Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:3982

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
26-04-2018
Datum publicatie
12-06-2018
Zaaknummer
WAHV 200.196.540
Rechtsgebieden
Strafprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De sanctie is opgelegd voor 'Parkeren op parkeerplaats voor vergunninghouders zonder (duidelijk zichtbare) parkeervergunning of in strijd met verbonden voorwaarden' en is strafbaar gesteld in artikel 20, derde lid van de Parkeerverordening 2012 van de gemeente Arnhem.

Het in die parkeerverordening opgenomen parkeerverbod heeft dezelfde strekking als het parkeerverbod in artikel 24, eerste lid, aanhef en onder g, van het RVV 1990. Voor gemeentelijke verbodsbepalingen die dezelfde materie regelen als het RVV 1990 bestaat geen ruimte.

Het hof ontzegt de bepaling in de Parkeerverordening verbindende kracht en vernietigt de sanctiebeschikking. Gezien de fase waarin de procedure zich bevindt, bestaat thans geen aanleiding om de feitcode van de gedraging te wijzigen naar de overtreding van het RVV 1990.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 200.196.540

26 april 2018

CJIB 166444300

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

zittingsplaats Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank Gelderland

van 10 oktober 2014

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [A] ,

voor wie als gemachtigde optreedt mr. [B] ,

kantoorhoudende te [C] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie genomen beslissing ongegrond verklaard. Voorts heeft de kantonrechter het verzoek van de betrokkene tot vergoeding van kosten afgewezen.

Het procesverloop

De gemachtigde van de betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld. Bij het beroepschrift is verzocht om vergoeding van kosten.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen. Hiervan is geen gebruik gemaakt.

Beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 85,- opgelegd ter zake van “parkeren op parkeerplaats voor vergunninghouders zonder (duidelijk zichtbare) parkeervergunning of in strijd met verbonden voorwaarden” (feitcode R592), welke gedraging zou zijn verricht op 17 oktober 2012 om 17.01 uur op de Trans te Arnhem met het voertuig met het kenteken [00-YY-00] .

2. De gemachtigde voert aan dat er ter plaatse geen sprake was van een parkeerverbodzone waar uitsluitend door vergunninghouders mocht worden geparkeerd. Naast de parkeerplaatsen bestemd voor vergunninghouders, zijn er op de Trans ook parkeerplaatsen voor betaald parkeren. Ten tijde van de gedraging heeft de betrokkene haar voertuig geparkeerd op een plaats bestemd voor betaald parkeren. Een kopie van de destijds gekochte parkeerkaart is door de gemachtigde als bijlage bij het beroepschrift gevoegd.

3. Uit de verklaring van de verbalisant in het zaakoverzicht van het CJIB dat de sanctie is opgelegd ter zake van een overtreding van de "PL.V" (het hof begrijpt: plaatselijke verordening), en de door hem gehanteerde feitcode R592, blijkt dat de verbalisant de sanctie heeft opgelegd op basis van de Parkeerverordening 2012 van de gemeente Arnhem.

4. Artikel 20, derde lid, van deze verordening luidt:

"Het is verboden op een parkeerplaats voor uitsluitend vergunninghouders te parkeren:

a. zonder geldige vergunning;

b. in strijd met de aan de vergunning verbonden voorwaarden."

5. Ingevolge artikel 121 van de Gemeentewet blijft de bevoegdheid tot het maken van gemeentelijke verordeningen ten aanzien van het onderwerp waarin door wetten, algemene maatregelen van bestuur of provinciale verordeningen is voorzien, gehandhaafd, voor zover de verordeningen met die wetten, algemene maatregelen van bestuur en provinciale verordeningen niet in strijd zijn.

6. Artikel 24, eerste lid, aanhef en onder g, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990) luidt:

“De bestuurder mag zijn voertuig niet parkeren op een parkeerplaats voor vergunninghouders, aangeduid door verkeersbord E9 van bijlage I, indien voor zijn voertuig geen vergunning tot parkeren op die plaats is verleend.”

7. Het hof stelt vast dat laatstgenoemde bepaling in de ''Tekstenbundel voor misdrijven, overtredingen en Muldergedragingen'' is gekoppeld aan feitcode R397i met de omschrijving:

“Als bestuurder een voertuig parkeren op een parkeerplaats voor vergunninghouders aangeduid door verkeersbord E9 zonder dat voor dat voertuig een vergunning tot parkeren op die plaats was verleend.”

8. Het hof overweegt dat het parkeerverbod zoals neergelegd in artikel 20, derde lid, van de Parkeerverordening 2012 van de gemeente Arnhem dezelfde strekking heeft als het parkeerverbod in artikel 24, eerste lid, aanhef en onder g, van het RVV 1990. Beide bepalingen dienen het belang van het reguleren van parkeervoorzieningen. Voor gemeentelijke verbodsbepalingen die dezelfde materie regelen als het RVV 1990 bestaat geen ruimte. Gelet hierop is het hof van oordeel dat artikel 20, derde lid, van de Parkeerverordening 2012 van de gemeente Arnhem verbindende kracht moet worden ontzegd wegens strijd met artikel 24, eerste lid, aanhef en onder g, van het RVV 1990. (Vgl. het arrest van het hof van 28 april 2016, WAHV 200.164.803, gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHARL:2016:3450).

9. Het voorgaande brengt mee dat de inleidende beschikking, waarbij de sanctie is opgelegd, niet in stand kan blijven. Gezien de fase waarin de procedure zich thans bevindt, ziet het hof geen aanleiding om de gedraging te wijzigen in de gedraging behorende bij feitcode R397i.

10. Gelet op het voorgaande zal het hof, met vernietiging van de beslissing van de kantonrechter, het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaren en die beslissing vernietigen, alsmede, met gegrondverklaring van het beroep daartegen, de inleidende beschikking. In verband hiermee behoeven de door de gemachtigde aangevoerde

gronden van beroep geen bespreking meer.

11. Namens de betrokkene is verzocht om vergoeding van kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Naar het oordeel van het hof komen de gevraagde kosten voor vergoeding in aanmerking. De vergoeding van kosten van de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand is in het Besluit proceskosten bestuursrecht forfaitair bepaald per proceshandeling. De gemachtigde van de betrokkene heeft de volgende proceshandelingen verricht: het indienen van het administratief beroepschrift, het indienen van een beroepschrift bij de kantonrechter en het indienen van een hoger beroepschrift. Aan het indienen van een beroepschrift dient één punt te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt per 1 januari 2018 € 501,-. Gelet op de aard van de zaak past het hof wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toe. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 751,50 (= 3 x € 501,- x 0,5).

Beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter;

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt de beslissing van de officier van justitie d.d. 12 juni 2013, alsmede de beschikking waarbij onder CJIB-nummer 166444300 de administratieve sanctie is opgelegd;

bepaalt dat hetgeen door de betrokkene op de voet van artikel 11 van de Wahv tot zekerheid is gesteld door de advocaat-generaal aan haar wordt gerestitueerd;

veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene, ter hoogte van € 751,50, over te maken op rekeningnummer [00000] t.n.v. [D] B.V. te [C] .

Dit arrest is gewezen door mr. Beswerda, in tegenwoordigheid van mr. Samplonius als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.