Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:3770

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
17-04-2018
Datum publicatie
24-04-2018
Zaaknummer
200.219.273/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging gezag van de moeder. Minderjarige woont al vier jaar bij zijn vader op grond van een machtiging uithuisplaatsing. Niet vader, maar de GI tot voogd benoemd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.219.273/01

(zaaknummer rechtbank Overijssel C/08/196185 / FA RK 17-16)

beschikking van 17 april 2018

inzake

[verzoekster] ,

wonende te [A] ,
verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. P.C. Smit te Utrecht,

en

de raad voor de kinderbescherming,

regio Overijssel, locatie Zwolle,

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: de raad.

Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:

1 [de vader] ,

wonende te [A] ,

verder te noemen: de vader,

2. de gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming Overijssel,

gevestigd te Zwolle,

verder te noemen: de GI.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 10 april 2017, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met productie(s), ingekomen op 10 juli 2017;

- het verweerschrift met productie(s);

- een journaalbericht namens mr. Smit van 11 augustus 2017 met productie(s);

- een brief van de raad van 13 oktober 2017 met productie(s).

2.2

De minderjarige [de minderjarige1] , geboren [in] 2001 (verder te noemen: [de minderjarige1] ) is in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken met betrekking tot het verzoek, maar heeft daarvan geen gebruik gemaakt.

2.3

De mondelinge behandeling heeft op 15 februari 2018 plaatsgevonden. De moeder is verschenen, bijgestaan door haar advocaat. Namens de raad is [B] verschenen.

2.4

Na de mondelinge behandeling zijn met toestemming van het hof ingekomen een faxbericht van de GI van 13 april 2018 (een bereidverklaring van de GI om tot voogd over [de minderjarige1] te worden benoemd) en een journaalbericht van mr. Smit van 13 april 2018 met als bijlage een afschrift van voornoemde bereidverklaring.

3 De feiten

3.1

Uit de - inmiddels verbroken - affectieve relatie van de vader en de moeder is [de minderjarige1] geboren. De vader heeft [de minderjarige1] niet erkend. [de minderjarige1] weet sinds 2013 dat de vader zijn biologische vader is. De moeder was tot de bestreden beschikking alleen belast met het gezag over [de minderjarige1] .

3.2

De moeder heeft uit een eerdere relatie nog een zoon: [C] , geboren [in] 1986.

Met haar huidige partner, [D] (verder te noemen: [D] ), met wie zij [in] 2007 is gehuwd, heeft de moeder nog een dochter, [de minderjarige2] , geboren [in] 2007 (verder te noemen: [de minderjarige2] ). [D] zit sinds oktober 2013 gedetineerd.

3.3

De vader heeft uit een eerdere relatie een dochter, [E] , geboren [in] 1994. Met zijn huidige partner, [F] (verder te noemen: [F] ), heeft hij twee zonen: [de minderjarige3] , geboren [in] 2002 (verder te noemen: [de minderjarige3] ) en [de minderjarige4] , geboren [in] 2005 (verder te noemen: [de minderjarige4] ).

3.4

[de minderjarige1] staat sinds 23 april 2014 onder toezicht. De termijn van de ondertoezichtstelling is laatstelijk verlengd tot 23 april 2018.

3.5

Nadat de vader en de moeder uit elkaar zijn gegaan, heeft [de minderjarige1] eerst bij de moeder (en haar huidige gezin) verbleven. In november 2013 zijn de moeder, [de minderjarige1] en [de minderjarige2] bij de vader (en zijn huidige gezin) gaan wonen. Vanaf december 2013 is [de minderjarige1] alleen bij de vader (en zijn huidige gezin) blijven wonen. Sinds 17 juni 2014 verblijft hij op basis van een machtiging tot uithuisplaatsing bij de vader.

3.6

De moeder heeft sinds december 2013 geen contact meer met [de minderjarige1] .

4 De omvang van het geschil

4.1

Bij de bestreden, uitvoerbaar bij voorraad verklaarde beschikking heeft de rechtbank, op verzoek van de raad, het gezag van de moeder over [de minderjarige1] beëindigd en de vader tot voogd over [de minderjarige1] benoemd. De rechtbank heeft het meer of anders verzochte afgewezen.

4.2

De moeder is met drie grieven in hoger beroep gekomen van de beschikking van 10 april 2017. Deze grieven beogen het geschil in hoger beroep in volle omvang aan de orde te stellen. De moeder verzoekt het hof - zo leest het hof - primair de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende het inleidend verzoek van de raad alsnog af te wijzen. Subsidiair verzoekt de moeder het hof de bestreden beschikking te vernietigen voor zover daarbij de vader tot voogd over [de minderjarige1] is benoemd en opnieuw rechtdoende de GI tot voogd te benoemen.

4.3

De raad voert verweer en verzoekt het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen, kosten rechtens.

5 De motivering van de beslissing

Gezag

5.1

Op grond van artikel 1:266 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter het gezag van een ouder beëindigen indien

a. een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding in staat is te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of

b. de ouder het gezag misbruikt.

5.2

Gelet op het bepaalde in de artikelen 3 en 20 van het Verdrag inzake de Rechten van het Kind overweegt het hof dat bij het nemen van een beslissing tot beëindiging van het gezag van de ouders de belangen van het kind voorop staan. Het kind dat niet verblijft in het eigen gezin heeft recht op zekerheid, continuïteit en ongestoorde hechting in de alternatieve leefsituatie en duidelijkheid over zijn opvoedingsperspectief.

5.3

[de minderjarige1] heeft een belast en turbulent verleden. Hij is opgegroeid bij de moeder en zijn stiefvader en halfzusje ( [D] en [de minderjarige2] ). [de minderjarige4] (de zoon van de vader) heeft ook gedurende langere tijd bij hen gewoond, omdat de vader gedetineerd zat.

In november / december 2013 is de moeder - in verband met het feit dat [D] was veroordeeld tot een gevangenisstraf en de moeder bedreigingen ontving uit het milieu van [D] - met [de minderjarige1] en [de minderjarige2] bij de vader, [F] en hun twee zonen gaan wonen.

Eind 2013 heeft er een escalatie tussen [de minderjarige1] en de moeder plaatsgevonden, waarna [de minderjarige1] bij de vader is blijven wonen. Sindsdien heeft hij geen contact meer gehad met de moeder.

5.4

[de minderjarige1] verblijft dus inmiddels al ruim vier jaar bij de vader. Anders dan de moeder heeft betoogd, is het hof uit de overgelegde stukken niet gebleken dat het verblijf van [de minderjarige1] bij de vader niet in het belang van [de minderjarige1] is. Het hof acht het juist positief dat [de minderjarige1] ondanks zijn belaste en instabiele verleden is geslaagd voor zijn vmbo-tl-opleiding en nu de havo-opleiding volgt. Kennelijk is de opvoedomgeving bij de vader dusdanig stabiel dat [de minderjarige1] zich voldoende kan ontwikkelen. Ook de raad constateert in zijn rapport van 3 januari 2017 dat [de minderjarige1] bij de vader op een goede plek zit, dat hij is 'ingegroeid' in het gezin van de vader en dat het van belang is dat deze plek voor [de minderjarige1] gewaarborgd blijft. Aandachtspunt blijft wel het verstoorde/ontbreken van contact met zijn moeder en [de minderjarige2] en de wijze waarop ouders met elkaar communiceren.

5.5

Voor [de minderjarige1] is het belangrijk, zoals het hof ook eerder heeft overwogen in het kader van de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige1] , dat hij duidelijkheid krijgt over zijn perspectief. Het belang van [de minderjarige1] bij continuïteit en duidelijkheid moet voorop staan en maakt dat het perspectief van [de minderjarige1] niet bij de moeder ligt. [de minderjarige1] woont nu ruim vier jaar bij de vader. Het doorbreken van deze situatie is niet in het belang van [de minderjarige1] . De aanvaardbare termijn als bedoeld in artikel 1:266 BW is verstreken.

5.6

Op grond van het vorenstaande is het naar het oordeel van het hof in het belang van [de minderjarige1] de stabiliteit en continuïteit in zijn opvoedingssituatie te waarborgen door het gezag van de moeder te beëindigen.

Voogdij

5.7

De moeder heeft subsidiair verzocht de GI tot voogd te benoemen in plaats van de vader. Het hof is, anders dan de raad en de rechtbank, van oordeel dat dit verzoek moet worden toegewezen. Het hof overweegt hiertoe als volgt.

5.8

Weliswaar zou het voor de hand liggen om de (biologische) vader van [de minderjarige1] , die al ruim vier jaar de feitelijke verzorger van [de minderjarige1] is maar (nog) niet de juridische vader, tot voogd te benoemen, maar het hof acht dit in dit geval niet in het belang van [de minderjarige1] .

Het hof komt tot dit oordeel op grond van de omstandigheid dat de moeder de plaatsing van [de minderjarige1] bij de vader en de benoeming van de vader tot voogd niet accepteert, dat de vader en de moeder weinig/slecht contact hebben met elkaar hetgeen maakt dat er onvoldoende vertrouwen bestaat dat de vader de moeder voldoende zal informeren over [de minderjarige1] en de omstandigheid dat het nog steeds van belang is dat wordt ingezet op (toekomstig) herstel van het contact/verbetering van de relatie tussen [de minderjarige1] en zijn moeder en [de minderjarige2] . Gelet op de (on)mogelijkheden die alle partijen hierbij ervaren, acht het hof het van belang dat een derde, onafhankelijke instantie, zoals de GI, tot voogd wordt benoemd en dat de GI blijft onderzoeken of er nog mogelijkheden zijn tot verbetering van deze situatie. Uit de brief van de GI van 13 april 2018 blijkt dat zij bereid is de voogdij ten aanzien van [de minderjarige1] te aanvaarden.

6 De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen zal het hof als volgt beslissen.

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 10 april 2017, voor zover daarbij het gezag van de moeder over [de minderjarige1] is beëindigd;

vernietigt de beschikking van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 10 april 2017, voor zover daarbij de GI tot voogd is benoemd, en in zoverre opnieuw beschikkende:

benoemt de gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming Overijssel, gevestigd te Zwolle, tot voogd over [de minderjarige1] ;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.G. Idsardi, G.M. van der Meer en E.B.E.M. Rikaart-Gerard, bijgestaan door mr. H.B. Fortuyn als griffier, en is op 17 april 2018 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.