Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:3647

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
12-04-2018
Datum publicatie
24-04-2018
Zaaknummer
200.230.773/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uithuisplaatsing. Sprake van verslavingsverleden bij de moeder. Moeder heeft eerder trajecten moeder-kind-huizen doorlopen, maar viel telkens terug in middelengebruik. Met pasgeboren kindje wordt geen risico genomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.230.773/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/19/120929/ JE RK 17-472)

beschikking van 12 april 2018

inzake

[verzoekster] ,

wonende te [A] ,
verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. K.E. Wielenga te Leeuwarden

en

de gecertificeerde instelling

Stichting Regiecentrum Bescherming en Veiligheid,

gevestigd te Leeuwarden,

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen: de GI

Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:

[de pleegouders] ,

wonende te [B] ,

verder te noemen: de pleegouders.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen van 21 november 2017, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met productie(s), ingekomen op 27 december 2017;

- het verweerschrift met productie(s), ingekomen op 25 januari 2018;

- een brief van mr. Wielenga van 9 januari 2018 met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Wielenga van 1 maart 2018 met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Wielenga van 7 maart 2018 met productie(s).

2.4

De mondelinge behandeling heeft op 12 maart 2018 plaatsgevonden. De moeder is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Wielinga. Namens de GI zijn verschenen mevrouw mr. [C] en mevrouw [D] .

3 De feiten

3.1

Uit de moeder is [in] 2017 [de minderjarige] (verder te noemen [de minderjarige] ) geboren. De biologische vader van [de minderjarige] is op dit moment niet in beeld. De moeder is belast met het eenhoofdig gezag over [de minderjarige] .

3.2

Bij beschikking van 30 augustus 2017 heeft de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden [de minderjarige] (nog voor zijn geboorte) onder toezicht gesteld van de GI tot 30 augustus 2018.

3.3

Bij beschikking van 10 november 2017 heeft de kinderrechter een spoedmachtiging verleend tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] voor de duur van vier weken en de beslissing voor het overige aangehouden. Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking van 21 november 2017 heeft de kinderrechter de GI gemachtigd [de minderjarige] uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg tot 30 augustus 2018.

3.4

[de minderjarige] is na zijn geboorte drie dagen met zijn moeder in het ziekenhuis gebleven. Sindsdien verblijft [de minderjarige] in het gezin van de pleegouders waar ook zijn zus [E] , geboren [in] 2014, woont.

3.5

De moeder heeft nog twee oudere zoons, [F] en [G] , uit een andere relatie die bij hun vader wonen.

4 De omvang van het geschil

4.1

De moeder is met één grief in hoger beroep gekomen van de beschikking van 21 november 2017. De moeder verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en het door de GI gedane verzoek tot afgifte van een machtiging uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg tot 30 augustus 2018 af te wijzen. Ter zitting heeft de moeder subsidiair verzocht de duur van de machtiging te beperken tot uiterlijk 1 juli 2018.

4.2

De GI heeft verweer gevoerd en verzoekt de moeder in haar hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel het hoger beroep af te wijzen en de beschikking waarvan beroep te bekrachtigen.

5 De motivering van de beslissing

5.1

Ingevolge artikel 1:265b, eerste lid, BW van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter de gecertificeerde instelling, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.

5.2

De moeder kan zich met de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] niet verenigen. De moeder is van mening dat de rechtbank op meerdere onderdelen in haar beslissing te kort door de bocht en ongenuanceerd is. Zij erkent dat er een ernstig probleem is, namelijk een hardnekkige verslaving, maar stelt dat deze thans onder controle is en dat zij ook alles zal doen om dit in de toekomst onder controle te houden. Om de zorgen voor de toekomst welke zijn gelegen in de hardnekkige verslaving en de kans op terugval het hoofd te bieden is een langdurig traject mogelijk met beschermd wonen, begeleiding door een gezinsvoogd, controle en pedagogische ondersteuning. Mocht het dan mis gaan dan kan er direct worden ingegrepen, aldus de moeder.

5.3

De GI stelt dat het van groot belang voor [de minderjarige] is dat de huidige opvoedsituatie bij pleegouders wordt gecontinueerd. [de minderjarige] heeft recht op veiligheid, voorspelbaarheid, responsiviteit en sensitiviteit. Zijn belang dient te prevaleren boven moeder haar invoelbare wens om zelf voor [de minderjarige] te zorgen.

5.4

Op grond van de stukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling naar voren is gekomen, overweegt het hof als volgt. [in] 2017 is [de minderjarige] geboren. Reeds voor zijn geboorte is [de minderjarige] onder toezicht gesteld, vanwege de ernstige bedreiging in zijn ontwikkeling gelegen in de hardnekkige verslavingsproblematiek van de moeder. Gedurende de eerste zes weken van de zwangerschap van de moeder is sprake geweest van middelengebruik. Onduidelijk is nog of dit gevolgen heeft of zal hebben voor de ontwikkeling van [de minderjarige] . Tijdens de zwangerschap is de moeder in mei 2017, na een verblijf in de detox in [A] , in het kader van een voorwaardelijke machtiging opgenomen in een verslavingskliniek van Verslavingszorg Noord Nederland (VNN) in [H] . Hoewel het de moeder daar lukte om clean te blijven is zij in september 2017 vanwege haar gedrag, waarbij zij aanwijzingen niet verdroeg, schreeuwde en een grote mond had, in het kader van de rechterlijke machtiging overgeplaatst naar een GGZ instelling in [I] . In oktober 2017 heeft een groot overleg op kantoor van de GI plaatsgevonden waarin de zorgen en krachten over de opvoedmogelijkheden van en de opvoedsituatie bij de moeder zijn besproken. Gebleken is dat de betrokken professionals (met uitzondering van de persoonlijk begeleider van de moeder) een uithuisplaatsing in het belang van de toen nog ongeboren baby achtten, omdat de risico’s voor de baby zeer groot zijn wanneer de moeder voor het kindje zou gaan zorgen. De GI heeft vervolgens op de dag van de geboorte een (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] verzocht, welk verzoek door de kinderrechter is toegewezen.

5.5

Met de rechtbank is het hof van oordeel dat de uithuisplaatsing noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] . Hoewel het hof, evenals de GI en ook de raad voor de kinderbescherming in zijn rapport van 7 augustus 2017, oog heeft voor de inzet van de moeder in haar strijd tegen haar jarenlange verslaving, acht het hof de risico's op mogelijke terugvallen in drugsgebruik van de moeder waardoor zij onvoldoende beschikbaar is of zal zijn als opvoeder en waardoor de veiligheid van een kwetsbare baby niet gegarandeerd is, onoverkomelijk. De moeder heeft bij haar drie andere kinderen ( [F] , [G] en [E] ) die niet bij haar opgroeien, de kans gekregen om te laten zien dat zij haar verslaving structureel onder controle heeft en kan houden, maar het verleden heeft uitgewezen dat zij herhaaldelijk is teruggevallen in gebruik. De moeder heeft zowel met [G] als met [E] trajecten van moeder-kind huizen doorlopen, maar desalniettemin is zij telkens teruggevallen in gebruik. Voor wat betreft [E] leidde een dergelijke terugval tot een tweede opname in gezinskliniek [J] onderdeel van VNN, welk traject heeft geresulteerd in een negatief opvoedadvies voor [E] . Zowel tijdens deze tweede opname als ook na de uithuisplaatsing van [E] in juli 2016 is gebleken dat zij een forse ontwikkelingsachterstand had opgelopen. Uit het evaluatieverslag van 22 juli 2016 blijkt dat [E] in haar eerste levensjaren is opgegroeid met een, in wisselende periodes verslaafde moeder met een complexe persoonlijkheidsstructuur. Er was sprake van een verstoorde ouder-kindrelatie die niet voldoende basis bood voor een gezonde ontwikkeling van [E] terwijl zij een betrouwbare en stabiele omgeving nodig heeft die haar voldoende stimulans en emotionele beschikbaarheid kan bieden. VNN heeft bij de GI aangegeven dat dit negatieve opvoedadvies ook in de situatie van [de minderjarige] actueel en onveranderd blijft.

5.6

Voor zover de moeder van mening is dat er thans sprake is van een andere situatie (al geruime tijd niet meer in gebruik, beschermd wonen in [A] ) en dat ook haar persoonlijk begeleider bij VNN een veranderd beeld ziet, maakt dit het oordeel van het hof niet anders. Uit het SAVE plan van aanpak van 10 november 2017 blijken -naast het negatieve opvoedadvies van [J] - meerdere grote zorgen en risico's. Het netwerk van de moeder is klein, moeder kan impulsief en wisselvallig zijn, er is sprake van hardnekkige patronen van terugval in verslaving en de tijd die nodig is om vertrouwen te krijgen in een daadwerkelijke doorbraak van dit al jarenlang bestaande hardnekkige patroon is er niet. VNN kan de veiligheid van het kindje binnen het beschermd wonen in [A] niet garanderen. Voorts is nog van belang dat de huidige (woon)situatie van de moeder in [A] nog maar pril is en het de vraag is of de moeder op langere termijn kan omgaan met de beperkingen binnen beschermd wonen. Afgezien van haar partner, die ook een verslavingsgeschiedenis kent, is niet gebleken van een stabiel netwerk om moeder heen. Contacten vanuit dagbesteding in [K] en vrijwilligerswerk in een winkel van [L] acht het hof in dat licht onvoldoende. De moeder woont begeleid door VNN, maar ze heeft op dit moment geen behandeling. Ze zou hiermee starten in januari 2018, maar dit is niet doorgegaan omdat ze toen een maand bij haar partner in [M] is gaan wonen in verband met het overlijden van diens moeder. In die tijd heeft VNN geen zicht op haar gehad en zijn er ook geen urinecontroles geweest. Voorts lijkt de moeder moeite te hebben het belang van het kind voorop te zetten. Zij kijkt met name naar haar eigen, huidige situatie en in mindere mate naar wat het betekent voor het kind als het niet goed zou gaan (en wat dat bijvoorbeeld voor [E] heeft betekend).

5.7

Alles overwegend is het hof van oordeel dat de huidige veilige opvoedsituatie van [de minderjarige] bij de pleegouders dient gecontinueerd te worden. Het subsidiaire verzoek van de moeder behoeft gelet op voorgaande derhalve geen bespreking meer.

6 De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen zal het hof de bestreden beschikking bekrachtigen.

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen van 21 november 2017;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. G.M. van der Meer, M.P. den Hollander en I.M. Dölle, bijgestaan door mr. E.L.K. Bijma als griffier, en is op 12 april 2018 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.