Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:4034

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
26-04-2018
Datum publicatie
08-05-2018
Zaaknummer
200.231.449/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ondertoezichtstelling om statusvoorlichting te kunnen geven. De moeder is diverse malen op het belang daarvan gewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2018-0141
PFR-Updates.nl 2018-0180
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.231.449/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/17/156763 / FJ RK 17-840)

beschikking van 26 april 2018

inzake

[verzoeker] ,

wonende te [A] ,
verzoeker in hoger beroep,

verder te noemen: de vader,

advocaat: mr. J.D. Nijenhuis te Leeuwarden.

Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:

1 [de moeder] ,

wonende te [B] ,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. R.A. Schütz te Leeuwarden,

2 de raad voor de kinderbescherming

regio Noord Nederland, locatie Leeuwarden,

verder te noemen: de raad.

1 Het geding in eerste aanleg

1.1

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 4 oktober 2017, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met productie(s), ingekomen op 4 januari 2018;

- het verweerschrift van de moeder;

- een journaalbericht van mr. Nijenhuis van 19 januari 2018 met productie(s);

- een brief van de raad van 26 januari 2018, waarin de raad mededeelt dat ter zitting verweer zal worden gevoerd.

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 4 april 2018 plaatsgevonden. Verschenen zijn:
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

- namens de raad: de heer [C] .

3 De feiten

3.1

Uit de affectieve relatie die tussen de vader en de moeder heeft bestaan is [in] 2010 geboren [de minderjarige] (verder te noemen: [de minderjarige] ). De vader heeft [de minderjarige] met vervangende toestemming van de rechtbank erkend op 11 mei 2015. [de minderjarige] heeft zijn hoofdverblijfplaats bij de moeder. De moeder is alleen met het gezag over [de minderjarige] belast.

3.2

Bij inleidend verzoekschrift, binnengekomen op de griffie van de rechtbank op
18 augustus 2017, heeft de vader, voor zover hier van belang, verzocht om de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] uit te spreken. De moeder heeft hiertegen verweer gevoerd. De raad heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de kinderrechter.

3.3

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, het verzoek van de vader afgewezen.

4 De omvang van het geschil

4.1

De vader is met twee grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. De vader verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en alsnog een ondertoezichtstelling uit te spreken over [de minderjarige] .

4.2

De moeder heeft verweer gevoerd en het hof verzocht het hoger beroep van de vader ongegrond te verklaren en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

4.3

De raad heeft zich ter zitting gerefereerd aan het oordeel van het hof.

5 De motivering van de beslissing

5.1

Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling indien die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:

a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en

b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW, in staat zijn te dragen.

5.2

Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting is het hof gebleken dat [de minderjarige] nog altijd niet weet wie zijn vader is. De raad heeft reeds in zijn rapport van 2 januari 2014 (dat in opdracht van de rechtbank tot stand is gekomen naar aanleiding van verzoeken van de vader tot vervangende toestemming voor erkenning, gezag en het vaststellen van een omgangsregeling) geconstateerd dat het voor de identiteitsontwikkeling van [de minderjarige] belangrijk is dat hij weet wie zijn vader is en dat hij zich een realistisch beeld kan vormen van zijn vader. De raad heeft in dat rapport tevens aangegeven dat de moeder een plicht heeft tot statusvoorlichting.

5.3

Ook dit hof heeft in zijn beschikking van 16 december 2014, betreffende het hoger beroep van onder meer de afwijzing bij beschikking van 2 april 2014 van het verzoek van de vader tot omgang met [de minderjarige] , het volgende overwogen:
" Gebleken is dat [de minderjarige] niet weet wie zijn vader is. Voor [de minderjarige] is het dan ook allereerst van belang dat hij hierover door zijn moeder wordt ingelicht. Uit de stukken en de behandeling ter zitting is gebleken dat de moeder niet van plan is [de minderjarige] uit zichzelf hierover in te lichten. Hoewel het hof begrip heeft voor de angsten van de moeder, acht het hof haar houding op dit punt zorgelijk, nu statusvoorlichting essentieel is voor een goede identiteitsontwikkeling. Van de moeder wordt daarom verwacht dat zij spoedig hulp inschakelt waardoor zij in staat zal zijn [de minderjarige] binnen afzienbare termijn statusvoorlichting te geven. Dit betekent dat zij daarbij tevens - in het belang van [de minderjarige] - hulp dient te ontvangen voor het verminderen van haar angsten ten aanzien van de vader. Naar het oordeel van het hof dient de moeder voorlopig de ruimte te worden gegeven om statusvoorlichting op gang te brengen om de vader een plek in het leven van [de minderjarige] te geven, voordat eventueel tot een (opbouw van een) omgangsregeling kan worden gekomen".

5.4

In augustus 2015 heeft de vader opnieuw een verzoek tot omgang met [de minderjarige] ingediend. De rechtbank heeft de raad in deze procedure verzocht om een onderzoek in te stellen naar de vraag of statusvoorlichting op dat moment in het belang van [de minderjarige] is en zo ja, op welke manier een situatie gecreëerd kan worden waarin de moeder [de minderjarige] op een verantwoorde wijze in kan lichten over zijn vader.
Uit het raadsrapport van 7 juni 2016 komt naar voren dat de raad het zorgelijk vindt dat de moeder nog altijd geen openheid naar [de minderjarige] toont over zijn afkomst. Het is volgens de raad de taak van een ouder om het kind over zijn afkomst te informeren en daar niet mee te wachten tot het kind vragen over zijn afkomst gaat stellen of opgroeit met het idee dat de nieuwe partner van de moeder zijn biologische vader is. Dat [de minderjarige] geen vragen zou stellen over zijn afkomst, kan de raad zich moeilijk voorstellen. Als dat wel het geval is, komt dat volgens de raad mogelijk doordat [de minderjarige] de partner van de moeder als zijn vader ziet. [de minderjarige] heeft volgens de raad het recht om te weten wie zijn vader is. Dat zal zijn ontwikkeling niet schaden. Het is volgens de raad voor een gezonde identiteitsontwikkeling van een kind belangrijk dat het zich kan spiegelen aan zijn ouders. Als het bestaan van de biologische vader voor [de minderjarige] wordt verzwegen, wordt een deel van [de minderjarige] ontkend. Dat is volgens de raad een boodschap die een ouder niet moet willen geven aan een kind om (ontwikkelings)problemen in de toekomst te voorkomen. De raad heeft echter ook geconstateerd dat er bij de moeder nog altijd weinig mogelijkheden zijn om statusvoorlichting te geven. De moeder en grootmoeder moederszijde zijn volgens de raad zeer stellig in hun mening dat statusvoorlichting niet moet plaatsvinden en het gesprek daarover is moeilijk te voeren. Voor een hulpverleningstraject vanuit [D] om bij de moeder bewustwording te creëren en haar te ondersteunen bij het geven van statusvoorlichting, lijkt bij de moeder geen enkele motivatie te zijn. Een ondertoezichtstelling gericht op statusvoorlichting zou volgens de raad echter de spanningen bij de moeder verergeren. De rustige en stabiele situatie voor [de minderjarige] zou dan verstoord kunnen raken en het is volgens de raad bovendien de vraag in hoeverre de moeder, wanneer zij gedwongen wordt tot het geven van statusvoorlichting, in staat is een beeld neer te zetten van de vader waarbij [de minderjarige] voldoende van hem weet, maar beschermd wordt voor te belastende informatie. De raad heeft daarom alles afwegende geconcludeerd dat er op dat moment geen mogelijkheden zijn voor statusvoorlichting. De rechtbank heeft het advies van de raad gevolgd en heeft het verzoek van de vader om een omgangsregeling vast te stellen bij beschikking van 21 december 2016 opnieuw afgewezen.

5.5

De vader is vervolgens in augustus 2017 de onderhavige procedure gestart, waarin hij heeft verzocht om [de minderjarige] onder toezicht te stellen. Bij de bestreden beschikking heeft de kinderrechter het verzoek van de vader om [de minderjarige] onder toezicht te stellen afgewezen en daartoe overwogen dat het enkel uitblijven van statusvoorlichting weliswaar een bedreiging vormt voor de ontwikkeling van [de minderjarige] , maar dat er geen sprake is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging en dat het belang van [de minderjarige] niet gediend is met een ondertoezichtstelling, nu dat forse spanningen zal meebrengen voor de moeder, waardoor de stabiele en rustige situatie rondom [de minderjarige] verstoord kan raken. Daarbij heeft de kinderrechter overwogen zich zorgen te maken over de situatie van [de minderjarige] , omdat de kans bestaat dat de moeder [de minderjarige] (onbedoeld) beschadigt, doordat zij hem niet voorlicht over de vraag wie zijn vader is. De kinderrechter heeft overwogen van de moeder te verwachten dat zij zich gaat verdiepen in de gevolgen van het niet tijdig geven van statusvoorlichting en dat zij hulp zoekt bij het geven van statusvoorlichting.

5.6

Uit de behandeling ter zitting in hoger beroep is het hof gebleken dat bij de moeder inmiddels wel bewustwording lijkt te zijn ontstaan dat het in [de minderjarige] belang is om over zijn afkomst te worden ingelicht. De moeder stelt echter dat zij wil wachten met het geven van statusvoorlichting tot zich daarvoor een geschikt moment aandient. Wanneer dat moment zal zijn weet de moeder niet. Dat kan binnen een jaar zijn, maar het zou ook langer kunnen duren. Wel heeft de moeder naar voren gebracht dat zij [de minderjarige] in elk geval zal inlichten als hij vragen gaat stellen over zijn afkomst. De moeder stelt dat zij daarbij in een vrijwillig kader hulpverlening zal vragen.

5.7

Hoewel het hof het een positieve ontwikkeling vindt dat de moeder inmiddels de noodzaak van statusvoorlichting aan [de minderjarige] lijkt in te zien, is het hof er op grond van de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting onvoldoende van overtuigd geraakt dat de moeder met voldoende voortvarendheid die statusvoorlichting zal geven om zo een ernstige ontwikkelingsbedreiging van [de minderjarige] af te kunnen wenden. Het hof neemt bij dit oordeel in aanmerking dat de moeder al in 2014 voor het eerst is gewezen op het belang van statusvoorlichting aan [de minderjarige] , en dat dit belang vervolgens herhaaldelijk door zowel de raad als verschillende rechters aan de moeder is voorgehouden. Tot op heden heeft de moeder echter nog helemaal geen stappen gezet om daadwerkelijk te kunnen komen tot het geven van die statusvoorlichting. Uit de antwoorden van de moeder op vragen van het hof leidt het hof af dat de moeder nog altijd geen concreet plan heeft gemaakt hoe zij de statusvoorlichting aan wil pakken. Hoewel de moeder stelt dat zij erg opziet tegen het geven van statusvoorlichting, omdat zij denkt dat [de minderjarige] naar aanleiding daarvan veel vragen aan haar zal hebben, laat zij na om hulpverlening in te schakelen die haar kan begeleiden bij dit proces en bij haar angsten. De steun die de moeder stelt te krijgen van haar moeder en haar advocaat acht het hof in dit verband onvoldoende.

5.8

Het hof is van oordeel dat het tijdsverloop in deze zaak maakt dat de ontwikkelingsbedreiging van [de minderjarige] inmiddels moet worden gekwalificeerd als een ernstige. Het hof neemt bij dit oordeel in aanmerking dat [de minderjarige] een leeftijd heeft bereikt (7 jaar) die maakt dat hij steeds meer dingen gaat begrijpen over onder meer ook zijn familiebanden. In dat verband is bijvoorbeeld relevant dat [de minderjarige] inmiddels een broertje van 1,5 jaar oud heeft. Als dit broertje de partner van de moeder op enig moment 'papa' gaat noemen, terwijl [de minderjarige] de partner van de moeder volgens de moeder bij zijn voornaam ' [E] ' noemt, zal dit bij [de minderjarige] vragen oproepen over zijn positie binnen het gezin. Dit geldt temeer nu vast staat dat het broertje van [de minderjarige] een andere huidskleur heeft dan [de minderjarige] . De moeder heeft ter zitting naar voren gebracht dat [de minderjarige] op dit moment geen vragen stelt over zijn afkomst. Volgens de raad moet het voor [de minderjarige] echter voelbaar zijn dat er iets aan de hand is en dat kennelijk sprake is van een taboe. Naarmate er langer wordt gewacht met de statusvoorlichting, zal dit bij [de minderjarige] tot toenemende onzekerheid leiden. Als de statusvoorlichting pas wordt gegeven als [de minderjarige] zelf vragen gaat stellen, is dat te laat. Volgens de raad heeft zich bij [de minderjarige] dan al een hele worsteling afgespeeld. Dit maakt naar het oordeel van het hof dat [de minderjarige] bij het nog langer uitblijven van statusvoorlichting ernstig in zijn identiteitsontwikkeling wordt bedreigd. Dat er op dit moment geen kindsignalen zijn doet daar niet aan af.

5.9

Het hof is met de raad van oordeel dat het niet aannemelijk is dat de moeder zelf in het vrijwillig kader zal overgaan tot het geven van de statusvoorlichting binnen een voor [de minderjarige] aanvaardbare termijn. Vast staat immers dat aan de moeder vanaf 2014 ruimschoots de gelegenheid is geboden om in het vrijwillig kader toe te werken naar statusvoorlichting aan [de minderjarige] , maar dat zij daar tot op heden nog geen stappen in heeft gezet. De hulp die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is wordt door de moeder naar het oordeel van het hof derhalve onvoldoende geaccepteerd.

5.10

Op grond van het vorenstaande is het hof van oordeel dat aan de gronden voor ondertoezichtstelling van [de minderjarige] is voldaan. Hoewel een ondertoezichtstelling onvermijdelijk zal leiden tot een verstoring van de stabiele en rustige situatie rondom [de minderjarige] , is het hof, gelet op de ingrijpende gevolgen van het niet geven van statusvoorlichting, van oordeel dat het belang van [de minderjarige] om op afzienbare termijn te worden ingelicht over zijn afkomst in dit geval zwaarder weegt.

5.11

Het hof zal [de minderjarige] onder toezicht stellen van de gecertificeerde instelling Regiecentrum Bescherming en Veiligheid, kantoorhoudend te Leeuwarden, voor de duur van één jaar. De ondertoezichtstelling dient te worden benut om, zo nodig met behulp van professionele hulpverlening, binnen afzienbare tijd te starten met de statusvoorlichting van [de minderjarige] , waarbij ook aandacht dient te zijn voor de mogelijkheden van de moeder om een beeld neer te zetten van de vader waarbij [de minderjarige] voldoende van hem weet, maar beschermd wordt voor te belastende informatie.

5.12

Op grond van het vorenstaande zal het hof beslissen als na te melden.

6 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 4 oktober 2017, voor zover daarbij het inleidend verzoek tot ondertoezichtstelling van [de minderjarige] is afgewezen, en in zoverre opnieuw beschikkende:


stelt de minderjarige [de minderjarige] , geboren [in] 2010, onder toezicht van de gecertificeerde instelling Regiecentrum Bescherming en Veiligheid, kantoorhoudend te Leeuwarden, voor de periode van één jaar;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mrs. I.A. Vermeulen, I.M. Dölle en F. Kleefmann, bijgestaan door mr. L.S. Veldmans als griffier, en is op 26 april 2018 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.