Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:4162

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
28-03-2018
Datum publicatie
03-05-2018
Zaaknummer
200.224.064
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WWZ. Ontbinding arbeidsovereenkomst boswachter na ongewenst gedrag jegens collega (in 2014/5) en het krijgen van een tweede kans na overplaatsing (e-grond subs. g-grond). Ondanks instructie bezoekt werknemer in 2017 collega onaangekondigd op haar werk. Hof verwerpt beroep tegen de uitgesproken ontbinding. Een gewaarschuwd man telt voor twee. Geen verwatering afspraken/instructies door tijdsverloop of feitelijke situatie. Afwijzing billijke vergoeding. Kantonrechter heeft transitievergoeding afgewezen wegens ernstig verwijtbaar handelen werknemer. Hof laat werkgever toe tot bewijslevering omtrent gestelde inhoud van telefoongesprek in 2017 waarbij werknemer opnieuw zou zijn verboden om de collega of haar werkplek te bezoeken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2018-0528
RAR 2018/111
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.224.064

(zaaknummer rechtbank Overijssel, locatie Enschede, 6006317)

beschikking van 28 maart 2018

in de zaak van

[verzoeker] ,

wonende te [plaatsnaam] ,

verzoeker in hoger beroep,
in eerste aanleg: verweerder,

hierna: [verzoeker] ,

advocaat: mr. J. van Overdam,

tegen

de vereniging

Vereniging tot behoud van Natuurmonumenten in Nederland,

gevestigd te ‘s-Graveland,

verweerster in hoger beroep,
in eerste aanleg: verzoekster,

hierna: Natuurmonumenten,

advocaat: mr. C.B.G. Derks.

1
1. Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de beschikking van de kantonrechter (rechtbank Overijssel, locatie Enschede) van 29 juni 2017.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure is als volgt:

- het beroepschrift met producties, ter griffie ontvangen op 28 september 2017;

- het verweerschrift met producties, ingekomen op 23 november 2017;
- de op 14 februari 2018 gehouden mondelinge behandeling, waarbij beide partijen pleitnotities hebben overgelegd.

2.2

Na afloop van de mondelinge behandeling heeft het hof beschikking bepaald op

28 maart 2018 of zoveel eerder als mogelijk is.

2.3

[verzoeker] heeft in zijn hoger beroepschrift verzocht - zakelijk samengevat - de beschikking van de kantonrechter te vernietigen en bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
voor recht te verklaren

primair:

1. dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen ten onrechte is ontbonden en

2. er geen redelijke grond voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst bestaat,

3. alsmede verzoekt hij Natuurmonumenten te veroordelen om de arbeidsovereenkomst te herstellen, op straffe van een dwangsom, en

4. tot betaling van schadevergoeding gelijk aan het brutoloon vanaf 1 juli 2017;

5. tot betaling van het brutoloon na het herstel, met wettelijke verhoging en rente;

subsidiair:

in het geval het hof niet zal veroordelen tot herstel van de arbeidsovereenkomst dan wel de ontbinding van de arbeidsovereenkomst handhaaft, verzoekt hij Natuurmonumenten te veroordelen tot betaling van:

6. het bedrag van € 60.385 bruto als de transitievergoeding, alsmede

7. een bedrag van € 157.685,97 bruto wegens te derven inkomsten en een bedrag van € 48.887,20 wegens te derven pensioenopbouw, beiden tot aan de AOW leeftijd, als zijnde de billijke vergoeding in de zin van artikel 7:683 lid 3 BW, dan wel een door het hof in goede justitie te bepalen billijke vergoeding, het een en ander vermeerderd met de wettelijke rente alsmede

8. toewijzing van een bedrag van € 2.976,46 wegens het niet in acht nemen van de termijn van één maand als bedoeld in artikel 7:671b lid 8, onderdeel a BW;

meer subsidiair:

9. in het geval het hof oordeelt dat sprake is geweest van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten door [verzoeker] dan wel de beschikking van de kantonrechter onverkort handhaaft, verzoekt hij Natuurmonumenten te veroordelen tot betaling van een transitievergoeding van € 60.385,- bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente, en

primair/subsidiair/meer subsidiair:

10. Natuurmonumenten te veroordelen in de proceskosten in beide instanties, te vermeerderen met de wettelijke rente.
3. De feiten

3.1

In hoger beroep staan de volgende feiten, als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende gemotiveerd betwist, vast.

3.2

[verzoeker] , geboren op [geboortedatum] , is op 1 december 1980 in dienst

getreden bij Natuurmonumenten. De laatste functie die [verzoeker] vervulde, is die van

boswachter Natuurbeheer B, met een salaris van € 2.691,05 bruto per maand.

3.3

[verzoeker] was werkzaam bij de beheereenheid [plaatsnaam] . Vanaf omstreeks 2012 heeft [verzoeker] ten opzichte van zijn collega [collega] (hierna: [collega] ) ongewenst gedrag vertoond. Dit heeft op 1 september 2014 geleid tot schorsing van [verzoeker] . [collega] op haar beurt heeft professionele hulp ingeschakeld om de uitlatingen en gedragingen van [verzoeker] een plek te geven.

3.4

Bij brief van 7 oktober 2014 heeft Natuurmonumenten aan [verzoeker] onder

meer het volgende meegedeeld:

In vervolg op onze eerdere brieven en uw schorsing berichten wij u als volgt. (...)

Feiten

Allereerst wenst Natuurmonumenten nog eens kort de geconstateerde zaken op een rijtje te zetten.

In februari 2012 heeft u een boeket bloemen naar uw collega en gaf u in de week erop aan dat u verliefd was. Uw collega heeft nadrukkelijk aangegeven dat dit niet wederzijds is en daar niet blij mee was. Uw beider leidinggevenden zijn geïnformeerd hierover. Er is vervolgens gezorgd dat u beiden niet naast elkaar zit in vergaderingen of samen ingeroosterd wordt.

In januari 2013 heeft uw collega aangegeven dat (...) diverse flauwe grappen van uw kant

door haar niet gewaardeerd werden. Dit maakt u (…) boos. In april 2013 heeft uw collega vulgaire, seksueel getinte Sms-berichten zonder afzender ontvangen. In de zomer van 2013 wordt zij vervolgens herhaaldelijk ‘s avonds en ‘s nachts gebeld door een geblokkeerde beller. In augustus 2013 ontvangt zij weer vulgaire, seksueel getinte Sms-berichten zonder afzender.

U plaatst in oktober 2013 vervolgens op een openbare Facebookpagina van Twente NM

een persoonlijk bericht. U bent hierover aangesproken door uw leidinggevende.

In de zomer van 2014 ontvangt uw collega 2 maal 2 dozen wijn, die zij niet heeft besteld.

Erkenningen

Zowel Natuurmonumenten als de Politie is met u in gesprek gegaan. U heeft in deze

gesprekken erkend dat u de handtekening van uw collega heeft vervalst en van haar geld

de betrokken dozen heeft besteld. Deze feiten staan daarmee vast, evenals de

eerdere momenten dat u bent aangesproken en/of gewaarschuwd door uw leidinggevende(n). Natuurmonumenten heeft niet kunnen vaststellen of de SMS-berichten die uw collega heeft ontvangen door u zijn verzonden. U ontkent dit ten stelligste.

Laatste formele waarschuwing

(...)

Los daarvan meent Natuurmonumenten dat uw gedrag volstrekt onacceptabel is en dat er alle reden is geweest om u te schorsen. Natuurmonumenten was aangenaam verrast door uw brief waarin u spijt heeft betoond, maar dat heeft u weer te niet gedaan door u meest recente brief waarin u geen enkele wijze van inzicht betoond in de ernst van uw gedragingen. (...) Natuurmonumenten leidt daaruit af dat er nog steeds een gebrek aan inzicht aan uw kant is over uw eigen rol en de ernst van de situatie.

Er is hier sprake van incidenten die onacceptabel zijn. Er is sprake van het ongewenst lastigvallen van een collega, valsheid in geschrifte en ontvreemden van gelden. Normaal

gesproken zouden dergelijke gedragingen alle reden opleveren voor ontslag op staande voet. De enige reden waarom Natuurmonumenten daar thans (nog) niet toe overgaat is uw zeer lange staat van dienst die voor het overige geen feiten bevatten die duiden op (ernstig) disfunctioneren en het feit dat wij niet hebben kunnen vaststellen of de SMS-berichten door u zijn verzonden.

Dat betekent dat Natuurmonumenten u dienstverband zal continueren, maar wel onder de volgende aannames, waarvan zij u wil meegeven deze zeer ter harte te nemen:

1. Natuurmonumenten zal geen enkele vorm van ongewenst gedrag van u, jegens deze collega, dan wel nadere collega’s meer tolereren. U heeft het vertrouwen van Natuurmonumenten in ernstige mate geschonden en dit vertrouwen zal door u met de tijd hersteld moeten worden.

2. Wij verzoeken u nadrukkelijk en indringend om professionele hulp te zoeken.

Indien u deze niet weet te vinden, is Natuurmonumenten is u bereid van dienst te zijn bij het vinden daarvan. (...)

4. Natuurmonumenten heeft de verplichting te zorgen voor een veilige werkplek voor alle werknemers, waaronder dus ook uw collega. Uw op non-actiefstelling wordt derhalve opgeven, maar u wordt herplaatst in de beheereenheid [plaatsnaam] (...)

5. Zolang u in dienst bent bij Natuurmonumenten verwacht de organisatie derhalve dat u van onbesproken gedrag blijft. Indien daar geen sprake van is, dan wel dat u het vertrouwen van Natuurmonumenten wederom beschaamd, zal Natuurmonumenten niet aarzelen om verdere maatregelen te treffen, waarbij er voor gewaarschuwd bent dat ontslag, al dan niet op staande voet (...) nadrukkelijk tot de mogelijkheden hoort.

3.5

Bij brief van 6 november 2014 deelt Natuurmonumenten aan [verzoeker] mede dat hij voor een jaar wordt gedetacheerd bij aannemersbedrijf [bedrijf X] en dat het uitgangspunt is dat hij niet terugkeert naar de beheereenheid [plaatsnaam] .

3.6

Op 1 maart 2015 schrijft [verzoeker] onder meer aan [collega] : “Het is nu een half jaar geleden dat wij elkaar gezien en gesproken hebben. Er is in die tijd voor mij heel wat verandert. (…) Ik heb er echt spijt van dat ik dit allemaal gedaan heb. (…) Heel veel dingen heb ik op humoristiche wijze bedoeld. Maar is helaas niet zo over gekomen. Toch hoop ik een keer dit met elkaar als volwassen mensen uit te kunnen praten. (…)”

3.7

Op 24 maart 2015 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen de toenmalige

leidinggevende van [verzoeker] , [leidinggevende] (hierna: [leidinggevende] ) en

[verzoeker] . In het terzake opgemaakte gespreksverslag van 27 maart 2015 staat onder meer het volgende:

“(...) [verzoeker] (hof: [verzoeker] ) geeft aan, dat de overplaatsing hem zwaar valt. (…)

Daarnaast heeft hij het in de streek zwaar te verduren en heeft zijn sociale leven een behoorlijke deuk opgelopen in de kleine gemeenschap van [plaatsnaam] .

Hij hoopt, dat een terugkeer naar [plaatsnaam] mogelijk is en wil graag in gesprek komen met [collega] (hof: [collega] ) om zijn excuus aan te bieden.

Hij geeft opnieuw aan, dat zij de hele puinhoop heeft veroorzaakt door het misverstand

over zijn “grappen” en het vervolgens negeren van hem.

Ik heb [verzoeker] gevraagd, waarom hij een brief heeft gestuurd aan [collega] zonder mij daarvan op de hoogte te brengen. Dit was namelijk de afspraak: er zou geen contact met [collega] worden opgenomen en [verzoeker] zou zich niet meer op [plaats] laten zien. Alle contacten zouden via de leidinggevende gaan.

[verzoeker] geeft aan, dat hij daar niet aan had gedacht en zelf graag zijn excuses wilde

aanbieden in een persoonlijk gesprek met de hoop weer snel in [plaatsnaam] aan de slag te

kunnen.

Ik heb aangegeven, dat de brief geen goed heeft gedaan aan de voortgang en [collega] er

behoorlijk van baalt. Zij heeft wederom aangegeven, dat er geen prijs wordt gesteld op

contact, of een gesprek op dit moment. Ik heb [verzoeker] aangegeven, dat hij dat moet

respecteren.

(...)

Het blijft zorgelijk, dat de gesprekken met de maatschappelijk werker zo weinig hebben

opgeleverd, want zo blijft hij erg labiel en blijft hij geloven in zijn eigen waarheid. Eigenlijk

is hij er dus niets verder mee gekomen (...)”

3.8

Op 29 april 2015 vindt een gesprek plaats tussen [verzoeker] , [leidinggevende] en regiodirecteur [regiodirecteur] over de detachering/overplaatsing. Uit het verslag blijkt dat [verzoeker] herhaalt dat hij spijt heeft en graag in een gesprek excuses aan [collega] zou willen aanbieden waarop de andere gespreksdeelnemers onder verwijzing naar eerdere verslagen aangeven dat de impact veel groter is dan dat [verzoeker] schetst en er bewijsbaar stafbare feiten zijn gepleegd.

3.9

Nadat [verzoeker] aanvankelijk voor één jaar was gedetacheerd bij de beheereenheid [plaatsnaam] is hij per 1 juli 2016 (definitief) overgeplaatst naar de beheereenheid [plaatsnaam] van Natuurmonumenten met als standplaats [plaatsnaam] . In de bevestigingsbrief van Natuurmonumenten van 14 juni 2016 is vermeld dat, zoals bekend, terugkeer naar de beheereenheid [plaatsnaam] voor hem niet tot de mogelijkheden behoort. De vergoeding woon-werkverkeer wordt gebaseerd op vijf reisdagen per week en 25 km enkele reis.

3.10

Begin maart 2017 heeft [verzoeker] bij [leidinggevende] geïnformeerd naar een vacature in [plaatsnaam] . [leidinggevende] heeft [verzoeker] voorgehouden dat hij niet in aanmerking komt voor wat voor een functie dan ook in [plaatsnaam] vanwege het aldaar afgespeelde incident.

3.11

Op 24 maart 2017 is [verzoeker] op eigen initiatief en zonder vooraankondiging naar [plaatsnaam] gegaan, naar hij heeft verklaard om het uit te praten, en heeft hij [collega] op haar werkplek opgezocht. Zij heeft door haar houding en uitlatingen kenbaar gemaakt dat zij hiervan niet gediend was. Naar aanleiding hiervan is [verzoeker] op 24 maart 2017 geschorst.

4 Het verzoek aan de kantonrechter en de beoordeling daarvan

4.1

Natuurmonumenten heeft, samengevat, de kantonrechter verzocht de arbeidsovereenkomst tussen partijen te ontbinden op de e-grond (verwijtbaar handelen), subsidiair de g-grond (verstoorde arbeidsverhouding).

4.2

[verzoeker] heeft afwijzing van het verzoek bepleit. [verzoeker] op zijn beurt heeft de kantonrechter verzocht voor het geval de arbeidsovereenkomst zal worden ontbonden, bij de datum van ontbinding rekening te houden met de geldende opzegtermijn en om Natuurmonumenten te veroordelen tot betaling van de transitievergoeding ter hoogte van € 59.231 bruto.

4.3

De kantonrechter heeft in de bestreden beschikking die uitvoerbaar bij voorraad is verklaard de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 juli 2017 ontbonden, het verzoek van [verzoeker] tot toekenning van transitievergoeding afgewezen en hem veroordeeld in de proceskosten.

5 De beoordeling in hoger beroep

5.1

Kern van het geschil vormt de vraag of de arbeidsovereenkomst tussen partijen terecht is ontbonden wegens ernstig verwijtbaar handelen aan de zijde van [verzoeker] dan wel wegens een verstoorde arbeidsverhouding, en zo ja, of [verzoeker] toch aanspraak kan maken op de transitievergoeding, dan wel zo neen, het hof de arbeidsovereenkomst dient te herstellen en aanspraak bestaat op loondoorbetaling dan wel bij gebreke van herstel of de verzochte transitievergoeding en een billijke vergoeding toewijsbaar zijn.

5.2

Grief 1 richt zich tegen het oordeel van de kantonrechter dat sprake is van een redelijke grond voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 7:669 lid 3, onderdeel e BW en zijn gedrag in de jaren 2012 - 2014 niet door de beugel kon (rechtsoverwegingen 5.6 en 5.7). [verzoeker] klaagt in dat verband dat de kantonrechter verzuimd heeft zelfstandig onderzoek te doen naar de feiten en omstandigheden die hem worden verweten. Met grief 2 richt hij zich tegen het oordeel van de kantonrechter dat Natuurmonumenten hem een tweede kans heeft gegeven en dat hij zonder toestemming en ongevraagd [collega] in [plaatsnaam] heeft benaderd om de kwestie uit te praten zodat hij weer herplaatst zou kunnen worden naar [plaatsnaam] , wat voor hem dichter bij huis was (rechtsoverwegingen 5.8 en 5.9). Met een niet nader genummerde grief verzet [verzoeker] zich tegen het oordeel van de kantonrechter dat hij met zijn bedoelde handelen voortzetting van het dienstverband onmogelijk heeft gemaakt, dat hij zich niet hield aan de instructies alsmede dat hij er geen blijk van inzicht heeft gegeven welke impact zijn handelen heeft gehad op [collega] (rechtsoverweging 5.10). Grief 3 richt zich tegen de conclusie van de kantonrechter dat het verzoek van Natuurmonumenten zal worden toegewezen wegens ernstig verwijtbaar gedragingen van [verzoeker] , op zo kort mogelijke termijn per 1 juli 2017 (rechtsoverweging 5.11). Met grief 4 wordt opgekomen tegen de afwijzing van de transitievergoeding (rechtsoverweging 5.12) nu van ernstig verwijtbaar handelen geen sprake is dan wel dit naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Met grief 5 wordt bezwaar gemaakt tegen de proceskostenveroordeling en met grief 6 tegen het dictum van de beslissing waarbij de arbeidsovereenkomst is ontbonden en de verzochte transitievergoeding is afgewezen.

Ontbinding

5.3

Het hof zal eerst onderzoeken of sprake is van een redelijke grond voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst bestaande uit verwijtbaar handelen van [verzoeker] en zo nodig, gelet op de devolutieve werking van het hoger beroep, van een verstoorde arbeidsverhouding en de arbeidsovereenkomst dus al dan niet terecht is ontbonden.

5.4

Tussen partijen staat vast dat in 2012/2014 [verzoeker] aan [collega] een cadeaubon van de parfumerie heeft gegeven, op Valentijnsdag een bos bloemen heeft laten bezorgen, het jaar daarop een leeg parfumerietasje heeft gegeven, foto’s van [collega] heeft opgehangen op het prikbord, op Facebook een bericht heeft gepost over ‘ [echtgenoot collega] ’ waarbij duidelijk denigrerend werd gerefereerd aan de echtgenoot van [collega] , alsmede haar ten minste één sms-bericht heeft gestuurd waarin hij haar heeft verweten een egoïst te zijn. [collega] heeft meermaals te kennen gegeven niet van dit gedrag gediend te zijn. Voorts staat vast dat [verzoeker] in dezelfde periode tot tweemaal toe wijn op naam van [collega] heeft besteld en laten bezorgen waarbij hij gebruik heeft gemaakt van een door hem vervalste handtekening van [collega] en van haar bankgegevens, waardoor geld van haar rekening is afgeschreven.

5.5

Het hof neemt tot uitgangspunt dat het voormelde gedrag van [verzoeker] , in samenhang bezien, zonder meer als grensoverschrijdend en ontoelaatbaar jegens zijn collega [collega] moet worden aangemerkt. Voorts staat vast dat Natuurmonumenten eind 2014 voornemens is geweest om [verzoeker] op basis van deze feiten op staande voet te ontslaan, maar dat zij uiteindelijk gevolg heeft gegeven aan het verzoek van [verzoeker] om hem een tweede kans te geven en dat zij het dienstverband heeft voortgezet onder een aantal voorwaarden. Aan [verzoeker] is door Natuurmonumenten zeer indringend kenbaar gemaakt dat zijn gedrag intolerabel was en dat hij wordt overgeplaatst en hij geen contact met [collega] meer mag hebben. Hij is daarbij gewaarschuwd dat ongewenst gedrag niet meer getolereerd zal worden en dat wanneer hij niet van onbesproken gedrag zal zijn alsmede ingeval hij het door Natuurmonumenten in hem gestelde vertrouwen wederom mocht beschamen, hij rekening dient te houden met ontslag. Begin 2015 is hem nogmaals, nadat hij [collega] per brief had benaderd, aangezegd dat hij geen rechtstreeks contact met [collega] mocht opnemen en hij niet op haar werkplek mocht verschijnen. Alsmede is hem medegedeeld dat [collega] had aangegeven dat zij geen prijs stelde op contact of een gesprek op dat moment, en dat hij dat moest respecteren. Na een jaar waarin hij bij een derde gedetacheerd is geweest werkt [verzoeker] sinds 1 juli 2016 bij de beheereenheid [plaatsnaam] met als standplaats [plaatsnaam] . In de bevestigingsbrief van 14 juni 2016 is vermeld dat, zoals bekend, terugkeer naar de beheereenheid [plaatsnaam] en de locatie [plaatsnaam] waar [collega] werkzaam is, voor [verzoeker] niet tot de mogelijkheden behoort. Begin maart 2017 heeft hij desondanks bij [leidinggevende] geïnformeerd naar een vacature in [plaatsnaam] . [leidinggevende] heeft [verzoeker] voorgehouden dat hij niet in aanmerking komt voor wat voor een functie dan ook in [plaatsnaam] vanwege het aldaar afgespeelde incident. Op 24 maart 2017 is [verzoeker] op eigen initiatief en zonder vooraankondiging naar [plaatsnaam] gegaan, naar hij heeft verklaard om het uit te praten, en heeft hij [collega] op haar werkplek opgezocht. Zij heeft door haar houding en uitlatingen kenbaar gemaakt dat zij hiervan niet gediend was. Deze omstandigheden brengen met zich dat niet alleen sprake is van een verstoorde verhouding, zodanig dat van Natuurmonumenten als werkgever in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] te laten voortduren mede omdat (nieuwe) overplaatsing geen optie meer was, maar ook dat [verzoeker] verwijtbaar heeft gehandeld, zodanig dat van Natuurmonumenten als werkgever in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] te laten voortduren. Op de nadere verweren van [verzoeker] zal het hof hierna ingaan.

5.6

Met de stelling dat de cadeaubon van de parfumerie, de bloemen op Valentijnsdag, het lege parfumerietasje, het ophangen van de foto’s, het posten van het bericht op Facebook en het sms-bericht als practical jokes moeten worden beschouwd, onderschat [verzoeker] niet alleen de ernst van zijn eigen gedragingen maar tevens de ernst van de door de werkgever aan hem gegeven zeer expliciete waarschuwing in 2014, de instructie/afspraak uit 2015 en de (als definitief bedoelde) overplaatsing als sanctie op zijn gedrag. Voor zover [verzoeker] heeft aangevoerd dat hij op 24 maart 2017 niet naar [collega] is toe gegaan vanwege het willen werken in [plaatsnaam] maar om excuses te maken en om een punt achter de hele geschiedenis te zetten, mede omdat de zaak nooit is uitgesproken, miskent hij dat hem zijdens Natuurmonumenten eerder (op 24 maart 2015), toen hij ook contact met [collega] had gezocht, in dat geval per brief, uitdrukkelijk te kennen was gegeven dat [collega] geen prijs stelde op contact of een gesprek op dat moment, en dat hij dat moest respecteren. Wanneer [verzoeker] begin 2017 had gedacht dat inmiddels wellicht die bereidheid wel zou hebben bestaan bij [collega] , had het op zijn weg gelegen om dat eerst met zijn leidinggevende op te nemen. Daaraan heeft het ontbroken. In het gesprek in 2015 is overigens door Natuurmonumenten ook uitdrukkelijk aangegeven dat alle contacten met [collega] via de leidinggevende zouden moeten gaan. Ook daarmee is in strijd gehandeld.

5.7

[verzoeker] heeft voorts beroep gedaan op een aantal omstandigheden die in zijn optiek ertoe hebben geleid dat de afspraak van 27 maart 2015, volgens Natuurmonumenten een waarschuwing en een instructie, om geen direct contact op te nemen met [collega] en om niet naar [plaatsnaam] te gaan verwaterd was. Uit de enkele omstandigheid dat dit niet expliciet was vermeld in de brief van 14 juni 2016 mocht hij dat naar het oordeel van het hof evenwel niet afleiden. Het tijdsverloop tussen de waarschuwingen in 2014/15 (zie ook de brief van 7 oktober 2014, zoals weergegeven in rechtsoverweging 3.4) en 2017 was niet zodanig lang dat [verzoeker] daaraan een dergelijke verwachting mocht ontlenen. Veeleer moet worden aangenomen dat de waarschuwing en instructie nog steeds gold. Ook mocht [verzoeker] uit de omstandigheid dat hij, zoals hij heeft gesteld, voor de confrontatie met [collega] op 24 maart 2017 meerdere malen in [plaatsnaam] was geweest, zowel eerder voor werkoverleg als tweemaal in maart 2017 en toen zonder op- of aanmerkingen werd ontvangen door [leidinggevende 2] (hierna: [leidinggevende 2] ), zijn voormalig leidinggevende, die met hem had gesproken, niet afleiden dat de instructie om geen contact op te nemen was verwaterd. Aan [verzoeker] kan worden toegegeven dat de werkgever nog duidelijker dan zij al had gedaan had kunnen vastleggen dat hij zich niet in [plaatsnaam] mocht laten zien - buiten tevoren gemaakte afspraken die het werk betroffen - bijvoorbeeld in de brief van 14 juni 2016 hoewel ook de strekking daarvan niet onhelder was, maar ook dit kan [verzoeker] niet baten. Immers, de werkoverleggen waarop [verzoeker] doelt, vonden steeds plaats met zijn leidinggevende die aldaar kantoor hield zodat het niet onlogisch was dat die gesprekken daar hebben plaatsgevonden. Daarbij komt dat Natuurmonumenten, onvoldoende weersproken door [verzoeker] , heeft aangevoerd dat er altijd voor werd gezorgd dat [collega] afwezig zou zijn op het kantoor als [verzoeker] werd uitgenodigd voor zakelijk overleg op de locatie in [plaatsnaam] . Het bezoek van begin maart 2017 was een eigen initiatief van [verzoeker] omdat hij met zijn leidinggevende wilde overleggen over de openstaande vacature. Daargelaten dat dit telefonisch had gekund - zoals uiteindelijk ook is gebeurd - althans telefonisch had kunnen worden aangekondigd, waarbij de enkele stelling van [verzoeker] dat hij [leidinggevende] telefonisch niet had bereikt onvoldoende dragend is voor een ander oordeel, kan daaruit niet worden afgeleid dat de werkgever met diens aanwezigheid in [plaatsnaam] heeft ingestemd. Dat mocht [verzoeker] evenmin afleiden uit de omstandigheid dat hij bij beide gelegenheden [leidinggevende 2] heeft gesproken die hem niet heeft weggestuurd of gecorrigeerd. Het staat immers vast dat [leidinggevende 2] geen leidinggevende van [verzoeker] meer was en derhalve niet op de hoogte was van de actuele situatie, zoals Natuurmonumenten onweersproken heeft aangevoerd, maar daarnaast ook niet in de positie was om op dat moment corrigerende maatregelen jegens [verzoeker] te treffen, nog daargelaten dat [verzoeker] tweemaal zonder enige aankondiging is verschenen en aangenomen mag worden dat [leidinggevende 2] daardoor op zijn minst verrast was.

De stelling van [verzoeker] dat hij met een gesprek met [collega] de lucht wilde klaren is voorts onvoldoende geloofwaardig. Op de bij gelegenheid van de mondelinge behandeling gestelde vraag wat daarvan de zin was omdat zij sowieso niet samenwerkten, heeft [verzoeker] enkel verklaard dat je elkaar toch wel eens tegenkomt en hij een hekel aan ruzie heeft. Dit is op zichzelf begrijpelijk maar in het licht van de voorgeschiedenis een ongenoegzame verklaring, zeker omdat hij kort daarvoor te horen had gekregen dat terugplaatsing naar [plaatsnaam] uitgesloten was, zodat van samenwerken met [collega] in het geheel geen sprake zou zijn.

5.8

Waar [verzoeker] heeft gesteld dat [collega] op 24 maart 2017 zelf tegen hem tekeer ging, naar het hof de stelling begrijpt in de optiek van [verzoeker] ten onrechte, dat sprake was van een overtrokken reactie en dat ook hij aanspraak kan maken op een veilige werkomgeving, is het hof van oordeel dat dit verweer een volstrekte miskenning betreft van zijn eigen gedrag en wat dit teweeg heeft gebracht zowel bij zijn collega als bij zijn werkgever. Dit geldt temeer voor de suggestie van [verzoeker] dat [collega] na twee en een half jaar over haar eigen schaduw heen dient te stappen. Juist haar reactie had [verzoeker] moeten doen inzien dat het absoluut ongepast was om haar op te zoeken op haar werkplek. Hieruit volgt dat bij [verzoeker] ook niet sprake was van zelfreflectie, zoals ook in het gespreksverslag van 24 maart 2015 al wordt opgemerkt.

5.9

Het verweer van [verzoeker] ten slotte dat de kantonrechter geen onderzoek heeft gedaan gaat niet op. Gelet op vorenstaande vaststaande feiten was een nader feitenonderzoek niet nodig. [verzoeker] heeft ook geen feiten aangevoerd die, mits zij zouden komen vast te staan, tot een andere conclusie zouden moeten leiden.

5.10

De door [verzoeker] aangevoerde omstandigheden, waaronder de lange duur van zijn dienstverband, zijn wens om het uit te praten en dat hij verder goed functioneerde, baten hem niet. Een gewaarschuwd mens, zoals [verzoeker] , telt voor twee. Ook [verzoeker] had moeten beseffen dat zijn handelen na zijn overplaatsing en het gesprek van

24 maart 2015 zeer begrensd was, zeker wat [collega] betrof, en dat hij de geldende normen en gestelde grenzen had overtreden. Bij de aan [verzoeker] verweten handelingen zowel in 2012/14 als in 2017 is sprake van welbewust handelen terwijl het voor hem vanaf 2014 en dus ook nog in 2017 kenbaar was, en had moeten zijn, dat het naar [plaatsnaam] gaan en contact zoeken met [collega] niet zou worden getolereerd, nu dit strijdig was met de aan hem gegeven instructie en gemaakte afspraken.

Het hof is gelet op hetgeen hiervoor is overwogen van oordeel dat de kantonrechter terecht het verzoek om ontbinding van de arbeidsovereenkomst heeft toegewezen. Voortzetting van het dienstverband mocht van Natuurmonumenten, die immers ook heeft in te staan voor de veiligheid en het welzijn van haar andere medewerk(st)ers, niet meer worden verwacht. Het hof verenigt zich met het oordeel van de kantonrechter dat de arbeidsovereenkomst moe(s)t worden ontbonden op grond van artikel 7:671b lid 1, onderdeel a BW in verbinding met artikel 7:669 lid 3, onderdeel e BW. De grieven 1 en 2 alsmede de ongenummerde grief falen daarmee. Ook grief 3 faalt, met dien verstande dat het hof het gedrag van [verzoeker] in dit verband kwalificeert als (ten minste) verwijtbaar.


Billijke vergoeding

5.11

[verzoeker] heeft aanspraak gemaakt op een billijke vergoeding. Hiervoor is geoordeeld dat het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst terecht is toegewezen en derhalve voor herstel van arbeidsovereenkomst geen plaats is, zodat aan de verzochte billijke vergoeding als bedoeld in artikel 7:683 lid 3 BW niet wordt toegekomen. Mocht overigens [verzoeker] bedoeld hebben aanspraak te maken op enige (andere) billijke vergoeding (bijvoorbeeld als bedoeld in artikel 671b lid 8 aanhef en sub c BW) is dit verzoek niet toewijsbaar nu in het vorenstaande ligt besloten dat van (laat staan: ernstig) verwijtbaar handelen van de werkgever geen sprake is geweest. De aangevoerde persoonlijke omstandigheden, waaronder de omstandigheid dat [verzoeker] nu via een uitzendbureau in groenvoorziening werkzaam is en dat sprake is van zwaar werk dat hij mogelijk niet structureel zal kunnen blijven doen, alsmede het door hem geleden en nog te lijden inkomens- en pensioenverlies, leiden niet tot een ander oordeel.

Opzegtermijn

5.12

[verzoeker] heeft voorts aanspraak gemaakt op een opzegtermijn van één maand, nu niet sprake is van ernstig verwijtbaar handelen. Het hof zal het oordeel, gelet op hetgeen hierna zal worden overwogen, aanhouden tot de eindbeschikking.

Transitievergoeding

5.13

Met grief 4 komt [verzoeker] op tegen de afwijzing door de kantonrechter van de transitievergoeding. De daarmee te beantwoorden vraag is of, zoals [verzoeker] heeft aangevoerd, Natuurmonumenten op grond van artikel 7:673 BW bij ontbinding van de arbeidsovereenkomst een transitievergoeding verschuldigd is aan [verzoeker] , nu niet sprake is van ernstig verwijtbaar handelen zijnerzijds dan wel, zo dit wel het geval is, het achterwege laten van transitievergoeding naar maatstaven redelijkheid en billijkheid als bedoeld in artikel 7:673 lid 8 BW onaanvaardbaar is.

5.14

Het hof overweegt als volgt. Hiervoor is reeds geoordeeld dat [verzoeker] verwijtbaar heeft gehandeld. Het verweer dat [verzoeker] er niet op uit was de verhouding met [collega] welbewust te frustreren ziet er aan voorbij dat een dergelijke opzet voor zijn handelen niet vereist is voor de conclusie dat sprake is van verwijtbaar handelen. Voor zover [verzoeker] bedoeld heeft te stellen dat hetgeen hem verweten wordt niet toerekenbaar is, verwerpt het hof deze stelling als onvoldoende onderbouwd. Voor zover hij in dit verband heeft aangevoerd dat hij de verhouding wilde normaliseren (appelschrift 3.49) is hiervoor geoordeeld dat het hem ook daarbij niet vrijstond ongevraagd en onverwacht [collega] te bezoeken.
Of [verzoeker] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld hangt af van alle omstandigheden van het geval. Natuurmonumenten heeft gesteld, en bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep bij monde van [leidinggevende] herhaald, dat de laatste [verzoeker] in het telefoongesprek van begin maart 2017 heeft gezegd dat hij niet naar [collega] / [plaatsnaam] mocht komen. [verzoeker] heeft dit stellig betwist. Het hof zal daarom Natuurmonumenten in de gelegenheid stellen om deze feitelijke omstandigheid te bewijzen. Mocht Natuurmonumenten in dit bewijs slagen is het hof van oordeel dat in dat geval in elk geval sprake is van ernstig verwijtbaar handelen aan de zijde van [verzoeker] waardoor in beginsel geen aanspraak bestaat op de transitievergoeding.

De beoordeling als bedoeld in artikel 7:673 lid 8 BW of het niet toekennen van de transitievergoeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is zal worden aangehouden tot na de bewijslevering.

Slotsom
5.15 De grieven 1, 2, de ongenummerde en 3 (de laatste in elk geval deels) falen. In het vorenstaande ligt besloten dat de primaire verzoeken sub 1 (ten onrechte ontbinding), sub 2 (geen redelijke grond voor ontbinding), sub 3 (herstel), sub 4 (billijke vergoeding) en sub 5 (loon c.a.) niet toewijsbaar zijn en bij de eindbeschikking zullen worden afgewezen. Hetzelfde geldt voor het subsidiaire verzoek sub 7 (billijke vergoeding). Het oordeel over de overige verzoeken alsmede over de grieven 4, 5 en 6 wordt aangehouden tot na de bewijslevering.

6 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

laat Natuurmonumenten toe te bewijzen dat [leidinggevende] bij gelegenheid van het door hem met [verzoeker] gevoerde telefonische gesprek begin maart 2017 heeft gezegd dat hij niet in [plaatsnaam] mocht komen en/of contact mocht hebben met [collega] ;

bepaalt dat, indien Natuurmonumenten uitsluitend bewijs door bewijsstukken wenst te leveren, zij die stukken op de roldatum 25 april 2018 in het geding dient te brengen;

bepaalt dat, indien Natuurmonumenten dat bewijs (ook) door middel van getuigen wenst te leveren, het verhoor van deze getuigen zal geschieden ten overstaan van het hierbij tot raadsheer-commissaris benoemde lid van het hof mr. M.F.J.N. van Osch, die daartoe zitting zal houden in het paleis van justitie aan de Walburgstraat 2-4 te Arnhem en wel op een nader door deze vast te stellen dag en tijdstip;

bepaalt dat, in het geval er getuigen worden voorgebracht, partijen ( [verzoeker] in persoon / Natuurmonumenten vertegenwoordigd door iemand die van de zaak op de hoogte is en bevoegd is tot het aangaan van een schikking) samen met hun advocaten bij het verhoor van de getuigen aanwezig zullen zijn om partijen zelf zo nodig nadere inlichtingen te laten geven over de punten waarover de getuigen zullen worden gehoord en om te onderzoeken of partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden;

bepaalt dat Natuurmonumenten het aantal voor te brengen getuigen alsmede de verhinderdagen van beide partijen, van hun advocaten en van de getuigen zal opgeven op de datum 11 mei 2018, waarna dag en uur van het verhoor (ook indien voormelde opgave van een of meer van partijen ontbreekt) door de raadsheer-commissaris zullen worden vastgesteld;

bepaalt dat Natuurmonumenten overeenkomstig artikel 170 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering de namen en woonplaatsen van de getuigen tenminste een week voor het verhoor aan de wederpartij en de griffier van het hof dient op te geven;

bepaalt dat indien een partij bij gelegenheid van het getuigenverhoor nog een proceshandeling wenst te verrichten of producties in het geding wenst te brengen, deze partij ervoor dient te zorgen dat het hof en de wederpartij uiterlijk twee weken voor de dag van de zitting een afschrift van de te verrichten proceshandeling of de in het geding te brengen producties hebben ontvangen;

iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.F.J.N. van Osch, C. Hoogland en R. de Vries en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 28 maart 2018.