Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:4310

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
08-05-2018
Datum publicatie
09-05-2018
Zaaknummer
200.209.329/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Appellant wil het hoger beroep intrekken. Geïntimeerde werkt hier niet aan mee. Het hof gaat er vanuit dat appellant zijn grieven niet langer handhaaft, zodat het hoger beroep wordt verworpen. Geïntimeerde heeft gevraagd om een volledige proceskostenveroordeling, omdat appellant een vervalst bankafschrift in het geding zou hebben gebracht. Het hof overweegt dat een dergelijke vordering alleen toewijsbaar is in geval van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen. Daarvan is in dit geval onvoldoende gebleken. Het bankafschrift lijkt weliswaar niet authentiek, maar het staat niet vast dat appellant wist of behoorde te weten dat het om een vervalst bankafschrift gaat. Voor de proceskostenveroordeling is daarom het (normale) liquidatietarief toegepast.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.209.329/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 5276357 \ CV EXPL 16-8827)

arrest van 8 mei 2018 in de zaak van:

[appellant] ,

wonende te [A] ,

appellant,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: [appellant],

advocaat: mr. E.A. van Wieren, kantoorhoudend te Kortehemmen,

tegen

Direct Pay Services B.V.,

gevestigd te Barendrecht,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna: Direct Pay Services,

advocaat: mr. J.P.M. Borsboom, kantoorhoudend te Rotterdam.

1 Het geding in eerste instantie

1.1

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het vonnis van 1 november 2016 van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Bij exploot van 24 januari 2017 is door [appellant] hoger beroep ingesteld van voormeld vonnis met dagvaarding van Direct Pay Services tegen de zitting van

14 februari 2017.

2.2

[appellant] heeft op 9 mei 2017 een memorie van grieven (met producties) genomen.

2.3

Bij H8-formulier van 11 juli 2017, bestemd voor de rol van 18 juli 2017, heeft mr. Van Wieren laten weten dat [appellant] de procedure wenst in te trekken onder vergoeding van de kosten rechtsbijstand. Vooralsnog is [appellant] niet in staat geweest deze vergoeding ineens te betalen en de wederpartij wil om die reden een arrest met kostenveroordeling, aldus mr. Van Wieren.

2.4

Bij H8-formulier van 14 juli 2017, bestemd voor de rol van 18 juli 2017, heeft Direct Pay Services laten weten dat zij niet instemt met doorhaling van de procedure. "Gezien de reden van doorhaling, een vervalste productie van de zijde van [appellant] , dient [appellant] te worden veroordeeld in de werkelijke kosten van de procedure", aldus Direct Pay Services, die het hof verzoekt dienovereenkomstig arrest te wijzen.

2.5

Direct Pay Services heeft op de rol van 18 juli 2017 een memorie van antwoord (met producties) genomen. In de memorie van antwoord is onder meer uiteengezet dat [appellant] in hoger beroep een vervalst bankafschrift in de procedure zou hebben gebracht. Volgens Direct Pay Services dient [appellant] daarom wegens misbruik van procesrecht te worden veroordeeld tot betaling van de werkelijke kosten van rechtsbijstand, die door Direct Pay Services zijn begroot op € 4.310,07.

2.6

Bij H-4 formulier van 17 juli 2017, bestemd voor de rol van 18 juli 2017, heeft [appellant] (nogmaals) verzocht de zaak in te trekken, zonder nadere toelichting.

2.7

Partijen hebben de stukken gefourneerd voor het wijzen van arrest.

3 De beoordeling

3.1

Uit de rolberichten van [appellant] van 11 en 17 juli 2017 leidt het hof af dat [appellant] zijn grieven tegen het vonnis van de kantonrechter van 1 november 2016 niet langer handhaaft. Nu [appellant] niet langer grieft tegen het vonnis waarvan beroep, en in aanmerking nemend dat dit vonnis niet in strijd is met rechtsregels van openbare orde, zal het hoger beroep van [appellant] worden verworpen.

3.2

[appellant] moet in hoger beroep worden beschouwd als de in het ongelijk te stellen partij. Het hof zal [appellant] dan ook veroordelen in de kosten van het geding in hoger beroep. Ter zake van de door Direct Pay Services gevorderde veroordeling tot betaling van de werkelijke kosten van rechtsbijstand, overweegt het hof als volgt.

3.3

Een dergelijke vordering is alleen toewijsbaar in geval van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen. Daarvan is pas sprake als het instellen van een vordering of het voeren van een verweer, gelet op de evidente ongegrondheid ervan, in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege had behoren te blijven. Hiervan kan eerst sprake zijn als de eiser zijn vordering of de gedaagde zijn verweer baseert op feiten en omstandigheden waarvan hij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen of op stellingen waarvan hij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden. Bij het aannemen van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen past terughoudendheid, gelet op het recht op toegang tot de rechter dat mede gewaarborgd wordt door art. 6 EVRM (HR 6 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV7828 en HR 15 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2360).

3.4

Het door [appellant] in het geding gebrachte bankafschrift (productie 1 bij memorie van grieven) lijkt op het eerste gezicht inderdaad niet authentiek ("ingelogt" in plaats van "ingelogd"). Echter, wanneer veronderstellenderwijs wordt aangenomen dat het afschrift niet authentiek is, staat daarmee - anders dan Direct Pay Services kennelijk meent - nog niet vast dat [appellant] zich schuldig heeft gemaakt aan misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen in vorenbedoelde zin. Het betreft immers een bankafschrift van een rekening die niet van [appellant] zelf of zijn bedrijf is, maar dat dient ter onderbouwing van het standpunt van [appellant] dat een derde voor hem heeft betaald. Direct Pay Services stelt weliswaar (impliciet) dat [appellant] wist of behoorde te weten dat het bankafschrift vervalst is, maar onderbouwt dat slechts met de stelling dat (de advocaat van) [appellant] "vóór het aanbrengen van de hoger beroep dagvaarding, al op de hoogte [was; hof] van het standpunt van Direct Pay [Services; hof] dat op een onjuist rekeningnummer is betaald". Naar het oordeel van het hof is dat onvoldoende om de conclusie te kunnen dragen dat [appellant] zich schuldig heeft gemaakt aan misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen. Het hof ziet daarom onvoldoende reden om in dit geval af te wijken van het gebruikelijke liquidatietarief (salaris advocaat: 1 punt in tarief I).

De beslissing

Het hof, rechtdoende:

verwerpt het hoger beroep van [appellant] ;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep en stelt die kosten aan de zijde van Direct Pay Services tot aan dit arrest vast op € 716,- aan verschotten en op € 759,- aan geliquideerd salaris voor de advocaat.

Dit arrest is gewezen door mr. J.H. Kuiper, mr. M.W. Zandbergen en mr. J. Smit, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag 8 mei 2018.