Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:4633

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
26-04-2018
Datum publicatie
22-05-2018
Zaaknummer
21-003858-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bewezenverklaring teelt van 169 hennepplanten en diefstal elektriciteit in de woning van verdachte, terwijl hij die woning niet meer bewoonde. Verwerping verweer dat een derde de woning huurde en dat verdachte geen wetenschap had van de hennepkwekerij. Diefstal van elektriciteit onlosmakelijk verbonden met de hennepteelt. Ten aanzien van verdachte onvoldoende bewijs voor braak en/of verbreking ten behoeve van de diefstal elektriciteit. Strafoplegging: een voorwaardelijke gevangenisstraf van 1 maand en een onvoorwaardelijke taakstraf van 80 uren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-003858-16

Uitspraak d.d.: 26 april 2018

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland van 23 juni 2016 met parketnummer 16-004591-16 in de strafzaak tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1966,

wonende [woonadres] , [woonplaats] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 12 april 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, inhoudende dat het hof het vonnis van de rechter in eerste aanleg zal bevestigen en de verdachte zal veroordelen conform dit vonnis. De schriftelijke vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman,

mr. O.N.J. Maatje, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

De politierechter heeft de verdachte bij voornoemd vonnis, waartegen het hoger beroep is gericht, ter zake van het onder 1 primair en 2 primair ten laste gelegde veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 maand met een proeftijd van 2 jaren, alsmede tot een taakstraf van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis, waarvan 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het op onderdelen tot een andere beslissing komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1:
hij op of omstreeks 5 juni 2015 te [plaats] , opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan de [adres] ) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 169 hennepplanten, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

een of meer onbekend gebleven personen op of omstreeks 5 juni 2015 te [plaats] , met elkaar, althans één van hen, opzettelijk heeft/hebben geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft/hebben gehad (in een pand aan de [adres] ) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 169 hennepplanten, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval (telkens) een hoeveelheid

van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II,

tot en/of bij het plegen van welk(e) misdrijf/misdrijven verdachte op of omstreeks 5 juni 2015 te [plaats] , in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal (telkens) opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest, door aan die onbekend gebleven persoon/personen voornoemd pand voor de

teelt/het kweken van hennepplanten ter beschikking te stellen;


2:
hij in of omstreeks de periode van 1 juni 2014 tot en met 5 juni 2015 te [plaats] , met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit/vanuit een meterkast heeft weggenomen een hoeveelheid stroom/elektrische energie, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Liander N.V., in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of haar mededader(s), waarbij verdachte en/of haar mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

één of meer onbekend gebleven in of omstreeks de periode van 1 juni 2014 tot en met 5 juni 2015 te [plaats] , tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit/vanuit een meterkast heeft weggenomen een hoeveelheid stroom/elektrische energie, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende Liander N.V., in elk geval aan een ander of anderen dan aan die onbekend gebleven persoon en/of zijn mededader(s) en of verdachte,

waarbij die onbekend gebleven persoon en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming (door een of meer (ijk)zegel(s) en/of het deksel van de elektriciteitsmeter te verbreken en/of

verwijderen en/of (vervolgens) een elektriciteitsaansluiting aan de boven- en/of buitenzijde, in elk geval buiten de meter om, te maken),

tot en/of bij het plegen van welk(e) misdrijf/misdrijven verdachte in of omstreeks de periode van 1 juni 2014 tot en met 5 juni 2015 te [plaats] , in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal (telkens) opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest, door aan die onbekend gebleven persoon/personen voornoemd pand voor de diefstal van die stroom/elektriciteit ter beschikking te stellen.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overweging met betrekking tot het bewijs

Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het ten laste gelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Het hof overweegt daarbij in het bijzonder het volgende.

Op 5 juni 2015 heeft de politie in de woning aan de [adres] te [plaats] een hennepkwekerij aangetroffen. Op de zolder van de woning werden 169 hennepstekken aangetroffen onder een assimilatielamp. Deze lamp was aangesloten op een tijdschakelaar, die was ingesteld op een periode van 02.00u tot 20.00u. De stekjes waren 15 tot 30 centimeter hoog. Op de grond stond een slakkenhuisventilator, die was aangesloten op het ventilatiesysteem van de woning.

In andere ruimten op de eerste verdieping van de woning zijn hennepresten en attributen behorende bij een hennepkwekerij aangetroffen.1

Verdachte en zijn ex-partner bewoonden voornoemde woning op die dag weliswaar niet meer, maar wel waren zij de eigenaren van de woning. Verdachte bezocht de woning nog wekelijks, zo verklaarde hij ter zitting bij het hof. Ook hebben buurtgenoten, in de periode voorafgaande aan de ontdekking van de hennepkwekerij, verdachte nog regelmatig bij de woning gezien.2 Buurtgenoot getuige [getuige] heeft verdachte bovendien omstreeks maart/april 2015 met vier à zes Praxis-verhuisdozen voornoemde woning in zien gaan.3 De politie heeft op de tweede verdieping (de zolder) van de woning in een kleine kamer meerdere lege verhuisdozen met het opschrift ‘Praxis’ aangetroffen.4 In dezelfde kleine kamer heeft de politie tevens een tray aangetroffen waarvan het de politie ambtshalve bekend is dat daar stekjes in worden vervoerd ten behoeve van hennepteelt.5

Verdachte ontkent het ten laste gelegde. Verdachte en zijn ex-partner [ex-partner] hebben verklaard dat zij geen wetenschap hadden van de hennepkwekerij in hun woning en dat zij de woning sinds januari 2015 hadden verhuurd aan een derde, de heer [persoon] . Het hof overweegt dat de verklaringen van verdachte en zijn ex-partner op een aantal punten niet consistent en bovendien niet verifieerbaar zijn. De politie heeft deze [persoon] op basis van de slechts summiere informatie die verdachte en [ex-partner] over hem hebben verstrekt, niet kunnen achterhalen. Een volgens verdachte door [persoon] aan hem verstrekte kopie van diens identiteitsbewijs heeft verdachte niet kunnen overleggen. Verdachte en [ex-partner] verklaren niet consistent over de aanwezigheid van een kopie van het identiteitsbewijs van [persoon] . Ook verklaren verdachte en [ex-partner] niet consistent over de ontmoetingen met [persoon] voorafgaande aan de gestelde verhuur van de woning.

Het hof overweegt daarnaast dat geen van de gehoorde buren sinds januari 2015 een persoon bij voornoemde woning heeft gezien die past in het opgegeven signalement van [persoon] . Voorts bevat het dossier ook geen andere aanknopingspunten om het bestaan van die [persoon] en de verhuur van de woning aan [persoon] aan te nemen.

Gezien voornoemde omstandigheden acht het hof de verklaringen van verdachte en [ex-partner] omtrent de verhuur van de woning aan [persoon] , onaannemelijk. Het hof verwerpt om die reden het verweer van verdachte.

Voorts heeft de raadsman de betrouwbaarheid van de verklaring van getuige [getuige] in twijfel getrokken. De raadsman heeft aangevoerd dat het menselijk brein niet kan herinneren hetgeen [getuige] heeft verklaard over de Praxis-dozen. Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat getuige [getuige] aanvankelijk bij het buurtonderzoek op

6 juni 2015 heeft verklaard dat de auto van verdachte een Volkswagen Passat betrof, terwijl [getuige] in november 2015 heeft verklaard dat de auto van verdachte een Volvo stationwagen betrof. In verband met deze omstandigheden is de raadsman van mening dat de verklaring van [getuige] gepasseerd moet worden.

Anders dan de raadsman heeft betoogd acht het hof de verklaringen van getuige [getuige] wel betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs. Het hof vindt in de inhoud van de verklaringen en de wijze waarop die zijn afgelegd geen aanleiding te twijfelen aan de waarnemingen van [getuige] als buurtgenoot. De verklaringen van [getuige] tijdens het buurtonderzoek op 6 juni 2015 en tijdens zijn getuigenverhoor op 3 november 2015 vertonen weliswaar op enkele relatief kleine punten verschillen, maar naar het oordeel van het hof zijn de verklaringen in de kern en ten aanzien van de Praxis-dozen consistent.

Gezien het voorgaande acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde telen van hennep in zijn woning aan de [adres] te [plaats] heeft begaan.

Het hof is van oordeel dat de onder 2 primair ten laste gelegde diefstal van elektriciteit onlosmakelijk verbonden is met verdachtes hennepteelt in zijn woning.

Op 6 juni 2015 heeft de fraudespecialist van het energiebedrijf Liander N.V. tijdens een onderzoek in het perceel [adres] te [plaats] geconstateerd dat de zegels van de hoofdaansluitkast waren verbroken en dat aan de bovenzijde van de zekeringhouders een illegale elektriciteitsaansluiting was gemaakt. Deze illegale elektriciteitsaansluiting liep buiten de elektriciteitsmeter om naar de hennepplantage en voorzag deze van elektriciteit. Bovendien waren de hoofdzekeringen ten behoeve van de elektrische installatie verzwaard. Door de manipulatie werd de afgenomen elektriciteit ten behoeve van de hennepplantage niet via de elektriciteitsmeter geregistreerd.6

Daarbij heeft de politie bij het aantreffen van de hennepkwekerij geconstateerd dat de in de kwekerij aanwezige assimilatielamp met ingebouwd voorschakelapparaat, die boven de 169 hennepstekken hing, was aangesloten op een tijdschakelaar die was ingesteld op een periode van 02.00 uur tot 20.00 uur.

Het hof concludeert op grond van bovenstaande dat de assimilatielamp in de hennepkwekerij dagelijks van 02.00 uur tot 20.00 uur via de illegale elektriciteitsaansluiting van stroom werd voorzien.

[ex-partner] heeft verklaard (zo begrijpt het hof) dat het energiecontract van voornoemde woning op haar naam stond en dat zij niet heeft betaald voor de extra afgenomen stroom ten behoeve van de hennepkwekerij. Zij betaalde de normale maandtermijn. [ex-partner] heeft verklaard dat het haar was opgevallen dat de huurder wel weinig stroom gebruikte. Het hof heeft reeds gemotiveerd waarom het de verklaringen van verdachte en [ex-partner] omtrent de verhuur van de woning niet aannemelijk acht. Het hof begrijpt dit onderdeel van de verklaring van [ex-partner] zo, dat het [ex-partner] was opgevallen dat er weinig stroom werd gebruikt in de woning.7

In het voorgaande is bewezenverklaard dat verdachte de teler was van de aangetroffen hennepkwekerij. Het hof is van oordeel dat het dossier onvoldoende aanknopingspunten bevat voor een situatie dat verdachte de hennepkwekerij samen met een ander heeft gerund. Het kan daarom niet anders dan dat verdachte wetenschap heeft gehad van de illegale elektriciteitsaansluiting ten behoeve van de hennepkwekerij en opzettelijk gebruik heeft gemaakt van die aansluiting door een assimilatielamp aan te sluiten op een tijdschakelaar die kennelijk dagelijks voor een periode van achttien uren geactiveerd werd, waardoor via illegale afname elektriciteit werd verbruikt.

Op grond van bovenstaande is het hof van oordeel dat ook het onder 2 primair ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen en dat verdachte zich daarmee tevens schuldig heeft gemaakt aan diefstal van een hoeveelheid elektriciteit ten behoeve van de hennepkwekerij.

Anders dan de politierechter in eerste aanleg ziet het hof in het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs dat verdachte zich tevens schuldig zou hebben gemaakt aan braak, verbreking en/of inklimming om zich de weg te nemen elektriciteit onder zijn bereik te brengen. De verdachte zal van dat onderdeel van de tenlastelegging worden vrijgesproken.

Voorts, en anders dan de politierechter, ziet het hof ten aanzien van feit 2 in het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voor een pleegperiode van 1 juni 2014 tot en met 5 juni 2015. In het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij8 stelt de politie op grond van de 165 aangetroffen lege potten met aarde, wortelresten en resten van stekblokjes vast dat er ten minste één eerdere oogst heeft plaatsgevonden. Gezien een gemiddelde kweekcyclus van 10 weken per oogst, is het hof van oordeel dat het ervoor moet worden gehouden dat de teelt van die eerdere oogst op 27 maart 2015 is aangevangen. Daarom zal het hof ten aanzien van feit 2 een pleegperiode van 27 maart 2015 tot en met 5 juni 2015 wettig en overtuigend bewezen verklaren.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel - ook in onderdelen - slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat ten laste gelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 primair en 2 primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1. primair:
hij op 5 juni 2015 te [plaats] , opzettelijk heeft geteeld in een pand aan de [adres] een hoeveelheid van in totaal ongeveer 169 hennepplanten, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;

2 primair:
hij in of omstreeks de periode van 27 maart 2015 tot en met 5 juni 2015 te [plaats] , met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening vanuit een meterkast heeft weggenomen een hoeveelheid elektrische energie, geheel toebehorende aan Liander N.V.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 primair bewezenverklaarde levert op:

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.

Het onder 2 primair bewezenverklaarde levert op:

diefstal.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het telen van hennep en diefstal van elektriciteit.

Het is een feit van algemene bekendheid dat hennep een stof is die, eenmaal in het verkeer gebracht, schadelijk kan zijn en risico's meebrengt voor de gezondheid van gebruikers en mede daardoor schade van velerlei aard in de samenleving veroorzaakt.

Voorts heeft verdachte, door zich schuldig te maken aan diefstal van elektriciteit, er blijk van gegeven weinig respect te hebben voor de eigendomsrechten van anderen.

Het hof heeft acht geslagen op de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting, waarin het gebruikelijke rechterlijke straftoemetingsbeleid zijn neerslag heeft gevonden.

Voorts heeft het hof gelet op een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 12 maart 2018, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten.

Alles overwegende is het hof van oordeel dat oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf en een taakstraf, beide van de hierna aan te geven duur, passend en geboden is. Met oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf wil het hof enerzijds de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking brengen en anderzijds de strafoplegging dienstbaar maken aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten. De duur van de taakstraf die het hof oplegt, is gelijk aan het onvoorwaardelijke deel van de taakstraf zoals opgelegd door de politierechter, met aftrek van de tijd die verdachte heeft doorgebracht in voorarrest. Het hof ziet geen aanleiding om naast de voorwaardelijke gevangenisstraf en onvoorwaardelijke taakstraf ook nog een voorwaardelijke taakstraf op te leggen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet en de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57, 63 en 310 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 primair en 2 primair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) maand.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 80 (tachtig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 40 (veertig) dagen hechtenis.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Aldus gewezen door

mr. J. Dolfing, voorzitter,

mr. J. Hielkema en mr. H.K. Elzinga, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. M.B. Haak, griffier,

en op 26 april 2018 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. H.K. Elzinga is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

1 PL0900-2015172158, p. 14 – 19 en p. 54.

2 PL0900-2015172158, p. 56.

3 PL0900-2015172158, p. 63.

4 PL0900-2015172158, p. 16 en 58.

5 PL0900-2015172158, p. 58.

6 PL0900-2015172158, p. 118 e.v.

7 PL0900-2015172158, p. 89.

8 PL0900-2015172158, p. 102 e.v.