Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:4027

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
26-04-2018
Datum publicatie
08-05-2018
Zaaknummer
200.213.037/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Partneralimentatie. Voor de beslissing van belang zijnde feiten moeten volledig en naar waarheid worden overgelegd. Selectief overleggen van stukken uit het mediationtraject.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2018/89
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.213.037/01

(zaaknummers rechtbank Midden-Nederland: C/07/136215/FL RK 07/2991 & C/07/142399/FL RK 08/762)

beschikking van 26 april 2018

inzake

[verzoekster] ,

wonende te [A] ,

verzoekster in het principaal hoger beroep,

verweerster in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. J.G. Geerdes te Almere,

en

[verweerder] ,

wonende te [B] ,

verweerder in het principaal hoger beroep,

verzoeker in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. K. Visscher te Kampen.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Lelystad, van 30 december 2016, uitgesproken onder voormelde zaaknummers (hierna ook: de bestreden beschikking).

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het beroepschrift met productie(s), ingekomen op 29 maart 2017;

  • -

    het verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep met productie(s);

  • -

    het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep met productie(s);

  • -

    een journaalbericht van mr. Geerdes van 23 mei 2017 met stukken uit eerste aanleg;

  • -

    een journaalbericht van mr. Visscher van 15 januari 2018 met productie(s);

  • -

    een journaalbericht van mr. Geerdes van 5 februari 2018 met productie(s);

  • -

    een journaalbericht van mr. Geerdes van 7 februari 2018 met productie(s) en

  • -

    een faxbericht van mr. Visscher met productie(s) van 9 februari 2018.

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 16 februari 2018 plaatsgevonden. Partijen en hun advocaten zijn daarbij verschenen. Beide advocaten hebben pleitnotities overgelegd.

3 Feiten

3.1

Partijen zijn [in] 1972 in de gemeente Noordoostpolder met elkaar gehuwd. Zij hebben tijdens het huwelijk de hierna onder 5.4 en 5.6 vermelde vennootschappen gehad.

3.2

De man heeft op 15 augustus 2007 een echtscheidingsverzoek met nevenverzoeken betreffende partneralimentatie en verdeling van de huwelijkse gemeenschap ingediend bij de rechtbank.

De vrouw heeft een verweerschrift ingediend waarin zij heeft verzocht de partneralimentatie te bepalen op € 3.000,- bruto per maand en de huwelijkse gemeenschap te verdelen als aan het eind van het verweerschrift omschreven. De man heeft een verweerschrift ingediend tegen de zelfstandige verzoeken van de vrouw.

3.3

Bij beschikking van 27 februari 2008 heeft de rechtbank de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en de overige beslissingen aangehouden. De echtscheidingsbeschikking is op 30 juni 2008 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, waardoor het huwelijk van partijen is ontbonden.

3.4

Partijen hebben daarna geruime tijd een mediationtraject gevolgd onder leiding van een financieel deskundige. Dit traject is in 2015 zonder overeenstemming afgesloten.

3.5

In de bestreden beschikking heeft de rechtbank de wijze van verdeling van de huwelijkse gemeenschap gelast (als hierna in rechtsoverweging 5.4 vermeld) en de door de man aan de vrouw verschuldigde partneralimentatie bepaald op € 600,- bruto per maand met ingang van de dag van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand.

De rechtbank heeft de bestreden beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Voorts heeft de rechtbank het meer of anders verzochte afgewezen en bepaald dat partijen ieder de eigen proceskosten moeten dragen.

4 De omvang van het geschil

4.1

Het geschil tussen partijen in hoger beroep betreft de partneralimentatie. De vrouw heeft het hof voorts verzocht om een aanvullende beslissing op het punt van de wijze van verdeling van de huwelijkse gemeenschap.

4.2

De vrouw is met negen grieven (genummerd I tot en met IX) in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Zij verzoekt het hof om de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende:

I. het oorspronkelijk alimentatieverzoek van de vrouw (hiervoor vermeld onder 3.2) toe te wijzen;

II. ter zake van de persoon van de deskundige die de ondernemingen dient te waarderen, een (andere) accountant aan te wijzen.

4.3

De man heeft in zijn verweerschrift het verzoek van de vrouw en de gronden waarop dat berust bestreden. Tevens heeft de man incidenteel hoger beroep ingesteld tegen de bestreden beschikking en daartoe twee grieven aangevoerd (genummerd X en XI). De man verzoekt het hof, zo begrijpt het hof, zakelijk weergegeven:

Primair

1. de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoek;

Subsidiair

2. het verzoek van de vrouw om haar oorspronkelijk alimentatieverzoek alsnog toe te wijzen, af te wijzen en de partneralimentatie te beëindigen per datum ontbinding huwelijk wegens verbreking van de lotsverbondenheid, met bepaling dat de vrouw de ten onrechte van de man ontvangen partneralimentatie over de periode van 30 juni 2008 tot 1 juni 2016 aan de man dient terug te betalen;

Meer subsidiair

3. de bestreden beschikking in stand te laten;

en in alle gevallen

4. de vrouw te veroordelen in de kosten van het hoger beroep aan de zijde van de man door hem begroot op € 70.000,- tot juni 2017 + nog werkzaamheden na juni 2017, naar raming € 10.000,- en

5. al het overig door de vrouw verzochte af te wijzen.

4.4

De vrouw verzoekt het hof de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoeken in het incidenteel hoger beroep dan wel die af te wijzen.

5 De motivering van de beslissing

De ontvankelijkheid: ontbrekende stukken uit de procedure in eerste aanleg

5.1

De man heeft aan zijn primaire verzoek in het incidenteel hoger beroep strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van de vrouw, ten grondslag gelegd dat de vrouw op 29 maart 2017 hoger beroep heeft ingesteld maar pas op 8 juni 2017 de stukken uit eerste aanleg heeft gecompleteerd.

5.2

Het hof ziet geen aanleiding voor een niet-ontvankelijkverklaring als door de man verzocht. Vast staat dat het hoger beroep binnen drie maanden na de bestreden beschikking en dus tijdig is ingediend. Overeenkomstig de artikelen 1.2.6 en 1.2.7 van het geldende Procesreglement verzoekschriftprocedures familiezaken gerechtshoven (hierna: het procesreglement) dienen bij het beroepschrift alle stukken uit de procedure in eerste aanleg te worden gevoegd. Hoewel de vrouw daarmee in gebreke is gebleven, is het hof van oordeel dat de man uiteindelijk voldoende gelegenheid heeft gehad zich te verweren en zijn standpunten in hoger beroep voor het voetlicht te brengen. Naar het oordeel van het hof is een niet-ontvankelijkverklaring van de vrouw in dit geval een te ver strekkende consequentie.

De stukken uit het mediationtraject

5.3

Op grond van artikel 21 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) rust op partijen de verplichting om de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren. Daaraan is naar het oordeel van het hof niet voldaan wat betreft de door de vrouw ingediende stukken uit het mediationtraject met betrekking tot de draagkracht van de man nu ter zitting is gebleken dat de schriftelijke reactie daarop van de zijde van de man, niet is bijgevoegd. Het hof kan hieraan op grond van voormeld artikel het gevolg verbinden dat het hof juist acht. Zoals het hof ter zitting heeft medegedeeld zal het hof de desbetreffende stukken met het oog op de goede procesorde en de gerechtvaardigde processuele belangen van de man, waaronder mede begrepen het belang dat na jaren van procederen nu een einde komt aan het rechtsgeding (het zogenoemde 'litis finiri oportet' beginsel) buiten beschouwing laten.

De wijze van verdeling

5.4

In de bestreden beschikking is de wijze van verdeling van de huwelijkse gemeenschap van partijen gelast aldus dat:

  • -

    de Vof moet worden ontbonden per datum zitting waarbij de man de Vof zal voortzetten en de aandelen van [C] B.V. moeten (via een notaris) worden toegedeeld aan de man onder verrekening van de helft van de waarde van beide ondernemingen met de vrouw per 12 april 2017. Alle (waarde)ontwikkelingen in deze ondernemingen op en na 12 april 2007 komen voor rekening en risico van de man. De waarde van beide ondernemingen zal door een onafhankelijke deskundige/accountant bindend worden vastgesteld, waarbij het uitgangspunt de intrinsieke waarde is. Partijen dienen hiertoe zelf voor gezamenlijke rekening (ieder voor de helft) te benoemen de heer [D] RA van [E] Accountants te [F] als deskundige/accountant die de waarde van deze onderneming per hiervoor genoemde datum bindend zal vaststellen, tenzij partijen binnen twee weken na dagtekening van deze beschikking een andere deskundige ter benoeming zijn overeengekomen. In dat laatste geval zal die deskundige door partijen worden benoemd met een gelijkluidende opdracht;

  • -

    de polis bij [G] en de polis bij [H] worden aan de man toegedeeld en de polis bij [I] wordt aan de vrouw toegedeeld, een en ander zonder nadere verrekening en

  • -

    de waarde van de polis bij [J] dient per 30 juni 2008 bij helfte te worden verdeeld.

5.5

In dit hoger beroep heeft de vrouw de enige grief op het punt van de wijze van verdeling van de huwelijkse gemeenschap. Deze grief komt erop neer dat de in de bestreden beschikking genoemde deskundige achteraf niet bereid is gebleken de onderneming(en) te waarderen. Zij verzoekt het hof daarom een andere deskundige aan te wijzen.

De man heeft kritische kanttekeningen geplaatst bij de gang van zaken maar heeft zich er niet tegen verzet dat het hof een andere deskundige aanwijst.

5.6

Het hof zal partijen hierin ter wille zijn en heeft de heer drs. [K] RA RV (werkzaam bij [L] te [M] ) bereid gevonden de ondernemingen ( [N] en [C] BV) te waarderen op zijn hiervoor gebruikelijke voorwaarden. Partijen dienen zich rechtstreeks tot deze deskundige te wenden (tel. [00000] ), hun volledige medewerking te verlenen en aan de deskundige alle door deze benodigde gegevens te verschaffen, waaronder begrepen een afschrift van de processtukken. Voor het overige kan de bestreden beschikking in stand blijven op het punt van de wijze van verdeling nu daartegen geen specifieke grieven zijn gericht.

De partneralimentatie

De lotsverbondenheid

5.7

De man heeft in hoger beroep zijn (prealabel) verweer dat de vrouw zich zodanig jegens hem heeft gedragen dat van hem niet kan worden gevergd bij te dragen in het levensonderhoud van de vrouw, herhaald en geklaagd dat de rechtbank dit verweer ten onrechte niet heeft gehonoreerd. In de toelichting op de grief heeft de man in dit verband een aantal gedragingen van de vrouw genoemd die zich aldus laten samenvatten dat de vrouw ongeoorloofd geld heeft opgenomen, dat de man in zijn eer en goede naam is aangetast en dat de vrouw zijn privacy (en geheimhouding) heeft geschonden. Daartoe heeft de man onder meer de volgende gedragingen genoemd: de vrouw heeft de man beschuldigd bij de psychiater en tegen kennissen gezegd dat de man de vrouw bedreigt, de vrouw heeft gebruik gemaakt van de vrouwenopvang in [O] , de vrouw heeft effecten verkocht zonder overleg met de man, de vrouw heeft diverse geldopnamen gedaan en de kluis bij de Rabobank leeggehaald, de vrouw heeft in 2013 bedrijfsrecherchebureau [P] ingeschakeld, de vrouw heeft verdachtmakingen geuit met betrekking tot door de man gepleegde strafbare feiten waaronder het vervalsen van haar handtekening, de vrouw heeft ook verdachtmakingen geuit met betrekking tot een mogelijk samenwerkingsverband tussen de man en [Q] Administratiekantoor, onder de auto van de man is een GPS-systeem gemonteerd, de vrouw heeft een klantenbestand van de man overhandigd aan het recherchebureau en de vrouw heeft de continuïteit van de onderneming in gevaar gebracht door in april 2007 het bedrijf in de steek te laten.

5.8

De vrouw heeft deze incidentele grief van de man bestreden en daartoe kort samengevat gesteld dat het juist de man is die zich jegens de vrouw zodanig heeft gedragen dat zij genoodzaakt was gebruik te maken van de vrouwenopvang, een voorschot te nemen op de verdeling van de huwelijkse gemeenschap en een recherchebureau in te schakelen. Verder zijn de door de man aangevoerde feiten en omstandigheden volgens de vrouw onvoldoende zwaarwegend mede omdat niet is gesteld of gebleken van ernstige gevolgen voor de man.

5.9

Het hof overweegt dat bij de vaststelling van partneralimentatie, bedoeld in artikel 1:157 lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW), rekening kan worden gehouden met alle omstandigheden van het geval waaronder ook niet-financiële omstandigheden, zoals bijvoorbeeld grievend gedrag. De rechtsgrond van partneralimentatie is met name gelegen in de lotsverbondenheid die door het sluiten van het huwelijk in het leven is geroepen en in uitzonderlijke gevallen kan de conclusie gerechtvaardigd zijn dat die lotsverbondenheid door het verweten, grievende, gedrag is komen te vervallen. Derhalve dient beoordeeld te worden of in dat geval in redelijkheid nog van de tot onderhoud aangesprokene kan worden gevergd bij te dragen in het levensonderhoud van de ander. In het algemeen dient de rechter gelet op het onherroepelijke karakter van een dergelijke beslissing terughoudend om te gaan met de bevoegdheid om bij de bepaling van de alimentatie rekening te houden met ‘grievend gedrag’ mede nu het niet ongewoon is dat een (echt)scheiding gepaard gaat met de nodige emoties en spanningen.

5.10

Het hof is met de rechtbank van oordeel dat de door de man aangevoerde feiten en omstandigheden, zelfs al zouden zij komen vast te staan, zowel op zichzelf als in onderlinge samenhang beschouwd, onvoldoende zwaarwegend zijn om aan te nemen dat de lotsverbondenheid tussen partijen is verbroken. Evenmin ziet het hof in de gestelde feiten en omstandigheden redenen voor matiging. Het hof neemt in aanmerking dat partijen een lange gezamenlijke voorgeschiedenis hebben en dat ingrijpende gevolgen aan de zijde van de man vanwege de door hem gehekelde gedragingen van de vrouw onvoldoende zijn gebleken. Het vorenstaande leidt er toe dat het verzoek van de man om het verzoek van de vrouw om partneralimentatie op grond van het ontbreken van lotsverbondenheid af te wijzen, zal worden afgewezen.

5.11

Het voorgaande betekent eveneens dat het hof ook niet toekomt aan een oordeel omtrent terugbetaling door de vrouw van door de man vanwege het ontbreken van lotsverbondenheid onverschuldigd betaalde partneralimentatie over de periode vanaf de datum van ontbinding van het huwelijk tot 1 januari 2016, nu daarvan geen sprake is.

5.12

Nu het hof ook het subsidiaire verzoek van de man zal afwijzen, brengt dit, gelet op hetgeen door de man is verzocht (zie hierboven rechtsoverweging 4.3), met zich mee dat de ondergrens van het geschil op het punt van de partneralimentatie wordt bepaald door het standpunt van de man, weergegeven in zijn meer subsidiaire verzoek, te weten om de beschikking van de rechtbank in stand te laten. Dit betekent dat die ondergrens inhoudt dat de man aan de vrouw een partneralimentatie betaalt met ingang van de datum van ontbinding van het huwelijk tot 1 januari 2016.

de duur van de onderhoudsverplichting

5.13

Op grond van artikel 1:157 lid 4 BW bedraagt de duur van de onderhoudsverplichting twaalf jaren, te rekenen vanaf de dag van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand, tenzij de rechter anders beslist.

5.14

Het staat partijen vrij bij overeenkomst van de wettelijke duur af te wijken en ook de rechter kan, indien verzocht, de duur van de onderhoudsverplichting limiteren (of verlengen). Voor wijziging van zodanige limitering geldt een specifieke maatstaf (artikel 1: 401 lid 1 laatste volzin en lid 2 BW). In het onderhavige geval heeft de rechtbank de duur van de onderhoudsverplichting beperkt tot 1 januari 2016. De rechtbank heeft deze beperking in duur met name gekoppeld aan een kennelijk volgens de rechtbank gewijzigd verzoek van de vrouw, inhoudende dat zij haar verzoek om partneralimentatie van € 3.000,- bruto per maand beperkte tot 1 juni 2016, waarbij zij over de jaren 2013, 2014 en 2015 haar verzoek beperkte tot in totaal € 51.991,50. Gerekend vanaf de ingangsdatum van de alimentatieverplichting is dat ongeveer zevenenhalf jaar. De vrouw kan zich daarin blijkens haar eerste grief niet vinden. Zij wenst (alsnog) aanspraak te maken op de volledige wettelijke duur van twaalf jaren. Zij is van mening dat zij die beperking in duur niet onvoorwaardelijk met de man is overeengekomen en dat de rechtbank dus ook niet had mogen uit gaan van een onvoorwaardelijke wijziging van haar verzoek op dat punt. De man is het eens met de beslissing van de rechtbank.

5.15

Vast staat dat de vrouw op enig moment in de procedure in eerste aanleg een aanbod heeft gedaan ter zake van de duur en de hoogte van de partneralimentatie, als onderdeel van een breder aanbod dat ook het hierboven genoemde vaste bedrag aan alimentatie bevatte over de jaren 2013, 2014 en 2015. Zij stelt dat het desbetreffende aanbod deel uitmaakte van een breder aanbod dat in het kader van de onderhandelingen destijds is gedaan en dat het aanbod ook niet in die vorm is geaccepteerd. Dat alles heeft de man niet bestreden. Naar het oordeel van het hof is reeds daarmee voldoende gebleken dat tussen partijen geen duidelijke en onvoorwaardelijke overeenstemming was op het punt van een beperkte duur van de onderhoudsverplichting. De rechtbank had de beperking in duur tot 1 januari 2016 evenmin als een onvoorwaardelijke wijziging van het verzoek van de vrouw mogen beschouwen nu dat was gekoppeld aan een bepaald bedrag ineens aan alimentatie over de drie jaren daaraan voorafgaand. Het hof is daarom van oordeel dat niet de strenge maatstaf bedoeld in artikel 1: 401 lid 2 BW voormeld tweede lid van toepassing is - immers, er was geen onvoorwaardelijke overeenstemming tussen partijen - en dat er geen reden is waarom het standpunt van de vrouw in hoger beroep omtrent de duur van de onderhoudsverplichting, te weten dat die niet beperkt dient te worden in duur, niet toelaatbaar zou zijn. Dat betekent dat de bestreden beschikking niet in stand kan blijven voor zover daarin de duur van de onderhoudsverplichting is beperkt tot 1 januari 2016 en dat de wettelijke duur van twaalf jaren gerekend vanaf 30 juni 2008 in principe geldt. In zoverre slaagt de eerste grief van de vrouw.

de behoefte

5.16

Partijen zijn het erover eens dat de behoefte van de vrouw in 2007 kan worden becijferd op € 2.050,- netto per maand, zodat het hof daar met partijen van zal uitgaan. Geïndexeerd bedraagt die behoefte in de jaren daarna (van 2008 t/m 2017) respectievelijk, telkens afgerond en netto per maand: € 2.095, € 2.177, € 2.227, € 2.247, € 2.276, € 2.315, € 2.336, € 2.354, € 2.435,- en € 2.472,-.

5.17

Voor zover namens de man is aangevoerd dat de behoefte van de vrouw inmiddels na tien jaren is 'verbleekt' omdat zij in de jaren na de scheiding steeds heeft kunnen voorzien in haar onderhoud met de (geïndexeerde) onderhoudsbijdrage van € 600,- per maand, volgt het hof deze stelling niet. Gelet op het wettelijk systeem ziet het hof geen reden de behoefte van de vrouw in dit geval niet langer te relateren aan de welstand tijdens het huwelijk. De enkele omstandigheid dat de vrouw met de door haar gegenereerde inkomsten en haar (inkomsten uit) vermogen, aangevuld met de (geïndexeerde) bijdrage van € 600,- per maand in haar levensonderhoud kon voorzien, brengt niet mee dat haar huidige behoefte niet meer overeenkomt met de huwelijksgerelateerde behoefte (ECLI:NL:HR:2018:313).

de behoeftigheid

5.18

Een onderhoudsplicht bestaat alleen bij behoeftigheid, dat wil zeggen bij het ontbreken van mogelijkheden om in eigen behoefte te voorzien. Voor het bepalen van de behoeftigheid wordt daarom rekening gehouden met de (redelijkerwijs te verwerven) eigen inkomsten, daaronder mede begrepen inkomsten uit vermogen. Die inkomsten strekken in mindering op de behoefte. Onder omstandigheden kan van de onderhoudsgerechtigde voorts worden verlangd in te teren op vermogen en/of maatregelen te treffen vooruitlopend op het vrijkomen van vermogen uit bijvoorbeeld een verdeling of een erfenis, zoals door bevoorschotting of financiering door een derde (ECLI:NL:HR:2008:BF7412 en ECLI:NL:PHR:2015:29).

5.19

Vast staat dat de vrouw op 18 november 2015 de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt en dat zij vermogen ter beschikking heeft of zal krijgen uit de verdeling van de huwelijkse gemeenschap en de nalatenschappen van haar ouders. Blijkens de stukken is de vader van de vrouw in januari 2006 overleden (waarbij de totale gemeenschap van de ouders van de vrouw destijds circa € 1.500.000,- bedroeg) en is de moeder van de vrouw in maart 2014 overleden. De rechtbank heeft in de bestreden beschikking overwogen dat de vrouw, in het licht van gemotiveerde betwisting door de man, onvoldoende heeft onderbouwd dat haar behoeftigheid (het hof begrijpt: resterende behoefte) groter is dan het bedrag van € 600,- per maand dat de man sinds de ontbinding van het huwelijk (geïndexeerd) aan haar betaalt ten titel van levensonderhoud. De in hoger beroep daartegen door de vrouw opgeworpen grieven falen omdat die grieven onvoldoende zijn onderbouwd. De man heeft in dit verband ook in hoger beroep de door de vrouw gestelde (grotere) aanvullende behoefte gemotiveerd betwist, mede aan de hand van een door hem opgesteld overzicht dat onder meer in de pleitnota is opgenomen. De man heeft daartoe het vermogen van de vrouw, uitgaand van de hem beschikbare gegevens, herleid tot ongeveer € 500.000,-. Daarnaast heeft de man verschillende inkomsten van de vrouw genoemd. Gelet op die gemotiveerde betwisting blijft voor rekening en risico van de vrouw dat zij niet de aangiften inkomstenbelasting heeft overgelegd met betrekking tot de jaren vanaf 2008. De stukken die zij wel heeft ingebracht, waaronder de (voorlopige) aanslagen inkomstenbelasting, oordeelt het hof onvoldoende om uit af te leiden dat de rechtbank van een te lage resterende behoefte is uitgegaan. Zo blijkt uit de door de vrouw overgelegde (voorlopige) belastingaanslagen weliswaar onder meer een verzamelinkomen maar door het ontbreken van de bijbehorende aangiften is niet vast te stellen hoe dat verzamelinkomen is samengesteld en welke keuzes daaraan ten grondslag liggen. In hetgeen de vrouw heeft aangevoerd ziet het hof geen aanleiding om aan te nemen dat van haar, zo nodig, niet kan worden gevergd in te teren op vermogen om in haar behoeft te voorzien.

5.20

Nu de vrouw haar aanvullende behoefte niet voldoende heeft onderbouwd en gelet op de hiervoor weergegeven ondergrens van het geschil met betrekking tot de partneralimentatie, zal het verzoek van de vrouw in het principaal hoger beroep worden afgewezen voor zover door haar een hoger bedrag aan partneralimentatie is verzocht dan het door de rechtbank in de bestreden beschikking vastgestelde bedrag van € 600,- bruto per maand- en voor zover haar verzoek de periode na 1 januari 2016 betreft, zijnde de door de rechtbank bepaalde einddatum van de alimentatieverplichting. Dit betekent dat op het punt van de partneralimentatie de bestreden beschikking in stand kan blijven.

Conclusie partneralimentatie

5.21

Uit het voorgaande volgt dat de bestreden beschikking op het punt van de partneralimentatie zal worden bekrachtigd.

Proceskostenveroordeling

5.22

Het hof ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling en zal de proceskosten, als gebruikelijk in zaken als de onderhavige tussen gewezen echtelieden, aldus compenseren dat ieder de eigen kosten van het geding draagt. Overigens vallen de door de man genoemde onderzoekskosten ook niet onder het bereik van artikel 239 Rv.

6 De slotsom

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de bestreden beschikking dient te worden gehandhaafd, voor zover aan dit hoger beroep onderworpen, met dien verstande dat voor de vaststelling van de waarde van de ondernemingen een andere deskundige zal worden aangewezen. Het hof zal dit deel van het dictum (4.2 eerste gedachtestreepje in het dictum van de bestreden beschikking, betreffende de wijze van verdeling) voor de leesbaarheid vernietigen en in zijn geheel opnieuw opnemen met de naam van de in hoger beroep aangewezen deskundige drs. [K] .

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in het principaal en het incidenteel hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Lelystad, van 30 december 2016 voor zover het betreft de beslissing over de wijze van verdeling van de ondernemingen;

en in zoverre opnieuw beschikkende:

gelast de wijze van verdeling van de ondernemingen als volgt:

  • -

    de Vof ( [N] ) moet worden ontbonden per de door de rechtbank bepaalde datum, waarbij de man de Vof zal voortzetten en de aandelen van [C] B.V. (via een notaris) worden toegedeeld aan de man onder verrekening van de helft van de waarde van beide ondernemingen met de vrouw per 12 april 2017; alle (waarde)ontwikkelingen in deze ondernemingen op en na 12 april 2007 komen voor rekening en risico van de man;

  • -

    de waarde van beide ondernemingen zal door een onafhankelijke deskundige/accountant bindend worden vastgesteld, waarbij het uitgangspunt de intrinsieke waarde is.

Partijen dienen hiertoe zelf voor gezamenlijke rekening (ieder voor de helft) te benoemen de heer drs. [K] RA RV te [M] als deskundige/accountant die de waarde van deze onderneming per hiervoor genoemde datum bindend zal vaststellen, tenzij partijen binnen twee weken na dagtekening van deze beschikking een andere deskundige ter benoeming zijn overeengekomen. In het laatste geval zal die deskundige door partijen worden benoemd met een gelijkluidende opdracht;

bekrachtigt voornoemde beschikking van 30 december 2016, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, voor het overige;

verklaart deze beschikking zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten van het geding draagt;

wijst af hetgeen meer of anders is verzocht.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A.W. Beversluis, A. Smeeïng-van Hees en J.B. de Groot, bijgestaan door mr. A.J.Th. Harkema als griffier en is op 26 april 2018 in het openbaar uitgesproken.