Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:3692

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
19-04-2018
Datum publicatie
22-06-2018
Zaaknummer
200.225.240
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beloning aanvangswerkzaamheden bewindvoerder.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.225.240

(zaaknummer rechtbank Overijssel 5384873)

beschikking van 19 april 2018

inzake

[bewindvoerder] ,

handelend onder de naam Bureau Alert VOF,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,
verzoeker in hoger beroep, verder te noemen: [bewindvoerder] of de bewindvoerder,

advocaat: mr. W.B. Brusse te Almelo.

en

[rechthebbende] ,

wonende te [woonplaats] ,

verder te noemen: de rechthebbende,

belanghebbende in hoger beroep.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kantonrechter (rechtbank Overijssel, Team Toezicht - Bewindsbureau, locatie Almelo) van 7 juni 2017 uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit het beroepschrift met producties 1 tot en met 3, ingekomen op 31 juli 2017.

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 20 maart 2018 plaatsgevonden. Verzoeker in hoger beroep is verschenen bijgestaan door zijn advocaat. De rechthebbende is behoorlijk opgeroepen, maar niet verschenen.

3 De feiten

3.1

De rechthebbende is geboren op [geboortedatum] . De rechthebbende heeft op 4 december 2014 op de voet van artikel 1:431 Burgerlijk Wetboek (BW) verzocht om instelling van een bewind over alle goederen die hem (zullen) toebehoren met benoeming van [bewindvoerder] tot bewindvoerder. Er heeft geen mondelinge behandeling van dit verzoek plaatsgevonden.

3.2

In de beschikking van 23 april 2015 heeft de kantonrechter de goederen die (zullen) toebehoren aan de rechthebbende onder bewind gesteld met benoeming van de [bewindvoerder] tot bewindvoerder.

3.3

In zijn brief van 1 december 2016 heeft de griffier van de rechtbank op grond van de Aanbevelingen meerderjarigenbewind LOVCK&T de bewindvoerder meegedeeld dat deze alsnog twee uren in mindering dient te brengen op de zogeheten intakevergoeding en hiervan een bewijs van storting te overleggen waaruit dit blijkt, omdat de bewindvoerder niet is verschenen op de instellingszitting.

3.4

In een brief, die is ingekomen ter griffie van de rechtbank op 26 april 2017, heeft de bewindvoerder de kantonrechter verzocht te bepalen dat hij de volledige intakevergoeding in rekening mag brengen zonder aftrek van twee uren vanwege het feit dat er geen instellingszitting heeft plaatsgevonden. Op 1 mei 2017 is er een aanvulling van dit verzoek ingekomen van mr. Brusse.

3.5

In zijn beschikking van 7 juni 2017 heeft de kantonrechter bepaald dat de bewindvoerder op de intakevergoeding twee uren in mindering dient te brengen.

4 De omvang van het geschil

4.1

De bewindvoerder is met vier grieven in hoger beroep gekomen van de beschikking van 7 juni 2017 (verder: de bestreden beschikking). Deze grieven beogen het geschil in hoger beroep in volle omvang aan de orde te stellen.

4.2

De bewindvoerder verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en alsnog aan de bewindvoerder een intakevergoeding toe te kennen van € 629,20 inclusief BTW

(€ 520,00 exclusief BTW), althans te willen bepalen dat op de intakevergoeding niet twee uren in mindering behoeft te worden gebracht, kosten rechtens.

5 De motivering van de beslissing

5.1

Aan de orde is de beloning van de bewindvoerder voor aanvangswerkzaamheden.

5.2

De bewindvoerder heeft aanspraak op beloning overeenkomstig de regels die daaromtrent bij regeling van Onze Minister van Veiligheid en Justitie zijn vastgesteld. Op grond van bijzondere omstandigheden kan de kantonrechter, hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek van de bewindvoerder of van de rechthebbende, voor bepaalde of onbepaalde tijd de beloning anders regelen dan bij de instelling of door de wet is aangegeven (artikel 1:447 lid 1 BW).

5.3

Artikel 3 lid 1 van de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren, die is gepubliceerd in de Staatscourant 2014/32149) (hierna: de Regeling), bepaalt dat de kantonrechter die de (zogeheten professionele) bewindvoerder, bedoeld in artikel 435, zevende lid, van Boek 1 BW benoemt, diens beloning vaststelt overeenkomstig het bepaalde in het tweede tot en met vijfde lid.

Uit de toelichting op de Regeling blijkt dat deze voortbouwt op de systematiek van de aanbevelingen van het Landelijk Overleg Vakinhoud Civiel en Kanton (LOVCK), zoals destijds laatstelijk gewijzigd per 21 januari 2014. De toelichting vermeldt verder:

“Een bezwaar van deze aanbevelingen is dat ze voor de individuele kantonrechter, die gaat over de benoeming en beloning van curatoren, bewindvoerders en mentoren, niet bindend zijn. Vertegenwoordigers die aan meer dan één kantonrechter rekening en verantwoording schuldig zijn, kunnen daardoor ondanks de aanbevelingen met verschillende normen voor de beloning worden geconfronteerd. Daarom stel ik in deze regeling eenduidige bindende regels voor de beloning vast.

Deze regeling bouwt voort op de systematiek van de aanbevelingen. Er wordt uitgegaan van een forfaitaire jaarbeloning op basis van het aantal uren waarin de werkzaamheden jaarlijks worden uitgeoefend, inclusief een onkostenvergoeding.

(…)

De jaarbeloning geldt als gemiddelde. Het ene mentorschap of bewind zal meer tijd vergen dan het andere. Het zal ook voorkomen dat gedurende een aantal jaren veel uren aan een betrokkene worden besteed en de volgende jaren minder dan het gemiddelde aantal uren waarop de forfaitaire jaarbeloning is gebaseerd. Het voordeel van het hanteren van een forfaitaire beloning is dat de administratieve afhandeling relatief eenvoudig is. Daarmee wordt beoogd de regeldruk voor de vertegenwoordigers en de rechterlijke macht te verminderen.

Om tot forfaitaire beloningen te komen en in uitzonderlijke omstandigheden extra werkzaamheden te kunnen belonen, wordt een uurtarief gehanteerd.”

5.4

Artikel 3 lid 5 onder a van de Regeling bepaalt, voor zover hier van belang, dat de

kantonrechter naast de jaarbeloning in voorkomende gevallen een beloning voor

aanvangswerkzaamheden toekent ter hoogte van € 520,00 (exclusief omzetbelasting).

5.5

De artikelsgewijze toelichting bij de Regeling vermeldt ten aanzien van artikel 3 lid 5 onder a onder meer:

“De beloning voor aanvangswerkzaamheden indien de bewindvoerder voorafgaand aan het bewind geen budgetbeheer heeft gevoerd, bestaande uit de intake (7 uren) en het opstellen van een plan van aanpak (1 uur), bedraagt (8 uren * € 65 =) € 520.

De LOVCK-aanbevelingen gaan uit van 7 uren voor de intake. In de onderhavige regeling wordt de vergoeding voor aanvangswerkzaamheden berekend over 8 uren, omdat op grond van artikel 5 van het Besluit kwaliteitseisen curatoren, beschermingsbewindvoerders en mentoren (hierna: ‘het Besluit kwaliteitseisen’) een plan van aanpak met de onder curatele gestelde wordt besproken en aan hem verstrekt, alsmede de klachtenregeling op grond van artikel 6 van genoemd besluit. Daar wordt 1 uur voor gerekend.

Onder aanvangswerkzaamheden van een bewindvoerder zijn onder meer de volgende intakewerkzaamheden begrepen: het aanvragen van het bewind, de kennismaking, het bijwonen van de instellingszitting, het verzamelen en kennisnemen van stukken, het opstellen van de boedelbeschrijving (inclusief inventarisatie schulden en uitkeringen), alle reguliere werkzaamheden verband houdende met het inkomen en de werkzaamheden van rechthebbende (het aanschrijven van instanties voor bijzondere bijstand, kwijtschelding gemeentelijke lasten en langdurigheidstoeslag, huurtoeslag, zorgtoeslag, uitkeringen), het openen van een bankrekening, de inschrijving in het Kadaster, het aanmaken van een dossier, overleg over het verkopen van de woning en/of de inboedel met het oog op een verhuizing. Daarnaast stelt de bewindvoerder in overleg met de rechthebbende een plan van aanpak op en verstrekt hij de klachtenregeling aan de rechthebbende.”

5.6

Artikel 3 lid 6 van de Regeling bepaalt, voor zover hier van belang, dat de

kantonrechter in afwijking van het eerste lid wegens uitzonderlijke omstandigheden de

beloning van de bewindvoerder op andere wijze kan vaststellen. In de Toelichting bij

de Regeling is ten aanzien van die uitzonderlijke omstandigheden vermeld:

“Met deze regeling wordt beoogd het overgrote deel van de gevallen van curatele, bewind en mentorschap te bestrijken. Niet uit te sluiten is echter dat zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen, waarop deze regeling niet onverkort kan worden toegepast. De kantonrechter wordt daarom de ruimte gelaten om vanwege uitzonderlijke omstandigheden in het specifieke geval de beloning van de vertegenwoordiger op andere wijze vast te stellen (vgl. art. 1, achtste lid, art. 2, zesde lid, art. 3, zesde lid, art. 4, vijfde lid, art. 6, zesde lid, art. 7, zesde lid, art. 8, zesde lid, art. 9, zevende lid, art. 10, vijfde lid). In geval van bewind kan daarnaast worden afgeweken van de regeling indien het bewind zich niet uitstrekt over alle goederen (vgl. art. 3, zesde lid, art. 7, zesde lid en art. 9, zevende lid). Naar aanleiding van reacties op de conceptregeling is de formulering gewijzigd van ‘bijzondere omstandigheden’ in ‘uitzonderlijke omstandigheden’, om te benadrukken dat niet te snel mag worden aangenomen dat van de regeling kan worden afgeweken. Indien zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen, kan de kantonrechter door deze ingebouwde ‘noodklep’ bijvoorbeeld een hogere beloning toekennen dan door deze regeling wordt voorgeschreven. Een bijstelling van de jaarbeloning naar beneden is evenwel ook mogelijk. Wat onder uitzonderlijke omstandigheden wordt verstaan, kan niet in een limitatieve opsomming in deze regeling worden vastgesteld. Deze omstandigheden zijn immers toegesneden op de omstandigheden die zich in een specifiek geval kunnen voordoen en zijn naar hun aard niet alle voorzienbaar. Als voorbeeld noem ik extra werkzaamheden vanwege het feit dat de betrokkene is vertrokken naar het buitenland en de vertegenwoordiger allerlei extra inspanningen moet doen om hem naar Nederland te laten brengen. Wat in geen geval onder uitzonderlijke omstandigheden kan worden verstaan zijn de werkzaamheden die blijkens de toelichting vallen onder de verschillende voor professionele vertegenwoordigers onderscheiden categorieën werkzaamheden (zie voor een omschrijving van deze werkzaamheden de toelichting bij art. 2, tweede lid, art. 3, tweede lid, en art. 4, tweede lid). Van belang is om te benadrukken dat het dient te gaan om incidentele extra werkzaamheden.

5.7

In hoofdstuk C. van de Aanbevelingen meerderjarigenbewind, vastgesteld op 10 april 2017, door het Landelijk Overleg Vakinhoud Civiel en Kanton & Toezicht (verder Aanbevelingen LOVCK & T) is onder punt 5 bepaald:

“Indien de bewindvoerder niet op de instellingszitting verschijnt of bij opvolging niet op de ontslagzitting verschijnt, wordt de intakevergoeding met twee uur verminderd. Hierbij wordt er namelijk vanuit gegaan dat de bewindvoerder reistijd en zittingstijd uitspaart, die in de hoogte van het tarief zijn verwerkt. (...). Als voorafgaand aan het bewind budgetbeheer heeft plaatsgevonden en de bewindvoerder niet ter zitting is verschenen, niet is opgeroepen of als er geen zitting is geweest, wordt op de lage beloning voor de aanvangswerkzaamheden twee uur in mindering gebracht .”

Deze aanbevelingen betreffen de beloning van de bewindvoerder voor werkzaamheden die zijn verricht na 1 januari 2015.

5.8

De bewindvoerder stelt dat in dit geval geen sprake is van uitzonderlijke

omstandigheden als bedoeld in artikel 3 lid 6 van de Regeling die een korting van twee uren op de beloning voor de aanvangswerkzaamheden rechtvaardigen. Hij stelt voorts dat aanpassing van de beloning niet kan worden gebaseerd op de Aanbevelingen LOVCK (grieven I en IV). Met grief II stelt de bewindvoerder aan de orde dat de kantonrechter ten onrechte met terugwerkende kracht heeft beslist deze korting toe te passen. Grief III houdt in dat de kantonrechter zelf heeft beslist geen instellingszitting te doen plaatsvinden en dat dit niet aan de bewindvoerder kan worden tegengeworpen door deze korting toe te passen.

5.9

Het hof is met de bewindvoerder van oordeel dat in dit geval niet is komen vast te staan dat sprake is van uitzonderlijke omstandigheden als bedoeld in artikel 3 lid 6 van de Regeling, die rechtvaardigen dat de beloning voor de aanvangswerkzaamheden van de bewindvoerder op andere wijze wordt vastgesteld dan als bedoeld in artikel 3 lid 5 onder a van de Regeling.

5.10

Voor dat oordeel is het volgende van belang. De Regeling, die beoogt het overgrote deel van de gevallen van curatele, bewind en mentorschap te bestrijken, bevat zeer uitdrukkelijk een forfaitair systeem met als voordelen dat de administratieve afhandeling relatief eenvoudig is en de regeldruk voor curatoren, bewindvoerders en mentoren en de rechterlijke macht wordt verminderd. De toelichting vermeldt dat de jaarbeloning geldt als gemiddelde. Dat uitgangspunt is gelet op het expliciete forfaitaire karakter van de Regeling ook van toepassing op de beloning voor de aanvangswerkzaamheden, die bij het ene bewind meer tijd en inspanning zullen vergen dan bij het andere. Het ene bewind zal complexer en bewerkelijker zijn dan het andere. Ook geldt dat die aanvangswerkzaamheden kunnen bestaan uit een groot aantal hiervoor nader gespecificeerde werkzaamheden, die evenwel niet in elk bewind steeds en in gelijke mate aan de orde zullen zijn. De toelichting bij artikel 3 lid 6 van de Regeling vermeldt verder dan ook dat niet te snel mag worden aangenomen dat van de Regeling kan worden afgeweken. Dat is in de Regeling nog eens zeer bewust uitgedrukt met het woord ‘uitzonderlijke”, dat in de plaats is gekomen van het eerder voorgestelde “bijzondere” dat te weinig de uitzonderlijkheid benadrukte. Het enkele feit dat in dit geval de bewindvoerder niet is verschenen op een (overigens niet gehouden) mondelinge behandeling van het verzoek tot instelling van het bewind, is gelet op de strekking van de Regeling geen uitzonderlijke omstandigheid in de zin van de Regeling. Afwijking van het forfaitaire systeem door het elimineren van een aantal uren en het daarbij horende bedrag in verband met het niet verrichten van één van de mogelijke werkzaamheden in een concreet geval doet ernstig afbreuk aan dat forfaitaire systeem. Dat zou in dit geval anders kunnen zijn indien de beloning van de bewindvoerder voor de aanvangswerkzaamheden bij handhaving van het forfaitaire bedrag volstrekt onredelijk zou zijn, zodat wel sprake is van uitzonderlijke omstandigheden. Daarvan is in dit geval niet gebleken. Ook is niet gebleken van andere uitzonderlijke omstandigheden die een inbreuk rechtvaardigen op het forfaitaire systeem.

5.11

Artikel 1:447 lid 1 BW biedt – naast de in artikel 3 lid 6 van de Regeling opgenomen mogelijkheid tot afwijking van de forfaitair vastgestelde beloning vanwege uitzonderlijke omstandigheden zoals die is vastgelegd in de Regeling – de mogelijkheid de beloning op grond van bijzondere omstandigheden anders te regelen dan bij de instelling of door de wet is aangegeven. De regeling die in de wet is aangegeven is de hiervoor besproken Regeling. De vraag rijst of in dit geval bijzondere omstandigheden aanwezig zijn die het hof ertoe nopen de Regeling (ambtshalve) buiten toepassing te laten en de beloning voor de aanvangswerkzaamheden anders vast te stellen dan in de Regeling is bepaald. Het hof is van oordeel dat het enkele feit dat in dit geval de bewindvoerder niet is verschenen op een (overigens niet gehouden) mondelinge behandeling van het verzoek tot instelling van het bewind niet heeft te gelden als een bijzondere omstandigheid in de zin van artikel 1:447 lid 1 BW die noopt de beloning voor de aanvangsvergoeding anders te regelen dan de wet in artikel 1:447 lid 1 BW eerste zin (toepasselijkheid Regeling) aangeeft.

5.12

De aanbeveling van het LOVCK aan de kantonrechters om de beloning voor de aanvangswerkzaamheden te verminderen met twee uur in het geval de bewindvoerder niet aanwezig is op de mondelinge behandeling van het verzoek tot instelling van een bewind kan slechts worden gevolgd door de kantonrechter indien sprake is van uitzonderlijke omstandigheden als bedoeld in artikel 3 lid 6 van de Regeling.

6 De slotsom

De grieven I en IV slagen en leiden tot vernietiging van de bestreden beschikking. De bewindvoerder heeft geen belang meer bij de beoordeling van de grieven II en III, aangezien dat niet tot een ander oordeel kan leiden. Het hof zal de bestreden beschikking vernietigen en zal opnieuw beschikken en deze beloning vaststellen op € 520,- exclusief BTW. Het hof ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de kantonrechter (rechtbank Overijssel, Team Toezicht - Bewindsbureau, locatie Almelo) van 7 juni 2017;

beschikt opnieuw;

stelt de beloning van de bewindvoerder voor de aanvangswerkzaamheden vast op € 520,00 exclusief BTW.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.H. Lieber, E.B. Knottnerus en I.G.T.M. Weijers-van der Marck en is op 19 april 2018 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.