Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:4481

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
23-05-2018
Datum publicatie
01-06-2018
Zaaknummer
16/01471 tm 16/01476
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2016:5762, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

IB/PVV. IJzer- en schroothandelaar. Verzwegen winst? Vereiste aangiften niet gedaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2018/1160
FutD 2018-1489
Viditax (FutD), 04-06-2018
V-N 2018/42.25.12
NTFR 2018/1326
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

locatie Arnhem

nummers: 16/01471 tot en met 16/01476

uitspraakdatum: 23 mei 2018

Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 1 november 2016, nummers AWB 16/1996 tot en met AWB 16/2001, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Doetinchem (hierna: de Inspecteur)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is over het jaar 2011 een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 59.849, een boetebeschikking van € 10.059, alsmede een beschikking heffingsrente tot een bedrag van € 2.553. Aan belanghebbende is over het jaar 2011 eveneens een navorderingsaanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (hierna: Zvw) opgelegd, berekend naar een bijdrage-inkomen van € 33.427. In verband met de navorderingsaanslag Zvw is bij beschikking € 225 aan heffingsrente in rekening gebracht.

1.2.

Aan belanghebbende is over het jaar 2012 een navorderingsaanslag in de IB/PVV opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 38.961, een boetebeschikking van € 5.551, alsmede een beschikking belastingrente tot een bedrag van € 1.004. Aan belanghebbende is over het jaar 2012 eveneens een navorderingsaanslag Zvw opgelegd, berekend naar een bijdrage-inkomen van € 38.961. In verband met de navorderingsaanslag Zvw is bij beschikking € 135 aan belastingrente in rekening gebracht.

1.3.

Aan belanghebbende is over het jaar 2013 een navorderingsaanslag in de IB/PVV opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 33.184, een boetebeschikking van € 4.713, alsmede een beschikking belastingrente tot een bedrag van € 546. Aan belanghebbende is over het jaar 2013 eveneens een navorderingsaanslag Zvw opgelegd, berekend naar een bijdrage-inkomen van € 33.184. In verband met de navorderingsaanslag Zvw is bij beschikking € 84 aan belastingrente in rekening gebracht.

1.4.

De Inspecteur heeft bij uitspraken op bezwaar de bezwaren inzake de navorderingsaanslagen en de beschikkingen heffings- en belastingrente ongegrond verklaard en de boetebeschikkingen vernietigd.

1.5.

Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft de beroepen ongegrond verklaard.

1.6.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.

1.7.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 maart 2018. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 Vaststaande feiten

2.1.

Belanghebbende handelt in ijzer- en staalschroot. Hij drijft zijn onderneming in de vorm van een eenmanszaak. De handelsactiviteiten van belanghebbende worden aangeduid met de term ‘stadshandelaar’. Hij is gehuwd met [A] .

2.2.

De Inspecteur is een onderzoek gestart vanwege ongebruikelijk bezit, gelet op het bij hem bekend zijnde inkomen en vermogen. Bij dat onderzoek is naar voren gekomen dat belanghebbende en zijn echtgenote onder meer de volgende voertuigen op naam hebben (gehad):

Kenteken

Merk/type

Datum aanvang

Datum einde

Contant bijbetaald (€)

Belanghebbende

[00-YY-YY]

Audi A6

08-09-2004

24-08-2007

[01-YY-YY]

Audi A5

07-12-2007

26-10-2010

[02-YY-YY]

VW Fox

30-11-2007

10-09-2008

[03-YY-YY]

Audi A7

04-01-2011

16-05-2013

51.000

[04-YY-YY]

Audi Q5

17-05-2013

17.500

[05-YY-YY]

Harley Davidson V-Rod

26-05-2015

Echtgenote

[06-YY-YY]

VW Jetta

01-11-2007

07-12-2007

[07-YY-YY]

VW Polo

10-09-2008

15-10-2009

[08-YY-YY]

VW Polo

15-10-2009

19-03-2012

[09-YY-YY]

Audi Al

19-03-2012

17-05-2013

21.000

2.3.

Verder is bij dat onderzoek geconstateerd dat in de jaren 2011 tot en met 2013 de volgende bedragen, opgebouwd uit telkens stortingen van enkele honderden euro's, contant op de bankrekening zijn gestort (in €):

Jaar

Bedrag

2011

18.120

2012

23.700

2013

22.800

2.4.

Naar aanleiding van het onderzoek heeft de Inspecteur de inkomens in de navorderingsaanslagen als volgt berekend (in €):

2011

2012

2013

Eerder vastgesteld inkomen

1.924

8.966

7.527

Contante stortingen bank

18.120

23.700

22.800

Contante opnamen

-1.520

-1.500

-500

Contante betalingen auto's

51.000

21.000

17.500

Huishoudelijke uitgaven

6.000

6.000

6.000

Bekende privé-opnamen

-12.524

-15.115

-16.644

Minder zelfstandigenaftrek

4.882

Meer MKB-winstvrijstelling

-8.033

-4.090

-3.499

Nader vastgesteld inkomen

59.849

38.961

33.184

2.5.

De Inspecteur heeft de bijdrage-inkomens voor de ZVW voor de jaren 2011, 2012 en 2013 overeenkomstig de hiervoor genoemde correcties, vastgesteld op respectievelijk € 59.849 (gemaximeerd tot € 33.427), € 38.961 en € 33.184.

3 Geschil

In geschil is of de navorderingsaanslagen en beschikkingen heffings- en belastingrente tot een juist bedrag zijn opgelegd. Belanghebbende heeft daarbij betwist dat de schatting op basis waarvan de navorderingsaanslagen zijn opgelegd, redelijk is.

4 Beoordeling van het geschil

4.1.

De Inspecteur heeft zich op het standpunt gesteld dat onregelmatigheden in het kasboek, bezien in samenhang met de contante geldstortingen en betalingen, het bewijsvermoeden opleveren dat belanghebbende in de onderhavige jaren aanzienlijke bedragen aan omzet heeft verzwegen. Belanghebbende heeft, aldus de Inspecteur dit bewijsvermoeden niet ontzenuwd, zodat aannemelijk is dat belanghebbende in de onderhavige jaren de vereiste aangifte niet heeft gedaan en de bewijslast dient te worden omgekeerd en verzwaard.

4.2.

Belanghebbende heeft ontkend dat het kasboek onregelmatigheden bevat en heeft gesteld dat de contante stortingen op de bankrekening en de contante betalingen verklaard worden door een aanzienlijke som contant geld die reeds vanaf de jaren ’90 van de vorige eeuw in zijn bezit is en ook in de onderhavige jaren nog immer aanzienlijk was. Belanghebbende heeft deze aanzienlijke som geld nimmer in enige aangifte opgenomen, ook niet in de aangiften voor de onderhavige jaren. Tussen partijen is niet in geschil dat, indien hetgeen belanghebbende heeft gesteld waar is, de contante betalingen en stortingen hierdoor verklaard kunnen worden. Met betrekking tot de vraag of de bewijslast dient te worden omgekeerd en verzwaard omdat de vereiste aangiften niet zijn gedaan, heeft belanghebbende zich gerefereerd aan het oordeel van het Hof.

4.3.

Naar ’s Hofs oordeel is, mede gelet op de ter zitting door de gemachtigde gegeven toelichting, aannemelijk dat het kasboek achteraf is opgesteld. Verder is tussen partijen niet in geschil dat het kasboek alleen kan kloppen indien belanghebbende over niet-opgegeven inkomsten of vermogen heeft kunnen beschikken. Belanghebbende heeft zich op het standpunt gesteld dat hij over aanzienlijk niet in de aangiften verantwoord vermogen heeft beschikt. Omtrent de omvang van dit vermogen in de onderhavige jaren heeft belanghebbende geen enkel inzicht verschaft en ook niet willen verschaffen, niet aan zijn gemachtigde of boekhouder, niet in aangiften over latere jaren en ook niet ter zitting aan het Hof. Ter zitting is slechts gezegd dat dit vermogen in de jaren ’90 ‘aanzienlijk hoger’ was dan f 200.000 en dat de gemachtigde bekend is met een stadshandelaar met een contant vermogen van € 1 miljoen.

4.4.

Belanghebbende heeft derhalve ofwel omzet verzwegen, zoals de Inspecteur stelt, ofwel een aanzienlijk vermogen, zoals belanghebbende stelt. Daarmee staat vast – en tussen partijen is dit niet in geschil – dat belanghebbende in de onderhavige jaren de aangiften inkomstenbelasting niet juist heeft gedaan.

4.5.

Voor de inkomstenbelasting geldt dat bij inhoudelijke gebreken in een aangifte slechts dan kan worden aangenomen dat de vereiste aangifte niet is gedaan, indien aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast is vastgesteld dat sprake is van één of meer gebreken die ertoe leiden dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting verhoudingsgewijs aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. Tevens is vereist dat het bedrag van de belasting dat als gevolg van de hiervoor bedoelde gebreken in de aangifte niet zou zijn geheven, op zichzelf beschouwd aanzienlijk is (Hoge Raad 30 oktober 2009, nr. 07/10513, ECLI:NL:HR:2009:BH1083).

4.6.

Als de contante stortingen en betalingen moeten worden verklaard uit verzwegen omzet, is het bedrag daarvan als winst uit onderneming belastbaar naar het tarief behorend bij het belastbare inkomen uit werk en woning; als ze moeten worden verklaard uit verzwegen vermogen, dient het rendement op dat vermogen belast te worden als belastbaar inkomen uit sparen en beleggen. Als gevolg van de door de houding van belanghebbende ontstane grote onduidelijkheid acht het Hof een puur rekenkundige benadering in dit geval niet geschikt om te bepalen wat de exacte betekenis is van het niet aangegeven inkomen. Gelet op de hoogte van de contante stortingen en betalingen en de door belanghebbende wel genoemde bedragen aan verzwegen vermogen (van ‘aanzienlijk meer dan f 200.000’ tot € 1 miljoen) acht het Hof aannemelijk dat de belasting en premie over het niet aangegeven inkomen, zowel in relatieve als in absolute zin, aanzienlijk is. Dit brengt mee dat de bewijslast moet worden omgekeerd en verzwaard, zodat het hoger beroep alleen dan gegrond is, indien is gebleken dat en in hoeverre de uitspraken op bezwaar onjuist zijn. De omkering en verzwaring van de bewijslast laat evenwel onverlet dat de Inspecteur gehouden is bij het vaststellen van de belastingaanslagen uit te gaan van een redelijke schatting van het inkomen van belanghebbende.

4.7.

De Inspecteur heeft de navorderingsaanslagen gebaseerd op een schatting van verzwegen omzet. Belanghebbende heeft bestreden dat de schatting van de Inspecteur redelijk is. Gelet op de door de belanghebbende gecreëerde onduidelijkheid – waarvan de gevolgen naar ’s Hofs oordeel voor rekening en risico van belanghebbende dienen te blijven – kon de Inspecteur in redelijkheid ervan uitgaan dat sprake is geweest van verzwegen omzet en wel in de mate zoals weergegeven in de door hem aan de navorderingsaanslagen ten grondslag liggende berekeningen. Hetgeen belanghebbende hiertegen heeft ingebracht is onvoldoende om tot een ander oordeel te komen. Belanghebbende heeft hiermee ook niet doen blijken dat de uitspraken op bezwaar onjuist zijn.

4.8.

Het hoger beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de beschikkingen heffings- en belastingrente. Belanghebbende heeft hiertegen geen zelfstandige grieven aangevoerd. Het hoger beroep is in zoverre ongegrond.

Slotsom
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.

5 Griffierecht en proceskosten

Het Hof ziet geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of een veroordeling in de proceskosten.

6 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.A.V. Boxem, voorzitter, mr. J.P.M. Kooijmans en mr. J. van de Merwe, in tegenwoordigheid van mr. J.H. Riethorst als griffier.

De beslissing is op 23 mei 2018 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

(J.H. Riethorst) (R.A.V. Boxem)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op: 23 mei 2018

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH DEN HAAG.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.