Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:4033

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
26-04-2018
Datum publicatie
08-05-2018
Zaaknummer
200.231.907/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ambtshalve opheffing bewind zonder zitting te bepalen mag niet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2018-0136
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.231.907/01

(zaaknummer rechtbank 6237524 VO VERZ 17-1657)

beschikking van 26 april 2018

inzake


[verzoeker] ,

wonende te [A] ,

verzoeker in hoger beroep,
verder te noemen: [verzoeker]

advocaat: mr. P.A.K. van Eck te Groningen.

Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:

1 [de voormalige bewindvoerder] ,

handelend onder de naam [B] ,

gevestigd te [C] ,

verder te noemen: de voormalige bewindvoerder,

2 [D]

wonende te [E] ,

verder te noemen: de vader van [verzoeker] ,

3 [F] ,

wonende te [E] ,

verder te noemen: de moeder van [verzoeker] ,

4 [G] ,

wonende te [A] ,

verder te noemen: de zuster van [verzoeker] .

1 Het geding in eerste aanleg

1.1

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 19 oktober 2017, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met productie(s), ingekomen op 18 januari 2018;

- een brief van mr. Van Eck van 23 januari 2018 met productie(s);

- een brief van de voormalige bewindvoerder van 7 februari 2018 met productie(s);
- een brief van de rechtbank Noord-Nederland, van 12 februari 2018, waarin wordt medegedeeld dat er geen mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden;

- een brief van mr. Van Eck van 13 februari 2018 met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Van Eck van 16 maart 2018 met productie(s).

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 4 april 2018 plaatsgevonden. Verschenen zijn:

- [verzoeker] , bijgestaan door zijn advocaat;

- de voormalige bewindvoerder;

- de vader en de moeder van [verzoeker] .

3 De feiten

3.1

Bij beschikking van 12 maart 2012 is een bewind in de zin van artikel 1:431 van het Burgerlijk Wetboek (BW) ingesteld over alle goederen die [verzoeker] als rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren en is [de voormalige bewindvoerder] tot bewindvoerder benoemd.

3.2

Bij inleidend verzoek, binnengekomen bij de griffie van de rechtbank op 10 augustus 2017, heeft [verzoeker] verzocht [de voormalige bewindvoerder] als bewindvoerder te ontslaan en [H] als bewindvoerder te benoemen.

3.3

Bij de bestreden beschikking heeft de kantonrechter met ingang van 19 oktober 2017 ambtshalve het bewind over de goederen en gelden die (zullen) toebehoren aan [verzoeker] opgeheven.

4 De omvang van het geschil

4.1

[verzoeker] is in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking en heeft het hof verzocht de bestreden beschikking te vernietigen en alsnog [de voormalige bewindvoerder] te ontslaan als bewindvoerder, met benoeming van [H] als bewindvoerder. [verzoeker] heeft naar het hof begrijpt voorts, voor zover nodig, verzocht een nieuw bewind in te stellen in de zin van artikel 1:431 BW over alle tegenwoordige en toekomstige goederen die toebehoren aan [verzoeker] en [H] als bewindvoerder te benoemen.

5 De motivering van de beslissing

5.1

Op grond van artikel 1:431 lid 1 BW kan de kantonrechter een bewind instellen over één of meer van de goederen, die een meerderjarige als rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren, indien de meerderjarige tijdelijk of duurzaam niet in staat is ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen, als gevolg van:

a. zijn lichamelijke of geestelijke toestand, dan wel;

b. verkwisting of het hebben van problematische schulden.

5.2

Ingevolge artikel 1:449 lid 2 BW kan de kantonrechter het bewind opheffen, indien de noodzaak daartoe niet meer bestaat of voortzetting van het bewind niet zinvol is gebleken, zulks op verzoek van de bewindvoerder of degene die gerechtigd is het bewind te verzoeken als bedoeld in artikel 1:432 BW, alsmede ambtshalve.

5.3

Ingevolge artikel 1:448 lid 1 aanhef en sub e en lid 2 BW kan de bewindvoerder door de kantonrechter ontslag worden verleend, hetzij op eigen verzoek, hetzij wegens gewichtige redenen of omdat hij niet meer voldoet aan de eisen om bewindvoerder te kunnen worden, zulks op verzoek van de medebewindvoerder of degene die gerechtigd is onderbewindstelling te verzoeken als bedoeld in artikel 1:432, eerste en tweede lid BW, dan wel ambtshalve.

5.4

Het hof constateert dat de kantonrechter het bewind over de goederen en gelden die (zullen) toebehoren aan [verzoeker] ambtshalve heeft opgeheven. De kantonrechter heeft daarbij overwogen dat uit de Basisregistratie Personen is gebleken dat [verzoeker] is geëmigreerd. Ook als vast zou komen te staan dat de gronden van het bewind nog bestaan, is het volgens de kantonrechter voor de bewindvoerder onmogelijk geworden om zijn taak uit te oefenen, zodat voortzetting van het bewind niet zinvol meer is.

5.5

Het hof is van oordeel dat de kantonrechter zich er onvoldoende van heeft vergewist dat voortzetting van het bewind niet zinvol meer was. Het hof neemt daartoe in aanmerking dat er blijkens de brief van 12 februari 2018 van de griffier van de rechtbank Noord-Nederland geen mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden. Dat is in strijd met de door het Landelijk Overleg Vakinhoud Civiel en Kanton (LOVCK) vastgestelde Aanbevelingen meerderjarigenbewind. Onder G1 van deze aanbevelingen is bepaald dat de bewindvoerder, de betrokkene en belanghebbenden op het verzoek tot opheffing worden gehoord. Hoewel in casu geen sprake is geweest van een verzoek tot opheffing, maar van een ambtshalve opheffing, is het hof van oordeel dat ook bij een voornemen van de kantonrechter om het bewind ambtshalve op te heffen de hiervoor genoemde personen dienen te worden gehoord. Aannemelijk is dat als een mondelinge behandeling zou zijn gelast, duidelijk zou zijn geworden dat [verzoeker] niet was geëmigreerd en dat niet tot het oordeel zou zijn gekomen dat voortzetting van het bewind niet zinvol meer was.

5.6

Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting is naar het oordeel van het hof gebleken dat [verzoeker] nog altijd niet in staat is ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen, als gevolg van verkwisting of het hebben van problematische schulden. Dit wordt door [verzoeker] zelf ook erkend. Niet vast is komen te staan dat de noodzaak tot het bewind niet meer bestaat of dat voortzetting van het bewind niet zinvol is gebleken. Wel staat vast dat de voormalige bewindvoerder niet meer bereid is de bewindvoering op zich te nemen.

5.7

Hoewel op grond van het vorenstaande naar het oordeel van het hof in hoger beroep niet vast is komen te staan dat aan de gronden voor opheffing van het bewind was en is voldaan, ziet het hof om redenen van doelmatigheid toch aanleiding om de opheffing van het bewind te bekrachtigen.

5.8

Het hof neemt bij dit oordeel in aanmerking dat hoewel in beginsel de opheffing ingevolge het bepaalde in artikel 1:449 lid 2 BW, laatste volzin, pas van kracht wordt als de beschikking in kracht van gewijsde is gegaan, in dit geval door de kantonrechter een eerdere ingangsdatum is bepaald, namelijk (overigens in strijd met G6 van de Aanbevelingen meerderjarigenbewind) de datum van de beschikking, 19 oktober 2017. Nu ter zitting vast is komen te staan dat het bewind in de periode van 19 oktober 2017 tot heden feitelijk niet meer als zodanig is uitgevoerd, ziet het hof aanleiding om de opheffing voor die periode te bekrachtigen en daarmee de juridische situatie aan te laten sluiten bij de feitelijke situatie. Weliswaar heeft [verzoeker] ter zitting naar voren gebracht dat [H] sinds de bestreden beschikking budgetbeheer voor hem verzorgt, maar dat rechtvaardigt naar het oordeel van het hof niet het alsnog toewijzen van het inleidend verzoek, waarbij [H] met terugwerkende kracht bewindvoerder zou worden, met alle daarbij behorende wettelijke verantwoordelijkheden en verplichtingen.

5.9

Het hof ziet op grond van het vorenstaande verder aanleiding om met ingang van heden een nieuw bewind in te stellen over alle goederen die [verzoeker] als rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren, zoals door [verzoeker] naar het hof begrijpt in hoger beroep ook is verzocht. Het hof zal daarbij [H] , handelend onder de naam [I] , tot bewindvoerder benoemen, die zich daartoe middels een schriftelijke verklaring bereid heeft verklaard. Het hof zal bepalen dat de bewindvoerder binnen drie maanden na heden een beschrijving van de aan het bewind onderworpen goederen dient op te maken en een afschrift daarvan dient in te leveren ter griffie van de rechtbank Noord-Nederland (team Bewind, Curatele en Mentorschap). Het hof zal de vergoeding van de bewindvoerder vaststellen conform artikel 3 lid 2 sub b van de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren en zal ook vaststellen dat de bewindvoerder gerechtigd is om een bedrag van
€ 389,50 in rekening te brengen als vergoeding voor aanvangswerkzaamheden, zoals vermeld in artikel 3 lid 5 sub a van de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren.

5.10

Het vorenstaande leidt tot de volgende beslissing.

6 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 19 oktober 2017;

stelt met ingang van heden wegens verkwisting of het hebben van problematische schulden een bewind in over alle goederen die toebehoren of zullen toebehoren aan:

[verzoeker] , geboren [in] 1980, wonende te [A] , [a-straat 1] ,

en benoemt met ingang van heden tot bewindvoerder:

[H] , handelend onder de naam [I] , kantoorhoudend te [A] ;

bepaalt dat de bewindvoerder binnen drie maanden na heden een beschrijving van de aan het bewind onderworpen goederen dient op te maken en een afschrift daarvan dient in te leveren ter griffie van de rechtbank Noord-Nederland (team Bewind, Curatele en Mentorschap);

stelt vast dat de bewindvoerder gerechtigd is om maandelijks voor de werkzaamheden een vergoeding in rekening te brengen, zoals vermeld in artikel 3 lid 2 sub b van de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren;

stelt vast dat de bewindvoerder gerechtigd is om een bedrag van € 389,50 in rekening te brengen als vergoeding voor aanvangswerkzaamheden zoals vermeld in artikel 3 lid 5 sub a van de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren;

verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in artikel 1:391 van het Burgerlijk Wetboek een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Noord-Nederland in verband met aantekening in het Curatele- en Bewindregister;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. I.M. Dölle, I.A. Vermeulen en F. Kleefmann, bijgestaan door mr. L.S. Veldmans als griffier, en is op 26 april 2018 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.