Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:3954

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
18-04-2018
Datum publicatie
30-04-2018
Zaaknummer
WAHV 200.196.529
Rechtsgebieden
Strafprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De officier van justitie had niet van het horen mogen afzien. Kennelijk niet-ontvankelijk.

Geen toekenning van proceskostenvergoeding, omdat de werkzaamheden van de gemachtigde redelijkerwijs niet geacht kunnen worden de belangen van de betrokkene te dienen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2018/164
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 200.196.529

18 april 2018

CJIB 185593416

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

zittingsplaats Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank Gelderland

van 18 mei 2016

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [A] ,

voor wie als gemachtigde optreedt [B] ,

kantoorhoudende te [C] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie genomen beslissing ongegrond verklaard.

Het procesverloop

De gemachtigde van de betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld. Tevens is verzocht om vergoeding van kosten.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen. Hiervan is geen gebruik gemaakt.

Beoordeling

1. De kantonrechter heeft geoordeeld dat het beroep tegen de inleidende beschikking niet tijdig is ingesteld en dat de officier van justitie daarom terecht dat beroep niet-ontvankelijk heeft verklaard.

2. De gemachtigde van de betrokkene heeft in hoger beroep aangevoerd dat de officier van justitie ten onrechte niet is overgegaan tot het horen van de gemachtigde of zijn betrokkene.

3. Ingevolge artikel 7:16 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in verbinding met artikel 7, tweede lid, van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) moet de officier van justitie de indiener van het administratief beroep in de gelegenheid stellen te worden gehoord. Van het horen kan op grond van het bepaalde in artikel 7:17 van de Awb worden afgezien indien, voor zover hier van belang, het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is.

4. Het hof stelt vast dat de gemachtigde in administratief beroep heeft verzocht om te worden gehoord door de officier van justitie. Gelet op dit verzoek en nu geen van de overige uitzonderingssituaties om af te zien van het horen zich voordoen, mocht de officier van justitie hiervan niet afzien. Hierdoor is de betrokkene de gelegenheid ontnomen om omstandigheden naar voren te brengen die kunnen meebrengen dat het administratief beroep, ondanks de overschrijding van de beroepstermijn, toch ontvankelijk zou moeten worden geacht. De kantonrechter heeft dit niet onderkend. De beslissingen van de kantonrechter en de officier van justitie kunnen daarom niet in stand worden gelaten en moeten worden vernietigd. De overige bezwaren van de gemachtigde tegen deze beslissingen behoeven hierop gelet geen bespreking meer.

5. Vervolgens staat het beroep tegen de inleidende beschikking ter beoordeling. Dit beroep dient te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen een termijn van zes weken, welke termijn aanvangt op de dag na die waarop de beschikking aan de betrokkene is toegezonden.

6. Blijkens de gedingstukken is de inleidende beschikking op 21 november 2014 aan de betrokkene toegezonden. De beroepstermijn eindigde met toepassing van de Algemene termijnenwet op 5 januari 2015. Het beroepschrift is gedateerd op 9 februari 2015 en het is blijkens een daarop gesteld stempel op diezelfde datum door de CVOM ontvangen.

7. De gemachtigde stelt in zijn brief van 9 februari 2015 eerder administratief beroep te hebben ingesteld. De stukken van het geding houden niets in, waaruit zou kunnen blijken, dat eerder dan 9 februari 2015 een beroepschrift van de betrokkene is ontvangen. In beginsel aanvaardt degene die per gewone post een stuk verzendt het risico dat hij niet over een schriftelijk bewijs van verzending beschikt. Het ligt dan op zijn weg om op andere wijze aan te tonen dat de verzending (tijdig) heeft plaatsgevonden. De betrokkene heeft geen feiten of omstandigheden (zoals een verzendbewijs) naar voren gebracht op grond waarvan dit aannemelijk is geworden. Daarom moet worden uitgegaan van het wel ontvangen beroepschrift van 9 februari 2015. Het beroep is dus niet tijdig ingesteld. Daarom wordt het beroep tegen de inleidende beschikking niet-ontvankelijk verklaard.

8. Vervolgens is de vraag aan de orde of aanleiding bestaat voor vergoeding van de proceskosten van de betrokkene. De gemachtigde heeft in geen enkel stadium van de procedure feiten of omstandigheden naar voren gebracht waaruit blijkt dat eerder dan 9 februari 2015 een beroepschrift (tijdig) is verzonden, terwijl hij onder meer klaagt dat de officier van justitie hem daar geen gelegenheid voor heeft gegeven door voorbij te gaan aan de hoorplicht. Van een professioneel gemachtigde die te laat beroep instelt, mag worden verwacht dat hij in ieder geval bij de kantonrechter voornoemde omstandigheden naar voren brengt. Nu de gemachtigde ook in hoger beroep niet zodanige omstandigheden naar voren heeft gebracht, kan het optreden van de gemachtigde niet redelijkerwijs geacht te worden de belangen van de betrokkene te dienen. Daarom zal het hof het verzoek tot vergoeding van kosten afwijzen.

Beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter;

verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing;

verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking niet-ontvankelijk;

wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af.

Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Stoop als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.