Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:3835

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
24-04-2018
Datum publicatie
26-04-2018
Zaaknummer
200.215.268/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Incasso creditcard. De vordering wordt in eerste aanleg beperkt tot € 500,-. Niet-ontvankelijk in het hoger beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2018/370
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.215.268/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 5222238 \ CV EXPL 16-8204)

arrest van 24 april 2018

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [A] ,

appellant,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: [appellant],

advocaat: mr. M.R.P. Ossentjuk, kantoorhoudend te Groningen,

tegen

International Card Services B.V. h.o.d.n. Visa Card Services,

gevestigd te Diemen,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna: ICS,

advocaat: mr. E.H.J. Slager, kantoorhoudend te Amsterdam.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van het vonnis van

24 januari 2017 dat de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, afdeling privaatrecht (hierna: de kantonrechter), heeft gewezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 19 april 2017,

- de memorie van grieven,

- de memorie van antwoord.

2.2

Vervolgens heeft ICS de stukken voor het wijzen van arrest overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

2.3.

[appellant] vordert in het hoger beroep - kort samengevat - bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, het vonnis van de kantonrechter van 24 januari 2017 te vernietigen en ICS niet-ontvankelijk te verklaren in haar vorderingen dan wel haar die vorderingen te ontzeggen, met veroordeling van ICS in de kosten van de procedure in beide instanties.

3 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

3.1.

ICS heeft in eerste aanleg gevorderd (samengevat) [appellant] te veroordelen tot betaling van € 500,- te vermeerderen met de contractuele rente van 14,00 % per jaar, met als maximum de krachtens artikel 35 WCK ten hoogste toegelaten kredietvergoeding, althans subsidiair: de wettelijke rente, over een bedrag van € 500,- vanaf 24 mei 2016 tot aan de dag van algehele voldoening, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten, alsmede een bedrag van € 30,- aan nakosten.

3.2.

In de inleidende dagvaarding van 6 juli 2016 stelt ICS dat haar vordering op [appellant] in hoofdsom € 5.691,81 bedraagt. Vermeerderd met de verschenen contractuele rente tot en met 24 mei 2016 (€ 362,41), stelt ICS dat haar vordering op [appellant] in totaal

€ 6.054,22 beloopt. ICS zegt in onzekerheid te verkeren over de verhaalspositie van [appellant] , reden waarom zij er ter beperking van proceskosten - mede met het oog op de belangen van [appellant] - ervoor kiest om eerst een bedrag van € 500,- in rechte te vorderen. ICS reserveert haar rechten op hetgeen zij meer of anders van [appellant] heeft te vorderen.

3.3.

De kantonrechter heeft [appellant] veroordeeld tot betaling van € 500,-, vermeerderd met de overeengekomen rente van 14,00 % per jaar, met als maximum de krachtens artikel 35 WCK ten hoogste toegelaten kredietvergoeding, over € 500,- vanaf 6 juli 2016 tot aan de dag van algehele voldoening, en tot betaling van de proceskosten (€ 334,73) en een bedrag van € 30,- aan nakosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

4 De ontvankelijkheid van het hoger beroep

4.1.

Het hof dient allereerst - ook ambtshalve - te beoordelen of [appellant] in zijn hoger beroep kan worden ontvangen.

4.2.

Ingevolge art. 332 lid 1 Rv kunnen partijen van een in eerste aanleg gewezen vonnis in hoger beroep komen, tenzij de vordering waarover de rechter in eerste aanleg had te beslissen niet meer beloopt dan € 1.750,-, of - in geval van een vordering van onbepaalde waarde - er duidelijke aanwijzingen bestaan dat de vordering geen hogere waarde vertegenwoordigt dan € 1.750,-, een en ander tenzij de wet anders bepaalt. Voor de toepassing van de eerste zin wordt de tot aan de dag van dagvaarding in eerste aanleg verschenen rente bij de vordering inbegrepen.

4.3.

Het hof stelt vast dat de vordering waarover de kantonrechter had te oordelen de appelgrens van € 1.750,- niet overschrijdt, zodat het hoger beroep van [appellant] afstuit op art. 332 lid 1 Rv. Dat ICS een vordering op [appellant] stelt te hebben die de appelgrens overschrijdt en zich haar recht op het meerdere voorbehoudt, maakt dat niet anders. De vordering waarover de kantonrechter had te oordelen bleef (desondanks) onder de appelgrens. Evenmin is sprake van de situatie als bedoeld in artikel 332 lid 2 Rv, te weten dat in de onderhavige procedure sprake is van een cumulatie van vorderingen van ICS op [appellant] . ICS vordert immers in deze procedure niet meer dan één, beperkt, onderdeel van het volgens haar door [appellant] in totaal verschuldigde bedrag.

4.4.

De doorbrekingsjurisprudentie ter zake van wettelijke appelverboden geldt niet voor de uitsluiting van appel die gebaseerd is op het geringe financiële belang van de zaak. [appellant] had ingevolge art. 80 lid 1 Wet RO cassatieberoep kunnen instellen tegen het vonnis van de kantonrechter van 24 januari 2017. In die procedure had hij (ook) klachten over de schending van fundamentele rechtsbeginselen aan de orde kunnen stellen (HR 16 maart 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ1490), een en ander geheel daargelaten de vraag of een dergelijk cassatieberoep inhoudelijk zou kunnen slagen.

4.5.

Op grond van voorgaande overwegingen zal [appellant] niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn hoger beroep. Aangezien [appellant] in hoger beroep moet worden beschouwd als de in het ongelijk te stellen partij, zal het hof [appellant] veroordelen in de kosten van het geding in hoger beroep, welke kosten aan de zijde van ICS zullen worden vastgesteld op € 716,- aan verschotten en op € 632,- aan salaris advocaat (1 punt in tarief I). De nakosten zullen op na te melden wijze worden toegewezen.

5 De beslissing

Het hof, rechtdoende in hoger beroep:

verklaart [appellant] niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van ICS vastgesteld op € 716,- voor verschotten en op € 632,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit arrest, en – voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening;

veroordeelt [appellant] in de nakosten, begroot op € 131,- , met bepaling dat dit bedrag zal worden verhoogd met € 68,- in geval [appellant] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak heeft voldaan én betekening heeft plaatsgevonden, een en ander vermeerderd met de wettelijke rente te rekenen vanaf veertien dagen na aanschrijving én betekening;

verklaart dit arrest voor zover het de hierin vermelde proceskostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mr. I. Tubben, mr. J.H. Kuiper en mr. J. Smit en is door de rolraadsheer, in tegenwoordigheid van de griffier, in het openbaar uitgesproken op

24 april 2018.