Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:3894

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
24-04-2018
Datum publicatie
09-05-2018
Zaaknummer
200.231.314
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Incident ex artikel 224 jo. 353 Rv, zekerheidstelling proceskosten.

Door X is gesteld dat zich de uitzondering als bedoeld in artikel 224 lid 2 onder d Rv voordoet. Een schending van de effectieve toegang tot de rechter, als bedoeld in artikel 224 lid 2 sub d Rv, is vooral aan de orde als de geringe middelen waarover COA beschikt het stellen van zekerheid een te groot obstakel doen vormen. Gesteld noch gebleken is dat de financiële situatie van X in de weg staat aan het stellen van zekerheid. X heeft voorts niet concreet onderbouwd dat het verkrijgen van zekerheid in Nederland voor haar op basis van administratieve redenen problematisch, penibel en praktisch mogelijk niet dan wel moeilijk uitvoerbaar is. X heeft derhalve te weinig gesteld in het kader van haar beroep op voornoemde uitzonderingsgrond, waardoor niet kan worden aangenomen dat voor X de effectieve toegang tot de rechter wordt belemmerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.231.314

(zaaknummer rechtbank Gelderland, 295965)

arrest van 24 april 2018

in het incident ex artikel 224 jo. 353 Rv in de zaak van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Hapzal Boys B.V.,

gevestigd te Haps,

appellante,

in eerste aanleg: eiseres in conventie, tevens verweerster in reconventie,

hierna: Hapzal Boys,

2. de vennootschap naar buitenlands recht

Check On Asia Ltd.,

appellante, tevens verweerster in het incident ex artikel 224 jo. 353 Rv,

in eerste aanleg: eiseres in conventie, tevens verweerster in reconventie, tevens verweerster

in het incident ex artikel 224 Rv en eiseres in het incident ex artikel 225 Rv,

hierna: COA,

advocaat: mr. M.P.M. Riep,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Strong Viking Group B.V.,

gevestigd te Wijchen,

geïntimeerde, tevens eiseres in het incident ex artikel 224 jo. 353 Rv,

in eerste aanleg: gedaagde in conventie, tevens eiseres in reconventie, tevens eiseres in het incident ex artikel 224 Rv en verweerster in het incident ex artikel 225 Rv,

hierna: SVG,

advocaat: mr. M.P.M. Hennekens.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van
11 mei 2016 (vonnis in het incident ex artikel 224 Rv), 5 oktober 2016 (vonnis in het incident ex artikel 225 Rv), 8 februari 2017 en 20 september 2017 die de rechtbank Gelderland, team kanton en handelsrecht, locatie Arnhem, heeft gewezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 19 december 2017,

- de incidentele memorie ex artikel 224 jo. 353 Rv met één productie,

- de memorie van antwoord in het incident.

2.2

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest in het incident aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest in incident bepaald.

3 De motivering van de beslissing in het incident

3.1

COA is in eerste aanleg in het ongelijk gesteld en komt thans in hoger beroep.

3.2

SVG heeft in het incident gevorderd dat COA, bij arrest uitvoerbaar bij voorraad, wordt veroordeeld tot zekerheidsstelling van een bedrag groot € 19.832,00 – althans een bedrag als het hof in goede justitie zal vermenen te behoren – voor de proceskosten tot betaling waarvan COA veroordeeld kan worden, op basis van een daartoe strekkende aan SVG te verstrekken onherroepelijke onafhankelijke en op eerste afroep beschikbare bankgarantie af te geven door een Nederlandse bank, althans op een door het hof in goede justitie te bepalen wijze, met veroordeling van COA in de kosten van het incident. SVG heeft daartoe in de kern genomen aangevoerd dat COA geen (blijvend) voor verhaal vatbaar vermogen in Nederland heeft en dat een arrest waarin COA in de proceskosten wordt veroordeeld niet door SVG kan worden geëxecuteerd. COA heeft zich tegen de vordering in het incident verweerd.

3.3

Het staat vast dat COA is gevestigd in China. Het geschil heeft derhalve internationale aspecten, zodat allereerst moet worden onderzocht of de Nederlandse rechter bevoegd is daarvan kennis te nemen. Aangezien SVG is gevestigd in Nederland, heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht op grond van artikel 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).

3.4

Art. 224 lid 1 Rv bepaalt – voor zover hier relevant – dat degene die zonder woonplaats of gewone verblijfplaats in Nederland een vordering instelt in een geding alhier, verplicht is om op vordering van de wederpartij zekerheid te stellen voor de proceskosten en de schadevergoeding tot betaling waarvan hij veroordeeld zou kunnen worden. Ingevolge artikel 353 Rv is artikel 224 lid 1 Rv in hoger beroep op COA van toepassing. Op grond van art. 353 lid 2 Rv geldt de verplichting ook voor de oorspronkelijk eiser in appel.

3.5

Tussen partijen is niet in geschil dat COA geen woonplaats of gewone verblijfplaats heeft in Nederland. COA is de partij die bij een Nederlandse rechter een vordering heeft ingesteld. Door COA is gesteld dat zich de uitzondering als bedoeld in artikel 224 lid 2 onder d Rv voordoet, op grond waarvan de vordering van SVG volgens COA niet toewijsbaar is. COA heeft aangevoerd dat SVG geen recht en belang heeft bij de gevorderde zekerheid en dat de effectieve rechtsgang voor COA in het geval van het stellen van zekerheid wordt belemmerd, omdat het verkrijgen van zekerheid in Nederland voor een Chinese partij op basis van administratieve redenen problematisch, penibel en praktisch mogelijk niet dan wel moeilijk uitvoerbaar is. Het hof oordeelt hierover als volgt. Een schending van de effectieve toegang tot de rechter, als bedoeld in artikel 224 lid 2 sub d Rv, is vooral aan de orde als de geringe middelen waarover COA beschikt het stellen van zekerheid een te groot obstakel doen vormen. Gesteld noch gebleken is dat de financiële situatie van COA in de weg staat aan het stellen van zekerheid. COA heeft voorts niet concreet onderbouwd dat het verkrijgen van zekerheid in Nederland voor een Chinese partij op basis van administratieve redenen problematisch, penibel en praktisch mogelijk niet dan wel moeilijk uitvoerbaar is. COA heeft derhalve te weinig gesteld in het kader van haar beroep op voornoemde uitzonderingsgrond, waardoor niet kan worden aangenomen dat voor COA de effectieve toegang tot de rechter wordt belemmerd. Nu een beroep op de uitzonderingsclausule van artikel 224 lid 2 sub d Rv niet opgaat en gesteld noch gebleken is dat zich een andere uitzonderingsgrond in de zin van artikel 224 lid 2 sub a, b of c Rv voordoet, leent de vordering van SVG zich – behoudens het navolgende – voor toewijzing.

3.6

De verplichting tot zekerheidstelling ex artikel 224 lid 1 Rv heeft enkel betrekking op de (geliquideerde) proceskosten van de procedure in hoger beroep en de schade die het rechtstreeks gevolg is van het in rechte opkomen van SVG in hoger beroep. Genoemde bepaling biedt derhalve geen grondslag voor de door SVG gevorderde zekerheid met betrekking tot de in eerste aanleg uitgesproken veroordelingen van COA tot betaling van proceskosten aan SVG ten bedrage van € 4.034,00. De vordering van SVG zal in zoverre worden afgewezen. Ten aanzien van die kosten heeft bovendien te gelden dat de rechtbank COA in eerste aanleg eerder heeft veroordeeld tot het stellen van zekerheid ten behoeve van SVG in de vorm van een onherroepelijke onafhankelijke bankgarantie af te geven door een Nederlandse bank waaraan COA, zo begrijpt het hof, toen niet heeft voldaan.

3.7

Voor de begroting van het bedrag waarvoor COA in hoger beroep aanvullende zekerheid dient te stellen, gaat het hof uit van één punt voor memorie van antwoord en twee punten voor pleidooi in de hoofdzaak. Een totaal van drie punten. Het hof verwerpt het bezwaar van COA tegen toewijzing van twee punten voor pleidooi, omdat procespartijen in hoger beroep in beginsel – wanneer zij daarom verzoeken – recht hebben op pleidooi. Een verzoek om de zaak te mogen bepleiten zal slechts in zeer uitzonderlijke gevallen mogen worden afgewezen.

Het hof kent geen punt toe voor de kosten van het incidentele verzoek tot zekerheidsstelling, omdat de aan die incidentele memorie gekoppelde kosten worden verdisconteerd in de proceskostenveroordeling van dit incident.

Met SVG is het hof van oordeel dat sprake is van een vordering van ruim € 180.000,00. Het hof gaat daarom uit van een salaris van € 9.480,09 (3 punten op basis van tarief V ad
€ 3.161,03 per punt conform de liquidatietarieven per 1 mei 2018) plus € 5.270,00 griffierecht. In totaal komt dat neer op € 14.753,09.

3.8

COA zal op na te melden wijze worden gelast zekerheid te stellen voor een bedrag van € 14.753,09. Een termijn van vier weken voor het stellen van de zekerheid, zoals SVG heeft gevorderd, komt het hof redelijk voor. Het hof zal daarom bepalen dat COA zekerheid dient te stellen binnen vier weken na dagtekening van dit arrest.

3.9

Het hof zal COA, als de in het ongelijk te stellen partij, veroordelen in de kosten van het incident, tot aan deze uitspraak aan de zijde van SVG vastgesteld op € 894,- (1 punt x tarief II) voor salaris advocaat overeenkomstig het nu geldende liquidatietarief.

3.10

In de hoofdzaak zal verder worden geprocedeerd in de stand waarin deze zich bevindt. Het hof houdt iedere verdere beslissing aan.

4 De beslissing

Het hof, recht doende:

in het incident:

veroordeelt COA om binnen vier weken na heden zekerheid te stellen voor aan de zijde van SVG te vallen proceskosten tot een bedrag van € 14.753,09, in de vorm van een onherroepelijke onafhankelijke bankgarantie af te geven door een Nederlandse bank en afroepbaar op vertoon van een rechterlijke uitspraak met een kostenveroordeling ten laste van COA en ten gunste van SVG die uitvoerbaar bij voorraad is verklaard of waarvan de cassatietermijn ongebruikt is verstreken;

veroordeelt COA in de kosten van het incident, tot aan deze uitspraak aan de zijde van SVG vastgesteld op € 894,00 voor salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief;

verklaart dit arrest in het incident uitvoerbaar bij voorraad;

in de hoofdzaak in hoger beroep:

bepaalt dat in de hoofdzaak verder wordt geprocedeerd in de stand waarin deze zich bevindt;

houdt verder iedere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. P.L.R. Wefers Bettink, J.H. Lieber en H. Wammes en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 24 april 2018.