Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:3741

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
23-04-2018
Datum publicatie
23-04-2018
Zaaknummer
21-006049-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De recidiveregeling van artikel 123b van de Wegenverkeerswet 1994 is geen ‘criminal charge’ in de zin van artikel 6, eerste lid, EVRM. Geen strijd met het ne bis in idem beginsel. Geen strijd met het fair trial beginsel. OM ontvankelijk in de vervolging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2018/121
JWR 2018/32 met annotatie van J.W. van der Hulst
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-006049-17

Uitspraak d.d.: 23 april 2018

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland van 1 november 2017 met parketnummer 96-083490-17 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1981] ,

wonende te [woonplaats] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 9 april 2018 en, zoals de wet dat voorschrijft in artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd. Het hof heeft daarnaast kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. M. Hoevers, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Verdachte is bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, veroordeeld wegens overtreden van artikel 8, lid 2 onderdeel a van de Wegenverkeerswet tot een geldboete van € 950,- en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van acht maanden.

Het hof zal het vonnis waarvan beroep om proceseconomische redenen vernietigen en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij, op of omstreeks 7 mei 2017 te IJsselstein als bestuurder van een voertuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 720 microgram, in elk geval hoger dan 220 microgram, alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

De ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vervolging

De raadsman van verdachte heeft bepleit dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vervolging. Hij heeft hiervoor – zakelijk weergegeven – twee redenen aangevoerd:

1. Schending van het ne bis in idem beginsel

Na het onherroepelijk worden van de uitspraak zal – op grond van de recidiveregeling zoals deze staat omschreven in artikel 123b Wegenverkeerswet – automatisch het rijbewijs van verdachte ongeldig worden verklaard voor onbepaalde duur. Deze regeling draagt een punitief karakter en moet aangemerkt worden als een ‘criminal charge’ in de zin van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). De conclusie van de Hoge Raad inzake het alcoholslot-programma is analoog van toepassing op deze recidiveregeling. Nu er sprake is van dubbele vervolging voor hetzelfde feitencomplex moet het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard worden in de vervolging van verdachte.

2. Schending van het recht op ‘fair trial’ ex artikel 6 EVRM

Toen verdachte de dagvaarding in de onderhavige zaak ontving werd hij voor het eerst in kennis gesteld van het feit dat hem met de strafbeschikking van 30 juli 2012 een strafpunt op zijn rijbewijs was toebedeeld. Hij heeft hiertegen dus ook nooit rechtsmiddelen kunnen instellen. Het belang van het tijdig informeren van de burger bij het toekennen van een strafpunt op het rijbewijs wordt onderstreept door de Ombudsman. Hierdoor kan een burger zijn handelen afstemmen op dat wat hem strafrechtelijk wordt verweten (accessibility en foreseeability). Bij de oplegging van de strafbeschikking had verdachte geïnformeerd moeten worden over de recidiveregeling. Er is met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van de zaak tekort gedaan en daarmee is het recht op een ‘fair trial’ onherstelbaar geschonden. Het Openbaar Ministerie dient niet-ontvankelijk verklaard te worden in zijn vervolging.

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie wel ontvankelijk is in zijn vervolging. De recidiveregeling betreft een door de wetgever beoogd resultaat en is bestuursrechtelijk van aard. Bovendien treedt deze regeling pas in werking na een onherroepelijke veroordeling, waardoor deze niet vergeleken kan worden met die van het alcoholslotprogramma. Bij arrest van het gerechtshof Amsterdam van 15 maart 2018 is bovendien bepaald dat de recidiveregeling niet is aan te merken als een 'criminal charge' in de zin van artikel 6, eerste lid van het EVRM. Er is geen sprake van schending van het ne bis in idem beginsel, omdat het niet zo is dat er meerdere onherroepelijke strafrechtelijke veroordelingen liggen. De consequenties van de recidiveregeling waren voldoende kenbaar en voorzienbaar. Een waarschuwingsbrief hoeft niet gestuurd te worden.

Naar aanleiding van het standpunt van de advocaat-generaal en het door de haar aangehaalde arrest heeft de verdediging nog opgemerkt dat het bij dat arrest ging om een brommerrijbewijs, terwijl het in de onderhavige zaak gaat om een autorijbewijs. Een rijbewijs van de categorie B is beduidend moeilijker te behalen, waardoor de voor het behalen ervan benodigde tijd en de daarmee gemoeide kosten bezwarender zijn. Er is sprake van een 'criminal charge'. Ook uit de Tweede Kamerstukken blijkt het belang van het informeren van de burger. Van bekendheid met toekenning van het eerste strafpunt gaat een waarschuwend effect uit. Het toekennen van een strafpunt is bovendien geen bestuursrechtelijke maatregel, het is immers het Openbaar Ministerie dat de toets uitvoert.

Het oordeel van het hof

Wettelijk kader

Bij de beoordeling van de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie zijn de volgende wettelijke bepalingen van belang.

Artikel 123b van de Wegenverkeerswet 1994 luidt, voor zover hier van belang:

“1 Onverminderd de artikelen 123, eerste lid, en 123a verliest een rijbewijs zijn geldigheid voor alle categorieën waarvoor het is afgegeven en voor de resterende duur van de geldigheid, indien de houder bij onherroepelijke rechterlijke uitspraak als bestuurder van een motorrijtuig is veroordeeld wegens overtreding van:

(…)

b. artikel 8, tweede, derde of vierde lid, indien het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek hoger blijkt te zijn dan 570 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht dan wel het alcoholgehalte van zijn bloed bij een onderzoek hoger blijkt te zijn dan 1,3 milligram alcohol per milliliter bloed;

een en ander voor zover ten tijde van het begaan van het strafbare feit nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert de houder als bestuurder van een motorrijtuig onherroepelijk is veroordeeld wegens overtreding van

(..)

2. artikel 8, tweede, derde of vierde lid

2 Voor de toepassing van het eerste lid wordt een strafbeschikking met een veroordeling gelijkgesteld.

3 Indien een rijbewijs dat op grond van het eerste lid ongeldig zou zijn, reeds eerder zijn geldigheid heeft verloren, plaatst de officier van justitie een aantekening in het rijbewijzenregister waaruit blijkt dat de houder bij de aanvraag van een nieuw rijbewijs op bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde wijze dient aan te tonen dat hij beschikt over de rijvaardigheid en de lichamelijke en geestelijke geschiktheid die is vereist voor het besturen van een motorrijtuig van de categorie of categorieën waarop de door de houder overgelegde aanvraag betrekking heeft.

4 De houder van een rijbewijs dat op grond van dit artikel ongeldig is of ten aanzien waarvan een aantekening is geplaatst als bedoeld in het derde lid dient dat rijbewijs, voor zover inlevering niet reeds heeft plaatsgevonden op grond van een ander artikel, in te leveren bij de Dienst Wegverkeer.”

Criminal charge en het ne bis in idem-beginsel

Criminal charge

Het Europese Hof voor de rechten van de mens (EHRM) hanteert een autonome interpretatie van het begrip ‘criminal charge’. Of sprake is van een ‘criminal charge’ dient te worden beoordeeld aan de hand van drie door het EHRM geformuleerde toetsingscriteria, de zogenaamde Engel-criteria, ontleend een aan uitspraak van het EHRM van 8 juni 1976 (NJ 1978, 223).

De vraag of de recidiveregeling van artikel 123b van de Wegenverkeerswet 1994 moet worden aangemerkt als een ‘criminal charge’ in de zin van artikel 6, eerste lid, EVRM dient derhalve te worden beoordeeld aan de hand van:

  1. de classificatie van de handhaving van de overtreden norm naar nationaal recht;

  2. de aard van de overtreding en/of

  3. de aard en zwaarte van de maatregel die naar aanleiding van de overtreding wordt opgelegd.

Toetsing Engel-criteria

1. Is de handhaving van de overtreden norm naar nationaal recht als strafrechtelijk aangemerkt, met andere woorden: wat is de classificatie naar nationaal recht?

De wetgever heeft de maatregel – het rechtsgevolg van de ongeldigheid van het rijbewijs – als bestuursrechtelijk gekwalificeerd (zie Kamerstukken I 2007-2008, 30 324, nr. C, p. 3).

2. Wat is de aard van het delict?

Rijden onder invloed is een gedraging die de veiligheid van de verkeersdeelnemers in gevaar brengt en daarom door de wetgever als een strafbaar feit, te weten een misdrijf, in artikel 8 WVW 1994 is gekwalificeerd.

3. Wat is de aard en de zwaarte van de maatregel, die met de overtreding wordt geriskeerd?

De wetgever heeft de ongeldigheid van rechtswege van het rijbewijs gekarakteriseerd als een bestuursrechtelijk gevolg. Degene die herhaaldelijk wordt veroordeeld wegens het rijden onder invloed wordt geacht niet langer te voldoen aan de eisen die gelden voor het kunnen behouden van het rijbewijs. Hoewel het feitelijke gevolg van de bestuursrechtelijke sanctie van ongeldigheid van het rijbewijs door een betrokkene als een straf kan worden ervaren, is van beoogde bestraffing – naar het oordeel van het hof – geen sprake. Het rijbewijs kan worden beschouwd als een vergunning tot besturen van een motorrijtuig die slechts wordt afgegeven aan een persoon die - in het belang van de verkeersveiligheid - heeft aangetoond over een voldoende mate van rijvaardigheid en geschiktheid voor dit besturen te beschikken. In de in artikel 123b van de Wegenverkeerswet genoemde omstandigheden mag ervan worden uitgegaan dat hij niet meer aan deze, voor het behoud van de vergunning noodzakelijke, vereisten voldoet. Daardoor ontvalt de grond aan zijn vergunning om een motorrijtuig te besturen (zie Kamerstukken I 2007-2008, 30324, nr. C., p. 3.)

Het rijbewijs wordt van rechtswege en voor onbepaalde duur ongeldig. Dit heeft weliswaar consequenties voor de betrokkene, maar er is geen vaststaande termijn verbonden aan de maatregel. Een betrokkene wiens rijbewijs als gevolg van de recidiveregeling ongeldig is geworden, kan de volgende dag al opnieuw zijn rijbewijs aanvragen, waarbij het op zijn weg ligt om daarbij zijn rijvaardigheid en – geschiktheid aan te tonen. De kosten die met een het opnieuw behalen van een rijbewijs categorie B zijn gemoeid – door de raadsman geschat op € 1500,- - zijn naar het oordeel van het hof niet zodanig dat de maatregel reeds op grond daarvan als punitief moet worden aangemerkt. De maatregel wordt daarnaast uitsluitend opgelegd aan bestuurders die na een eerdere indringende waarschuwing in de vorm van een strafrechtelijke veroordeling of strafbeschikking door het plegen van een strafbaar feit opnieuw de verkeersveiligheid in gevaar hebben gebracht.

Alles afwegende en de Engel-criteria in onderling verband beschouwend, komt het hof tot het oordeel dat het rechtsgevolg van de recidiveregeling, te weten de ongeldigheid van rechtswege van een rijbewijs, niet is aan te merken als een maatregel die is te beschouwen als een ‘criminal charge’ in de zin van artikel 6, eerste lid, van het EVRM.

Ne bis in idem

Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of sprake is van dubbele vervolging of dubbele bestraffing. Zoals hiervoor overwogen, is de recidiveregeling bedoeld als een (preventieve) bestuursrechtelijke maatregel die pas intreedt nadat de tweede veroordelende strafrechtelijke veroordeling onherroepelijk wordt. Een rijbewijs wordt dan van rechtswege ongeldig. Er ligt op dit moment in de onderhavige zaak een strafbeschikking. Dit is in artikel 123b lid 3 WVW gelijk gesteld aan een (onherroepelijke) veroordeling. In dit stadium van de procedure is aldus bezien geen sprake van meerdere onherroepelijke beslissingen van de strafrechter / meerdere strafbeschikkingen en is artikel 68 van het Wetboek van Strafrecht op het onderhavige geval niet van toepassing. Met de advocaat-generaal is het hof dan ook van oordeel dat de recidive-regeling van artikel 123b WVW niet vergelijkbaar is met het aangedragen voorbeeld van het alcoholslotprogramma. Reeds daarom strandt het verweer. Om dezelfde reden is er geen sprake van strijd met een goede procesorde.

Fair trial

Bij de beoordeling van het verweer van de raadsman dat verdachte niet geïnformeerd is over de recidiveregeling en hiermee de eisen van ‘accessibility en foreseeability’ zijn geschonden neemt het hof als uitgangspunt dat een ieder de wet behoort te kennen. De wet is voorafgaand aan de inwerkingtreding gepubliceerd in het Staatsblad. Niet gesteld of gebleken is dat het wetsartikel dusdanig onduidelijk was, dat het bestuursrechtelijke gevolg dat aan een tweede veroordeling wegens rijden onder invloed van alcohol wordt verbonden daaruit niet blijkt. Met het vorenstaande waren - ook voor verdachte - naar het oordeel van de consequenties van de recidiveregeling voldoende kenbaar en voorzienbaar. De kennelijke opvatting van de raadsman, dat het Openbaar Ministerie veroordeelde bestuurders dient te waarschuwen voor het bestaan van de recidiveregeling, vindt geen steun in het recht. Er is naar het oordeel van het hof geen sprake van een grove veronachtzaming van de belangen van verdachte waardoor aan diens recht op een eerlijke behandeling van de zaak zou zijn tekortgedaan. Het recht op een ‘fair trial’ is niet geschonden.

Het verweer tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie wordt in al zijn onderdelen verworpen.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij, op of omstreeks 7 mei 2017 te IJsselstein als bestuurder van een voertuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 720 microgram, in elk geval hoger dan 220 microgram, alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

overtreding van artikel 8, tweede lid, onderdeel a van de Wegenverkeerswet 1994.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De advocaat-generaal heeft gevorderd om verdachte te veroordelen tot een geldboete van

€ 950,- en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van acht maanden. Zij heeft hiertoe aangevoerd dat er sprake is van recidive, waardoor er een hogere schaal moet worden toegepast.

De raadsman van verdachte heeft verzocht om bij de bepaling van de strafmaat rekening te houden met het feit dat het onderhavige feit meer dan vijf jaren na het eerste feit gepleegd is. Door een onherroepelijk veroordeling treedt bovendien automatisch de recidiveregeling in werking waardoor verdachte extra gestraft wordt. Verdachte is inmiddels al maandenlang verstoken van zijn rijbewijs.

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte en zijn draagkracht, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Het hof houdt bij de bepaling van de strafmaat rekening met de rechterlijke oriëntatiepunten die gelden bij het besturen van een motorrijtuig onder invloed met een uitslag van 716 tot 785 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht. In een dergelijk geval is een geldboete van € 850,- en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 7 maanden passend. Met de advocaat-generaal is het hof echter van oordeel dat gelet op de recidive – die ook blijkt uit het Uittreksel Justitiële Documentatie betreffende verdachte van 9 maart 2018 – de toepassing van een hogere schaal passend is.

Het hof ziet geen aanleiding om bij de bepaling van de hoogte van de straf rekening te houden met de bestuursrechtelijke gevolgen van de recidiveregeling.

Alles overwegende is het hof van oordeel dat een geldboete ter hoogte van € 950,- en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 8 maanden passend en geboden is.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 23, 24 en 24c van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 8, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 950,00 (negenhonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 19 (negentien) dagen hechtenis.

Ontzegt de verdachte ter zake van het bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 8 (acht) maanden.

Bepaalt dat de tijd, gedurende welke het rijbewijs van de verdachte ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 vóór het tijdstip, waarop deze uitspraak voor wat betreft de in artikel 179 van die wet genoemde bijkomende straf voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, ingevorderd of ingehouden is geweest, op de duur van bovengenoemde bijkomende straf geheel in mindering zal worden gebracht.

Aldus gewezen door

mr. J.P. Bordes, voorzitter,

mr. J.W. Rijkers en mr. W.A. Holland, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. S.H. Diepeveen, griffier,

en op 23 april 2018 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Proces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van het gerechtshof van 23 april 2018.

Tegenwoordig:

mr. J.P. Bordes, voorzitter,

mr. M. van Leent, advocaat-generaal,

mr. R.S. Helmus, griffier.

De voorzitter doet de zaak uitroepen.

De verdachte is niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.

De voorzitter spreekt het arrest uit.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.