekt het causale verband.

De verdediging heeft voorts aangevoerd dat de burgemeester de vergunning heeft afgegeven voor de demonstratie met de monstertruck op het betreffende terrein, dat de bestuurder van de monstertruck aan verdachte heeft medegedeeld, en dat nog steeds meent, dat de omvang van het terrein geschikt was voor de demonstratie, dat de omvang van het terrein ook feitelijk bezien, gelet op de afstanden tussen de autowrakken en de dranghekken, de remafstanden en de draaicirkel van de monstertruck ruim voldoende was voor het veilig afwikkelen van de demonstratie. Zij heeft zich aldus verlaten en ook mogen verlaten op de inschatting gemaakt door de burgemeester in het kader van de vergunningverlening en door het ingehuurde stuntbedrijf [naam bedrijf] , dat professioneel op haar overkwam.

Voorts heeft de verdediging aangevoerd dat verdachte bij de keuze voor een terrein redelijkerwijs geen rekening hoefde te houden met de zeer ongelukkige samenloop van omstandigheden zoals die zich heeft voorgedaan. Hoewel uit technisch onderzoek geen eenduidige conclusie over de toedracht van het ongeval is gebleken, kan gesteld worden dat in elk geval sprake moet zijn geweest van een zeer ongelukkige samenloop van omstandigheden. Daarom moet volgens de verdediging worden geconcludeerd dat het terrein geschikt was voor een veilige afwikkeling van de geplande manoeuvres met de monstertruck of dat verdachte in ieder geval mocht menen dat het terrein geschikt was. De afzetting was daarnaast geplaatst conform de vergunning, zoals ook de rechtbank heeft onderkend. In de vergunning was niet als veiligheidsvoorschrift opgenomen dat er

geen publiek in de rijrichting van de monstertruck mocht staan, zodat verdachte daar in principe niet voor hoefde te zorgen. Desondanks heeft zij dit wel gedaan, maar de bestuurder van de monstertruck heeft niet conform de afspraken gehandeld. Tot slot bestaat er geen causaal verband tussen de rit over de wrakken in de richting van het publiek en het ongeval.

Juridisch kader artikel 307 en artikel 308 Wetboek van Strafrecht

Aan de verdachte is onder 1 overtreding van artikel 307 van het Wetboek van Strafrecht en onder 2 overtreding van artikel 308 van het Wetboek van Strafrecht ten laste gelegd, respectievelijk het culpoos veroorzaken van de dood van- of (zwaar) letsel bij een ander. Voor het aannemen van schuld als delictsbestanddeel in deze artikelen moet het telkens gaan om een verwijtbare aanmerkelijke onvoorzichtigheid. De dader moest anders handelen (verwijtbaarheid) en kon ook anders handelen (vermijdbaarheid). Een en ander wordt bepaald door de manier waarop die schuld in de tenlastelegging nader is geconcretiseerd en is voorts afhankelijk van het geheel van de gedragingen van verdachte, de aard en ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Daartoe behoort ook de eventuele bijzondere hoedanigheid van degene aan wie het schuldverwijt wordt gemaakt. Normaliter wordt het gedrag beoordeeld met als uitgangspunt ‘de normale mens’, maar er zijn gevallen waarin voor personen (of: rechtspersonen, zoals in dit geval) wegens hun bijzondere hoedanigheid hogere eisen aan hun kennis en bekwaamheid gesteld kunnen worden dan normaal het geval is (de zogenoemde Garantenstellung, waarover hierna meer). Overigens moeten de aard en de ernst van de gevolgen van het tenlastegelegde bij de beoordeling van de mate van schuld buiten beschouwing worden gelaten. Wel dient komen vast te staan dat tussen de gemaakte fout en de dood respectievelijk het letsel voldoende oorzakelijk verband (causaliteit) bestaat, terwijl tot slot voor culpoze strafbaarheid de voorzienbaarheid nog steeds als een voorwaarde geldt.

Eigen verantwoordelijkheid stichting (‘Garantenstellung’ en oordelen bestuursrechter)

De verdediging heeft uiteengezet dat en waarom volgens haar ten aanzien van het handelen van verdachte geen bijzondere ‘Garantenstelling’ geldt. Bij de beoordeling van dit aspect van de zaak hecht het hof er belang aan dat de verdachte al jaren (grootschalige) evenementen ter promotie van de gemeente Haaksbergen organiseerde. Tot deze evenementen behoorde ook AMS, met jaarlijks een stunt als afsluitende activiteit om (veel) publiek te lokken, (ook) in het belang van de plaatselijke middenstand. De bestuursleden – veelal ook afkomstig uit de plaatselijke middenstand – waren al langer lid van het stichtingsbestuur. Aan een stichting zoals verdachte, die wordt bestuurd door ervaren bestuursleden en die op frequente basis evenementen van een dergelijke omvang organiseert, met in dit geval als onderdeel risicovolle activiteiten zoals demonstraties of stunts met (motor)voertuigen, kunnen en mogen hogere zorgvuldigheidseisen worden gesteld met betrekking tot de veiligheid van het publiek dat zij met deze demonstraties of stunts wenst te lokken. Zij is voor die veiligheid als organisator van zo’n evenement net zo goed verantwoordelijk als degene die de demonstratie of stunt uitvoert en de vergunningverlenende instantie. Dat de verdachte geen winstoogmerk heeft, doet hieraan niet af, daargelaten dat het erop lijkt dat bij de organisatie van het evenement wel degelijk ook met commerciële belangen (van de lokale middenstand) rekening werd gehouden. Dit leidt het hof af uit het moment waarop, volgens getuige [getuige 1] (bij de organisatie van AMS betrokken bestuurslid van verdachte), de demonstratie met de monstertruck had moeten aanvangen.

Evenmin doet aan de eigen verantwoordelijkheid van verdachte voor de veiligheid van het publiek af dat voor het evenement een vergunning was verleend door de burgemeester van de gemeente Haaksbergen. Enkel het bezit van een vergunning vrijwaart de organisator nog niet (zonder meer) van civiel-, bestuurs- en/of strafrechtelijke aansprakelijkheid ingeval zich in het kader van het vergunde evenement een ongeval (zoals op 28 september 2014) voordoet.

Een dergelijke vrijwaring valt dan ook niet af te leiden uit de drie uitspraken van de bestuursrechter van de rechtbank Overijssel van 28 oktober 2015. In de bestuursrechtelijke procedures, die aan deze uitspraken ten grondslag lagen, lag het zwaartepunt overwegend bij het toetsen van het handelen van de burgemeester en/of van de gang van zaken bij de besluiten tot vergunningverlening, al dan niet na bezwaar, en niet bij het toetsen van het handelen van verdachte. Het laat immers onverlet dat ook de verdachte als organisator van AMS daarnaast nog (eigen) verantwoordelijkheid droeg met betrekking tot de veiligheid van het publiek. Zij kan zich niet zonder meer verschuilen achter een gebrekkige vergunning. Dit geldt temeer indien bij dit alles de gang van zaken bij de aanvraag van de vergunning door de verdachte en de op dat moment (deels ontbrekende) wetenschap over de precieze inhoud van de demonstratie van de monstertruck bij haar bestuursleden worden betrokken (waarover hierna meer).

Ook het feit dat verdachte een in haar beleving professioneel bedrijf als [naam bedrijf] inschakelde om de demonstratie met de monstertruck te laten uitvoeren onthief haar niet van eigen verantwoordelijkheid met betrekking tot de veiligheid van het publiek. Hieraan doet niet af dat in het contract met dit bedrijf de passage was opgenomen dat [medeverdachte] vanwege zijn jarenlange ervaring met stuntshows in staat is om de juiste veiligheidsmaatregelen te nemen.

Overigens geldt voor het navolgende dat verdachte, een rechtspersoon, handelt door middel van haar bestuursleden en dat al het hierna te bespreken handelen van bestuursleden van verdachte aan verdachte kan worden toegerekend.

Bewijsoverweging met betrekking tot de tenlastegelegde gedragingen

Nu, zoals eerder is overwogen, de vraag of sprake is van grove of aanmerkelijke schuld in de zin van artikel 307 en 308 van het Wetboek van Strafrecht mede wordt bepaald door de manier waarop die schuld in de tenlastelegging nader is geconcretiseerd, zal het hof in de eerste plaats dienen vast te stellen of en zo ja, welke in dat verband aan de verdachte ten laste gelegde gedragingen op zichzelf bewezen kunnen worden verklaard. Daarbij zal zij in acht nemen de op verdachte rustende zorgplicht en verantwoordelijkheid zoals die uit het voorgaande voortvloeit.

Met betrekking tot de eerste twee gedachtestreepjes, te weten:

- het organiseren van het evenement Auto Motor Sportief

en

- het in het kader van voornoemd evenement contracteren van het bedrijf [naam bedrijf] in de persoon van [medeverdachte] voor een demonstratie waarbij een monstertruck over stilstaande autowrakken heenrijdt, terwijl verdachte zich vooraf onvoldoende heeft vergewist en/of heeft nagelaten zich daadwerkelijk te vergewissen van de risico’s die aan deze demonstratie verbonden waren

overweegt het hof als volgt.

Vast staat dat verdachte op 28 september 2014 in Haaksbergen het evenement Auto Motor Sportief heeft georganiseerd en in het kader daarvan het bedrijf [naam bedrijf] , in de persoon van medeverdachte [medeverdachte] , heeft gecontracteerd om een demonstratie uit te voeren waarbij met een monstertruck over stilstaande autowrakken werd gereden.

Vervolgens is de vraag aan de orde of ook bewezen kan worden dat verdachte zich vooraf onvoldoende heeft vergewist en/of heeft nagelaten zich daadwerkelijk te vergewissen van de risico’s die aan de demonstratie met de monstertruck verbonden waren.

In de aanloop naar het evenement heeft [getuige 1] , één van de bestuursleden, namens verdachte zowel per telefoon als per e-mail contact gehad met [partner medeverdachte] , de partner van [medeverdachte] , over het inhuren van de monstertruck. [getuige 1] heeft verklaard dat hij [partner medeverdachte] een afbeelding – afkomstig van Google Earth – van de parkeerplaats heeft gestuurd waar de demonstratie met de monstertruck gehouden moest worden. Ook heeft hij contact met [partner medeverdachte] gehad over de vraag wat er nog voor het evenement geregeld moest worden. Hierop zou [partner medeverdachte] te kennen hebben gegeven dat er vijf of zes autowrakken geregeld moesten worden. De ruiten en motoren moesten uit de wrakken verwijderd zijn en van twee wrakken moesten de wielen gedemonteerd zijn. Het terrein moest met dranghekken worden afgezet. Er is niet gesproken over de details van de dranghekken en de plaats waar deze moesten staan. Noch [medeverdachte] noch een andere medewerker van [naam bedrijf] heeft, hoewel daartoe uitgenodigd door [getuige 1] , voorafgaand aan de dag van het evenement het terrein bekeken. Aan [getuige 1] is door [medeverdachte] per e-mail meegedeeld dat de monstertruck een vermogen van 1.500 pk had. Nadere specificaties zijn door [getuige 1] niet gevraagd en door [medeverdachte] niet verstrekt.

[getuige 1] heeft voorts verklaard dat hij ‘s ochtends op de dag van het evenement op het terrein waar de demonstratie zou plaatsvinden met [medeverdachte] heeft gesproken en daarbij van [medeverdachte] had begrepen de monstertruck vanaf de kant van de ABN AMRO

over de wrakken zou rijden in de richting van de Jumbo. Deze rijrichting was volgens [getuige 1] ook logisch gelet op de positie van de autowrakken. Die waren op aanwijzen van [medeverdachte] zo neergezet dat de twee autowrakken zonder wielen aan de kant van de ABN AMRO stonden. Hierover heeft [getuige 1] nog bij de raadsheer-commissaris verklaard dat de wielen van de twee autowrakken moesten worden gehaald, zodat deze auto’s als een schans konden dienen. Volgens [partner medeverdachte] was de schans nodig omdat er met de monstertruck tegenop gereden moest worden, aldus [getuige 1] . [getuige 1] heeft erkend dat er in zijn contacten met [partner medeverdachte] niet is gesproken over de rijrichting van de monstertruck.

Volgens [getuige 1] heeft hij tijdens zijn gesprek met [medeverdachte] in de ochtend ook afgesproken dat het publiek dat bij de Jumbo stond aan de kant moest gaan op het moment dat de demonstratie met de monstertruck zou starten. Ook zou toen zijn afgesproken dat de monstertruck om 16.00 uur door de speaker zou worden aangekondigd en om 16.15 uur zou gaan rijden.

Tijdens het evenement op het Stationsplein was [naam speaker] de speaker. Hij heeft op de ochtend van de show met de verschillende stuntteams en [getuige 1] besproken hoe een en ander eruit zou moeten zien. Hierbij waren [medeverdachte] , [partner medeverdachte] en een medewerker namens [naam bedrijf] aanwezig. Volgens [naam speaker] zou de show met de monstertruck omstreeks 16.00/16.30 uur plaatsvinden. Omstreeks 16.00 uur zou het publiek door de speaker worden geïnformeerd over en ‘opgewarmd’ voor de show met de monstertruck. [naam speaker] is om 16.00 uur gestart met het opwarmen van het publiek. Hij zag toen dat [medeverdachte] en een andere persoon aan de monstertruck aan het sleutelen waren en dat daarna [medeverdachte] plaatsnam in de monstertruck. Die andere persoon kwam bij de speaker met de vraag om het publiek op te roepen achter de hekken te gaan staan. [naam speaker] heeft dat omgeroepen en volgens hem voldeed het publiek aan dat verzoek. Voordat de stunt begon stond iedereen achter de hekken. Omdat er in de ochtend al afspraken waren gemaakt hoe het een en ander eruit moest zien voordat de stunt kon beginnen, en hij op enig moment [medeverdachte] zag instappen, had [naam speaker] het gevoel dat de stunt wel kon beginnen. Naar zijn idee werd aan alle voorwaarden voldaan met betrekking tot de afgesproken afstand van het publiek enzovoort. [naam speaker] heeft overigens niets verklaard over de concrete inhoud van de afspraken of over de te hanteren rijrichting van de monstertruck.

[medeverdachte] heeft verklaard dat hij op ochtend van het evenement met [getuige 1] heeft afgesproken dat de demonstratie met de monstertruck om 16.00 uur zou beginnen. Hij krijgt altijd een seintje als hij kan starten en begint nooit uit zichzelf. Uit de verklaring van [medeverdachte] blijkt niet dat er die ochtend over de rijrichting is gesproken.

In haar verklaring bij de politie heeft [partner medeverdachte] bevestigd dat [naam bedrijf] door [getuige 1] is benaderd voor het evenement in Haaksbergen. In aanloop naar het evenement heeft zij met [getuige 1] gesproken over de autowrakken. Zij heeft niet verklaard dat er tijdens die contacten is gesproken over de rijrichting van de monstertruck of dat er namens verdachte is gevraagd naar de te nemen veiligheidsmaatregelen. Over de aanvangstijd van de demonstratie met de monstertruck heeft zij verklaard dat op de ochtend van het evenement met [getuige 1] de afspraak is gemaakt dat de show met de monstertruck om 16.00 uur zou beginnen.

Ook [getuige 4] , een medewerker van het [naam bedrijf] , heeft verklaard dat de show om 16.00 uur zou beginnen.

Bij de raadsheer-commissaris heeft [getuige 1] nog verklaard dat [medeverdachte] tijdens het gesprek dat in de ochtend heeft plaatsgevonden zou hebben aangegeven dat ‘ze’ om 16.00 uur nog bij elkaar zouden komen ‘voor de laatste puntjes op de i’. Hierover heeft [getuige 1] tijdens zijn eerdere verhoren niets gezegd. En ook uit de verklaringen van [partner medeverdachte] en [medeverdachte] blijkt niet van een dergelijke afspraak.

Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat niet vast is komen te staan dat er tussen verdachte en [naam bedrijf] op enig moment afspraken zijn gemaakt over de concrete uitvoering van de demonstratie met en de rijrichting van de monstertruck. Niet is komen vast te staan dat [getuige 1] daarover in het voortraject met [partner medeverdachte] heeft gesproken. [getuige 1] heeft, ondanks het uitblijven van een reactie op zijn vraag of er niet iemand van [naam bedrijf] ter plaatse moest komen kijken wat er mogelijk was, niet aangedrongen op een dergelijk bezoek vooraf. Ook is niet komen vast te staan dat op de dag zelf concrete afspraken zijn gemaakt over de uitvoering van de demonstratie en rijrichting. Dat [medeverdachte] een andere rijrichting zou hanteren dan hij feitelijk heeft gedaan, lijkt niet gebaseerd op afspraken met [naam bedrijf] , maar op een eigen interpretatie van [getuige 1] .

Voor het overige geldt dat, hoewel niet is gebleken dat kort voor aanvang van de demonstratie met de monstertruck nog een korte briefing zou plaatsvinden, een dergelijke last minute afspraak er naar alle waarschijnlijkheid toe zou hebben geleid dat, uitgaande van de verklaringen van [getuige 1] , het publiek aan de kant van de Jumbo zou zijn weggehaald en verplaatst naar de overzijde bij de ABN AMRO, juist in de uiteindelijke rijrichting van de monstertruck na het afrijden van de autowrakken.

Naar het oordeel van het hof heeft verdachte zich derhalve niet, althans onvoldoende laten informeren over de precieze inhoud van de demonstratie van de monstertruck en dus ook niet over de (daarmee immers direct samenhangende) risico’s die aan de demonstratie verbonden waren

Het derde gedachtestreepje luidt:

- het ten behoeve van het evenement aanvragen en verkrijgen van een vergunning waarbij er door verdachte onvoldoende zorg voor is gedragen dat de vergunningverlenende instantie op de hoogte was van de precieze inhoud van de stunt en/of verdachte zich er niet van vergewist heeft dat de vergunningverlenende instantie zich ervan bewust was dat er een vergunning werd verleend voor een stunt met een monstertruck

Vast staat dat verdachte door tussenkomst van haar voorzitter [naam voorzitter] ten behoeve van het evenement een vergunning heeft aangevraagd en verkregen. Ter beantwoording van de vraag of ook bewezen kan worden dat verdachte er daarbij onvoldoende zorg voor heeft gedragen dat de vergunningverlenende instantie op de hoogte was van de precieze inhoud van de stunt overweegt het hof het volgende.

Bij de indiening van de vergunningaanvraag van verdachte schreef [naam voorzitter] zelf bij e-mail van 17 september 2014 aan de gemeente dat achterop één van de bladen ‘een beknopte omschrijving van het evenement’ (onderstreping door het hof) stond en dat [getuige 1] de plattegrond die bij de aanvraag hoorde de week erop klaar zou hebben. In die beknopte omschrijving is ‘monstertruck 1.500 pk’ vermeld in een opsomming van de voertuigen waarmee een demonstratie zou worden gegeven. Over de precieze inhoud van de demonstratie bevat de vergunningaanvraag geen bijzonderheden noch de concrete locatie waar die zou worden uitgevoerd. Nader overleg tussen de met de vergunningverlening belaste ambtenaren en [naam voorzitter] of een ander bestuurslid namens verdachte heeft hierover niet plaatsgevonden, zo blijkt uit door getuigen [getuige 2] en [getuige 3] bij de raadsheer-commissaris en [naam voorzitter] als vertegenwoordiger van verdachte ter zitting afgelegde verklaringen.

Naar het oordeel van het hof is op grond van het voorgaande bewezen dat verdachte er onvoldoende voor heeft zorg gedragen dat de vergunningverlenende instantie op de hoogte was van de precieze inhoud van de stunt. Met de beknopte omschrijving en door pas ná de dag waarop de vergunning is verleend de plattegrond in te leveren heeft verdachte niet aan de op haar als organisator/vergunningaanvrager van een risicovol evenement rustende verplichting voldaan. Op zijn minst had moeten en kunnen worden vermeld dat over autowrakken zou worden heengereden en wáár dat zou gebeuren. In ieder geval deze wetenschap was immers binnen de geledingen van verdachte aanwezig, namelijk bij [getuige 1] op grond van zijn contacten met [naam bedrijf] , en had door [naam voorzitter] op het formulier kunnen en moeten worden vermeld, evenals de locatie van de stunt.

Dat verdachte zich er niet van vergewist heeft dat de vergunningverlenende instantie zich ervan bewust was dat er een vergunning werd verleend voor een stunt met een monstertruck, kan niet worden bewezen. Immers, in de hiervoor genoemde email verwijst [naam voorzitter] namens verdachte nu juist naar de opsomming van de voertuigen – waaronder de monstertruck – waarmee een demonstratie zou worden gegeven. Dat die opsomming te summier was, zoals hiervoor is geoordeeld, doet hieraan op zichzelf niet af.

Van dit onderdeel van de tenlastelegging behoort verdachte te worden vrijgesproken.

Het vierde gedachtestreepje luidt:

- het laten uitvoeren van de demonstratie op een parkeerplaats waarbij de beschikbare ruimte voor een veilige afwikkeling van de stunt en manoeuvres te beperkt was, waarbij er onvoldoende zorg is gedragen voor een afzetting conform de vergunning en waarbij er is nagelaten te voorkomen dat de demonstratie in de richting van het publiek zou plaatsvinden

Er hebben verschillende onderzoeken plaatsgevonden naar de technische staat van de monstertruck en de rij-eigenschappen ervan, zoals de draaicirkel, mede in relatie tot de afmetingen van het afgezette deel van het Stationsplein. Het hof gaat uit van de juistheid van de resultaten van het technisch onderzoek.

Tijdens het onderzoek werden aan de werking van het voertuig aanvankelijk geen gebreken gevonden. Op één van de onderzoeksdagen bleek dat de achterwielbesturing het ene moment wel en het andere moment niet functioneerde vanwege een deels loszittende aansluiting van de stroomkabel. Deze deels loszittende aansluiting is pas op de tweede testdag geconstateerd. Het moment van het ontstaan van dit gebrek was niet vast te stellen.

Op filmbeelden van de beide opwarmrondes met de monstertruck is duidelijk waarneembaar dat de achterwielbesturing bij het nemen van de bochten regelmatig wordt ingeschakeld. Voorts is op filmbeelden te zien dat de achterwielen tussen het moment dat de monstertruck van de autowrakken was afgereden en het moment dat deze zich in het publiek bevond niet waren ingestuurd.

Blijkens filmbeelden is de monstertruck na het neerkomen van de autowrakken niet tot stilstand gekomen, maar is – met nagenoeg onverminderde snelheid en met een flauwe bocht naar links – doorgereden in de richting van het publiek.

Het moment waarop de bestuurder weer de volledige controle over de monstertruck kon uitoefenen is het moment waarop de vier wielen van de truck na het afrijden van de autowrakken weer volledig contact hadden met het wegdek. Gemeten vanaf de voorzijde van de monstertruck bedroeg de afstand op het moment van deze voertuigcontrole tot aan de dranghekken circa 13,5 meter. De afstand van de voorzijde van de monstertruck tot aan de dranghekken rechtdoor op het moment van voertuigcontrole bedroeg 14,07 meter. De totale tijd vanaf het moment van voertuigcontrole tot het moment dat de monstertruck zich met het rechtervoorwiel voor de dranghekken bevond, bedroeg omgerekend 1,88 seconden.

De minimale draaicirkel van de monstertruck wanneer deze alleen met de voorwielen werd gestuurd bedroeg aan de buitenzijde van het voertuig 24,3 meter. Wanneer gelijktijdig met de voor- en achterwielen werd gestuurd, bedroeg de minimale draaicirkel aan de buitenzijde van de truck 15,9 meter.

Wanneer er vanaf het moment van voertuigcontrole op de afstand van 14,07 meter tot de dranghekken en het publiek volledig met alleen met de voorwielen naar links was gestuurd om de minimale draaicirkel van 24,3 meter aan de buitenzijde van de monstertruck te krijgen, dan zou de truck theoretisch gezien op een afstand van circa 20 centimeter langs de dranghekken zijn gereden. Wanneer er met zowel de voor- als de achterwielen was gestuurd om de bocht naar links te maken, om de minimale draaicirkel van 15,9 meter aan de buitenzijde van de truck te krijgen, zou de monstertruck theoretisch gezien op een afstand van circa 3,3 meter langs de dranghekken zijn gereden.

Uit onderzoek naar de afmetingen van het gebruikte terrein is gebleken dat het afgezette gebied op de parkeerplaats een enigszins driehoekige vorm met één afgesneden hoek had en dat de lengte van de parkeerplaats, evenwijdig aan de gevel van de Jumbo, zo’n 66 meter bedroeg. De grootste breedte van de parkeerplaats evenwijdig aan het ABN/AMRO gebouw, bedroeg zo’n 51 meter. Aan de andere zijde van de parkeerplaats liep de breedte terug tot zo’n 26 meter. De afstand van het laatste autowrak naar het publiek was 29,96 meter, rechtdoor gemeten. De afstand van het laatste autowrak naar het publiek aan de kant van de ABN AMRO, daar waar de monstertruck is geëindigd, was 17,44 meter. Er zijn ook afstanden gemeten vanaf de voorkant van de monstertruck op het moment dat deze na de stunt weer met vier vielen op de grond stond. Dit moment wordt in het gehele onderzoek het moment van voertuigcontrole genoemd. De langste afstand vanaf de voorkant van de monstertruck op het moment van voertuigcontrole tot het publiek was 19,74 meter. Wanneer de monstertruck rechtdoor was gereden, was de afstand tot aan het publiek 14,07 meter. De gemeten daadwerkelijk afgelegde afstand van de monstertruck vanaf het moment van voertuigcontrole tot aan het dranghek bedroeg 13,5 meter.

Voorts is gebleken dat de bestuurder tijdens de testronden op een afstand van 2,5 tot 3 meter langs het achter de dranghekken opgestelde publiek is gereden.

Het hof leidt uit het bovenstaande af het volgende af.

Niet is vastgesteld dat het ongeval daadwerkelijk is veroorzaakt door enig technisch mankement. Ook in geval de achterwielbesturing na het afrijden van de autowrakken niet (goed) zou hebben gefunctioneerd – of indien deze door de bestuurder van de monstertruck niet zou zijn ingeschakeld – was het voor de bestuurder nog steeds mogelijk geweest om (met alleen de voorwielen) in te sturen en de bocht te maken en vervolgens op een afstand van 20 centimeter langs het publiek te rijden. Vanuit technisch oogpunt bezien had de bestuurder derhalve de bocht naar links kunnen en moeten afmaken, zonder daarbij het publiek in te rijden.

De ruimte op de parkeerplaats was – ongeacht het vergunningvoorschrift met betrekking tot de dranghekken die het publiek op een afstand van 10 meter moesten houden van ‘de stunt’ (wat de steller van die voorwaarde daarmee ook bedoeld heeft) – te beperkt voor een veilige afwikkeling van de bij de demonstratie uitgevoerde manoeuvres. Dit volgt naar het oordeel van het hof uit de afstanden tussen de monstertruck en het publiek die er bij de opwarmrondes zijn geweest en die er bij het wegdenken van het ongeval zouden zijn geweest. Niet steeds was een afstand van 10 meter tussen publiek en de monstertruck – 5,5 meter lang, 3,6 meter breed, uitgerust met extra grote wielen (zogenaamde ‘ballonbanden’), een gewicht van 4.240 kilogram en een vermogen van 1500 pk – mogelijk. Gelet op de specificaties van de monstertruck betreft het een bijzonder gevaarzettend voertuig waarbij het – los van de interpretatie van de vergunningsvoorwaarde – voor de hand had gelegen als organisator in te zien dat dranghekken op een afstand van 10 meter hoe dan ook geen adequate bescherming zouden bieden bij een niet-statische stunt met een voertuig als dit. Overigens constateert het hof dat verdachte de afzetting op het plein met dranghekken heeft gerealiseerd zónder dat zij had kennis genomen van deze vergunningsvoorwaarde. De vergunning bevond zich immers ten tijde van het ongeval nog ongeopend in haar postbus. Verder is de afzetting eenvoudigweg op dezelfde wijze geplaatst als het jaar ervoor, zo volgt uit verklaring van [getuige 1] , zonder dat de voor de demonstratie benodigde ruimte daarvoor maatgevend was. [getuige 1] heeft voorts verklaard dat het zo breed mogelijk werd gemaakt zodat het plein zo groot mogelijk is en toch een behoorlijk aantal mensen kan kijken naar hetgeen plaatsvindt.

Voorst stelt het hof aan de hand van het beeldmateriaal dat zich in het dossier bevindt vast dat de demonstratie met de monstertruck in de richting van het publiek is uitgevoerd. Dat geldt zowel voor de opwarmrondes als voor het tijden over de autowrakken en de direct daarna te maken bocht naar links. Dat dit niet als voorwaarde in de vergunning stond, doet aan het bewijs van dit deel van de tenlastelegging op zichzelf niet af.

Niet kan worden bewezen dat verdachte onvoldoende zorg heeft gedragen voor een afzetting conform de vergunning, nu de desbetreffende voorwaarde vermeld dat dranghekken geplaatst dienden te worden om het publiek op een afstand van minimaal 10 meter van de stunt te houden, nu het begrip ‘stunt’ in dit verband niet is gedefinieerd. Verdachte gaat uit van de afstand tussen de autowrakken en het publiek terwijl ook gedacht zou kunnen worden aan de afstand tussen de truck en het publiek. Nu, zoals gezegd, het begrip ‘stunt’ door de gemeente niet is gedefinieerd behoort verdachte van dit onderdeel te worden vrijgesproken.

Op grond van het bovenstaande – in onderling verband en samenhang bezien – kan naar het oordeel van het hof wettig en overtuigend bewezen worden dat verdachte:

  • -

    in haar hoedanigheid van organisator van het evenement Auto Motor Sportief op 28 september 2014 in Haaksbergen, voorafgaand aan de demonstratie waarbij met een monstertruck over stilstaande autowrakken werd gereden, heeft nagelaten zich voldoende te vergewissen van de risico’s;

  • -

    er onvoldoende zorg voor heeft gedragen dat de gemeente Haaksbergen als vergunningverlenende instantie op de hoogte was van de precieze inhoud van de demonstratie met de monstertruck;

  • -

    deze demonstratie heeft laten uitvoeren op een ruimte welke te beperkt was voor een veilige afwikkeling van de stunt;

  • -

    heeft nagelaten te voorkomen dat de demonstratie in de richting van het publiek zou plaatsvinden.

Nu het hof de feitelijke gedragingen van de verdachte heeft vastgesteld ziet het zich vervolgens voor de vraag gesteld of door deze feitelijke gedragingen dan wel het nalaten c.q. niet in acht nemen van de daarmee samenhangende veiligheidsvoorschriften, gegeven de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden, de conclusie kunnen rechtvaardigen dat verdachte schuld heeft, als bedoeld in artikel 307 respectievelijk artikel 308 van het Wetboek van Stafrecht, aan de dood van drie personen en het doen ontstaan van zwaar lichamelijk letsel dan wel letsel dat heeft geleid tot tijdelijke verhindering in de uitoefening van beroepsbezigheden bij vele anderen.

Het hof heeft reeds overwogen dat en waarom aan verdachte hogere zorgvuldigheidseisen kunnen worden gesteld en dat zij als organisator van het evenement AMS waarvan de demonstratie met de monstertruck deel uitmaakte medeverantwoordelijk was voor de veiligheid van het publiek.

Van de verdachte mocht en kon worden verwacht dat zij vanuit de op haar rustende zorgplicht om de veiligheid van het publiek te waarborgen ook oog zou hebben voor risico’s van de demonstratie met de monstertruck. Hiertoe had verdachte voorafgaand aan het evenement gedegen onderzoek moeten verrichten naar de precieze uitvoering van de demonstratie met de monstertruck en moeten inventariseren welke risico’s deze demonstratie met zich zou brengen. Dit geldt te meer waar het een demonstratie met een motorvoertuig betreft dat alleen al gelet op het gewicht van ruim 4000 kilo en een motorvermogen van 1500 pk bepaald niet zonder gevaar is. Tenminste was bij de Stichting bekend dat het om een spectaculair voertuig ging.

Verdachte had in dit verband tijdig navraag moeten doen bij het bedrijf [naam bedrijf] , teneinde al dan niet in samenspraak met dit bedrijf een adequate risico-inschatting te kunnen maken ten aanzien van de noodzakelijke veiligheidswaarborgen voor het aanwezige publiek. Zij had daarbij kunnen vasthouden aan een bezoek van een medewerker van dit bedrijf aan de beoogde locatie. In geen geval had zij een en ander mogen laten aankomen op de ochtend van het evenement, wat in wezen is gebeurd. Voorts had van verdachte vanuit de op haar rustende zorgplicht verwacht mogen en kunnen worden dat zij de ingewonnen informatie tijdig – al dan niet via een uitgebreide vergunningaanvraag – zou hebben gedeeld met de vergunningverlenende instantie, om die in staat te stellen een weloverwogen(er) oordeel te vellen over de veiligheidsrisico’s en te nemen maatregelen met betrekking tot het evenement.

Door louter af te gaan op de door haar de veronderstelde professionaliteit van [naam bedrijf] en de in het contract met dit bedrijf opgenomen algemene passage met de strekking dat [medeverdachte] vanwege zijn jarenlange ervaring met stuntshows in staat is om de juiste veiligheidsmaatregelen te nemen en dan aan te nemen dat het wel goed zou komen met de veiligheid van het aanwezige publiek, heeft de verdachte niet voldaan aan de op haar in dit verband rustende zorgplicht.

Verdachte was niet voldoende op de hoogte van de uitvoering van de demonstratie. Omdat de verdachte zich niet althans niet voldoende had laten informeren over de demonstratie met de monstertruck, was zij ook niet in staat om de vergunningverlenende instantie daar goed over te informeren. Het weinige dat verdachte wist, een monstertruck met een vermogen van 1500 pk, die over een zestal autowrakken zou rijden, had ten minste op het formulier van de vergunningaanvraag ingevuld moeten worden. Het behoorde tot de verantwoordelijkheid van verdachte als organisator van een evenement om zo nauwkeurig mogelijk de onderdelen van dat evenement zoals de demonstratie met de monstertruck uiteen te zetten. Achteraf valt niet na te gaan wat er zou zijn gebeurd met de vergunningaanvraag als die was voorzien van de volledige informatie, maar het hof acht het aannemelijk dat de kans op een andere afhandeling van de vergunning dan was toegenomen. De achteraf door de burgemeester gedane mededeling dat de gemeente van voldoende informatie was voorzien doet aan het vorenstaande niet af. Overigens merkt het hof op dat het niet aangaat om zich bij het doen van een apert ondeugdelijke en zeer ontijdig ingediende vergunningaanvraag vervolgens te willen verschuilen achter de daarop gevolgde ondeugdelijke vergunning.

Evenmin heeft de verdachte voldaan aan de op haar rustende zorgplicht om de demonstratie met de monstertruck te laten uitvoeren op een terrein waar voldoende ruimte was voor een veilige afwikkeling van die demonstratie en ervoor zorg te dragen dat de monstertruck daarbij niet in de richting van het publiek zou rijden.

Hoewel er na uitvoerig onderzoek geen technische oorzaak voor het ontstaan van het ongeval is vastgesteld, had de verdachte bij de te nemen veiligheidsmaatregelen rekening moeten houden met eventueel technisch en/of menselijk falen bij de demonstratie met de monstertruck. Dit geldt zowel voor de opwarmrondes met dit enorme voertuig als met het op- en afrijden van de autowrakken en de noodzakelijk daarna te maken manoeuvre. Verdachte had zich moeten realiseren dat de tijd en ruimte om bij een dergelijk falen te reageren voor de bestuurder van de monstertruck vrijwel zou ontbreken, terwijl effectieve fysieke beschermingsmaatregelen voor het publiek klaarblijkelijk ontbraken.

De verdachte heeft geen afspraken met [naam bedrijf] gemaakt over de wijze van uitvoering van de stunt en dus evenmin over de rijrichting van de monstertruck. Ten aanzien hiervan is de verdachte – zonder kennis van zaken – uitgegaan van een aanname die was gebaseerd op basis van de opstelling van de autowrakken. Door niet op de hoogte te zijn van de uitvoering van de stunt en de rijrichting, hetgeen naar het oordeel van het hof cruciale informatie was, waardoor de gevaarsrichting bij de uitvoering van de demonstratie niet vast stond, heeft verdachte het zichzelf ook onmogelijk gemaakt de benodigde veiligheidsmaatregelen te treffen.

Door dit alles tezamen, in onderling verband bezien, heeft de verdachte de op haar rustende zorgplicht voor de veiligheid van het publiek vermijdbaar en verwijtbaar veronachtzaamd. Verdachte had de gevolgen die zich, toen het misging, voordeden, kunnen en moeten voorzien en had in de aanloop naar en tijdens de organisatie van het evenement anders moeten en kunnen handelen dan zij heeft gedaan.

Het hof stelt vast dat de geschonden zorgvuldigheidsnormen in de vorm van het laten

uitvoeren van de demonstratie op een plek waar de ruimte voor een veilige afwikkeling te beperkt was en het niet voorkomen dat de rijrichting van de monstertruck richting het publiek zou zijn, ook normen zijn die daadwerkelijk dienden ter voorkoming van de ontstane ongewenste gevolgen (dood en letsel). Hierbij is in casu sprake van een gedeelde verantwoordelijkheid van de verschillende betrokkenen. Het verlenen van de vergunning – het is al eerder overwogen – disculpeert de verdachte niet en ontslaat haar evenmin van haar eigen verantwoordelijkheid ten aanzien van de veiligheid van het publiek. Geenszins is gebleken dat de verdachte niet in staat was zich aan die zorgvuldigheidsnorm te conformeren. In dat licht bezien is de verdachte in aanzienlijke mate achtergebleven bij de van haar te verwachten gedragsstandaard in deze situatie. De verdachte had als organisator van dit type evenementen de risico’s zonder meer moeten erkennen en daarop de vereiste maatregelen moeten nemen. De nalatigheid was daarmee zowel vermijdbaar als verwijtbaar.

Het hof is evenals de rechtbank dit alles in aanmerking nemende van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat het handelen en nalaten van de verdachte als aanmerkelijk onvoorzichtig, onachtzaam en nalatig moet worden aangemerkt en dat dit schuld in de zin van artikel 307 en 308 van het Wetboek van Strafrecht oplevert.

Causaliteit

Vervolgens dient te worden beoordeeld of tussen het aanmerkelijk onvoorzichtig, onachtzaam en nalatig handelen van de verdachte en de dood en het letsel van de slachtoffers voldoende oorzakelijk verband (causaliteit) bestaat. De directe aanleiding van het ongeval is dat de bestuurder van de monstertruck degene is geweest die feitelijk met de slachtoffers in botsing is gekomen, welk contact tot de dood dan wel het letsel heeft geleid. Dan is het de vraag of het redelijk is om de dood en letsels aan verdachte toe te rekenen.

Uit de rechtspraak komt reeds naar voren dat de causaliteitsketen niet zonder meer wordt

doorbroken wanneer het gevolg de onmiddellijke oorzaak zou hebben in een gedraging van

een derde, doch het handelen (of nalaten) van de verdachte niet kan worden weggedacht (vgl. HR NJ 1979/60 en HR NJ 1981/534). Naar vaste rechtspraak dient causaliteit tussen gedraging en gevolg te worden bepaald aan de hand van “redelijke toerekening”. Indien een

gedraging naar haar aard geschikt was om het uiteindelijke resultaat teweeg te brengen

doorbreken tussenkomende factoren de causaliteitsketen niet. Dit wordt niet anders wanneer

de nadien opgekomen omstandigheden in belangrijke mate tot het intreden van het gevolg

hebben bijgedragen, of zelfs moeten worden aangemerkt als de rechtstreekse oorzaak van dat gevolg. Daarbij geldt voorts in algemene zin dat de toerekening aan de dader die als eerste de zorgplicht schendt, niet onmogelijk wordt door het enkele feit dat het ingetreden gevolg uiteindelijk onmiddellijk wordt veroorzaakt door de zorgplichtschending van een andere dader. De mogelijkheid van toerekening van het gevolg aan de eerste dader vervalt echter wel wanneer de tweede dader een nieuwe, voor hetzelfde gevolg geheel zelfstandige

gevaarzetting schept.

Het hof is met de rechtbank van oordeel dat die situatie zich in deze niet voordoet,

nu de door de bestuurder van de monstertruck gepleegde zorgplichtschending in het verlengde ligt van de schending van de zorgplicht van de verdachte om als organisator van het evenement na te laten zich te vergewissen van de aan het te organiseren evenement klevende risico’s, vervolgens geen deugdelijke en tijdige vergunningaanvraag te doen en (daardoor) geen adequate veiligheidsmaatregelen te treffen. De bestuurder is gaan rijden onder de mede door en zelfs op initiatief van verdachte gecreëerde omstandigheden (te weinig ruimte voor veilige afwikkeling en rijrichting richting publiek), terwijl hij had moeten beseffen dat hij onder deze omstandigheden onacceptabele risico’s nam. Het aandeel van verdachte hierin is niet weg te denken.

Het hof is dan ook van oordeel dat het redelijk is de gevolgen van het ongeval met de monstertruck (dood en (zwaar) letsel) ook toe te rekenen aan het vermijdbare en verwijtbare nalaten en gedrag van de verdachte.

Zwaar lichamelijk letsel en lichamelijk letsel waaruit tijdelijke verhindering in de uitoefening van de ambts- of beroepsbezigheden ontstaat

Artikel 82 Wetboek van Strafrecht bevat een opsomming van de gevallen die als zwaar lichamelijk letsel moeten worden aangemerkt. Ook buiten deze gevallen kan lichamelijk letsel als zwaar worden beschouwd indien dat voldoende belangrijk is om naar gewoon spraakgebruik als zodanig te worden aangeduid. Bij de beantwoording van de vraag of zeker letsel als zwaar lichamelijk letsel moet worden aangemerkt, kan een onderscheid worden gemaakt tussen letsels die alleen al vanwege de aard en ernst van het letsel moeten worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel en letsels die als zodanig niet kunnen worden beschouwd als ‘zwaar’ maar vanwege de noodzaak en aard van medisch ingrijpen en/of het uitzicht op (volledig) herstel toch als zwaar lichamelijk letsel moeten worden aangemerkt.

Het hof is met de advocaat-generaal van oordeel dat de in deze zaak voorkomende letsels bestaande uit een schedelbasisfractuur, een hersenkneuzing, gebroken ribben, gebroken boven- en scheenbenen, een klaplong, een bekkenbreuk, gebroken nek-en rugwervels, gebroken middenvoetsbeentjes, een gebroken kaak of blijvende verminking in het gezicht behoren tot de eerste categorie van letsels die per definitie tot de categorie ‘zwaar’. Voor de overige letsels die in het tenlastegelegde onder 2 voorkomen, zoals een gebroken sleutelbeen, kneuzingen van lichaamsdelen, scheurtjes in het bot moet voor de kwalificatie ‘zwaar’ lichamelijk letsel worden gelet op de noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel. Dit geldt voor de volgende slachtoffers.

[slachtoffer 7] heeft een gebroken sleutelbeen opgelopen. Dit letsel levert niet per definitie zwaar lichamelijk letsel op. Uit zijn verklaring van 18 mei 2015 blijkt dat hij ruim een half jaar na het ongeval nog steeds moeite heeft met bewegen en tillen. Naar het oordeel van het hof kan het gebroken sleutelbeen gelet op de omstandigheid dat dit letsel na ruim een half jaar nog steeds tot fysieke beperkingen en overlast leidt, worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel.

Door het ongeval heeft [slachtoffer 23] het hekwerk over zich heen gekregen. Ten gevolge hiervan heeft zij blijvende deuken in haar bovenbenen opgelopen. Blijvende beschadigingen van het lichaam zoals littekens en andere verminkingen kunnen worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel. Naar het oordeel van het hof geldt dit ook voor de blijvende ontsieringen van de bovenbenen van [slachtoffer 23] .

[slachtoffer 10] heeft een verrekte en gekneusde nek en verrekte enkelbanden opgelopen. Uit haar verklaring van 21 mei 2015 blijkt dat zij nog veel last heeft van hoofdpijn en pijn in haar benen en onderrug en nog wekelijks een fysiotherapeut/haptonoom bezoekt. Na het ongeval heeft zij tot januari 2015 niet kunnen werken. Sinds eind februari 2015 is zij weer volledig aan het werk. Naar het oordeel van het hof kan dit letsel niet worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel, maar uit het vorenstaande leidt het hof af dat het door [slachtoffer 10] opgelopen letsel wel heeft geleid tot tijdelijke verhindering in de uitoefening van haar beroepsbezigheden.

Het letsel van [slachtoffer 20] bestond uit kneuzingen aan de borstkas en de onderrug. Uit zijn verklaring van 22 mei 2015 blijkt dat hij lang in behandeling is bij de fysiotherapeut en dat hij na het ongeval pas op 1 februari 2015 weer kon beginnen met werken. Naar het oordeel van het hof kan dit letsel niet worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel, maar uit het vorenstaande leidt het hof af dat het door [slachtoffer 20] opgelopen letsel wel heeft geleid tot tijdelijke verhindering in de uitoefening van zijn beroepsbezigheden.

[slachtoffer 24] heeft bij het ongeval gekneusde ribben en een scheurtje in een schouderblad opgelopen. Hierdoor heeft hij anderhalve maand niet kunnen werken. Het hof leidt uit het vorenstaande af dat het door [slachtoffer 24] opgelopen letsel heeft geleid tot tijdelijke verhindering in de uitoefening van zijn beroepsbezigheden.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1.
zij in of omstreeks de periode van januari 2014 tot en met 28 september 2014 te Haaksbergen zeer althans aanmerkelijk onvoorzichtig, onachtzaam en/of nalatig heeft gehandeld immers heeft zij;

- als [verdachte] het evenement Auto Motor Sportief georganiseerd;

- en/of in het kader daarvan [naam bedrijf] Monster truck jet car racing team in de persoon van [medeverdachte] gecontracteerd om onder andere een demonstratie, waarbij met een monstertruck over stilstaande autowrakken werd gereden, uit te voeren en waarbij zij zich daaraan voorafgaand onvoldoende heeft vergewist en/of heeft nagelaten zich daadwerkelijk te vergewissen van de risico's die aan de demonstratie verbonden waren;

- en/of ten behoeve van het evenement een vergunning aangevraagd en verleend gekregen; waarbij er door haar onvoldoende zorg voor is gedragen dat de vergunning verlenende instantie op de hoogte was van de precieze inhoud van de stunt; en/of zich er niet van vergewist dat de vergunning verlenende instantie (de gemeente Haaksbergen) zich er ook van bewust was dat er een vergunning werd verleend voor een stunt met een monstertruck;

- en/of deze demonstratie laten uitvoeren op een parkeerplaats aan de Stationsstraat te Haaksbergen, waar de ruimte voor een veilige afwikkeling van de geplande stunt en/of manoeuvres met de 'monstertruck' te beperkt was, waarbij er door haar onvoldoende zorg is gedragen voor een afzetting conform de vergunning immers heeft zij een situatie laten bestaan/feitelijk opgebouwd waarbij de monstertruck in de ideale situatie op maximaal 3,3 meter van de dranghekken langs het publiek zou rijden terwijl in de afgegeven vergunning stond opgenomen dat 'de dranghekken dienen te zorgen dat het publiek op een afstand komt te staan van tenminste 10 meter' en/of waarbij er door haar is nagelaten te voorkomen dat de demonstratie in de richting van publiek zou plaatsvinden;

- bij de uitvoering van welke stunt het voertuig het publiek is ingereden

waardoor het aan haar schuld te wijten is dat [slachtoffer 1] (geboren [geboortedag] 2008) en/of [slachtoffer 2] ( [geboortedag] 1963) en/of [slachtoffer 3] (geboren [geboortedag] 1941) zijn overleden;

2.
zij in of omstreeks de periode van januari 2014 tot en met 28 september 2014 te Haaksbergen zeer althans aanmerkelijk onvoorzichtig, onachtzaam en/of nalatig heeft gehandeld immers heeft zij;

- als [verdachte] het evenement Auto Motor Sportief georganiseerd;

- en/of in het kader daarvan [naam bedrijf] Monstertruck jet car racing team in de persoon van [medeverdachte] gecontracteerd om onder andere een demonstratie, waarbij met een monstertruck over stilstaande autowrakken werd gereden, uit te voeren en waarbij zij zich daaraan voorafgaand onvoldoende heeft vergewist en/of heeft nagelaten zich daadwerkelijk te vergewissen van de risico's die aan de demonstratie verbonden waren;

- en/of ten behoeve van het evenement een vergunning aangevraagd en verleend gekregen; waarbij er door haar onvoldoende zorg voor is gedragen dat de vergunning verlenende instantie op de hoogte was van de precieze inhoud van de stunt; en/of zich er niet van vergewist dat de vergunning verlenende instantie (de gemeente Haaksbergen) zich er ook van bewust was dat er een vergunning werd verleend voor een stunt met een monstertruck;

- en/of deze demonstratie laten uitvoeren op een parkeerplaats aan de Stationsstraat te Haaksbergen, waar de ruimte voor een veilige afwikkeling van de geplande stunt en/of manoeuvres met de 'monstertruck' te beperkt was, waarbij er door haar onvoldoende zorg is gedragen voor een afzetting conform de vergunning immers heeft zij een situatie laten bestaan/feitelijk opgebouwd waarbij de monstertruck in de ideale situatie op maximaal 3,3 meter van de dranghekken langs het publiek zou rijden terwijl in de afgegeven vergunning stond opgenomen dat 'de dranghekken dienen te zorgen dat het publiek op een afstand komt te staan van tenminste 10 meter' en/of waarbij er door haar is nagelaten te voorkomen dat de demonstratie in de richting van publiek zou plaatsvinden;

- bij de uitvoering van welke stunt het voertuig het publiek is ingereden waardoor het aan haar schuld te wijten is geweest dat

- [slachtoffer 4] (gebroken ribben, een gebroken sleutelbeen, een klaplong en een gescheurde milt);

- [slachtoffer 5] (een meervoudige scheenbeenbreuk en een gescheurde knieschijf)

- [slachtoffer 6] (een schedelbasisfractuur, een klaplong, een gebroken rib, een gebroken kuitbeen en een hersenkneuzing)

- [slachtoffer 7] (een gebroken sleutelbeen)

- [slachtoffer 8] (een gebroken sleutelbeen, een gebroken bovenbeen, gebroken ribben, verdraaid bekken en klaplongen)

- [slachtoffer 9] (een gekneusde linkerenkel en littekens rond de linkervoet)

- [slachtoffer 11] (een gescheurde lever, gebroken nekwerven, gebroken schouder, klaplongen en gebroken ribben)

- [slachtoffer 12] (gebroken bekken)

- [slachtoffer 13] (gebroken robben, gebroken rugwervels en een gescheurde lever)

- [slachtoffer 14] (gebroken ribben)

- [slachtoffer 15] (gebroken pols)

- [slachtoffer 16] (gebroken ribben en een hersenschudding)

- [slachtoffer 17] (meerdere breuken, onder andere ribben)

- [slachtoffer 18] (gebroken ribben, gebroken heup, gebroken arm)

- [slachtoffer 19] (hersenletsel en inwendige kneuzingen)

- [slachtoffer 21] (een gebroken been)

- [slachtoffer 22] (een blijvende verminking in het gezicht, een gebroken kaak en een verbrijzelde oogkas)

- [slachtoffer 23] (deuken in benen)

- [slachtoffer 25] (gebroken middenvoetsbeentjes)

- [slachtoffer 26] (een gebroken rug, littekens en een klaplong)

- [slachtoffer 27] (gebroken/verbrijzeld bekken)

zwaar lichamelijk letsel heeft/hebben bekomen en/of

- [slachtoffer 10] (een verrekte nek, een gekneusde nek, verrekte enkelbanden)

- [slachtoffer 20] (gekneusde voet, kneuzingen aan de borstkast en onderrug)

- [slachtoffer 24] (gekneusde ribben, scheurtje in schouderblad)

zodanig lichamelijk letsel heeft/hebben bekomen dat daaruit tijdelijke ziekte en/of verhindering in de uitoefening van de ambts- of beroepsbezigheden van genoemde slachtoffers was is ontstaan.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

aan zijn schuld de dood van een ander te wijten zijn, begaan door een rechtspersoon,

meermalen gepleegd.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

aan zijn schuld te wijten zijn dat een ander zwaar lichamelijk letsel bekomt of dat een ander zodanig letsel bekomt dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van zijn ambts- of beroepsbezigheden ontstaat, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op het maatschappelijk functioneren van verdachte en haar draagkracht, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Op 28 september 2014 heeft in Haaksbergen tijdens het Auto Motor Sportief evenement een tragisch ongeval plaatsgevonden, waarbij tijdens een demonstratie een monstertruck het publiek is ingereden. Ten gevolge hiervan zijn drie personen overleden en zijn meer dan twintig personen ernstig gewond geraakt.

Aan de nabestaanden is onherstelbaar leed en verdriet toegebracht. Uit de op de terechtzitting voorgedragen slachtofferverklaringen blijkt hoe zeer de overleden slachtoffers worden gemist en hoe het leven van degenen die van hen hielden onherstelbaar is veranderd. Ook aan de zwaargewonde slachtoffers is veel leed toegebracht. Veel slachtoffers ondervinden tot op de dag van vandaag nog de blijvende lichamelijke en geestelijke gevolgen van het ongeval en ook hun levens zijn ingrijpend en onherstelbaar veranderd. Het hof realiseert zich dat zich onder de slachtoffers ook familieleden van het bestuur van verdachte bevinden. Verder is het hof zich ervan bewust dat met het organiseren van AMS verdachte voor Haaksbergen positieve bedoelingen had.

Het valt verdachte als organisator van het evenement niettemin ernstig aan te rekenen dat zij zonder voorafgaand gedegen onderzoek te verrichten als onderdeel van het evenement een demonstratie met een monstertruck, een voertuig met een sterk gevaarzettend karakter, heeft georganiseerd en laten plaatsvinden, zonder daarbij de voor het publiek benodigde adequate veiligheidsmaatregelen te treffen en zonder daarvoor een tijdige en deugdelijke vergunningaanvraag te doen. Naar het oordeel van het hof moet aan verdachte en aan vergelijkbare organisaties een signaal worden afgegeven dat het geboden is om voortdurend zorgvuldigheid te betrachten bij het organiseren van dergelijke evenementen.

Het is het hof gebleken dat bij de verdachte sprake is van een gebrek aan inzicht in de tekortkomingen die haar worden verweten en dat de verdachte geen enkele verantwoordelijkheid voor het ongeval en de dramatische gevolgen lijkt te willen nemen. De verdachte legt die verantwoordelijkheid geheel bij de bestuurder van de monstertruck en de gemeente Haaksbergen als vergunningverlenende instantie. Gelet hierop heeft het hof evenals de advocaat-generaal overwogen om aan de verdachte een deels onvoorwaardelijke geldboete op te leggen om daarmee duidelijk te maken dat de verdachte wel degelijk een ernstig verwijt valt te maken. Nu het hof met de rechtbank en de advocaat-generaal van oordeel is dat de nog aanwezige financiële middelen van de verdachte beter ten goede kunnen komen aan de slachtoffers, zal het volstaan met oplegging van een geheel voorwaardelijke geldboete van € 25.000,-. Hierbij heeft het hof ook in aanmerking genomen dat de verdachte geen activiteiten meer ontplooit en zichzelf zal opheffen nadat deze strafzaak is afgerond.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 51, 57, 307 en 308 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 25.000,00 (vijfentwintigduizend euro).

Bepaalt dat de geldboete niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Aldus gewezen door

mr. F.A.M. Bakker, voorzitter,

mr. R.W. van Zuijlen en mr. C.M.E. Lagarde, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. C.J. Broersma, griffier,

en op 23 mei 2018 ter openbare terechtzitting uitgesproken.