Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:4434

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
15-05-2018
Datum publicatie
13-07-2018
Zaaknummer
200.230.006
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ondertoezichtstelling. Schriftelijke aanwijzing voldoende specifiek. Niet horen vader leidt niet tot vernietiging. 1:265f BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.230.006

(zaaknummer rechtbank Gelderland 323848)

beschikking van 15 mei 2018

inzake

[verzoeker] ,

wonende te [plaatsnaam] ,

verzoeker in hoger beroep,

verder te noemen: de vader,

advocaat: mr. M. Erkens te Den Haag,

en

de gecertificeerde instelling

Stichting Jeugdbescherming Gelderland,

gevestigd te Arnhem,

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen: de GI.

Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:

[de moeder] ,

wonende te [plaatsnaam] ,
verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. C.C. Sneper te Rotterdam,

en

[de pleegouders] ,

wonende te [plaatsnaam] ,

verder te noemen: de pleegouders,

niet verschenen.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, (verder te noemen: de kinderrechter) van 19 september 2017, uitgesproken onder voormeld zaaknummer (verder te noemen: de bestreden beschikking).

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het beroepschrift met producties, ingekomen op 19 december 2017 en

  • -

    het verweerschrift met een productie.

2.2

Op 26 februari 2018 is de hierna nader te noemen minderjarige [kind 1] buiten de aanwezigheid van de vader, de GI en de overige belanghebbenden door het hof gehoord over het verzoek van de vader in hoger beroep tot benoeming van een bijzondere curator. [kind 1] is ook nadien in de gelegenheid gesteld om haar mening kenbaar te maken met betrekking tot de andere verzoeken van de vader in hoger beroep, maar heeft daarvan geen gebruik gemaakt.

2.3

De mondelinge behandeling heeft op 17 april 2018 plaatsgevonden. De vader en de moeder (verder gezamenlijk te noemen: de ouders) zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Namens de GI zijn verschenen [gezinsvoogd] , gezinsvoogd, en [persoon 1] . Hoewel behoorlijk opgeroepen, is van de raad voor de kinderbescherming geen vertegenwoordiger ter zitting verschenen.

3 De feiten

3.1

Uit de relatie van de ouders zijn geboren:

  • -

    [kind 1] , op [geboortedatum] te [plaatsnaam] (verder te noemen: [kind 1] ), en

  • -

    [kind 2] , op [geboortedatum] te [plaatsnaam] (verder te noemen: [kind 2] ).

De ouders zijn gezamenlijk belast met het gezag over [kind 1] en [kind 2] .

3.2

Bij beschikking van 26 juli 2010 heeft de kinderrechter [kind 1] onder toezicht gesteld voor de duur van een jaar, welke termijn nadien steeds is verlengd, de laatste keer op 23 januari 2018 tot 26 januari 2019.

3.3

Bij beschikking van 22 januari 2016 heeft de kinderrechter een machtiging tot uithuisplaatsing van [kind 1] in een voorziening voor pleegzorg verleend tot uiterlijk 26 januari 2017, welke machtiging laatstelijk is verlengd op 26 januari 2018 tot 26 juni 2018.

3.4

[kind 1] verblijft sinds oktober 2016 bij de pleegouders.

3.5

Bij schriftelijke aanwijzing van 23 juni 2017 (verder te noemen: de schriftelijke aanwijzing) heeft de GI op grond van het bepaalde in artikel 1:265f van het Burgerlijk Wetboek (BW) de volgende bezoekregeling tussen de ouders en [kind 1] vastgesteld:

“Eenmaal in de twee weken bezoeken de ouders [kind 1] in het pleeggezin. In overleg kunnen afspraken gemaakt worden over incidentele weekenden, rekening houdend met wat in het belang van [kind 1] kan. Haar wens hierin zal meegenomen worden in de afweging.”

4 De omvang van het geschil

4.1

Bij de bestreden beschikking heeft de kinderrechter de verzoeken van de moeder tot - kort gezegd - vervallenverklaring van de schriftelijke aanwijzing, zelfstandige vaststelling van een opbouwende omgangsregeling en benoeming van een bijzondere curator voor [kind 1] , afgewezen.

4.2

De vader is met vier grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking.

De eerste drie grieven zien op de schriftelijke aanwijzing en zijn thans nog aan de orde. De vierde grief ziet op het door de kinderrechter afgewezen verzoek van de moeder om een bijzondere curator voor [kind 1] te benoemen. Deze grief is in een afzonderlijke procedure behandeld, onder zaaknummer 200.231.893. Bij beschikking van 5 april 2018 heeft het hof het verzoek van de vader in hoger beroep tot benoeming van een bijzondere curator voor [kind 1] afgewezen.

4.3

De vader verzoekt (voor zover thans nog aan de orde) het hof om, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen, en, opnieuw beschikkende, alsnog de schriftelijke aanwijzing vervallen te verklaren en zelfstandig een omgangsregeling vast te stellen, inhoudende dat [kind 1] elke twee weken een weekend bij de vader verblijft, vanaf vrijdag uit school tot en met zondag 17.00 uur, waarbij de pleegouders [kind 1] halen en brengen en de moeder bij de vader kan aansluiten, althans een zodanige omgangsregeling vast te stellen die het hof juist oordeelt.

4.4

De GI voert verweer en verzoekt het hof de bestreden beschikking, voor zover thans nog aan het oordeel van het hof onderworpen, te bekrachtigen.

5 De motivering van de beslissing

5.1

Ingevolge artikel 1:265f, eerste lid, BW kan de gecertificeerde instelling, voor zover noodzakelijk in verband met de uithuisplaatsing van de minderjarige, voor de duur van de uithuisplaatsing, de contacten tussen een met het gezag belaste ouder en de minderjarige beperken. Ingevolge het tweede lid van dat artikel geldt de beslissing van de gecertificeerde instelling als een schriftelijke aanwijzing en zijn de artikelen 1:264 BW en 1:265 BW van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de kinderrechter een zodanige regeling kan vaststellen als hem in het belang van de minderjarige wenselijk voorkomt.

5.2

Ingevolge artikel 1:264, eerste lid, BW kan de kinderrechter op verzoek van de met het gezag belaste ouder of de minderjarige van twaalf jaar of ouder een schriftelijke aanwijzing geheel of gedeeltelijk vervallen verklaren.

5.3

Een schriftelijke aanwijzing moet worden beschouwd als een beschikking in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht. Dit betekent dat de algemene bepalingen over besluiten en de bijzondere bepalingen over beschikkingen van die wet van toepassing zijn, houdende onder meer algemene voorschriften over zorgvuldigheid en belangenafweging, voorschriften over de bekendmaking van besluiten en over het vooraf horen van de belanghebbenden.

5.4

Blijkens artikel 807 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is hoger beroep mogelijk van een beschikking ingevolge artikel 1:265f, tweede lid, BW.

5.5

Op basis van de stukken en het verhandelde ter mondelinge behandeling stelt het hof ten aanzien van de totstandkoming en de inhoud van de schriftelijke aanwijzing het volgende vast.

[kind 1] is in oktober 2016 bij de pleegouders gaan wonen. De GI en de ouders hebben toen als reguliere bezoekregeling afgesproken dat de ouders [kind 1] eenmaal in de twee weken bij de pleegouders bezoeken. Daarnaast hebben zij afgesproken dat in overleg afspraken kunnen worden gemaakt over incidentele weekendbezoeken. De reguliere bezoekcontacten tussen de ouders en [kind 1] vinden sindsdien in de regel plaats op woensdagmiddag. In de week van 12 juni 2017 is er meermalen contact geweest tussen de GI en de moeder over de bezoekregeling, waarbij de GI heeft uitgelegd waarom zij een uitbreiding van de reguliere bezoekregeling vooralsnog niet in het belang van [kind 1] acht. Vervolgens heeft de advocaat van de moeder de GI bij brief van 16 juni 2017 verzocht om een ruimere bezoekregeling vast te stellen, waarbij zij heeft vermeld dat de moeder de bestaande bezoekregeling van “eens in de twee weken ongeveer twee uur op de woensdag” te summier vindt. Voorts heeft zij de GI verzocht om een schriftelijke aanwijzing te geven indien de GI het niet eens is met de voorgestelde (ruimere) bezoekregeling. Hierop heeft de GI op 23 juni 2017 de schriftelijke aanwijzing gegeven.

In de schriftelijke aanwijzing heeft de GI opgenomen dat de moeder het niet eens is met de bezoekafspraken tussen haar en [kind 1] en dat de vader het hiermee volgens de moeder ook niet eens is, waaraan de GI heeft toegevoegd dat “de gezinsvoogd zich dit uit eerdere informatie vanuit de vader kan voorstellen”. Voorts heeft de GI in de schriftelijke aanwijzing uitgelegd dat een uitbreiding van de (reguliere) bezoekregeling volgens haar vooralsnog niet in het belang van [kind 1] is, omdat het woonperspectief van [kind 1] voorlopig bij de pleegouders ligt en er voor [kind 1] eerst rust moet komen.

5.6

Naar het oordeel van het hof heeft de kinderrechter terecht geoordeeld dat de GI de schriftelijke aanwijzing hiermee voldoende zorgvuldig heeft voorbereid, toereikend heeft gemotiveerd en op goede gronden heeft gegeven. Voor de motivering van dit oordeel zal het hof hieronder ingaan op de afzonderlijke grieven van de vader.

5.7

De eerste grief van de vader richt zich tegen het oordeel van de kinderrechter dat de schriftelijke aanwijzing zorgvuldig is voorbereid omdat de ouders voldoende gelegenheid hebben gehad om hun standpunt kenbaar te maken. In de toelichting op zijn eerste grief voert de vader aan dat de schriftelijke aanwijzing niet zorgvuldig is voorbereid, omdat de GI hem hierover niet heeft gehoord.

Het hof constateert dat de vader inderdaad niet is gehoord over de schriftelijke aanwijzing. Anders dan de vader heeft betoogd, leidt dit naar het oordeel van het hof echter niet tot vernietiging van de bestreden beschikking. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat de GI wel heeft geprobeerd om de vader te bereiken, maar dat dit is niet gelukt. Bovendien blijkt uit de schriftelijke aanwijzing dat het standpunt van de vader reeds bekend was bij de GI. Niet alleen heeft de moeder medegedeeld dat de vader het ook niet eens was met de bestaande bezoekregeling, dit volgde ook al uit eerdere informatie vanuit de vader. De GI heeft in de schriftelijke aanwijzing gerespondeerd op het standpunt van de moeder en daarmee ook op het standpunt van de vader.

5.8

De tweede grief van de vader richt zich tegen het oordeel van de kinderrechter dat niet relevant is dat de schriftelijke aanwijzing niet expliciet een dag en een tijdstip noemt. De vader stelt in dit kader dat de schriftelijke aanwijzing onvoldoende specifiek is.

Het hof overweegt dat de schriftelijke aanwijzing is gegeven op uitdrukkelijk verzoek van de advocaat van de moeder, omdat de GI de bestaande bezoekregeling niet conform het voorstel van de advocaat wenste uit te breiden. In die schriftelijke aanwijzing is de op dat moment bestaande bezoekregeling vastgelegd. Uit voornoemde brief van de advocaat van de moeder van 16 juni 2017 en de toelichting op tweede grief blijkt dat de ouders bekend waren met de inhoud van deze bezoekregeling. In de brief wordt immers gesteld dat de moeder de bestaande bezoekregeling van “eens in de twee weken ongeveer twee uur op de woensdag” te summier vindt en in de toelichting op de tweede grief wordt gesteld dat de omgang feitelijk plaatsvindt op woensdagmiddag. In het licht van deze omstandigheden acht het hof de schriftelijke aanwijzing voldoende specifiek.

5.9

In de derde grief stelt de vader dat de schriftelijke aanwijzing niet noodzakelijk is althans dat de noodzaak van de beperkingen in tijd en plaats onvoldoende is gemotiveerd.

Het hof overweegt dat de GI in de schriftelijke aanwijzing heeft uitgelegd dat een uitbreiding van de (reguliere) bezoekregeling volgens haar vooralsnog niet in het belang van [kind 1] is, omdat haar woonperspectief voorlopig bij de pleegouders ligt en er voor [kind 1] , die in haar jonge leven al veel heeft meegemaakt, eerst rust moet komen. Ter mondelinge behandeling heeft de GI hieraan heeft toegevoegd dat [kind 1] naast de reguliere bezoekcontacten met de ouders elke twee weken op woensdagmiddag, ook al elke zes weken een weekend bij haar tantes doorbrengt (waarbij de moeder kan aansluiten) en elke zes weken een weekend bij haar opa en oma verblijft (waarbij de vader kan aansluiten). Daarnaast heeft de GI medegedeeld dat zij momenteel onderzoekt of [kind 1] in de toekomst één weekend per maand bij de vader zou kunnen verblijven (waarbij de moeder kan aansluiten).

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de beperking van het contact tussen de ouders en [kind 1] zoals bepaald in de schriftelijke aanwijzing noodzakelijk is in de zin van artikel 1:265f, eerste lid, BW en dat de GI de noodzaak van die beperking voldoende heeft gemotiveerd.

Voor zover de vader heeft betoogd dat het niet noodzakelijk was om de schriftelijke aanwijzing te geven, faalt de grief omdat dit op uitdrukkelijk verzoek van de advocaat van de moeder is gebeurd.

6 De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen zal het hof de bestreden beschikking, voor zover thans nog aan zijn oordeel onderworpen, bekrachtigen.

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 19 september 2017 voor zover thans nog aan het oordeel van het hof onderworpen;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mrs. R. Krijger, J.B. de Groot en I.G.M.T. Weijers-van der Marck, bijgestaan door mr. K.A.M. Oude Vrielink als griffier, en is op 15 mei 2018 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.