Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:3818

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
24-04-2018
Datum publicatie
04-05-2018
Zaaknummer
17/00702
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2017:2876, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

IB/PVV. Eigenwoningregeling. Uitzending. Ter beschikking aan derden? Gedogen? Kraakwachtsituatie? Gebruik door pas gescheiden vriendin.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2018/995
NLF 2018/1093 met annotatie van Jelle van den Berg
Belastingadvies 2018/13-14.4
Viditax (FutD), 04-05-2018
FutD 2018-1274
NTFR 2018/1278 met annotatie van Mr. A.J.M. Arends
V-N 2018/44.18.2
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

locatie Arnhem

nummer 17/00702

uitspraakdatum: 24 april 2018

Uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] te [Z] , Zwitserland (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 30 mei 2017, nummer AWB 16/4851,
in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Utrecht (hierna: de Inspecteur)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2012 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 348.701 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 5.521. Bij beschikking is een bedrag van € 721 aan belastingrente vergoed.

1.2.

De Inspecteur heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar het bezwaar hiertegen ongegrond verklaard.

1.3.

Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Midden-Nederland, die het beroepschrift ter behandeling heeft doorgestuurd naar de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.

1.5.

Het onderzoek ter zitting in hoger beroep heeft plaatsgevonden op 1 maart 2018. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 Vaststaande feiten

2.1.

Belanghebbende is gehuwd met [A] (hierna: de echtgenoot). Zij hebben twee kinderen, een dochter (geboren in 2009) en een zoon (geboren in 2011).

2.2.

Op 23 december 2008 hebben belanghebbende en haar echtgenoot een woning gekocht aan de [a-straat] 67 te [B] (hierna: de woning). Levering van de woning heeft plaatsgevonden op 2 maart 2009.

2.3.

In het voorjaar van 2012 is belanghebbende door haar werkgever [C] B.V. uitgezonden naar België. In verband daarmee is zij begin juni 2012 met de echtgenoot en de twee kinderen verhuisd naar een huurwoning in [D] , België.

2.4.

De woning in Nederland is na verhuizing leeg komen te staan en door belanghebbende en de echtgenoot ten verkoop aangeboden via [E] Makelaars (hierna: de makelaar).

2.5.

Belanghebbende en de echtgenoot hebben met [F] (hierna: [F] ), een (destijds) pas gescheiden schoolvriendin van de echtgenoot, afgesproken dat zij met haar twee kinderen de woning mag bewonen zolang de woning te koop staat. In ruil daarvoor zou [F] het huis in goede staat houden. Ook zou zij potentiële kopers toegang verlenen en ervoor zorgen dat de woning dan schoon en verzorgd is. Tijdens door de makelaar georganiseerde ‘open huizen dagen’ moest zij rondleidingen door de woning verzorgen. Overeengekomen is dat [F] de woning direct zou verlaten zodra belanghebbende met haar gezin naar Nederland zou terugkeren. Voormelde afspraken zijn niet schriftelijk vastgelegd.

2.6.

Medio juni 2012 heeft [F] met haar twee kinderen intrek genomen in de woning en heeft deze met eigen huisraad ingericht. Per 6 juli 2012 staat zij met haar kinderen op dat adres ingeschreven in de Basisregistratie personen (hierna: Brp).

2.7.

Na een paar maanden is de heer [G] (hierna: [G] ), de nieuwe partner van [F] , bij haar ingetrokken. [G] heeft zich per 31 oktober 2012 op dit adres ingeschreven in de Brp. Belanghebbende was ervan op de hoogte dat [F] in de woning samenwoonde met [G] en was hiermee akkoord, zolang de gemaakte afspraken door [F] zouden worden nageleefd.

2.8.

Voor het verblijf in de woning was [F] geen vergoeding verschuldigd aan belanghebbende en de echtgenoot. Wel betaalde zij aan belanghebbende en de echtgenoot een bijdrage in de kosten van gas, water en elektriciteit van € 200 per maand. Nadat [G] zijn intrek had genomen, is de bijdrage iets verhoogd. Verder heeft [F] de op haar naam gestelde aanslagen onroerende-zaakbelastingen voldaan.

2.9.

Begin 2013 is [G] een onderneming gestart die eveneens op het adres [a-straat] 67 te [B] is ingeschreven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel. [G] gebruikte het als postadres van zijn onderneming. Zijn activiteiten als consultant verrichtte hij louter op locatie. Belanghebbende was hiervan niet op de hoogte.

2.10.

De inschrijving van [G] en zijn onderneming op het adres [a-straat] 67 te [B] is per 4 mei 2014 beëindigd.

2.11.

Rond het overlijden van zijn vader heeft de echtgenoot met instemming van [F] in de woning overnacht. [F] heeft toen bij haar ouders gelogeerd. Verder heeft het gezin van belanghebbende in de periode van uitzending niet in de woning verbleven.

2.12.

Begin november 2014 heeft belanghebbende aan [F] te kennen gegeven dat zij met haar gezin zal terugkeren naar Nederland en per 1 december 2014 intrek wil nemen in de woning. Vanwege een kleine verbouwing, heeft zij [F] verzocht de woning per half november 2014 te verlaten. Hieraan heeft [F] gehoor gegeven. Per 5 januari 2015 staat belanghebbende in de Brp weer ingeschreven op het adres [a-straat] 67 te [B] .

2.13.

De woning heeft gedurende de uitzending van belanghebbende in de verkoop gestaan. Inmiddels is de woning verkocht.

2.14.

In de aangifte IB/PVV voor het jaar 2012 heeft belanghebbende geopteerd voor toepassing van de regels van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: de Wet IB 2001) voor binnenlandse belastingplichtigen. De woning is hierin als ‘eigen woning’ aangemerkt. Als belastbare inkomsten hieruit is een bedrag aangegeven van € 23.602 negatief (saldo eigen woning), betrekking hebbende op de periode na het vertrek uit de woning in verband met de verhuizing naar België.

2.15.

Bij het opleggen van de aanslag is de Inspecteur van de aangifte afgeweken. De aftrek van het bedrag van € 23.602 als (negatief) saldo eigen woning is door hem gecorrigeerd.

3 Geschil

In geschil is of na het vertrek van (het gezin van) belanghebbende naar België, de woning nog kwalificeert als ‘eigen woning’ in de zin van artikel 3.111 van de Wet IB 2001. Het geschil spitst zich toe op de vraag of de woning aan een derde ter beschikking is gesteld of dat sprake is van een kraakwacht-situatie.

4 Beoordeling van het geschil

4.1.

Volgens artikel 3.111, eerste lid, van de Wet IB 2001 geldt als voorwaarde voor de kwalificatie ‘eigen woning’ dat de woning de belastingplichtige of personen die behoren tot zijn huishouden anders dan tijdelijk als hoofdverblijf ter beschikking staat.

4.2.

Ingevolge artikel 3.111, tweede lid, van de Wet IB 2001 wordt een woning voor de periode dat deze in het kalenderjaar leeg staat mede aangemerkt als ‘eigen woning’ indien de woning de belastingplichtige in het kalenderjaar of in een van de voorafgaande drie jaren als ‘eigen woning’ als bedoeld in het eerste lid ter beschikking heeft gestaan en hij aannemelijk maakt dat de woning bestemd is voor verkoop.

4.3.

Uit de totstandkomingsgeschiedenis van deze bepaling volgt dat als leegstaand wordt aangemerkt een woning waarin enig meubilair staat dan wel waarin uitsluitend een zogenoemde kraakwacht verblijft. Onder de bepaling valt niet de woning die in afwachting van verkoop tijdelijk wordt verhuurd (Kamerstukken II 1998/1999, 26 727, nr. 3, blz. 146).

4.4.

Ingevolge artikel 3.111, zesde lid, van de Wet IB 2001 kan een woning die de belastingplichtige gedurende tenminste een jaar als ‘eigen woning’ als bedoeld in het eerste lid ter beschikking heeft gestaan en sindsdien tijdelijk als hoofdverblijf niet anders dan tijdelijk ter beschikking staat, op verzoek mede worden aangemerkt als ‘eigen woning’ indien gedurende die periode:

a. de woning niet aan derden ter beschikking wordt gesteld en

b. de belastingplichtige tezamen met zijn partner niet met betrekking tot een andere woning belastbare inkomsten uit eigen woning geniet.

4.5.

Met de voorwaarde dat de woning niet aan derden ter beschikking wordt gesteld, is bedoeld dat de woning niet wordt verhuurd en dat ook niet wordt gedoogd dat derden de woning gebruiken (Kamerstukken II 2000/2001, 27 466, nr. 7, blz. 10 e.v.). Van zodanige verhuur aan of gedoogd gebruik van derden is geen sprake in een geval waarin met een derde is overeengekomen dat hij zorg zal dragen dat de woning niet wordt gekraakt, en deze derde, behoudens een beperkte bijdrage in de energiekosten, geen vergoeding hoeft te betalen voor het daarmee gepaard gaande verblijf in de woning en hij de woning zal moeten verlaten zodra de eigenaar dat noodzakelijk acht. Dat die zogenoemde kraakwacht in het kader van de met hem overeengekomen werkzaamheid verblijf houdt in de woning, doet daaraan niet af (HR 7 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA2316; hierna: het arrest van 7 juni 2013).

4.6.

Voor de toepassing van zowel het tweede als het zesde lid van artikel 3.111 van de Wet IB 2001 geldt enerzijds dat verhuur aan of gedoogd gebruik van derden in de weg staat aan de kwalificatie ‘eigen woning’. In die gevallen is geen sprake van een leegstaande woning die bestemd is voor verkoop (tweede lid) respectievelijk een woning die niet aan derden ter beschikking wordt gesteld (zesde lid). Anderzijds staat voor de toepassing van beide artikelleden het verblijf in de woning van een kraakwacht in het kader van de met hem overeengekomen werkzaamheid niet aan een dergelijke kwalificatie in de weg.

4.7.

Met de rechtbank is het Hof van oordeel dat in het onderhavige geval sprake is van gedoogd gebruik van een derde en niet van een kraakwacht-situatie. Medio juni 2012 heeft [F] met haar kinderen de woning betrokken en voor het geheel in gebruik genomen. De destijds leegstaande woning heeft zij ingericht met eigen huisraad. Een paar maanden later heeft ook de nieuwe partner van [F] met instemming van belanghebbende zijn intrek genomen in de woning. De woning stond [F] c.s. volledig voor eigen gebruik ter beschikking voor zolang de woning niet verkocht was en de uitzending van belanghebbende duurde. Er is geen voorbehoud gemaakt met betrekking tot het gebruik van gedeelten van de woning door het gezin van belanghebbende. Van een gebruik door het gezin van belanghebbende is in de periode van uitzending ook geen sprake geweest, behoudens een eenmalig en kortstondig verblijf van de echtgenoot in de woning rond het overlijden van zijn vader. Het verblijf in de woning van [F] c.s. wijkt daarmee af van de situatie van de kraakwacht zoals bedoeld in de wetsgeschiedenis en in het arrest van 7 juni 2013. Daarbij komt dat de met [F] overeengekomen werkzaamheid meer omvat dan alleen het zorgdragen dat de woning niet wordt gekraakt c.q. inbraak in de woning wordt voorkomen. Hiertoe behoort ook het behulpzaam zijn bij de verkoop van de woning door potentiële kopers toegang te verlenen, ervoor te zorgen dat de woning dan schoon en verzorgd is en het verzorgen van rondleidingen tijdens ‘open huizen dagen’. Daarmee wijkt ook de overeengekomen werkzaamheid af van de in de wetsgeschiedenis en in het arrest van 7 juni 2013 bedoelde situatie van de kraakwacht.

4.8.

Gelet op het voorgaande wordt niet voldaan aan de in artikel 3.111, tweede en zesde lid, van de Wet IB 2001 gestelde voorwaarden voor de kwalificatie ‘eigen woning’. De woning is aan een derde ter beschikking gesteld en stond niet leeg in afwachting van verkoop. Het hoger beroep slaagt niet.

4.9.

Het hoger beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op het verzamelinkomen en de belastingrente. Belanghebbende heeft hiertegen geen zelfstandige grieven aangevoerd. Ook in zoverre slaagt het hoger beroep niet.

Slotsom
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.

5 Griffierecht en proceskosten

Het Hof ziet geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of een veroordeling in de proceskosten.

6 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan door mr. V.F.R. Woeltjes, voorzitter, mr. R. den Ouden en mr. M.G.J.M. van Kempen, in tegenwoordigheid van mr. A. Vellema als griffier.

De beslissing is op 24 april 2018 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

(A. Vellema) (V.F.R. Woeltjes)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 26 april 2016

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH DEN HAAG.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.