Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:4587

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
15-05-2018
Datum publicatie
30-05-2018
Zaaknummer
200.222.094/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging van het gezag. Vader zonder gezag niet als belanghebbende aangemerkt. Gezag kan pas worden beëindigd vanaf de datum van geboorte van de minderjarige.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.222.094

(zaaknummer rechtbank C/08/203486 / FA RK 17-1411)

beschikking van 15 mei 2018

inzake

[verzoeker] ,

thans verblijvende in [A] te [B] ,
verzoeker in (het principaal) hoger beroep,

verweerder in (het incidenteel) hoger beroep,

verder te noemen: de vader,

advocaat mr. M. Metin te Arnhem,

en

[verweerster] ,

wonende op een geheim adres,

verweerster in (het principaal) hoger beroep,

verzoekster in (het incidenteel) hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat mr. M.S. Gerson te Amsterdam,

en


de raad voor de kinderbescherming,

regio Overijssel, locatie Zwolle,

verweerder in (zowel het principaal als het incidenteel) hoger beroep,

verder te noemen: de raad.

Als overige belanghebbende is aangemerkt:

de gecertificeerde instelling

Stichting De Jeugd- & Gezinsbeschermers,

gevestigd te Alkmaar,

verder te noemen: de voogd/de GI.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 26 juni 2017, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift van de vader met productie(s), ingekomen op 7 augustus 2017;

- een brief van mr. Metin van 15 augustus 2017 met productie(s);

- de brieven van het hof van 30 augustus 2018 aan de raad, mr. Gerson, de GI en mr. Metin;

- een brief van de raad van 7 september 2017;

- een journaalbericht van mr. Metin van 13 september 2017;

- het verweerschrift van de moeder, tevens houdende incidenteel appel met productie(s), ingekomen op 13 september 2017;

- een journaalbericht van mr. Gerson van 22 september 2017;

- een faxbericht van mr. Gerson van 22 september 2017;

- de brieven van het hof van 27 september 2017 aan de raad, mr. Gerson, de GI en mr. Metin;

- een journaalbericht van mr. Gerson van 2 oktober 2017 met productie(s);

- het verweerschrift van de raad van 27 oktober 2017;

- een journaalbericht van mr. Metin van 26 februari 2018 met productie(s).

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 19 maart 2018 plaatsgevonden. De moeder is in persoon verschenen, bijgestaan door haar advocaat mr. Gerson. Namens de raad is mevrouw [C] en mevrouw [D] verschenen. Namens de GI is verschenen mevrouw [E] . De vader is niet in persoon verschenen; hij is ter zitting vertegenwoordigd door zijn advocaat mr. Metin. Verder is als informant gehoord de heer
[F] , locatiemanager van de instelling waar de moeder verblijft.

3 De feiten

3.1

Uit de moeder is [in] 2017 de minderjarige [de minderjarige1] geboren. De vader heeft met toestemming van de moeder [de minderjarige1] erkend op 20 juli 2017. Er is door de ouders gekozen voor de geslachtsnaam [verzoeker] .

3.2

[de minderjarige1] heeft twee broers, geboren uit dezelfde relatie tussen de moeder en de vader:

- [de minderjarige2] (hierna: [de minderjarige2] ), geboren te Alkmaar [in] 2013;

- [de minderjarige3] (hierna: [de minderjarige3] ), geboren te Leeuwarden [in] 2014.

Bij beschikking van 14 oktober 2015 is het gezag van de moeder over [de minderjarige2] beëindigd. Bij beschikking van 18 mei 2016 is het gezag van de moeder over [de minderjarige3] beëindigd. De GI is belast met de voogdij over beide kinderen.

3.3

Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking van 26 juni 2017 heeft de rechtbank, naar aanleiding van het verzoek van de raad, het gezag van de moeder over de toen nog ongeboren [de minderjarige1] beëindigd en de GI tot voogd genoemd vanaf het moment van diens geboorte.

3.4

[de minderjarige1] verblijft sinds zijn geboorte samen met zijn broers [de minderjarige2] en [de minderjarige3] in het huidige pleeggezin.

4 De omvang van het geschil

4.1

De vader is met twee grieven in hoger beroep gekomen van de beschikking van 26 juni 2017. Deze grieven beogen het geschil in hoger beroep in volle omvang aan de orde te stellen. De vader verzoekt het hof om, zo mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de vader alsnog aan te merken als belanghebbende en het inleidende primaire verzoek van de raad strekkende tot beëindiging van het gezag van de moeder over de toen nog ongeboren [de minderjarige1] af te wijzen, althans een zodanige beslissing te nemen als het hof juist acht.

4.2

De moeder is op haar beurt met drie grieven in incidenteel hoger beroep gekomen. Ook de moeder verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende de vader als belanghebbende aan te merken in de onderhavige procedure, en het primaire verzoek van de raad alsnog af te wijzen.

4.3

De raad voert verweer en verzoekt het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5 De motivering van de beslissing

De ontvankelijkheid van de vader in zijn hoger beroep

5.1

De vader kan slechts dan worden ontvangen in het door hem ingestelde hoger beroep, indien hij - gelet op de aard van de procedure - als belanghebbende in de zin van artikel 798 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan worden aangemerkt.

5.2

Bij de beantwoording van de vraag of de vader in de onderhavige zaak betreffende de beëindiging van het gezag van de moeder als belanghebbende kan worden aangemerkt, stelt het hof, onder verwijzing naar de uitspraken van de Hoge Raad van 30 maart 2018 (ECLI:NL:HR:2018:488 en ECLI:NL:HR:2018:463), het volgende voorop.

5.3

Artikel 798 lid 1, eerste volzin, Rv bepaalt dat voor het bijzondere procesrecht in zaken van personen- en familierecht (in andere zaken dan scheidingszaken) onder belanghebbende wordt verstaan “degene op wiens rechten of verplichtingen de zaak rechtstreeks betrekking heeft”.

5.4

Voor de toepassing van artikel 798 lid 1, eerste volzin, Rv behoeft het recht of de verplichting waarop men een beroep doet, nog niet in concreto vast te staan.

5.5

Tot de in artikel 798 lid 1, eerste volzin, Rv beschermde ‘rechten of verplichtingen’ behoren de rechten die worden beschermd door internationale verdragen, zoals het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) en het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, voor zover daarop door een burger in rechte rechtstreeks een beroep kan worden gedaan (omdat die rechten zijn neergelegd in een ieder verbindende bepalingen als bedoeld in artikel 93 Grondwet).

5.6

Het vorenstaande betekent dat de door artikel 798 lid 1, eerste volzin, Rv bestreken kring van belanghebbenden in zaken van personen- en familierecht (in andere zaken dan scheidingszaken) niet in algemene zin kan worden afgebakend. Slechts indien het onderwerp van de zaak ertoe kan leiden dat de rechten of verplichtingen waarop iemand zich beroept, rechtstreeks door de rechterlijke beslissing worden geraakt, is deze in die zaak belanghebbende in de zin van artikel 798 lid 1, eerste volzin, Rv.

Dit alles geldt volgens de Hoge Raad ook in hoger beroep.

5.7

Ten slotte is van belang dat uit rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens volgt dat een persoon die aanspraak kan maken op bescherming van zijn familie- en gezinsleven dan wel zijn privéleven, een en ander zoals voorzien in artikel 8 lid 1 EVRM, er tevens aanspraak op kan maken dat hij in voldoende mate betrokken wordt in het besluitvormingsproces dat kan leiden tot een inmenging in dat familie- en gezinsleven respectievelijk dat privéleven. Die aanspraak ziet mede op de gerechtelijke procedure, welke procedure op zichzelf tevens moet voldoen aan de eisen die voortvloeien uit artikel 6 EVRM. De door artikel 8 EVRM vereiste mate waarin en wijze waarop de belanghebbende bij het besluitvormingsproces wordt betrokken, is afhankelijk van de bijzondere omstandigheden van het geval en de aard en de mate van ingrijpendheid van de te nemen maatregelen.

5.8

De rechter dient de vraag of iemand belanghebbende is in de zin van artikel 798 lid 1, eerste volzin, Rv, te beantwoorden met inachtneming van deze uit artikel 8 EVRM voortvloeiende eisen.

5.9

Het hof zal daarom – in overeenstemming met de hiervoor in 5.3 t/m 5.8 genoemde uitgangspunten – onderzoeken of de omstandigheden van dit concrete geval meebrengen dat de beëindiging van het ouderlijk gezag van de moeder over [de minderjarige1] een inmenging vormt in het familie- en gezins- dan wel privéleven van de (niet met het gezag belaste) vader als bedoeld in artikel 8 lid 2 EVRM, en of het onderwerp van de onderhavige zaak kan leiden tot een rechterlijke beslissing die het recht op familie- en gezins- of privéleven van de vader rechtstreeks raakt, met als gevolg dat de vader moet worden aangemerkt als belanghebbende in de zin van artikel 798 lid 1, eerste volzin, Rv, in verbinding met artikel 8 lid 1 EVRM.

5.10

Het hof acht voor die beoordeling het volgende van belang.

In de onderhavige procedure staat vast dat de vader de biologische en – door de erkenning – juridische vader is van [de minderjarige1] . De moeder en vader hebben voor de geboorte van [de minderjarige1] een enigszins bestendige affectieve relatie gehad, waaruit voor [de minderjarige1] twee andere kinderen zijn geboren. De vader heeft [de minderjarige1] na de geboorte erkend en [de minderjarige1] draagt de geslachtsnaam van de vader, [verzoeker] . Niet in geschil is dat de vader betrokken is geweest bij de zwangerschap. Hoewel de vader sinds december 2016 wederom in detentie verblijft, heeft hij gedurende de zwangerschap de moeder dagelijks gebeld en is de moeder, zoals blijkt uit het raadsrapport van 9 juni 2017, tweemaal bij de vader op bezoek geweest in [B] . Het hof is met de vader van oordeel dat er op grond hiervan ‘family life’ in de zin van artikel 8 van het EVRM tussen de vader en [de minderjarige1] is ontstaan. Weliswaar is er na de geboorte van [de minderjarige1] geen rechtstreeks contact geweest tussen de vader en [de minderjarige1] , maar hieruit volgt niet dat het ‘family life’ verbroken is geraakt. Een eenmaal aanwezig 'family life' kan slechts in zeer bijzondere, zwaarwegende omstandigheden als verbroken worden beschouwd, waarvan in deze zaak niet is gebleken.

Voor zover hier verder van belang hebben beide ouders (de moeder in persoon, de vader via zijn advocaat) uitdrukkelijk verklaard dat de relatie tussen hen thans definitief is beëindigd. De vader erkent dat hij niet geschikt is als opvoeder en verzorger van kinderen. Hij verblijft in de kliniek [A] , waar hij nog ongeveer 16 maanden zal verblijven en heeft niet de intentie om na zijn vrijlating [de minderjarige1] (samen) met de moeder op te voeden en te verzorgen. Hij wil alleen een stem bij het invullen van het gezag.

5.11

Het hof is van oordeel dat de vader in de onderhavige procedure in hoger beroep betreffende [de minderjarige1] niet kan worden aangemerkt als belanghebbende in de zin van artikel 798 lid 1, eerste volzin, Rv. Anders dan de vader heeft gesteld, vormt de beëindiging van het ouderlijk gezag van de moeder naar het oordeel van het hof geen directe inmenging in zijn familie- en gezinsleven, dan wel privéleven met [de minderjarige1] . Bijzondere omstandigheden op grond waarvan zou moeten worden afgeweken van het uitgangspunt dat een ouder zonder gezag niet belanghebbende is in de procedure betreffende de beëindiging van het ouderlijk gezag van de andere ouder, zijn het hof niet gebleken. De beëindiging van het ouderlijk gezag van de moeder levert ten opzichte van de niet met het ouderlijk gezag belaste vader, die zelf geen enkele intentie heeft om de minderjarige te verzorgen en op te voeden, immers geen beperking op voor de effectuering van zijn recht op familie- en gezinsleven met [de minderjarige1] .

De vader dient derhalve in zijn verzoek in hoger beroep niet-ontvankelijk te worden verklaard.

5.12

Gelet op het voorgaande zal de inhoud van het onder 2.1 genoemde beroepschrift van de vader dan ook buiten beschouwing worden gelaten.

5.13

Nu de moeder, die in deze zaak wel als belanghebbende kan worden aangemerkt, incidenteel hoger beroep heeft ingesteld tegen de beschikking van 26 juni 2017 zal het hof dat beroep inhoudelijk behandelen.

Het hof merkt de vader daarbij aan als informant in de zin van artikel 800 lid 2 Rv.

De beëindiging van het gezag

5.14

Op grond van artikel 1:266 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter het gezag van een ouder beëindigen indien

a. een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding in staat is te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of

b. de ouder het gezag misbruikt.

5.15

Beëindiging van het gezag is mogelijk zonder voorafgaande ondertoezichtstelling en kan volgens de wetgever ook vanaf de geboorte van een kind. Volgens de memorie van toelichting bij voormeld wetsartikel (Kamerstukken II 2008/09, 32015, 3, p. 12) kan in situaties waarin het al bij de aanvang van het kinderbeschermingstraject duidelijk is dat de ouder niet in staat zal zijn de opvoedingsverantwoordelijkheid binnen een voor de minderjarige aanvaardbare termijn op zich te nemen, direct de gezagsbeëindigende maatregel worden getroffen. Een ondertoezichtstelling hoeft er in die gevallen niet aan vooraf te gaan. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om situaties waarin de ouders al jarenlang verslaafd zijn aan harddrugs en er weinig of geen aanwijzingen tot verbetering zijn (MvT, p. 35). De wetgever heeft beoogd het eenvoudiger te maken om, indien nodig, vanaf de geboorte van een kind het ouderlijk gezag over dit kind te beëindigen. Hierdoor wordt, zo vervolgt voornoemde memorie van toelichting, de ouder feitelijk - direct bij de geboorte van het kind - het 'opvoederschap' ontnomen. De mogelijkheden tot contact tussen ouder en kind dienen bij de uitvoering van de voogdij nadrukkelijk te worden onderzocht en aangewend.

5.16

De moeder stelt dat zij - met de nodige hulp - in staat is om de verzorging en opvoeding van [de minderjarige1] op zich te nemen en dat de bestreden beschikking mede daarom in strijd is met artikel 8 EVRM en de artikelen 3 en 20 van het Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK). [de minderjarige1] heeft geen kans geboden gekregen zich aan de moeder te hechten en bij haar op te groeien.

De moeder erkent dat zij in het verleden fouten heeft gemaakt en keuzes heeft gemaakt die niet in het belang van haar kinderen waren, maar zij wijst er op dat zij een goede behandeling krijgt voor haar problematiek en sindsdien een positieve ontwikkeling heeft doorgemaakt. De moeder staat, zoals zij ter zitting heeft verklaard, nu zij ook wat ouder is, anders in het leven. De moeder verblijft binnen een zorginstelling met 24-uurs-begeleiding en kan, zoals zij stelt, in tegenstelling tot de periode rond de geboorte van [de minderjarige2] en [de minderjarige3] , [de minderjarige1] een stabiele, veilige en voorspelbare opvoedingssituatie bieden. De moeder heeft nu structuur in haar leven en een dagbesteding, en haar financiën worden beheerd. Haar relatie met de vader, die in het verleden een complicerende factor vormde, is verbroken. De moeder wijst erop dat zij gedurende haar zwangerschap heeft laten zien dat zij haar afspraken met de hulpverlening, maar ook bijvoorbeeld met de verloskundige, nakomt en dat zij bereid is samen te werken met hulpverlenende instanties en alles te doen om te waarborgen dat [de minderjarige1] bij haar de zorg krijgt die hij nodig heeft.

5.17

Gelet op hetgeen tijdens de behandeling ter zitting van hof naar voren is gekomen en op de overgelegde stukken, in het bijzonder het raadsrapport van 16 juni 2017, is het hof van oordeel dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat de gronden voor beëindiging van het gezag van de moeder over [de minderjarige1] aanwezig zijn. Het hof overweegt daarover als volgt.

5.18

Uit het raadsrapport van 16 juni 2017 is gebleken dat bij de moeder sprake is van psychische problematiek en een onverwerkt verleden. Verder heeft de moeder een benedengemiddelde intelligentie, waardoor zij situaties minder goed kan doordenken en overzien.

De relatie tussen de ouders kenmerkte zich door huiselijk geweld en door een sterke mate van afhankelijkheid van de moeder jegens de vader. Ondanks de betrokkenheid van een gezinsvoogd en de geboden hulp heeft de moeder [de minderjarige2] en [de minderjarige3] niet de aandacht, stabiliteit en veiligheid kunnen bieden die zij nodig hadden, als gevolg waarvan zij beiden als baby uit huis zijn geplaatst.

Hoewel het sinds de plaatsing in een 24-uurssetting beter gaat met de moeder en zij meer stabiliteit heeft, heeft zij veel en intensieve begeleiding nodig en is zij thans volledig afhankelijk van de hulpverlening om haar eigen leven te leiden en in te richten. In het verleden is gebleken dat op momenten dat vader gedetineerd was het redelijk goed ging met moeder, maar dat zij die stabiliteit niet kon vasthouden, nadat de vader vrijkwam. De raad heeft grote zorgen over de beperkte weerbaarheid van moeder tegen de invloed van de vader, temeer nu de moeder weinig steun heeft van familie en/of vrienden. Het hof onderschrijft die zorgen.

5.19

Zowel uit het raadsrapport van 16 juni 2017 als hetgeen de heer [F] ter zitting heeft verklaard blijkt dat de moeder is veranderd sinds zij in december 2016 in een 24-uurssetting is geplaatst, waar haar structuur wordt geboden en zij een dagbesteding heeft. Volgens de heer [F] is de manier van denken van de moeder erg veranderd en is zij nu minder afhankelijk, terwijl haar zelfredzaamheid is verbeterd. De raad ziet eveneens dat het leven van de moeder door de plaatsing in een 24-uurssetting en door de afwezigheid van vader een stuk stabieler is dan in het verleden. De moeder stelt zich op haar huidige woonplek steeds meer open voor de begeleiding. Ook is gebleken dat de moeder voor [de minderjarige2] en [de minderjarige3] meer betrouwbaar is geworden door het nakomen van de omgangsafspraken. Het contact tussen moeder en haar kinderen verloopt tijdens de omgangsmomenten, begeleid door de pleegmoeder, goed.

Anderzijds is ook gebleken dat het zeker nog een half jaar zal duren voordat er een mogelijke behandeling van de moeder zal plaatsvinden, dan wel een psychologisch onderzoek ten aanzien van haar zal worden verricht. Daarbij zal tevens aandacht moeten zijn voor traumaverwerking. Onduidelijk is of er sprake is van psychiatrische problematiek.

De heer [F] heeft voorts verklaard dat de moeder binnen een periode van anderhalf jaar wellicht in aanmerking komt voor een beschermd wonen-traject.

5.20

[de minderjarige1] woont vanaf zijn geboorte samen met zijn twee broers [de minderjarige2] en [de minderjarige3] bij de pleegouders en hij is op dit moment een hechtingsrelatie aangegaan met de pleegouders als zijn vaste en dagelijkse verzorgers.

Een veilige hechting creëert een belangrijke voorwaarde voor een gezonde sociale en emotionele persoonlijkheidsontwikkeling. Het is voor de verdere ontwikkeling van [de minderjarige1] naar het oordeel van het hof dan ook van belang dat het hechtingsproces bij de pleegouders niet wordt verstoord. Het belang van [de minderjarige1] brengt mee dat er sprake moet zijn van continuïteit in zijn opvoedsituatie en dat, mede gelet op zijn leeftijd, op korte termijn duidelijkheid bestaat over zijn perspectief.

5.21

Gelet op de psychische problematiek van de moeder, de zeer intensieve begeleiding die zij thans nodig heeft en de behandeling die op termijn zal gaan plaatsvinden, is het hof van oordeel dat de moeder op dit moment niet in staat is om de verzorging en opvoeding van [de minderjarige1] op zich te nemen en dat de moeder evenmin in staat wordt geacht om de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [de minderjarige1] binnen een, gelet op zijn leeftijd, voor hem aanvaardbare termijn te dragen. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat niet valt uit te sluiten dat de moeder in de toekomst, evenals in het verleden, een ambivalente houding jegens hulpverlening zal aannemen. Het hof acht het in het belang van [de minderjarige1] noodzakelijk dat door beëindiging van het gezag van de moeder duidelijk wordt dat [de minderjarige1] tot zijn volwassenheid zal kunnen opgroeien bij de pleegouders.

5.22

Anders dan de rechtbank, is het hof van oordeel dat het gezag pas kan worden beëindigd vanaf de datum van de geboorte van [de minderjarige1] , nu eerst vanaf dat moment sprake kan zijn van uitoefening van het gezag. Dit brengt mee dat het hof de bestreden beschikking in zoverre zal vernietigen.

5.23

Het betoog van de moeder dat [de minderjarige1] in strijd met het bepaalde in artikel 8 EVRM en de artikelen 3 en 20 IVRK, niet de kans wordt geboden bij de moeder op te groeien, treft geen doel, nu deze maatregel, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, noodzakelijk is in het belang van de gezondheid en ontwikkeling van [de minderjarige1] en bij wet is voorzien.

6 De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, dient het hof de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, te vernietigen wat betreft de beëindiging van het gezag in de periode tot de geboorte van [de minderjarige1] en de beschikking voor het overige te bekrachtigen.

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

verklaart de vader niet-ontvankelijk in hoger beroep;

vernietigt de beschikking van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 26 juni 2017, wat betreft de beëindiging van het gezag van de moeder in de periode tot de geboorte van [de minderjarige1] ;

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 26 juni 2017, voor het overige.

Deze beschikking is gegeven door mr. C. Koopman, mr. E.B.E.M. Rikaart-Gerard en
mr. B.J. Voerman, en bijgestaan door mr. M. Marsnerova als griffier, en is op 15 mei 2018 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.