Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:4233

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
01-05-2018
Datum publicatie
08-05-2018
Zaaknummer
200.210.528/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Machtiging uithuisplaatsing. Waardering van het deskundigenrapport over de vraag of de ouders de kinderen kunnen opvoeden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.210.528/01

(zaaknummer rechtbank Overijssel C/08/191887 / JE RK 16-1614)

beschikking van 1 mei 2018

inzake

1 [verzoekster] ,

wonende te [A] ,

verder te noemen: de moeder,

2. [verzoeker],
wonende te [B] ,

verder te noemen: de vader,

verzoekers in hoger beroep,

verder gezamenlijk te noemen: de ouders,

advocaat: mr. W. Römelingh te Den Haag,

en

de gecertificeerde instelling

William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering,

gevestigd te Amsterdam,

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen: de GI.

Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:

1 familie [C] ,

wonende te [D] ,

verder te noemen: de gezinshuisouders van [de minderjarige1] ,

2. familie [E],

wonende te [F] , gemeente Hardenberg,

verder te noemen: de gezinshuisouders van [de minderjarige2] ,

3. familie [G],

wonende te [H] ,

verder te noemen: de voormalige pleegouders van [de minderjarige3] .

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Het hof heeft op 4 juli 2017 en 15 augustus 2017 een tussenbeschikking gegeven.

1.2

Ter griffie van het hof zijn na de laatste tussenbeschikking binnengekomen:

- het deskundigenrapport van drs. [I] van 14 november 2017 betreffende de moeder;

- het deskundigenrapport van drs. [I] van 14 november 2017 betreffende de vader;

- een brief van mr. Römelingh van 27 november 2017;

- een brief van de GI van 28 november 2017 met productie(s);

- een brief van mr. Römelingh van 4 december 2017;

- een brief van mr. Römelingh van 12 maart 2018 met productie(s);

- een brief van de GI van 13 maart 2018 met productie(s).

1.3

De minderjarige [de minderjarige1] is in de gelegenheid gesteld haar mening kenbaar te maken met betrekking tot het verzoek, maar heeft het hof geschreven daarvan geen gebruik te willen maken.

1.4

De zaak is verder behandeld ter zitting van het hof van 19 maart 2018. De ouders zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaat. Namens de GI zijn verschenen de heer [J] en heer [K] , jeugdzorgwerkers. Als toehoorder was ter zitting aanwezig de begeleider van de vader, de heer [L] . Mr. Römelingh heeft een pleitnotitie overgelegd.

2 De verdere beoordeling

2.1

Aan het hof ligt voor de beschikking van 2 december 2016 (zaaknummer C/08/191887 /JE RK 16-1614) van de kinderrechter in de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle.

Bij die beschikking is - voor zover hier van belang - de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] in een gezinshuis en de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige3] in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 8 december 2016 verlengd tot uiterlijk 24 november 2017.

2.2

Ingevolge artikel 1:265b, eerste lid, BW kan de kinderrechter de gecertificeerde instelling, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.

Ingevolge artikel 1:265c, tweede lid, BW kan de kinderrechter op verzoek van de gecertificeerde instelling, de raad of het openbaar ministerie de duur van de machtiging tot uithuisplaatsing telkens met ten hoogste een jaar verlengen.

Handtekening

2.3

De ouders hebben gesteld dat het inleidend verzoekschrift van de GI tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen en de daarop gegeven beschikking van de rechtbank nietig zijn omdat het verzoekschrift niet is voorzien van een originele handtekening, maar van een gescand exemplaar. Het hof volgt hen daarin niet. Daarbij verwijst het hof naar de overwegingen 5.2 t/m 5.8 van het hof, opgenomen in de (van het procesdossier deel uitmakende) beschikking van 22 november 2016 onder nummer 200.196.050/01 betreffende de uithuisplaatsing van [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] voor de periode tot 24 november 2016, en maakt die overwegingen in deze zaak tot de zijne. Die overwegingen komen er - kort gezegd - op neer dat in het huidige digitale tijdperk en gelet op de gebruikelijke werkwijze op dit punt bij een professionele organisatie als de GI, de gescande handtekening van een jeugdzorgwerker onder het verzoekschrift van de GI voor authentificatie voldoende betrouwbaar is en in de gegeven omstandigheden een naar behoren ondertekend verzoekschrift in de zin van artikel 278 lid 2 Rv oplevert. Daarbij geldt dat bij de GI ondertekening van verzoekschriften met gescande handtekeningen tegenwoordig de gebruikelijke werkwijze is.

Het inleidend verzoekschrift voldoet daarom aan de daarvoor gestelde eisen en de daarop gegeven beschikking is naar het oordeel van het hof niet nietig vanwege het feit dat het verzoekschrift is voorzien van een gescande handtekening.

Uithuisplaatsing

2.4

Vervolgens moet de vraag worden beantwoord in hoeverre een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] in de periode van 8 december 2016 tot 24 november 2017 noodzakelijk was in het belang van hun verzorging en opvoeding of tot onderzoek van hun lichamelijke of geestelijke gesteldheid.

Gedurende die procedure is de plaatsing van [de minderjarige3] gewijzigd. Hij verbleef ten tijde van de laatste mondelinge behandeling met ingang van 22 december 2017 op een crisisplek in een gezinshuis van [M] , maar gelet op de aan het hof voorliggende periode behoeft die wijziging geen verdere bespreking.

2.5

De ouders kunnen zich met de uithuisplaatsing van [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] niet verenigen. Zij stellen (kort samengevat) dat niet is voldaan aan de gronden voor uithuisplaatsing van [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] . De moeder staat open voor eventuele hulpverlening en stelt dat zij met de juiste hulpverlening in staat is zelf voor [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] te zorgen. De nodige therapieën kunnen de kinderen buitenshuis volgen. In die zin heeft de moeder dan ook geen bovengemiddelde opvoedvaardigheden nodig. De vader steunt de moeder hierin. Ook zijn wens is, zoals de vader ter zitting heeft verklaard, dat de kinderen teruggaan naar de moeder en door haar in de thuissituatie worden opgevoed. De ouders zijn van mening dat de problematiek die de kinderen momenteel laten zien te wijten is aan de uithuisplaatsing en het verblijf van de kinderen binnen de pleegzorg.

2.6

Het hof heeft in zijn tussenbeschikking van 4 juli 2017 het NIFP verzocht onderzoek te doen verrichten in de onderhavige zaak en daartoe een onafhankelijke deskundige voor te dragen. Het NIFP heeft mevrouw drs. [I] (GZ-psycholoog) voorgedragen en zij is bij tussenbeschikking van 15 augustus 2017 als deskundige benoemd. De deskundige heeft vervolgens een forensisch psychologisch onderzoek verricht betreffende de moeder en de vader en twee afzonderlijke rapporten d.d. 14 november 2017 opgesteld omtrent haar bevindingen.

2.7

In antwoord op de door het hof gestelde vragen, waaronder die naar een eventuele terugplaatsing bij de moeder, concludeert drs. [I] in haar rapportages - kort gezegd - dat de kinderen, gezien de diagnoses die bij hen gesteld zijn, een orthopedagogisch klimaat nodig hebben dat nauw aansluit bij hun speciale ontwikkelingsbehoeften en dat een dergelijk klimaat hun binnen de thuissituatie van de moeder of van de vader niet kan worden geboden. De moeder zal de kinderen gezien hun complexe problematiek, in combinatie met haar eigen autismespectrumstoornis niet die zorg en ontwikkelingsmogelijkheden kunnen bieden die zij als kinderen nodig hebben. Het perspectief van de kinderen ligt volgens de deskundige dan ook binnen voldoende daartoe toegeruste pleegzorg. Aangezien de ouders niet altijd in staat blijken om het belang van hun kinderen daadwerkelijk voorop te stellen, wordt hulpverlening binnen gedwongen kader geadviseerd.

2.8

De GI heeft geen inhoudelijke opmerkingen naar aanleiding van het deskundigenrapport en staat achter de bevindingen in het rapport.

2.9

De ouders kunnen zich niet vinden in de door drs. [I] opgestelde adviezen en conclusies. De ouders hebben bezwaren geuit tegen een aantal van de in de rapporten neergelegde conclusies. Die bezwaren zijn vermeld in de brief van 27 november 2017 van mr. Römelingh. Daarnaast hebben zij ter zitting van het hof ook de procedurele gang van zaken aan de orde gesteld, zoals die door de deskundige is gevolgd. De bezwaren van de ouders worden hierna puntsgewijs besproken.

Bezwaren tegen het deskundigenrapport

2.10

De ouders stellen geen kans te hebben gehad naar behoren te reageren op de concept-rapporten, doordat de deskundige, zo stellen zij, niet de in de beschikking van het hof opgenomen procedure heeft gevolgd. De deskundige had, anders dan hij volgens de ouders heeft gedaan, een concept-deskundigenbericht aan partijen moeten toesturen, partijen in de gelegenheid dienen te stellen daarop te reageren en die reacties in haar onderzoek moeten betrekken, alvorens een definitief deskundigenbericht uit te brengen. De concept-rapporten zijn weliswaar nabesproken met de ouders, maar nadien zijn daarin geen wijzigingen meer aangebracht.

2.11

Het hof overweegt dienaangaande dat, voor zover dit inderdaad de gang van zaken is geweest, vast staat dat de concept-rapporten met de ouders zijn besproken en dat de advocaat van de ouders door het hof in de gelegenheid is gesteld op de rapporten te reageren. Dit laatste heeft hij ook gedaan bij brief van 27 november 2017, waarin hij de gezichtspunten van de ouders onder de aandacht heeft gebracht. Dit betreffen, zo heeft de advocaat van de ouders ter zitting desgevraagd verklaard, ook de punten die hij aan de orde wilde stellen bij de deskundige. Nu het hof de in de brief van 27 november 2017 genoemde punten hierna zal beoordelen, en die beoordeling geen punten oplevert waarvoor een reactie van de deskundige wenselijk of noodzakelijk is, is naar het oordeel van het hof voldoende tegemoet gekomen aan dit bezwaar van de ouders, zodat dit bezwaar geen nadere bespreking behoeft.

2.12

In de brief van 27 november 2017 hebben de ouders erop gewezen dat enkele van de door de deskundige geraadpleegde stukken, te weten het psychodiagnostisch onderzoek van [N] van 9 en 23 november 2016, de behandelingsovereenkomst van [N] van 16 mei 2017 en 8 augustus 2017 en het observatieverslag van [N] van 16 mei 2017, ten onrechte in het onderzoek zijn betrokken, nu deze geen deel uitmaken van het procesdossier.

2.13

Het hof overweegt daarover dat, wat er ook zij van de wijze waarop de deskundige over deze stukken is komen te beschikken, niet gesteld of gebleken is dat de deskundige onjuiste conclusies heeft getrokken uit genoemde stukken. Verder neemt het hof in aanmerking dat de moeder desgevraagd ter zitting heeft verklaard dat de ouders over deze stukken beschikken en met de inhoud daarvan bekend zijn.

Tegen die achtergrond hebben de ouders hun bezwaar tegen het in aanmerking nemen van die stukken bij het onderzoek onvoldoende onderbouwd.

2.14

De ouders hebben voorts bezwaar gemaakt tegen de door de deskundige toegepaste ZALC-methode, op basis waarvan de deskundige bij de moeder een autismespectrumstoornis (ASS) heeft vastgesteld, nu deze methode een leeftijdsgrens kent van 25 jaar, terwijl de moeder 49 jaar oud is. Hierdoor voldoet, aldus de ouders, het rapport op dit punt niet aan de vereisten die aan een rapport van een deskundige mogen worden gesteld. Daarnaast hebben de ouders bij brief van 12 maart 2018 een verslag van een contra-expertise in het geding gebracht naar aanleiding van een onderzoek onder leiding van, aldus de ouders, de heer [O] , psychiater. Hierin is geconcludeerd dat op de deelgebieden van ASS geen problemen te zien zijn, anders dan dat de moeder in het contact eerder wat terughoudend en verlegen is en altijd is geweest, en dat op basis van het afgenomen onderzoek niet de diagnose ASS kan worden gesteld.

2.15

Het hof stelt vast dat de deskundige in de rapporten uitdrukkelijk heeft gemotiveerd waarom zij van de ZALC-methode is uitgegaan. Ter toelichting heeft zij daarover opgenomen: "Hoewel de ZALC een leeftijdsgrens heeft van 25 jaar, wordt ervan uitgegaan dat de ego-ontwikkeling na het 25ste levensjaar is afgerond en zal deze kwalitatief veel nuttige informatie bieden."

Het hof acht die motivering begrijpelijk.

2.16

Voorts kan de vraag of sprake is van een autismespectrumstoornis bij de moeder naar het oordeel van het hof in het midden blijven, nu het hof die conclusie, gelet op hetgeen hierna wordt overwogen, niet (uitsluitend) ten grondslag legt aan zijn beslissing. Uit het NIFP onderzoeksrapport blijkt in ieder geval ook dat de ouders niet kunnen aansluiten bij de behoeften van de kinderen en dat dit de belangrijkste reden is voor de conclusie dat de ouders niet voor de kinderen kunnen zorgen.

2.17

De namens de ouders gestelde vraag of de deskundige wel uit eigen waarnemingen heeft kunnen vaststellen dat er sprake is van verwaarlozing, gaat voorbij aan het feit dat de deskundige haar informatie kon halen uit de diverse stukken en de eerdere rapportages die haar ten behoeve van het onderzoek ter beschikking zijn gesteld, alsmede de (telefonische) informatie die zij heeft verkregen van diverse betrokkenen gedurende haar onderzoek. De deskundigenrapporten zijn dan ook mede gebaseerd op informatie van de betrokken deskundigen/behandelaars. Daarnaast heeft de deskundige haar rapportages mede gebaseerd op eigen observaties van, onder meer, twee bezoekmomenten/omgangsmomenten, om een zo compleet mogelijk beeld te verkrijgen van de mogelijkheden tot opvoeden die de ouders hebben. Er is, nu de kinderen verschillende vaardigheden van hun ouders vergen, voor gekozen om zowel de omgang van [de minderjarige2] met haar ouders, als die van [de minderjarige3] met zijn ouders te observeren.

2.18

Het betoog van de ouders dat, onder verwijzing naar een door hen aangehaalde internetpagina, op de door de deskundige gehanteerde hechtingstheorie het nodige valt af te dingen, acht het hof onvoldoende onderbouwd, zodat het hof aan dat betoog voorbijgaat.

2.19

Voor zover de ouders met hun verwijzingen naar de in de rapporten weergegeven positieve opvattingen van de leerkrachten van de kinderen die door de deskundige in het kader van haar onderzoek zijn geraadpleegd, stellen dat hierop onvoldoende acht is geslagen, gaat het hof hieraan voorbij, bij gebrek aan onderbouwing. Het hof merkt daarbij nog op dat hun visie overigens niet alleen maar positief is, aangezien zij ook kritische kanttekeningen hebben geplaatst bij het gedrag van de kinderen. De in de rapportages opgenomen opvattingen van de leerkrachten maken de conclusies van de deskundige dan ook niet onbegrijpelijk.

2.20

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de bezwaren van de ouders niet kunnen afdoen aan de inhoud van de rapportage van de deskundige.

2.21

Het hof is op grond van de beschikbare stukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandelingen naar voren is gekomen van oordeel dat de gronden voor een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] in de voorliggende periode van 8 december 2016 tot 24 november 2017 aanwezig waren, zodat een uithuisplaatsing noodzakelijk is geweest in het belang van de verzorging en opvoeding van [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] . Het hof overweegt daarover als volgt.

2.22

De in het raadsrapport van 5 november 2014 genoemde zorgen ten aanzien van de kinderen in relatie tot de mogelijkheden van de ouders zijn naar het oordeel van het hof bevestigd door de uitkomsten van het NIFP-onderzoek naar de ouders.

2.23

Uit het raadsrapport van 5 november 2014 blijkt dat de kinderen zijn opgegroeid in een ongestructureerde en onveilige thuissituatie waarin zij te maken hebben gehad met veel negatieve ervaringen en negatieve aandacht. De ouders bleken niet in staat de kinderen voldoende steun, affectie en bescherming te bieden.

2.24

Uit de door drs. [I] opgestelde rapportages blijkt dat bij elk van de kinderen sprake is van omvangrijke hechtingsproblematiek. [de minderjarige1] is met een reactieve hechtingsstoornis gediagnosticeerd, [de minderjarige2] met een angstige en vermijdende gehechtheid, terwijl bij [de minderjarige3] sprake is van de combinatie van angstige en gedesorganiseerde gehechtheid. Bij [de minderjarige2] is PTSS vastgesteld, terwijl bij [de minderjarige3] en [de minderjarige1] traumatisering niet uitgesloten wordt geacht. De thuissituatie van de kinderen blijkt zodanig onoverzichtelijk en ongestructureerd te zijn geweest, dat zij zich er onveilig hebben gevoeld en vanuit deze situatie een overlevingsmechanisme hebben ontwikkeld dat hen belemmert in hun huidige ontwikkeling.

[de minderjarige1] vertoont binnen haar gezinshuisplaatsing forse gedragsproblemen als gevolg van genoemde problematiek, in combinatie met de bij haar gediagnosticeerde lichte verstandelijke beperking. Zij heeft zich afgeschermd voor daadwerkelijk emotioneel contact en heeft een robuuste buitenkant ontwikkeld van brute kracht. Ze weert zich in voor haar vermeend onveilige situaties, waarin ze geen overwicht heeft en vecht van zich af. Gezocht wordt naar mogelijkheden om haar plaatsing te blijven continueren. [de minderjarige1] lijkt zich er over het algemeen wel positief te ontwikkelen, maar gezinshuisouders geven aan te moeten waken voor de ontwikkelingsperspectieven van de overige kinderen die bij hen wonen. Voor [de minderjarige1] is een kinderpsychiatrisch consult en/of behandeling geïndiceerd om te bezien in hoeverre haar emotieregulatie gunstig te beïnvloeden is middels medicatie.

[de minderjarige2] toont emotioneel niet zozeer een ontwikkelingsachterstand, maar ze blijkt wel zeer waakzaam, alert in een voor haar vreemde omgeving. Daarbij is ze teruggetrokken, aarzelend in contact en maakt ze het een ander graag naar de zin. [de minderjarige2] neemt zelf haast geen ruimte in en toont zich zeer dienstbaar, om langs die weg tot een contact te komen waarbinnen zij bestaansrecht verwerft. Ze heeft niet die zorg en bescherming genoten die ze als kind nodig had om tot een gezonde ontwikkeling te komen. [de minderjarige2] blijkt zich binnen het gezinshuis gunstig te ontwikkelen. Haar gezinshuisouders lijken de zorg voor [de minderjarige2] goed aan te kunnen, ondanks het gegeven dat die zorg wel fors is. Voor [de minderjarige2] dient behandeling te worden ingezet die zich richt op traumaverwerking.

[de minderjarige3] is erg impulsief. Hij heeft een overlevingsmechanisme ontwikkeld, dat gericht is op zelfstandigheid en zelfbepaling. Hij vertoont ontremd gedrag en een sociaal emotionele achterstand. Wat [de minderjarige3] betreft was het beeld binnen zijn pleeggezin wisselend. Zijn voormalige pleegouders moesten alle zeilen bijzetten om hem te bieden wat hij nodig had. Voor [de minderjarige3] is therapie nodig die gericht is op het ontwikkelen van hechtingsmogelijkheden.

2.25

Uit de omgangsmomenten tussen de ouders en de kinderen blijkt dat de moeder vooral op functionele wijze contact onderhoudt met de kinderen en dit met één kind tegelijk plezierig kan laten verlopen binnen een activiteit die zij aandraagt en concreet kan vormgeven. Duidelijk wordt dan dat zowel de moeder als het kind daarvan genieten. Aansturen en begrenzen blijkt de moeder niet daadwerkelijk te kunnen laten zien. Zij gaat niet in op belevenissen van het kind, maar beperkt zich tot de activiteit van het moment. Zij blijkt gebaat bij een extern steunend kader, waarbinnen zij samen met één van de kinderen kan genieten van een omgangsmoment. Volgens de deskundige heeft de moeder moeite met het creëren van overzicht en kan zij minder flexibel omgaan met hetgeen situaties en sociale omstandigheden vragen.

De vader toont zich opgewekt en plezierig in de omgang met de kinderen, maar trekt ook erg zijn eigen plan vanuit een eigen belevingswereld. Hij laat zich door eigen beleving in beslag nemen en heeft weinig oog voor wat de kinderen van hem vergen. Hij heeft gedurende de omgang met de kinderen behoefte aan enige externe sturing, opdat contact zich kan blijven afspelen binnen de veiligheid en structuur die het waardevol en plezierig houden.

2.26

In de rapportages concludeert de deskundige dat de kinderen, gezien de diagnoses die bij hen zijn gesteld, een orthopedagogisch klimaat nodig hebben dat nauw aansluit bij hun speciale ontwikkelingsbehoeften en dat een dergelijk klimaat hun binnen de thuissituatie van de moeder of de vader niet kan worden geboden. Het hof onderschrijft die conclusie, gelet op de omschreven ernstige problematiek van de kinderen en de wijze waarop het contact tussen de ouders en de kinderen heeft plaatsgevonden.

2.27

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat bij het uitblijven van de verzochte verlenging de continuïteit in de dagelijkse verzorging en opvoeding van [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] en hun veiligheid niet zou zijn gewaarborgd en het hof beoordeelt de verlenging van de uithuisplaatsing tot uiterlijk 24 november 2017 dan ook noodzakelijk.

2.28

Hetgeen de ouders voor het overige hebben aangevoerd kan voormeld oordeel niet anders maken, zodat dit buiten bespreking zal worden gelaten. Hieruit volgt dat het hof de bestreden beschikking zal bekrachtigen.

3 De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen dient het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen.

4 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle van 2 december 2016 waarvan beroep;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. I.A. Vermeulen, mr. E.B.E.M. Rikaart-Gerard en
mr. B. Voerman, bijgestaan door mr. M. Marsnerova als griffier, en is op 1 mei 2018 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.