Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:3656

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
18-04-2018
Datum publicatie
08-06-2018
Zaaknummer
21-003855-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling ter zake van afpersing en diefstal met geweld en bedreiging met geweld.

Het hof is van oordeel dat naast een TBS onder voorwaarden, gelet op de aard, de ernst en de hoeveelheid van de feiten, een langere gevangenisstraf dan gevorderd en door de rechtbank opgelegd, geboden wordt geacht. Het hof heeft ook gelet op de persoon van en rondom verdachte: voorkomen moet worden dat mogelijk een overbruggingsperiode nodig is tussen het moment dat verdachte rechtstreeks in de meest aangewezen instelling geplaatst kan worden en het moment dat verdachte voorwaardelijk in vrijheid gesteld zou moeten worden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-003855-17

Uitspraak d.d.: 18 april 2018

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 6 juli 2017 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers 18-820083-16 en 18-198457-16, 18-820072-17, en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging, parketnummer 18-830596-13, tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1976,

zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande,

thans verblijvende PI Zwolle, afdeling Penitentiair Psychiatrisch Centrum te Zwolle.

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 12 januari 2018 en 4 april 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal strekkende tot bevestiging van het vonnis van de rechtbank voornoemd met veroordeling van verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden alsmede oplegging van de maatregel tot ter beschikking stelling met bevel tot verpleging alsmede toewijzing van de vordering van de benadeelde partij met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en afwijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman,

mr. E. van der Meer, naar voren is gebracht.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

Voor zover het hoger beroep gericht is tegen de vrijspraak van het onder 1 ten laste gelegde feit en de niet-ontvankelijk verklaring van het openbaar ministerie in de vervolging van het onder 5 tenlastegelegde feit, zal het hof verdachte daarin niet ontvankelijk verklaren. In het eerste geval omdat er voor verdachte tegen een gegeven vrijspraak geen hoger beroep openstaat, in het tweede geval wegens gebrek aan belang bij verdachte aan een behandeling van dat feit in hoger beroep.

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank heeft verdachte bij voormeld vonnis veroordeeld ter zake van de hem tenlastegelegde - kort gezegd - afpersing (feit 2), vernieling (feit 3) en tweemaal diefstal gevolgd door geweld en bedreiging met geweld (feiten 4 en 6) tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden met aftrek van de tijd die verdachte reeds in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht en tot oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege. Daarnaast heeft de rechtbank de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] geheel toegewezen, verhoogd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank heeft verdachte vrijgesproken van de hem tenlastegelegde afpersing (feit 1) en het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging verklaard in de aan verdachte tenlastegelegde bedreiging (feit 5).

Ten slotte heeft de rechtbank de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 365 dagen afgewezen.

Het hof zal dit vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het hof tot een andersluidende beslissing komt. Het hof zal daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

2:
hij op of omstreeks 5 februari 2016, te [plaats 1] , althans in de gemeente [gemeente 1] , met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [benadeelde 1] heeft gedwongen tot de afgifte van een hoeveelheid geld en/of een telefoon en/of een scooter, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte die [benadeelde 1] , die toen aldaar op een bromfiets reed, de weg heeft versperd en/of tot stoppen heeft gedwongen en/of (vervolgens) een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp heeft getoond/voorgehouden en/of (daarbij) die [benadeelde 1] (op dreigende/dwingende toon) heeft toegevoegd de woorden: "geef me nu al je geld, schiet op of ik steek je neer" en/of "geef me die telefoon", althans woorden van soortgelijke aard en/of strekking.


3:
hij op of omstreeks 29 januari 2016, te [plaats 1] , althans in de gemeente [gemeente 1] , opzettelijk en wederrechtelijk de ruit van een voordeur van een woning aan de [adres 1] , in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt.

4:
hij op of omstreeks 27 september 2016. te [plaats 2] , althans in de gemeente [gemeente 2] , met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen (ongeveer) acht pakken koffie, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan EMTE Supermarkt ( [adres 2] ), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [naam 2] en/of [naam 3] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij, verdachte,

- die [naam 2] de woorden heeft toegevoegd: "Ik heb een pistool bij me, ik maak je dood. Ik maak je kinderen dood", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking, en/of

- die [naam 3] heeft geschopt/getrapt.

6 primair:

hij op of omstreeks 29 september 2016, te [plaats 2] , althans in de gemeente [gemeente 2] , met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening uit een supermarkt aan de [adres 3] heeft weggenomen vier, althans een aantal, potten kindervoeding (merk: Nutrilon), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan EMTE, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke diefstal werd gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [naam 4] en/of [naam 5] en/of [naam 6] , medewerker(s) van genoemde supermarkt, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte die [naam 6] (hard) heeft aangeduwd en/of die [naam 6] en/of [naam 4] , die hem, verdachte had(den) achtervolgd, althans was/waren gevolgd, een mes, althans een scherp/puntig voorwerp heeft getoond/voorgehouden en/of met dat mes/voorwerp een stekende beweging in de richting van die [naam 6] en/of die [naam 4] heeft gemaakt;


6 subsidiair:

hij op of omstreeks 29 september 2016, te [plaats 2] , althans in de gemeente [gemeente 2] , ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening uit een supermarkt aan de [adres 3] weg te nemen vier, althans een aantal, potten kindervoeding (merk: Nutrilon), geheel of ten dele toebehorende aan EMTE, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, in genoemde winkel die potten kindervoeding in een door hem, verdachte, meegevoerde tas heeft gedaan en/of zich (vervolgens) richting de uitgang heeft begeven, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid, welke poging tot diefstal werd gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [naam 4] en/of [naam 5] en/of [naam 6] , medewerker(s) van genoemde supermarkt, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte die [naam 6] (hard) heeft aangeduwd en/of die [naam 6] en/of die [naam 4] , die hem, verdachte had(den) achtervolgd, althans was/waren gevolgd een mes, althans een scherp/puntig voorwerp heeft getoond/voorgehouden en/of met dat mes/voorwerp een stekende beweging in de richting van die [naam 6] en/of die [naam 4] heeft gemaakt.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overweging met betrekking tot het bewijs

Het hof is van oordeel dat de door verdachte gevoerde verweren strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde worden weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen. Het hof overweegt hierbij in het bijzonder het navolgende.

Gelet op de inhoud van de aangifte, de herkenning van verdachte door aangever tijdens een meervoudige fotobewijsconfrontatie, de aanwezigheid van verdachte die avond op de plaats van het delict, en de door de broer van verdachte afgelegde verklaring over verdachtes voornemen om geld te bemachtigen en de aanwezigheid van een mes die avond bij verdachte, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 2 tenlastegelegde feit heeft begaan.

Het hof acht het onder 3 tenlastegelegde feit wettig en overtuigend bewezen nu

verdachte zowel door aangever als een getuige is herkend en het hof deze verklaringen

betrouwbaar en geloofwaardig acht.

Het hof acht ook het onder 4 ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen. Uit diverse verklaringen blijkt dat verdachte na de diefstal van de pakken koffie bij supermarkt EMTE [naam 2] heeft bedreigd en [naam 3] heeft geschopt.

Ten aanzien van het onder 6 ten laste gelegde overweegt het hof als volgt. Kort na de

door verdachte bekende diefstal bij de supermarkt EMTE, is door een getuige een mes

gevonden in de nabijheid van die supermarkt. Op dit mes is DNA-materiaal aangetroffen dat

overeenkomt met het DNA van verdachte. [naam 4] en [naam 6] hebben verklaard dat verdachte hen tijdens zijn vlucht met een mes heeft bedreigd. [naam 6] heeft het aangetroffen mes herkend als het mes dat verdachte heeft gebruikt. Het hof acht het onder 6 ten laste

gelegde dan ook wettig en overtuigend bewezen nu het hof deze verklaringen

betrouwbaar en geloofwaardig acht.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 2, 3, 4 en 6 primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

2:
hij op 5 februari 2016, te [plaats 1] , met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [benadeelde 1] heeft gedwongen tot de afgifte van een hoeveelheid geld en een telefoon en een scooter toebehorende aan [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] , welke bedreiging met geweld hierin bestond dat verdachte die [benadeelde 1] , die toen aldaar op een bromfiets reed, de weg heeft versperd en tot stoppen heeft gedwongen en vervolgens een mes heeft getoond en daarbij die [benadeelde 1] op dreigende/dwingende toon heeft toegevoegd de woorden: "geef me nu al je geld, schiet op of ik steek je neer" en "geef me die telefoon", althans woorden van soortgelijke aard en/of strekking.


3:
hij op 29 januari 2016, te [plaats 1] , opzettelijk en wederrechtelijk de ruit van een voordeur van een woning aan de [adres 1] , toebehorende aan [naam 1] , heeft vernield.


4:
hij op 27 september 2016, te [plaats 2] , met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen acht pakken koffie toebehorende aan EMTE Supermarkt ( [adres 2] ), welke diefstal werd gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen [naam 2] en/of [naam 3] , gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij, verdachte,

- die [naam 2] de woorden heeft toegevoegd: "Ik heb een pistool bij me, ik maak je dood. Ik maak je kinderen dood", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking, en

- die [naam 3] heeft geschopt.

6 primair

hij op 29 september 2016, te [plaats 2] , met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening uit een supermarkt aan de [adres 3] heeft weggenomen vier potten kindervoeding (merk: Nutrilon) toebehorende aan EMTE, welke diefstal werd gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [naam 4] en/of [naam 5] en/of [naam 6] , medewerker van genoemde supermarkt, gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat verdachte die [naam 6] heeft aangeduwd en/of die [naam 6] en [naam 4] , die hem, verdachte hadden achtervolgd, een mes heeft voorgehouden.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

2.

afpersing.

3.

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.

4 en 6 primair

telkens

diefstal, gevolgd van geweld en bedreiging van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om, bij betrapping op heter daad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn, met dien verstande dat het hof bij de strafoplegging rekening houdt met de verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte, zoals hieronder nader overwogen.

Oplegging van straf en maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich in de avond van 5 februari 2016 schuldig gemaakt aan afpersing.

Verdachte heeft een pizzabezorger bedreigd met een mes en hem zo gedwongen tot het afgeven van een hoeveelheid geld, een telefoon en een scooter. Op 27 september 2016 en, slechts twee dagen later, op 29 september 2016, - gedurende een periode waarin de voorlopige hechtenis van verdachte was geschorst, heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan diefstal, gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen. Naast voornoemde misdrijven heeft verdachte zich op 29 januari 2016 nog schuldig gemaakt aan de vernieling van een ruit, waarbij hij in de nachtelijke uren een woning is binnengegaan.

Het hof rekent het verdachte aan dat hij zich in een relatief korte periode schuldig heeft gemaakt aan een fors aantal ernstige misdrijven. Twee keer heeft hij daarbij mensen bedreigd met een mes. Hij heeft zich louter laten leiden door geldelijk gewin om

te voorzien in zijn verslaving aan cocaïne. Verdachte heeft zich - met name - bij het plegen

van de afpersing en de gekwalificeerde diefstallen, geen enkele rekenschap gegeven van de

mogelijke gevolgen van de voor de slachtoffers emotioneel zeer ingrijpende gebeurtenissen.

De ervaring leert dat slachtoffers van dergelijke gebeurtenissen daarvan langdurig psychisch

nadelige gevolgen kunnen ondervinden. Daarnaast brengen misdrijven als deze gevoelens

van angst en onveiligheid in de samenleving teweeg.

Het hof heeft gelet op het verdachte betreffend uittreksel justitiële documentatie d.d. 5 maart 2018 waaruit blijkt verdachte eerder veelvuldig ter zake van gewelds- en vermogensdelicten is veroordeeld tot onder meer onvoorwaardelijke vrijheidsstraffen.

Naar aanleiding van de in deze zaak tenlastegelegde feiten zijn op 15 mei 2017 omtrent de persoon van verdachte rapportages opgemaakt door psychiater M.M. Loomans en psycholoog L. Vermeulen, verbonden aan het Pieter Baan Centrum.

Uit het psychiatrisch en psychologisch onderzoek volgt dat geconcludeerd kan worden dat er sprake is van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de vorm van een antisociale persoonlijkheidsstoornis. Bij verdachte wordt deze persoonlijkheidsstoornis gekenmerkt door beperkte gewetensfuncties, egocentrisme, gebrekkige empathische vermogens en (impulsief) instrumenteel geweld. Daarnaast lijdt verdachte aan een ziekelijke stoornis van de geestvermogens in de vorm van een ernstige stoornis in het gebruik van cocaïne en alcohol, thans in remissie onder gecontroleerde omstandigheden en een matige stoornis in het gebruik van cannabis, ook onder remissie in gecontroleerde omstandigheden. Verder is er sprake van een intellectueel functioneren op het niveau van een lichte verstandelijke beperking, waarbij de inschatting wordt gemaakt dat verdachte vroeger beter functioneerde op dit gebied, maar dat er sprake is van een achteruitgang in functioneren door jarenlang problematisch gebruik van harddrugs en alcohol.

Ten tijde van het plegen van het tenlastegelegde waren - vanwege hun chronische aard - de persoonlijkheidsstoornis en het functioneren op het niveau van een lichte verstandelijke beperking aanwezig. Gelet op de combinatie van het forse en langdurig aanwezige verslavingsprobleem en beperkte intellectuele capaciteiten en gebrek aan coping vaardigheden wordt door de deskundigen aannemelijk geacht dat verdachte ten tijde van de tenlastegelegde feiten slechts ten dele over gedragsalternatieven beschikte en dat zijn keuze voor deze gedragsalternatieven beperkt werd door de aanwezige pathologie.

Hierbij dient volgens de deskundigen in ogenschouw genomen te worden dat verdachte op cognitief niveau wel weet heeft van de wederrechtelijkheid van zijn delictgedrag en daarbij in zekere mate ook in staat is tot planmatig handelen. Hij moet in staat worden geacht te weten dat zijn gedrag niet toelaatbaar is volgens de wet en hij zou ervoor kunnen kiezen om een alternatieve handelswijze toe te passen. Verdachte is echter evident onvermogend om zijn leefstijl zelfstandig te veranderen, waarmee in de advisering van de deskundigen vooral nadruk wordt gelegd op een breder en zeer hardnekkig delictpatroon dat verdachte vanuit de combinatie van boven genoemde probleemgebieden niet goed kan doorbreken.

Om deze reden wordt geadviseerd verdachte alle bewezen te verklaren feiten in verminderde mate toe te rekenen.

De impulsiviteit, de gebrekkige regulatie van zijn emoties en de sinds adolescentie

bestaande antisociale opvattingen en handelingen zijn factoren die bij verdachte de kans op een recidive vergroten. Het geweld is instrumenteel en dient het uiteindelijke doel de vermogensdelicten te vergemakkelijken om zo te kunnen voorzien in zijn verslaving. Cocaïne- en alcoholgebruik verhogen de kans op recidive sterk door het versterken van persoonlijkheidskenmerken als impulsiviteit, de gebrekkige controle op zijn emoties en het verminderen van een adequate consequentie-analyse. De neiging van verdachte, aldus nog steeds de deskundigen, om zijn handelingen te bagatelliseren en de verantwoordelijkheid voor zijn gedrag buiten zichzelf te leggen verminderen de motivatie van verdachte voor behandeling. Zonder behandeling wordt het recidiverisico op feiten als thans tenlastegelegd op grond van huidig onderzoek als hoog ingeschat. Het feit dat verdachte in het recente verleden eerder is veroordeeld voor met name vermogensdelicten is hierbij meegewogen. Wanneer verdachte in een soortgelijke situatie zonder adequate behandeling en begeleiding in de maatschappij terugkeert, is het aannemelijk dat hij vrijwel onmiddellijk terugvalt in het antisociale gedragspatroon dat zich al vanaf zijn 15e jaar aftekent.

Door de deskundigen wordt vastgesteld dat op basis van de risicotaxatieinstrumenten er een groot aantal risicofactoren en beperkt aantal protectieve/beschermende factoren zijn.

Het geheel overziend wordt het risico op herhaling van feiten als thans ten laste gelegd door hen als hoog ingeschat, op korte termijn, zonder aanwijzingen voor escalatiegevaar.

Het advies van de deskundigen luidt aldus dat verdachte behandeld dient te worden voor zijn verslavingsproblematiek en zijn gebrek aan (copings-)vaardigheden in een kliniek die gespecialiseerd is in de combinatie van verslaving, persoonlijkheidsproblematiek en een verstandelijke beperking en die oog heeft voor het risico dat verdachte in zijn mogelijkheden wordt overschat.

Een dergelijke klinische behandeling dient volgens de deskundigen in eerste instantie plaats te vinden in een kliniek met een hoog beveiligingsniveau en een matig zorgniveau.

Eerdere behandelpogingen in het kader van bijzondere voorwaarden zijn tot op heden

niet toereikend gebleken. Detentie bij het overtreden van bijzondere voorwaarden heeft tot op heden een onvoldoende afschrikwekkend effect, en voorwaarden zijn stelselmatig overtreden

De deskundigen adviseren om verdachte een behandeling op te leggen in het kader van een terbeschikkingstelling met voorwaarden. Zij zijn van mening dat hiermee het recidivegevaar voldoende kan worden verminderd en dat een advies tot een terbeschikkingstelling met dwangverpleging daarom niet aan de orde is, ook omdat er vooralsnog geen aanwijzingen zijn voor escalatie in delict gedragingen.

Verdachte lijkt volgens de deskundigen thans voldoende gemotiveerd te zijn om zich te kunnen houden aan de te stellen voorwaarden, welke motivatie mede blijkt uit de getoonde coöperatie bij het huidige onderzoek.

De combinatie van een stevig juridisch kader tezamen met de duidelijke consequenties bij overtreding van de voorwaarden en een op verdachtes pathologie toegesneden behandeling zal naar overtuiging van de deskundigen kunnen leiden tot een afdoende afname van het beschreven recidivegevaar.

In het verlengde van de hierboven weergegeven kern van de gedragskundige rapportages heeft de reclassering d.d. 31 mei 2017 een “adviesrapport TBS voorwaarden” opgesteld. Hieruit volgt dat de reclassering zich kan vinden in de adviezen van de deskundigen strekkende tot oplegging van een terbeschikkingstelling met voorwaarden. Zij schetst een behandeltraject waardoor verdachte middels klinische behandeling en daaropvolgende resocialisatie meer inzicht dient te krijgen in zijn problematiek en hem vaardigheden aangereikt worden om met zijn beperkingen om te gaan. De reclassering heeft hiertoe een groot aantal voorwaarden opgesteld; verdachte heeft zich bereid verklaard deze voorwaarden na te leven.

In afwijking van voornoemde adviezen heeft de rechtbank op grond van de ernst van de feiten de maatregel van TBS met bevel tot verpleging van overheidswege opgelegd, voorafgegaan door een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden. De rechtbank is daartoe overgegaan nadat zij ter zitting de psychiater en de reclassering heeft gehoord.

Zoals uit de appelschriftuur reeds volgde, en ter terechtzitting van het hof is herhaald, is het hoger beroep in het bijzonder gericht tegen de oplegging van de maatregel van TBS met bevel tot verpleging in plaats van de door de deskundigen geadviseerde TBS met voorwaarden. Ter terechtzitting in hoger beroep zijn psycholoog L. Vermeulen en reclasseringswerker [deskundige] gehoord. De deskundigen hebben ter terechtzitting het door hun opgestelde rapport, met name de keuze voor een TBS met voorwaarden, nader toegelicht. Zij zijn ter zitting desgevraagd beiden uitdrukkelijk bij het schriftelijke advies gebleven. In deze nadere toelichting is duidelijk naar voren gekomen dat zij verdachte beter gemotiveerd vinden voor een behandeling en dat een TBS onder voorwaarden een stevig genoeg kader biedt voor verdachte.

Ter terechtzitting heeft de advocaat-generaal in zijn vordering gepersisteerd in een oplegging van TBS met bevel tot verpleging.

Verdachte heeft ter zitting van het hof - anders dan bij de rechtbank - zonder bedenkingen verklaard bereid te zijn de door de reclassering voorgestelde voorwaarden na te leven. Het hof houdt er rekening mee dat de gewijzigde opstelling van verdachte in hoger beroep voort kan komen uit het gegeven dat de rechtbank een terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging oplegde. Door deskundige Vermeulen is evenwel op een voor het hof overtuigende wijze uitgelegd dat ook een dergelijke instrumentele externe insteek van verdachte bij de tenuitvoerlegging van een terbeschikkingstelling met voorwaarden gelet op de problematiek van verdachte op zich als een reële motivatie kan worden beschouwd, die een stimulerende factor kan zijn bij het naleven van alle voorwaarden. Het hof zal daarom de deskundigen volgen in hun advies dat een terbeschikkingstelling waarbij aan het gedrag van verdachte voorwaarden worden gesteld een passende maatregel is.

Het hof is van oordeel dat daarnaast, gelet op de aard, de ernst en de hoeveelheid van de feiten, een langdurige gevangenisstraf passend en geboden is en zal een gevangenisstraf van 36 maanden opleggen. Het hof merkt op dat een langere gevangenisstraf dan gevorderd en door de rechtbank opgelegd, geboden wordt geacht. Het hof heeft ook gelet op de persoon van en rondom verdachte: voorkomen moet worden dat mogelijk een overbruggingsperiode nodig is tussen het moment dat verdachte rechtstreeks in de meest aangewezen instelling - volgens de rapportages De Woenselse Poort - geplaatst kan worden en het moment dat verdachte voorwaardelijk in vrijheid gesteld zou moeten worden bij oplegging van een gevangenisstraf van 20 maanden zoals opgelegd door de rechtbank en gevorderd door de advocaat-generaal. Het vorenstaande maakt dat het hof een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte reeds in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, passend en geboden acht. Zoals reeds overwogen zal het hof daarnaast de maatregel van TBS met voorwaarden opleggen, welke voorwaarden in het dictum zijn opgenomen.

Het hof stelt in dit verband vast dat bij verdachte ten tijde van het begaan van de feiten een ziekelijke stoornis en een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens bestond, het door de verdachte begane feit een misdrijf is waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld en de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen het opleggen van die maatregel eist.

Het hof ziet in de onderhavige zaak op grond van al het bovenstaande voorts aanleiding om deze terbeschikkingstelling met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren. Dragend daarvoor is het ook door deskundigen beschreven risico dat verdachte opnieuw zal overgaan tot het plegen van vermogensdelicten met een geweldscomponent zoals hierboven aangehaald.

Ten slotte overweegt het hof dat de terbeschikkingstelling wordt opgelegd ter zake van misdrijven die gericht zijn tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meer personen. Dit betekent dat - in het geval van omzetting van de terbeschikkingstelling met voorwaarden naar een terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege - er sprake is van een zogenoemde ongemaximeerde terbeschikkingstelling.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 699,95. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het in de zaak met parketnummer 18-820083-16 onder 2 bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Vordering tenuitvoerlegging

Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de rechtbank te Noord-Nederland van 3 februari 2014 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf, parketnummer 18-830596-13. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.

Nu gebleken is dat veroordeelde de bewezenverklaarde feiten heeft begaan voor het einde van de bij voormeld vonnis gestelde proeftijd, is het hof van oordeel dat in beginsel de tenuitvoerlegging kan worden gelast van voormelde gevangenisstraf. Het hof acht evenals de advocaat-generaal, in dit geval echter geen termen aanwezig de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf te bevelen en zal de vordering derhalve afwijzen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 37a, 38, 38a, 38e, 57, 312, 317 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep ter zake de ten laste gelegde feiten 1 en 5.

Vernietigt het vonnis voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:

Verklaart bewezen dat verdachte hetgeen onder 2, 3, 4 en 6 is ten laste gelegd heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart de bewezenverklaarde feiten 2, 3, 4 en 6 strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 (zesendertig) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld, en stelt ter bescherming van de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen, de navolgende voorwaarden betreffende het gedrag van de ter beschikking gestelde verdachte:

- verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of zijn identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden;

- verdachte zich onder toezicht stelt van de reclassering en zich zal houden aan de voorschriften door of namens deze instelling aan hem gegeven waaronder de navolgende voorwaarden;

- verdachte geen strafbare feiten pleegt;

- verdachte zijn medewerking verleent aan het verstrekken van een pasfoto en het verstrekken van informatie zoals bedoeld in het kader van het landelijk opgestelde opsporingsbeleid ten aanzien van TBS-gestelden;

- verdachte onderhoudt een frequent contact met de verslavingsreclassering en stelt

zich hier begeleidbaar op;

- verdachte verleent zijn volledige medewerking aan en toestemming tot informatieoverdracht tussen de trajectrelevante instanties en personen;

- verdachte zal zich laten opnemen voor klinische behandeling in de Woenselse Poort

of een soortgelijke instelling en zal hier het volledig benodigde traject doorlopen,

zich houden aan de behandeling, zolang de reclassering dit in overleg met de

instelling noodzakelijk acht;

- verdachte zal meewerken aan een nog nader te bepalen vervolgtraject, ook wanneer

dit een opname in een FPA dan wel RIBW, dag besteding en/of anderszins begeleidbaar wonen inhoudt;

- verdachte zal zich houden aan de adviezen van de Woenselse Poort of een

soortgelijke instelling, die hem gegeven worden in het kader van resocialisatie en/of

nazorg, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

- verdachte zal niet veranderen van woonadres zonder overleg met en toestemming

van de reclassering;

- verdachte onthoudt zich van het gebruik van harddrugs en/of alcohol; hij zal zijn

medewerking verlenen aan (periodieke) (urine of anderszins) controles hierop;

- verdachte houdt zich wat betreft het gebruik van cannabis volledig aan de aanwijzingen van de reclassering, wat in eerste instantie een verbod zal inhouden;

- verdachte laat zijn financiën beheren door een financieel beheerder of instantie en

werkt mee aan eventuele schuldsanering, een en ander te regelen in overleg en met toestemming van de reclassering;

- verdachte geeft inzicht in zijn vrienden-, kennissenkring, partnerrelatie en contacten

met zijn familie en geeft de reclassering toestemming om met hen en andere

personen of instanties die bij zijn resocialisatie zijn betrokken, te spreken ook zonder zijn aanwezigheid.

Draagt Reclassering Nederland op de ter beschikking gestelde hulp en steun te verlenen bij

de naleving van de voorwaarden.

Beveelt dat de terbeschikkingstelling met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar is.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 1] ter zake van het in de zaak met parketnummer 18-820083-16 onder 2 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 699,95 (zeshonderdnegenennegentig euro en vijfennegentig cent) bestaande uit € 149,95 (honderdnegenenveertig euro en vijfennegentig cent) materiële schade en € 550,00 (vijfhonderdvijftig euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 5 februari 2016.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 1] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 18-820083-16 onder 2 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 699,95 (zeshonderdnegenennegentig euro en vijfennegentig cent) bestaande uit € 149,95 (honderdnegenenveertig euro en vijfennegentig cent) materiële schade en € 550,00 (vijfhonderdvijftig euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 13 (dertien) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 5 februari 2016.

Vordering tenuitvoerlegging

Wijst af de vordering van de officier van justitie in het arrondissement te Noord-Nederland van 14 oktober 2016, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 3 februari 2014, parketnummer 18-830596-13, voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf.

Aldus gewezen door

mr. A. van Holten, voorzitter,

mr. L.T. Wemes en mr. J. Dolfing, raadsheren,

in tegenwoordigheid van G.G. Eisma, griffier,

en op 18 april 2018 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

De griffier is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.