Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:4038

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
30-04-2018
Datum publicatie
30-04-2018
Zaaknummer
21-003397-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bedreiging buschauffeur. Vrijspraak. Geen sprake van redelijke vrees gelet op de context waarin de uitlatingen zijn gedaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-003397-17

Uitspraak d.d.: 30 april 2018

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Almere , van 6 juni 2017 met parketnummer 16-049702-17 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging, parketnummer 13-012987-15, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969,

wonende te [woonplaats] , [woonadres] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 16 april 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling ter zake van het aan verdachte ten laste gelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van vier dagen waarvan twee dagen voorwaardelijk, alsmede tot een werkstraf voor de duur van 40 uren. Daarnaast heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde taakstraf voor de duur van 30 dagen, subsidiair 15 dagen hechtenis, parketnummer 13-012987-15, wordt toegewezen.

Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen namens verdachte door zijn raadsman,

mr. J.W.E. Luiten, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

De politierechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie [plaats] , heeft verdachte veroordeeld ter zake van het hem ten laste gelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van vier dagen, met aftrek van het voorarrest, waarvan twee dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, alsmede tot een taakstraf voor de duur van 40 uren subsidiair 20 dagen hechtenis. Daarnaast heeft de politierechter de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde taakstraf voor de duur van 30 dagen, subsidiair 15 dagen, hechtenis met parketnummer 13-012987-15 toegewezen.

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 29 november 2016 te [plaats] [aangever] , buschauffeur, heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [aangever] dreigend de woorden toegevoegd: "Ik vermoord je, ik sla je binnenste buiten", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak

De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat verdachte vrijgesproken dient te worden van het hem ten laste gelegde. Daartoe heeft de raadsman, zakelijk weergegeven, onder meer het volgende aangevoerd. Verdachte ontkent dat hij de woorden ‘ik vermoord je, ik sla je binnenstebuiten’ heeft geuit. Dit blijkt ook niet uit de verklaring van getuige [getuige] . Het is de vraag in hoeverre de verklaring van aangever [aangever] , in het licht van deze inconsistenties, als betrouwbaar kan worden aangemerkt. Bovendien kunnen de woorden die verdachte wel geuit zou hebben niet gekwalificeerd worden als bedreiging in strafrechtelijke zin. Deze woorden moeten worden opgevat als een emotionele ontlading en een verzuchting van frustratie. De raadsman heeft ter onderbouwing van zijn betoog verwezen naar een vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag van 14 november 2014.1

Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Het hof overweegt daarbij in het bijzonder als volgt.

Aangever [aangever] heeft op 30 november 2016 tegenover de politie verklaard dat verdachte tegen hem zou hebben geroepen dat hij hem zou vermoorden en slaan. Verdachte heeft dit ontkend. De verklaring van aangever vindt op dit punt geen steun in de op 14 februari 2017 tegenover de politie afgelegde verklaring van getuige [getuige] . Deze getuige verklaart namelijk dat verdachte de woorden ‘ik doe je wat aan’ en ‘ik ben in staat iemand te vermoorden vandaag’ heeft geuit. Aldus zijn de verklaringen van [aangever] en [getuige] op dit punt niet eensluidend. Ook anderszins is uit het dossier niet gebleken dat verdachte de woorden ‘ik vermoord je, ik sla je binnenste buiten’ richting [aangever] heeft geroepen. Dit brengt met zich mee dat niet vastgesteld kan worden dat verdachte de voorgenoemde uitlatingen heeft gedaan. Het hof is – mede gelet op de verklaringen van [aangever] , [getuige] en verdachte in samenhang bezien – evenwel van oordeel dat verdachte tijdens de betreffende busrit jegens [aangever] woorden heeft gebezigd van gelijke dreigende aard of strekking, namelijk ‘ik doe je wat aan’ en ‘ik ben in staat iemand te vermoorden vandaag’. Hierbij gaat het hof uit van de situatie waarin verdachte zich niet langer in de directe nabijheid van [aangever] bevond. Het hof neemt aan dat de aangever door deze uitingen geschrokken is en zich bedreigd heeft kunnen voelen. Op zichzelf is dit echter niet voldoende voor een bewezenverklaring ter zake van bedreiging in de zin van artikel 285 Wetboek van Strafrecht. Van een bedreiging in strafrechtelijke zin is naar vaste rechtspraak van de Hoge Raad pas sprake indien de bedreiging onder zodanige omstandigheden is gedaan dat bij de betrokkene de redelijke vrees kon ontstaan dat het misdrijf waarmee werd gedreigd ook zou worden gepleegd. Deze redelijke vrees – die geobjectiveerd van aard is en dus niet enkel wordt bepaald door de bij het slachtoffer veroorzaakte angstgevoelens – kan in de onderhavige zaak niet worden vastgesteld, nu de uitlatingen van de verdachte, in de context waarin zij zijn gedaan, moeten worden beschouwd als uitingen van onmacht en frustratie die bij [aangever] niet de redelijke vrees hebben kunnen doen ontstaan dat hij door toedoen van verdachte het leven zou verliezen, dan wel het slachtoffer zou worden van zware mishandeling.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Wijst af de vordering van de officier van justitie in het arrondissement te Midden-Nederland van 14 maart 2017, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 11 maart 2015, parketnummer 13-012987-15, voorwaardelijk opgelegde taakstraf voor de duur van 30 uren, subsidiair 15 dagen hechtenis, met een proeftijd van twee jaren.

Aldus gewezen door

mr. T.H. Bosma, voorzitter,

mr. E.M.J. Brink en mr. A. Dijkstra, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. W.D. de Boer, griffier,

en op 30 april 2018 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

1 Rechtbank Den Haag 14 november 2014, ECLI:NL:RBDHA:2014:13871