Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:4582

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
23-05-2018
Datum publicatie
01-06-2018
Zaaknummer
17/00882
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2017:4153, Bekrachtiging/bevestiging
Cassatie: ECLI:NL:HR:2020:943
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

MRB. Inschrijving in Basisregistratie Persoonsgegevens. Gebruik auto met Frans kenteken. Hoofdverblijf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2018/1157
Viditax (FutD), 01-06-2018
FutD 2018-1508
NTFR 2018/1320
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

locatie Arnhem

nummer 17/00882

uitspraakdatum: 23 mei 2018

Uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 8 augustus 2017, nummer AWB 16/7267, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst/Centrale administratieve processen (hierna: de Inspecteur)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is over de periode 27 november 2013 tot en met 16 december 2015 een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting opgelegd van € 4.073. Bij beschikking is een boete opgelegd van € 4.073.

1.2.

De Inspecteur heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar de naheffingsaanslag en de boete gehandhaafd.

1.3.

Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraken van de Inspecteur vernietigd en de naheffingsaanslag en de boete verminderd. De periode van naheffing is door de Rechtbank verkort tot de periode 30 januari 2014 tot en met 16 december 2015. Dientengevolge is de grondslag voor de boete verlaagd. Daarnaast heeft de Rechtbank de boete met 25% verminderd tot € 2.796.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.

1.5.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 april 2018. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 Vaststaande feiten

2.1.

Belanghebbende heeft de Nederlandse nationaliteit en staat sinds 20 april 1977 (de geboortedatum van belanghebbende) onafgebroken op een Nederlands adres ingeschreven in de Basisregistratie Personen (hierna: BRP), met als meest recente adres [a-straat 1] te [A] .

2.2.

Sinds 6 juli 2011 is belanghebbende aandeelhouder in twee naar Nederlands recht opgerichte besloten vennootschappen. De ene vennootschap, [B] B.V., is gevestigd op het adres [a-straat 1] te [A] en hierin houdt belanghebbende alle aandelen. De andere vennootschap, [C] B.V., is gevestigd op het adres [b-straat 2] te [D] en hierin houdt hij 33% van de aandelen.

2.3.

Tijdens een controle is op 17 december 2015, om 14:34 uur, op de locatie [c-straat] te [A] geconstateerd dat belanghebbende met een personenauto van het merk en type BMW 5 serie met het Franse kenteken [YY-000-YY] (hierna: de BMW) gebruik heeft gemaakt van de weg in Nederland.

2.4.

In de “Vooraankondiging naheffingsaanslag/boetebeschikking” die de Inspecteur met dagtekening 8 augustus 2016 heeft verstuurd met adressering “ [X] , [a-straat 1] , [A] ”, is onder andere het volgende opgenomen:

Boete

Op grond van artikel 37 van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 leg ik een boete op van € 4.073. Deze boete is een verzuimboete als bedoeld in artikel 67c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Het boetebeleid is verwoord in paragraaf 34 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998.”

2.5.

Met dagtekening 16 september 2016 is op grond van artikel 34 van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 (hierna: Wet MRB) over het tijdvak 27 november 2013 tot en met 16 december 2015 de onderhavige naheffingsaanslag opgelegd van € 4.073, waarbij een verzuimboete is opgelegd van eveneens € 4.073.

3 Geschil

3.1.

In hoger beroep is in geschil of de naheffingsaanslag en de boete terecht en naar de juiste bedragen zijn opgelegd. Daarbij spitst het geschil zich met name toe op het antwoord op de vraag of belanghebbende ten tijde van het opleggen van de naheffingsaanslag zijn hoofdverblijf in Nederland had.

3.2.

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat hij zijn hoofdverblijf ten tijde van het opleggen van de naheffingsaanslag niet in Nederland had maar in Frankrijk. Dat brengt volgens belanghebbende met zich dat de naheffingsaanslag niet aan hem opgelegd had mogen worden en dat er voor wat betreft de boete sprake is van afwezigheid van alle schuld (hierna: avas). De Inspecteur neemt de tegenovergestelde standpunten in.

4 Beoordeling van het geschil

De periode van naheffing

4.1.

In beroep heeft de Inspecteur het nadere standpunt ingenomen dat voor aanvang van de periode van naheffing moet worden aangesloten bij de datum waarop belanghebbende volgens het tenaamstellingsbewijs eigenaar werd van de BMW, zijnde 30 januari 2014. Dit standpunt heeft de Rechtbank gevolgd en geoordeeld dat de periode van naheffing aanvangt op 30 januari 2014.

4.2.

Belanghebbende stelt ter zitting, gelijk aan zijn standpunt in de beroepsprocedure bij de Rechtbank, dat de periode van naheffing pas dient aan te vangen op 19 mei 2014, aangezien de BMW hem tot dat moment feitelijk niet ter beschikking stond in de zin van artikel 34, derde lid, van de Wet MRB.

Hoofdverblijf

4.3.

Op grond van artikel 1, eerste lid, van de Wet MRB wordt ter zake van het houden van een personenauto motorrijtuigenbelasting geheven. Op grond van artikel 6 van de Wet MRB wordt de belasting geheven van degene die bij de aanvang van een tijdvak het motorrijtuig houdt.

4.4.

Indien een motorrijtuig in het buitenland is geregistreerd, wordt het gehouden door degene die het motorrijtuig in Nederland feitelijk ter beschikking heeft (artikel 7, eerste lid, aanhef en letter c, van de Wet MRB). Een houder als hiervoor bedoeld wordt, behoudens tegenbewijs, geacht in Nederland zijn hoofdverblijf te hebben indien hij in Nederland als ingezetene is ingeschreven in de BRP (artikel 7, derde lid, aanhef en onder a, van de Wet MRB). In dit kader is het volgende opgemerkt in de wetsgeschiedenis (Wet van 18 december 2013 tot wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Belastingplan 2014), Kamerstukken II 2013/14, 33 752, nr. 3, blz. 27, Stb. 2013, 565):

“Het woonplaatsvermoeden houdt in dat een natuurlijk persoon geacht wordt voor de Wet MRB 1994 ingezetene van Nederland te zijn indien hij is ingeschreven in de GBA of zich had moeten inschrijven in de GBA. Uiteraard blijft het woonplaatsbegrip in de AWR en Richtlijn 83/182/EEG het criterium. Daarom heeft de belastingplichtige de mogelijkheid aan te tonen dat zijn hoofdverblijf niet in Nederland is, waardoor hij (voor de MRB) ook niet als ingezetene wordt aangemerkt. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn bij een persoon die weliswaar is ingeschreven in de GBA maar uitsluitend in Nederland verblijft voor studie of vanwege detachering. Voor het aantonen van het hoofdverblijf van de belanghebbende geldt een vrije bewijsvoering, dus alle feiten en omstandigheden wegen mee. Invoering van het woonplaatsvermoeden kan het toezicht – ook bij staandehouding op de weg – vergemakkelijken. Het is voor de Belastingdienst eenvoudiger na te gaan of iemand in de GBA en de eigen bestanden voorkomt dan op basis van andere gegevens, feiten en omstandigheden te moeten onderzoeken of iemand ingezetene is. Het enkele feit dat iemand is ingeschreven in de GBA leidt – behoudens tegenbewijs als hiervoor bedoeld – voor de MRB tot de veronderstelling dat die persoon Nederlands ingezetene is.”

4.5.

Het is niet in geschil dat de naheffingsaanslag is opgelegd aan belanghebbende, omdat hij tijdens de controle op 17 december 2015 de feitelijke beschikking had over een motorrijtuig dat was geregistreerd in het buitenland. Noch is in geschil dat belanghebbende ten tijde van deze controle in de BRP stond ingeschreven op een Nederlands adres.

4.6.

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de Rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat zijn hoofdverblijf in Nederland lag. Bij dit oordeel heeft de Rechtbank alleen formele aanwijzingen, die naar voren zijn gebracht door de Inspecteur, als uitgangspunt genomen. Dat is onjuist, omdat de materiële werkelijkheid bij de beoordeling betrokken had moeten worden. En de materiële werkelijkheid leidt tot de conclusie dat belanghebbende zijn hoofdverblijf niet in Nederland had, aldus belanghebbende.

4.7.

De Inspecteur stelt zich daarentegen op het standpunt dat de Rechtbank in haar oordeel ook rekening heeft gehouden met andere dan formele aanknopingspunten.

4.8.

Het Hof stelt het volgende voorop. Aangezien belanghebbende op het moment van het belastbare feit, zijnde 17 december 2015, stond ingeschreven in de BRP, moet belanghebbende op grond van artikel 7, derde lid, aanhef en onder a, van de Wet MRB worden geacht zijn hoofdverblijf in Nederland te hebben, tenzij hij erin slaagt om tegenbewijs te leveren dat hij zijn hoofdverblijf niet in Nederland had. Daarbij volstaat dat belanghebbende aannemelijk maakt dat hij zijn hoofdverblijf niet in Nederland had. Hoewel in de hiervoor onder 4.4. aangehaalde passage uit de wetsgeschiedenis wordt gesproken van “aantonen”, mag aan het woord “aantonen” niet – tenzij in een specifiek geval uit de wetsgeschiedenis anders zou blijken, welke situatie zich hier niet voordoet – een andere betekenis worden gehecht dan aannemelijk maken (HR 26 mei 1999, nr. 34 230, ECLI:NL:HR:1999:AA2766).

4.9.

In diezelfde passage uit de wetsgeschiedenis staat vermeld dat daarbij het woonplaatsbegrip in de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) als criterium heeft te gelden. Artikel 4, eerste lid, van de AWR bepaalt dat waar iemand woont naar de omstandigheden wordt beoordeeld. Daarbij moet acht worden geslagen op alle in aanmerking komende omstandigheden van het geval. Het komt er volgens vaste rechtspraak op aan of deze omstandigheden van dien aard zijn, dat een duurzame band van persoonlijke aard bestaat tussen de betrokkene en Nederland (bijvoorbeeld HR 21 januari 2011, nr. 10/00563, ECLI:NL:HR:2011:BP1466 en HR 4 maart 2011, nr. 10/04026, ECLI:NL:HR:2011:BP6285).

4.10.

Naar het oordeel van het Hof is belanghebbende er niet in geslaagd om aannemelijk te maken dat hij zijn hoofdverblijf niet in Nederland had en overweegt daartoe het volgende.

4.10.1.

Belanghebbende heeft diverse bewijsstukken overgelegd om zijn standpunt te onderbouwen.

4.10.2.

Ten aanzien van het aan belanghebbende verstrekte Franse rijbewijs (afgegeven in 2011) en een ‘attestation d’hébergement’ (bewijs van huisvesting, gedateerd: 11 mei 2010) zij opgemerkt dat deze stukken zijn afgegeven respectievelijk gedateerd op een datum die ruimschoots voor 17 december 2015, zijnde het moment van de controle, ligt. Daarnaast heeft belanghebbende een reçu overgelegd. Ter zitting heeft de gemachtigde verklaard dat dit een reçu is van de betaling van de huur voor de maand januari 2014 van de Franse woning waar belanghebbende op dat moment woonachtig zou zijn. Aangezien dit bewijsstuk ziet op slechts één maand, zegt dit niets over de mogelijke duurzaamheid van het verblijf aldaar. Ten aanzien van de overgelegde foto van een woning volstaat het Hof met de vaststelling dat het inderdaad een foto van een woning betreft, maar niet meer dan dat. Geenszins is duidelijk geworden dat dit de woning is waar belanghebbende in Frankrijk zou hebben gewoond, noch is duidelijk geworden sinds wanneer en voor hoe lang belanghebbende daar zou hebben gewoond dan wel dat belanghebbende daar nog steeds woont. Voorts heeft de gemachtigde van belanghebbende in haar pleitnota naar voren gebracht dat er op 10 januari 2018 een doorzoeking door de politie heeft plaatsgehad in het pand aan de [a-straat 1] te [A] . Het proces-verbaal van deze doorzoeking zou volgens belanghebbende duidelijk maken dat hij niet zijn hoofdverblijf op dat adres zou hebben. Aangezien de doorzoeking geruime tijd na het moment van de controle ligt, bezitten de in het proces-verbaal opgetekende bevindingen daaromtrent in het kader van onderhavige kwestie weinig waarde. Uit de overgelegde afschriften van creditcardbetalingen blijkt een bestedingspatroon dat past binnen de verklaringen van belanghebbende. Dit patroon voert in het licht van de hiervoor gegeven definitie van de term verblijfplaats echter niet tot de conclusie dat deze niet in Nederland zou zijn gelegen. Voorts heeft de gemachtigde desgevraagd ter zitting aangegeven dat belanghebbende in 2015 diverse toeslagen heeft ontvangen. Deze toeslagen heeft belanghebbende nooit terugbetaald, ook niet toen hij zich in het kader van onderhavige procedure op het standpunt stelde dat hij op 17 december 2015 zijn hoofdverblijf niet Nederland zou hebben.

4.10.3.

Belanghebbende heeft in het kader van het te leveren tegenbewijs op twee punten een bewijsaanbod gedaan. Ten eerste heeft belanghebbende aangeboden om nader bewijs te leveren dat hij zijn hoofdverblijf niet in Nederland zou hebben op het moment dat het Hof zou vinden dat belanghebbende op dat punt vooralsnog onvoldoende bewijs zou hebben aangeleverd. Dit bewijsaanbod heeft derhalve een voorwaardelijk karakter. Met betrekking tot een (voorwaardelijk) bewijsaanbod verdient opmerking dat het niet strookt met het stelsel van de Algemene wet bestuursrecht de bestuursrechter gehouden te achten een tussenbeslissing te geven omtrent de bewijslastverdeling, of omtrent de waardering van het tot dan toe bijgebrachte bewijs (HR 17 december 2004, nr. 38 831, ECLI:NL:HR:2005:AR7741). Ten tweede heeft belanghebbende aangeboden om mevrouw [E] , met wie hij een relatie heeft gehad, te horen als getuige over het al dan niet samenwonen met hem in Nederland in de periode van naheffing. Dit aanbod heeft belanghebbende ook gedaan bij de beroepsprocedure voor de Rechtbank en de Rechtbank heeft dit aanbod gepasseerd. Dit brengt in het kader van een goede procesorde met zich dat van belanghebbende mag worden verwacht dat hij het Hof tijdig zou hebben verzocht om mevrouw [E] te horen, mocht hij menen dat het horen van mevrouw [E] in zijn belang is. Dit geldt te meer omdat in de uitnodiging voor de zitting die op 13 maart 2018 aan belanghebbende is gestuurd, staat vermeld dat hij getuigen mag meebrengen naar de zitting, mits hij daarvan uiterlijk een week voor de dag van de zitting aan het Hof en aan de andere partij(en) mededeling heeft gedaan, met vermelding van de namen en woonplaatsen van de getuigen. Een dergelijk bericht heeft het Hof niet ontvangen van belanghebbende. Van een situatie waarin belanghebbende in redelijkheid niet kan worden tegengeworpen dat hij van die mogelijkheid geen gebruik heeft gemaakt, is in het onderhavige geval niet gebleken (vgl. HR 23 mei 2014, nr. 12/05526, ECLI:NL:HR:2014:1194). Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het Hof aan beide bewijsaanboden voorbij gaat.

4.10.4.

Mocht de Rechtbank al, zoals belanghebbende stelt, een onjuiste beoordelingsmaatstaf hebben toegepast door (te veel) gewicht toe te kennen aan door de Inspecteur naar voren gebrachte formele aanwijzingen dat belanghebbende zijn hoofdverblijf in Nederland zou hebben, dan doet dit nog steeds niets af aan het in 4.10. gegeven oordeel van het Hof. Op belanghebbende rust immers de bewijslast om feiten en omstandigheden aan te dragen die tot de conclusie leiden dat hij zijn hoofdverblijf niet in Nederland heeft.

Verdedigingsbeginsel

4.11.

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel is geschonden. Hij voert daartoe aan dat belanghebbende pas na het verstrijken van de reactietermijn kennis heeft gekregen van de ‘vooraankondiging naheffingsaanslag/boetbeschikking’ die de Inspecteur met dagtekening 8 augustus 2016 heeft gestuurd naar het adres ‘ [a-straat 1] , [A] ’, omdat hij op dat moment niet in Nederland zou verblijven.

4.12.

Uit het arrest van de Hoge Raad van 4 december 2015, nr. 12/02876, ECLI:NL:HR:2015:3467, volgt dat het Unierechtelijke beginsel van eerbiediging van de rechten van de verdediging voor een bestuursorgaan de verplichting meebrengt de geadresseerde van een besluit in de gelegenheid te stellen om zijn opmerkingen kenbaar te maken voordat dit besluit wordt genomen. Hieraan heeft de Inspecteur naar het oordeel van het Hof voldaan, aangezien hij belanghebbende door middel van de brief van 8 augustus 2016 in de gelegenheid heeft gesteld om te reageren op het voornemen om een naheffingsaanslag en verzuimboete op te leggen. Voor zover deze brief belanghebbende na ommekomst van de reactietermijn feitelijk heeft bereikt, kan dat de Inspecteur in dit geval niet worden tegengeworpen. Het adres [a-straat 1] te [A] was immers het adres waarop belanghebbende ten tijde van het versturen van de vooraankondiging stond ingeschreven in de BRP en de systemen van de Belastingdienst sluiten hierbij aan. Het komt dan voor rekening en risico van belanghebbende dat poststukken tijdig aan hem worden doorgezonden, op het moment dat hij niet op dat adres verblijft. In het licht van het voorgaande is het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel naar het oordeel van het Hof niet geschonden.

4.13.

Het Hof is derhalve van oordeel dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een situatie zoals beschreven in artikel 34, derde lid, van de Wet MRB. Belanghebbende heeft zijn stelling dat de BMW hem tot 19 mei 2014 niet ter beschikking stond niet onderbouwd noch is het Hof anderszins gebleken dat hij tot die datum niet kon beschikken over de BMW. De naheffingsaanslag is terecht aan belanghebbende opgelegd en door de Rechtbank tot het juiste bedrag verminderd.

Boete

4.14.

Aan belanghebbende is op grond van artikel 37 van de MRB in verbinding met artikel 67c van de AWR een verzuimboete opgelegd ten bedrage van € 4.073. De Rechtbank heeft deze boete gematigd tot een bedrag van € 2.796.

4.15.

De Rechtbank heeft in de rechtsoverwegingen 31 tot en met 33 goed gemotiveerd uiteengezet waarom een verzuimboete van € 2.796 passend en geboden is. Het Hof onderschrijft het oordeel van de Rechtbank en de door haar daartoe gebezigde gronden. Het Hof maakt die beslissing en de daartoe gebezigde gronden tot de zijne, waarbij het Hof nog opmerkt dat hij overigens geen reden ziet voor matiging van de verzuimboete.

Slotsom
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.

5 Griffierecht en proceskosten

Het Hof ziet geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of een veroordeling in de proceskosten.

6 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.W. Monteiro, voorzitter, mr. B.F.A. van Huijgevoort en mr. A. van Dongen, in tegenwoordigheid van mr. J.L.M. Egberts als griffier.

De beslissing is op 23 mei 2018 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

(J.L.M. Egberts) (W.W. Monteiro)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op: 23 mei 2018

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH DEN HAAG.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.