Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:4306

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
08-05-2018
Datum publicatie
09-05-2018
Zaaknummer
200.193.270/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Tussenuitspraak
Inhoudsindicatie

Namens welke vennootschap is bij het aangaan van de overeenkomst opgetreden. Bewijsopdracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JONDR 2018/587
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.193.270/01

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 4484209 / MC EXPL 15-10810)

arrest van 8 mei 2018

in de zaak van

Canvasscompany B.V.,

gevestigd te Hilversum,

appellante,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna: Canvasscompany,

advocaat: mr. M.G.R. van Gardingen, kantoorhoudend te Amsterdam,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [A] ,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: [geïntimeerde],

advocaat: mr. V.L.M.J. Boitelle, kantoorhoudend te Hilversum.

1 De verdere procedure in hoger beroep

1.1

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 7 november 2017 hier over. In dit tussenarrest heeft het hof een comparitie van partijen gelast. De comparitie is op 20 maart 2018 gehouden. Het proces-verbaal van de comparitie bevindt zich bij de stukken.

1.2

Aan het slot van de comparitie is arrest bepaald op het overgelegde procesdossier aangevuld met het proces-verbaal van de comparitie.

1.3

De vordering van Canvasscompany in hoger beroep strekt ertoe het vonnis van de kantonrechter van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Almere, van 24 februari 2016 te vernietigen en [geïntimeerde] alsnog te veroordelen tot betaling van € 22.566,50 te vermeerderen met de wettelijke rente, en in de kosten van het geding in beide instanties.

2 De vaststaande feiten

2.1

Tegen de vaststelling van de feiten door de kantonrechter in de rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.4 van het (bestreden) vonnis van 24 februari 2016 zijn geen grieven gericht en ook verder is niet gebleken van bezwaren tegen deze vaststelling. Het hof zal dan ook van de door de rechtbank vastgestelde feiten uitgaan, die met nog wat andere vaststaande feiten op het volgende neerkomen.

2.2

Canvasscompany is een bedrijf dat diensten levert op het gebied van sales en business development. Een van de diensten die Canvasscompany levert is dat zij (nieuwe) klanten zoekt voor ondernemingen.

2.3

[geïntimeerde] werkt als zzp-er en verleent commerciële ondersteuning en/of adviesdiensten aan (startende) ondernemingen. [geïntimeerde] verricht zijn werkzaamheden vanuit de eenmanszaak Avanae Consulting (hierna: Avanae).

2.4

Oncore IT Ltd. (hierna: Oncore IT) is een in Engeland gevestigde software onderneming. Oncore IT was voornemens een vestiging op het gebied van Cloud Services in Nederland op te zetten en wenste de mogelijkheden daartoe te onderzoeken. Oncore IT heeft [geïntimeerde] voor dat onderzoek ingeschakeld.

2.5

[geïntimeerde] heeft gedurende de periode december 2014 tot 1 augustus 2015 werkzaamheden verricht op basis van een met Oncore IT gesloten “Consulting agreement” (hierna: de consulting overeenkomst). Deze consulting overeenkomst is gedateerd 30 oktober 2014 en bevat – voor zover van belang – de navolgende bepalingen:

“(…)

1.2

The Consultant shall promote the success of the Corporation within the Territory by any suitable activities and measures, especially, but not limited to, by procuring sales transactions, and shall be responsible for the business development of the Corporation within the Territor which shall include but not be limited to, the responsibility for the Corporation marketing, product sales and technical support (hereinafter referred to as “Services”).

1.3

The Consultant shall be an independet contractor in relation to the Corporation and shall act as an agent for the Corporation.

(…)”

2.6

Canvasscompany is benaderd door [geïntimeerde] om onderzoek te doen naar de Nederlandse markt op het gebied van Cloud Services. Canvasscompany heeft op basis van een “Cooperationcontract” (hierna: het contract) gedateerd 12 januari 2015, werkzaamheden verricht. De eerste pagina van dit contract bevat de navolgende tekst:

“Cooperationcontract

Oncore Cloud Services Nederland

and

CanvassCompany B.V.

To Oncore IT

[geïntimeerde]

Van CanvassCompany B.V.

[B]

[C]

Datum 12 januari 2015”

In het contract staat – voor zover van belang – voorts:

“(…)

The undersigned:

1. “Oncore IT”, located at the Olympia 1, te Hilversum, duly represented by: [geïntimeerde] , Sales manager, her in after reffered tot as “Oncore IT”.

(…)”

Onder aan het contract staat “Oncore IT”. Het contract is niet ondertekend.

2.7

In de e-mail van 14 april 2015 heeft [geïntimeerde] – voor zover van belang – het navolgende aan [D] (hierna: [D] ) van Oncore IT geschreven:

“(…)

Cost overview

I have forgotten to give you an overview of costs I have made last month. I will deposit from personal account the amount for Canvass Company at OCS NL bank account as a loan to be paid back after one year.

(…)”

In de betreffende e-mail staat ook een Exceloverzicht met een kolom “Cost overview setup Oncore Cloud Services Nederland” waarin diverse kostenposten staan vermeld en een kolom “Done” waarin diverse bedragen staan vermeld. [geïntimeerde] heeft de e-mail afgesloten met “Oncore Cloud Services”.

2.8

Canvasscompany heeft voor de op basis van het contract verrichte werkzaamheden in maart en april 2015 een tweetal facturen verstuurd van respectievelijk € 8.288,50 en

€ 7.139,-. Omdat de facturen onbetaald bleven heeft Canvasscompany de werkzaamheden gestaakt en nog aanvullend een bedrag van € 7.139,- in rekening gebracht. De bedragen zijn inclusief btw.

2.9

De facturen zijn gericht aan Oncore Cloud Services, Olympia 1 a b, te Hilversum.

2.10

Bij e-mail van 26 mei 2015 heeft Canvasscompany Oncore IT verzocht tot betaling van de openstaande facturen over te gaan. Oncore IT heeft dit verzoek bij e-mail van 2 juni 2015 doorgestuurd naar [geïntimeerde] . [geïntimeerde] heeft daarop geantwoord bij e-mail van eveneens 2 juni 2015 met de mededeling: “Will take care of it, Canvass made a mistake”.

2.11

Alle drie de facturen (2.8) zijn onbetaald gebleven.

3 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

3.1

Canvasscompany heeft in eerste aanleg gevorderd [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling in hoofdsom van € 22.566,50, te vermeerderen met incassokosten van € 1.000,67 en de wettelijke rente alsmede veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van de procedure. Canvasscompany heeft in eerste aanleg aan haar vordering ten grondslag gelegd dat [geïntimeerde] als contractspartij van Canvasscompany is opgetreden.

3.2

[geïntimeerde] heeft verweer gevoerd. Hij betwist dat hij als contractspartij van Canvasscompany is opgetreden, en stelt dat hij als vertegenwoordiger van Oncore IT is opgetreden. Voorts heeft [geïntimeerde] afzonderlijk verweer gevoerd tegen de grondslag voor de verschuldigdheid van de derde factuur.

3.3

De kantonrechter heeft bij vonnis van 24 februari 2016 de vorderingen van Canvasscompany afgewezen en daartoe het navolgende overwogen:

“Uit de door Canvasscompany als productie 1 bij dagvaarding overgelegde overeenkomst volgt dat partijen bij die overeenkomst Canvasscompany en Oncore IT zijn. Nu Canvasscompany niet heeft gesteld of anderszins is gebleken op grond van welke rechtsverhouding zij haar vordering jegens [geïntimeerde] baseert, zal de kantonrechter de vordering van Canvasscompany afwijzen.”

De kantonrechter heeft Canvasscompany in de proceskosten veroordeeld.

4 De beoordeling van de grieven en de vordering

4.1

Canvasscompany komt met twee grieven op tegen het vonnis van de kantonrechter.

4.2

De vordering van Canvasscompany jegens [geïntimeerde] rust in hoger beroep op twee rechtsgronden, die beide – indien gegrond – tot toewijzing van de vordering kunnen leiden. In de eerste plaats baseert Canvassscompany haar vordering jegens [geïntimeerde] op artikel 2:203 lid 2 BW, daartoe stellende dat, nu [geïntimeerde] heeft gehandeld namens een op te richten vennootschap, te weten Oncore Cloud Services Nederland, die nooit is opgericht, hij zichzelf aan Canvasscompany heeft verbonden. Hierop ziet de eerste grief van Canvasscompany. Voor het geval [geïntimeerde] namens Oncore IT als beoogde contractspartij van Canvasscompany heeft opgetreden, baseert Canvasscompany haar vordering jegens [geïntimeerde] in de tweede plaats op artikel 3:70 BW, aangezien [geïntimeerde] niet over een toereikende volmacht beschikte om namens Oncore IT het contract te sluiten. Hierop ziet de tweede grief van Canvasscompany. Anders dan in eerste aanleg baseert Canvasscompany haar vorderingen derhalve niet meer op de stelling dat [geïntimeerde] het contract in eigen naam en voor zichzelf is aangegaan. Het debat tussen partijen spitst zich toe op de vraag of [geïntimeerde] is opgetreden als vertegenwoordiger van (de vennootschap in oprichting) Oncore Cloud Services Nederland ofwel als onbevoegd vertegenwoordiger van Oncore IT.

Ad grief 1

4.3

Ter onderbouwing van haar stelling dat [geïntimeerde] namens de op te richten vennootschap Oncore Cloud Services Nederland handelde heeft Canvasscompany verwezen naar het contract, in het bijzonder het voorblad. Daaruit blijkt, aldus Canvasscompany, dat Oncore Cloud Services Nederland, een door [geïntimeerde] op te richten vennootschap, contractspartij is. In het contract wordt Oncore Cloud Services Nederland vervolgens aangeduid als Oncore IT. Het betreft hier dus niet de Engelse vennootschap, hetgeen blijkt uit het feit dat de toevoeging Ltd. ontbreekt. Canvasscompany heeft voorts gewezen op de e-mail d.d. 14 april 2015 (overweging 2.7) van [geïntimeerde] aan [D] van Oncore IT waarin [geïntimeerde] een overzicht heeft gegeven van de door hem voor Oncore Cloud Services Nederland betaalde kosten, in het bijzonder de kosten van Canvasscompany getuige de zinsnede “will deposit from personal account the amount for Canvass Company at OCS NL bank account as a loan”. Ten slotte is door Canvasscompany gewezen op de e-mailcorrespondentie van 2 juni 2015 (overweging 2.10) tussen Oncore IT en [geïntimeerde] in verband met de facturen van Canvasscompany. Uit deze correspondentie volgt dat [geïntimeerde] van mening is dat Oncore IT ten onrechte door Canvasscompany wordt aangesproken voor de betaling van de facturen. Uit dit alles volgt dat [geïntimeerde] wel degelijk handelde namens de vennootschap in oprichting Oncore Cloud Services Nederland, aldus Canvasscompany.

4.4

[geïntimeerde] heeft aangevoerd dat hij bij het sluiten van het contract aan Canvasscompany kenbaar heeft gemaakt dat hij namens Oncore IT optrad en heeft weersproken namens de vennootschap in oprichting Oncore Cloud Services Nederland te hebben gehandeld. [geïntimeerde] wijst ter nadere onderbouwing van zijn verweer eveneens naar het contract, dat door Canvasscompany is opgesteld en op verzoek van [geïntimeerde] in het Engels is vertaald door Canvasscompany. [geïntimeerde] heeft er voorts op gewezen dat in het contract overal Oncore IT staat en dat het adres genoemd in het contract overeenkomt met het adres dat Oncore IT op haar website noemt onder “Dutch Office”. De diensten van Canvasscompany zijn ten behoeve van Oncore IT verricht en [geïntimeerde] heeft Canvasscompany een database verstrekt met daarin gegevens van Oncore IT.

4.5

Het hof oordeelt als volgt. Het antwoord op de vraag of [geïntimeerde] namens de vennootschap in oprichting Oncore Cloud Services Nederland heeft gehandeld bij het sluiten van het contract met Canvasscompany, zoals door Canvasscompany is gesteld, hangt af van hetgeen [geïntimeerde] en Canvasscompany daaromtrent jegens elkaar hebben verklaard en over en weer uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid en in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mochten afleiden (artikelen 3:33 en 35 BW; vergelijk HR

11 maart 1977, ECLI:NL:HR:1977:AC1877). Uit de hoofdregel van artikel 150 Rv volgt dat op Canvasscompany de bewijslast rust van haar stelling, nu zij daaraan het rechtsgevolg van artikel 2:203 lid 2 BW verbindt.

4.6

Met hetgeen in de stukken en ter zitting naar voren is gebracht heeft Canvasscompany vooralsnog het bewijs van haar stelling niet geleverd. Het hof stelt vast dat het – door Canvasscompany zelf opgestelde – contract geen uitsluitsel geeft over de vraag wie als contractspartij van Canvasscompany is opgetreden. Hoewel op het voorblad Oncore Cloud Services Nederland staat vermeld ontbreekt de aanduiding “bv i.o.” en staat in het contract voor het overige Oncore IT vermeld, hetgeen er juist op lijkt te wijzen dat Oncore IT, de Engelse vennootschap, de contractspartij is. Ook de vertaling in het Engels op verzoek van [geïntimeerde] vormt een aanwijzing in die richting. Aan de andere kant geeft [geïntimeerde] aan dat hij door Oncore IT is ingeschakeld om ten behoeve van Oncore IT een Nederlandse vestiging op te zetten en leiding te geven aan het Benelux team van Oncore IT en daarmee ook een aanvang heeft gemaakt (memorie van antwoord onder nummer 20). Onduidelijk is verder of [geïntimeerde] betalingen heeft verricht en namens wie hij die betalingen dan heeft verricht; de op te richten vennootschap Oncore Cloud Services Nederland of Oncore IT. Op basis van het over en weer gestelde kan het hof derhalve niet vaststellen of [geïntimeerde] namens de vennootschap in oprichting Oncore Cloud Services Nederland handelde. Bewijslevering is dan ook noodzakelijk. Het hof zal Canvasscompany, conform haar bewijsaanbod ter zitting, toelaten tot het bewijs van haar stelling dat [geïntimeerde] bij het sluiten van het contract namens Oncore Cloud Services Nederland, een vennootschap in oprichting, heeft gehandeld.

4.7

De stelling van [geïntimeerde] dat ook als hij namens de vennootschap in oprichting Oncore Cloud Services Nederland zou hebben gehandeld, hij dit als gevolmachtigde van Oncore IT deed en Oncore IT als de volmachtgever van [geïntimeerde] aansprakelijk zou zijn op grond van artikel 2:203 lid 2 BW, wordt door het hof verworpen. Artikel 2:203 lid 2 BW ziet op de gebondenheid van de namens de vennootschap in oprichting handelende persoon. Niet ter discussie staat dat [geïntimeerde] als handelende persoon optrad. Het debat tussen partijen betreft de vraag in welke hoedanigheid [geïntimeerde] is opgetreden, ofwel als vertegenwoordiger van Oncore IT ofwel als vertegenwoordiger van (de vennootschap in oprichting) Oncore Cloud Services Nederland. Indien Canvasscompany bewijst dat [geïntimeerde] als vertegenwoordiger van de laatstgenoemde vennootschap in oprichting handelde, dient de vraag of hij dit als vertegenwoordiger van Oncore IT deed ontkennend te worden beantwoord.

Ad grief 2

4.8

Canvasscompany heeft voorts aangevoerd – uitgaande van de vooronderstelling dat [geïntimeerde] in naam van Oncore IT heeft gehandeld – een toereikende volmacht daartoe ontbrak en [geïntimeerde] aansprakelijk is voor de schade die Canvasscompany als gevolg daarvan heeft geleden. Uit de consulting overeenkomst tussen [geïntimeerde] en Oncore IT kan niet worden afgeleid dat [geïntimeerde] bevoegd was om Oncore IT te vertegenwoordigen, daaruit volgt juist (artikel 1.3), dat hij als zelfstandige optrad, aldus Canvasscompany. Dit wordt ook bevestigd door de advocaat van Oncore IT in de brief van 29 november 2016 en in de verklaring van [D] zoals neergelegd in de e-mail van 8 april 2016 aan mr. Van Gardingen. Daarin wordt door Oncore IT de bevoegdheid van [geïntimeerde] tot vertegenwoordiging betwist. Canvasscompany heeft ook in dit kader verwezen naar de e-mailcorrespondentie van 2 juni 2015 en gewezen op de e-mail van 16 juli 2015 van [geïntimeerde] . Uit deze e-mails volgt dat [geïntimeerde] in reactie op de betalingsverzoeken aan het adres van Oncore IT, Oncore IT heeft laat weten dit te zullen regelen met Canvasscompany. Hieruit volgt dat [geïntimeerde] zich in zijn verhouding tot Oncore IT wel gehouden acht tot betaling van de facturen, aldus nog steeds Canvasscompany.

4.9

[geïntimeerde] heeft als verweer aangevoerd dat hij over een toereikende volmacht beschikte. [geïntimeerde] heeft daarbij verwezen naar zijn e-mail van 23 oktober 2014 aan [D] waarin hij de term “representatieve” gebruikt en de daarop volgende consulting overeenkomst. [geïntimeerde] heeft in het bijzonder verwezen naar artikel 1.2 van die consulting overeenkomst waaruit de bevoegdheid tot “procuring sales transactions” blijkt. Ter nadere onderbouwing is door [geïntimeerde] voorts aangevoerd dat de op te richten Nederlandse vennootschap een onderdeel zou worden van Oncore IT. De “mistake” waarover [geïntimeerde] spreekt in zijn e-mails aan [D] zien op de derde factuur en niet op de geadresseerde partij. [geïntimeerde] heeft Oncore IT ten slotte geïnformeerd over het contract en Oncore IT heeft daartegen niet geprotesteerd.

4.11

Het hof oordeelt als volgt. Op grond van artikel 3:70 BW heeft de gevolmachtigde in te staan voor het bestaan en de omvang van zijn volmacht. Indien een (toereikende) volmacht ontbreekt, is de pseudo-gevolmachtigde aansprakelijk voor de daaruit voor de wederpartij voortvloeiende schade. Ten aanzien van de bewijslast met betrekking tot het bestaan van een toereikende volmacht heeft de Hoge Raad geoordeeld dat uit de strekking van artikel 3:70 BW en de billijkheid volgt dat op degene die als gevolmachtigde heeft gehandeld, de bewijslast rust dat hij beschikte over een toereikende volmacht. De derde die de vordering op de voet van dat artikel instelt kan derhalve in beginsel volstaan met de stelling – onderbouwd voor zover dat in de omstandigheden van het geval van hem kan worden gevergd – dat een toereikende volmacht ontbreekt (HR 22 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1384).

4.12

Naar het oordeel van het hof duidt de inhoud van de consulting overeenkomst er op dat [geïntimeerde] bevoegd was Oncore IT te vertegenwoordigen. Met name de term “procuring sales transactions” duidt daarop, nu “procuring” in combinatie met het woord “transactions” duidt op het realiseren van verkooptransacties. Daarbij wijst het gebruik van de term “agent” in de overeenkomst op de hoedanigheid van vertegenwoordiger. Daaraan doet niet af dat artikel 1.3 vermeldt dat [geïntimeerde] als independent contractor optreedt, nu het als zelfstandige werken voor Oncore IT het beschikken over een volmacht van Oncore IT niet uitsluit. Het gebruik van de term independent contractor is dan ook niet strijdig met de term agent. Hier tegenover staat de verklaring van [D] en de e-mailcorrespondentie over de facturen tussen [geïntimeerde] en [D] . Uit deze correspondentie zou inderdaad opgemaakt kunnen worden dat Oncore IT niet aansprakelijk is voor de betaling van de facturen. De correspondentie zou echter evengoed in de door [geïntimeerde] toegelichte zin uitgelegd kunnen worden. Gezien deze feiten, bezien tegen de achtergrond van de door [geïntimeerde] in randnummer 38 van de memorie van antwoord geschetste omstandigheden, acht het hof voorshands bewezen dat [geïntimeerde] bevoegd was om Oncore IT te vertegenwoordigen, behoudens door Canvasscompany te leveren tegenbewijs, waartoe het hof haar zal toelaten.

4.13

Zoals in 4.2 al overwogen kunnen beide door Canvasscompany aangevoerde rechtsgronden, indien gegrond, tot toewijzing van de vordering leiden. Voor beide rechtsgronden is evenwel nadere bewijslevering noodzakelijk. Het is aan Canvasscompany om te beslissen of zij ter zake van beide rechtsgronden tot bewijslevering wenst over te gaan.

De derde factuur

4.14

De devolutieve werking van het appel brengt met zich dat het verweer van [geïntimeerde] met betrekking tot de derde factuur, die betrekking heeft op een vergoeding wegens voortijdige beëindiging van het contract, door het hof beoordeeld dient te worden, indien Canvasscompany er in slaagt het hiervoor bedoelde (tegen)bewijs te leveren. Het hof oordeelt daarover nu al het volgende.

4.15

Canvasscompany heeft zich ter zake van de verschuldigdheid van de derde factuur, die betrekking heeft op een opzegtermijn van 1 maand, beroepen op artikel 9 sub b van haar algemene voorwaarden. Artikel 9 sub b luidt als volgt: “Indien tot voortijdige beëindiging is overgegaan door Opdrachtgever, heeft Opdrachtnemer vanwege het ontstane en aannemelijk te maken bezettingsverlies recht op compensatie, waarbij het tot dan toe gemiddelde maandelijkse declaratiebedrag als uitgangspunt wordt gehanteerd”.

4.16

[geïntimeerde] heeft aangevoerd dat een grondslag ontbreekt voor de verschuldigdheid van de derde factuur. In dat kader heeft [geïntimeerde] aangevoerd dat de algemene voorwaarden niet van toepassing zijn, niet ter hand zijn gesteld en dat artikel 9 van de algemene voorwaarden niet van toepassing is op de onderhavige situatie.

4.17

Wat er ook zij van de toepasselijkheid van de algemene voorwaarden van Canvasscompany, nu vast staat dat sprake is van een beëindiging van het contract door Canvasscompany, zijnde de opdrachtnemer, en niet van een beëindiging door de opdrachtgever, is artikel 9 sub b in het onderhavige geval in beginsel niet van toepassing. Door Canvasscompany is echter aangevoerd dat artikel 9 sub b ruim dient te worden uitgelegd in die zin dat onder beëindiging door de opdrachtgever ook de situatie valt dat de opdrachtnemer de werkzaamheden beëindigt omdat de opdrachtgever niet langer betaalt.

4.18

Voor de beantwoording van de vraag hoe in een schriftelijk contract de verhouding tussen partijen is geregeld, komt het aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (de zogenoemde Haviltexnorm van HR 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981: AG4158). Gesteld noch gebleken is dat over de algemene voorwaarden is onderhandeld. Aan de bewoordingen waarin het geding is gesteld komt in dat geval een belangrijke betekenis toe, waarbij bij meerdere uitlegmogelijkheden de contra proferentem-uitleg (de uitleg ten nadele van de opsteller) als gezichtspunt van belang is. In het licht van voormelde maatstaf is het hof van oordeel dat de door Canvasscompany voorgestane uitleg niet kan worden gevolgd. Een dergelijke ruime uitleg valt in de tekst van de overeenkomst niet te lezen.

4.17

Canvasscompany heeft verder geen feiten en omstandigheden aangevoerd op grond waarvan de door haar voorgestane uitleg aangewezen zou zijn.

4.18

Nu de verschuldigdheid van de derde factuur niet kan worden gebaseerd op de algemene voorwaarden en door Canvasscompany geen andere grondslag is aangevoerd waaruit de verschuldigdheid van de derde factuur voortvloeit, dient de vordering van Canvasscompany voor zover deze betrekking heeft op de derde factuur hoe dan ook te worden afgewezen. De toewijsbaarheid van de overige twee facturen is afhankelijk van de uitkomst van de bewijslevering, zoals overwogen in overweging 4.6 en 4.12.

4.19

Het hof zal iedere verdere beslissing aanhouden.

5 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

laat Canvasscompany toe tot het bewijs dat [geïntimeerde] bij het sluiten van het contract namens de besloten vennootschap in oprichting Oncore Cloud Services Nederland heeft gehandeld,

laat Canvasscompany toe tot het leveren van tegenbewijs tegen de voorshands bewezen stelling dat [geïntimeerde] over een toereikende volmacht beschikte om Oncore IT te vertegenwoordigen,

bepaalt dat, indien Canvasscompany uitsluitend bewijs door bewijsstukken wenst te leveren, zij die stukken op de roldatum dinsdag 5 juni 2018 in het geding dient te brengen,

bepaalt dat, indien Canvasscompany dat bewijs (ook) door middel van getuigen wenst te leveren, het verhoor van deze getuigen zal geschieden ten overstaan van het hierbij tot raadsheer-commissaris benoemde lid van het hof mr. I.F. Clement, die daartoe zitting zal houden in het paleis van justitie aan het Wilhelminaplein 1 te Leeuwarden en wel op een nader door deze vast te stellen dag en tijdstip;

bepaalt dat partijen, [geïntimeerde] in persoon en Canvasscompany vertegenwoordigd door iemand die van de zaak op de hoogte en tot het beantwoorden van vragen in staat is, samen met hun advocaten bij het verhoor van de getuigen aanwezig zullen zijn om partijen zelf zo nodig nadere inlichtingen te laten geven over de punten waarover de getuigen zullen worden gehoord en om te onderzoeken of partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden;

bepaalt dat Canvasscompany het aantal voor te brengen getuigen alsmede de verhinderdagen van beide partijen, van hun advocaten en van de getuigen zal/zullen opgeven op de roldatum van dinsdag 22 mei 2018, waarna dag en uur van het verhoor (ook indien voormelde opgave van een of meer van partijen ontbreekt) door de raadsheer-commissaris zullen worden vastgesteld;

bepaalt dat Canvasscompany overeenkomstig artikel 170 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering de namen en woonplaatsen van de getuigen tenminste een week voor het verhoor aan de wederpartij en de griffier van het hof dient op te geven;

bepaalt dat indien een partij bij gelegenheid van het getuigenverhoor nog een proceshandeling wenst te verrichten of producties in het geding wenst te brengen, deze partij ervoor dient te zorgen dat het hof en de wederpartij uiterlijk twee weken voor de dag van de zitting een afschrift van de te verrichten proceshandeling of de in het geding te brengen producties hebben ontvangen;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mr. I.F. Clement, mr. J.H. Kuiper en mr. J. Smit en is door de rolraadsheer, in tegenwoordigheid van de griffier, in het openbaar uitgesproken op

8 mei 2018.