Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:363

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
11-01-2018
Datum publicatie
17-01-2018
Zaaknummer
200.225.641/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Machtiging uithuisplaatsing. Zeer ernstige zorgen over de minderjarigen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.225.641/01

(zaaknummer rechtbank C/19/119581 / JE RK 17-286)

beschikking van 11 januari 2018

inzake

[verzoekster] ,

wonende op een geheim adres,
verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. L.A.E. Timmer te Rotterdam,

en

de gecertificeerde instelling

Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering,

gevestigd te Groningen,

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen: de GI.

Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:

1. familie [A] ,

wonende op een geheim adres,

verder te noemen: de pleegouders van [de minderjarige2] of familie [A] ,

2. familie [B] ,

wonende op een geheim adres,

verder te noemen: de pleegouders van [de minderjarige1] of familie [B] .

1 Het geding in eerste aanleg

1.1

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, van 19 juli 2017, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met productie(s), ingekomen op 13 oktober 2017;

- een brief van de GI van 22 november 2017 met productie(s);

- een brief van de raad voor de kinderbescherming (verder te noemen: de raad) van
26 oktober 2017, waarin de raad bericht dat de raad in deze zaak geen relevante stukken kan toevoegen;

- een journaalbericht van mr. Timmer van 22 november 2017 met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Timmer van 1 december 2017 met productie(s).

2.2

Zowel de na te noemen minderjarige [de minderjarige1] als de na te noemen minderjarige [de minderjarige2] hebben bij brief, binnengekomen bij de griffie van het hof op 21 november 2017, hun mening kenbaar gemaakt met betrekking tot het verzoek.

2.3

De mondelinge behandeling heeft op 6 december 2017 plaatsgevonden. Verschenen zijn:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

- namens de GI: mevrouw [C] en mevrouw [D] ;

- namens de raad: de heer [E] ;

- mevrouw [A] , de pleegmoeder van [de minderjarige2] .

3 De feiten

3.1

Uit de affectieve relatie van de moeder met de heer [F] zijn geboren:

- [de minderjarige1] [in] 2004 (voorheen: [G] , sinds 2009: [de minderjarige1] );

- [de minderjarige2] , geboren [in] 2005 (voorheen: [H] , sinds 2009: [de minderjarige2] ).

De vader heeft de kinderen erkend. Hij heeft geen, dan wel sporadisch contact met de kinderen. De vader oefende tot in 2009 gezamenlijk met de moeder het gezag uit. De moeder oefent sindsdien het gezag over de kinderen alleen uit, met dien verstande dat de rechtbank bij beschikking van 5 april 2017 de GI heeft belast met het gezag over [de minderjarige2] met betrekking tot het geven van toestemming voor een medische behandeling tot en met 30 augustus 2017. Bij beschikking van 2 augustus 2017 heeft de rechtbank de GI belast met het gezag over [de minderjarige2] met betrekking tot het geven van toestemming voor een medische behandeling met ingang van 30 augustus 2017 tot 30 augustus 2018, welke beschikking door dit hof is bekrachtigd bij beschikking van 23 november 2017.

3.2

De kinderen zijn voor het eerst in 2008 door de kinderrechter onder toezicht gesteld. Bij beschikking van de kinderrechter van 19 februari 2009 is de ondertoezichtstelling van [de minderjarige2] beëindigd en die van [de minderjarige1] verlengd. In oktober 2010 is [de minderjarige2] wederom onder toezicht gesteld. Na een gezinsopname bij [I] tot juni 2011, is op 27 oktober 2011 de ondertoezichtstelling van beide kinderen beëindigd. Bij beschikking van 9 maart 2016 heeft de kinderrechter de kinderen opnieuw onder toezicht gesteld tot 9 september 2016. Deze maatregel is nadien steeds verlengd, laatstelijk tot 30 augustus 2018.

3.3

In aansluiting op een ziekenhuisopname is [de minderjarige2] sinds eind 2015 uit huis geplaatst. Deze uithuisplaatsing was aanvankelijk in een vrijwillig kader. Sinds 23 december 2015 verblijft zij in het huidige pleeggezin. Bij beschikking van 9 maart 2016 heeft de rechtbank machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [de minderjarige2] in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 9 maart 2016 tot 9 september 2016. Deze machtiging is nadien telkens verlengd, voorlaatst bij beschikking van de kinderrechter van 22 december 2016 tot 30 augustus 2017. Deze beschikking is door dit hof bekrachtigd bij beschikking van 1 juni 2017.

3.4

Ten aanzien van [de minderjarige1] is bij voormelde beschikking van 22 december 2016 machtiging tot uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg verleend tot 30 augustus 2017. [de minderjarige1] is met ingang van 27 december 2016 in een crisispleeggezin geplaatst en verblijft sinds juli 2017 in een perspectief biedend (neutraal) pleeggezin.

3.5

Bij inleidend verzoek heeft de GI de rechtbank op 7 juli 2017, voor zover hier van belang, verzocht op grond van artikel 1:265c lid 2 BW de machtiging tot uithuisplaatsing voor verblijf van de kinderen gedurende dag en nacht in een pleeggezin met ingang van
30 augustus 2017 te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling, derhalve tot
30 augustus 2018.

3.6

Bij de - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - bestreden beschikking heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] in een voorziening voor pleegzorg tot uiterlijk 30 augustus 2018.

4 De omvang van het geschil

4.1

De moeder is met één grief in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. De moeder verzoekt het hof (na wijziging van dit verzoek ter zitting) de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw beschikkende:
- het verzoek van de GI tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige1] in een voorziening voor pleegzorg primair af te wijzen, dan wel subsidiair te bepalen dat deze machtiging slechts voor de duur van drie maanden na 6 december 2017 zal worden verlengd, dan wel meer subsidiair te bepalen dat deze machtiging slechts voor de duur van zes maanden na 6 december 2017 zal worden verlengd;

- het verzoek van de GI tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg van [de minderjarige2] primair slechts toe te wijzen voor de duur van drie maanden na 6 december 2017, en subsidiair slechts toe te wijzen voor de duur van zes maanden na 6 december 2017, en daarbij nadrukkelijk te bepalen dat binnen deze periode intensief moet worden gewerkt aan het herstel en de benodigde behandelingen van [de minderjarige2] als ook aan een herstel van de omgangscontacten tussen [de minderjarige2] en [de minderjarige1] en tussen [de minderjarige2] en de moeder.

4.2

De GI heeft ter zitting verweer gevoerd.

5 De motivering van de beslissing
Intrekking verzoek

5.1

De moeder heeft ter zitting haar verzoek om zowel mevrouw [J] , voormalig kinderarts van [de minderjarige2] , als de behandelend psychiater van de moeder, de heer
[K] , tot deskundige(n) te benoemen ex artikel 810a lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), dan wel hen op te roepen als getuige-deskundigen, ingetrokken.

Verlenging machtiging tot uithuisplaatsing [de minderjarige1] en [de minderjarige2]

5.2

Ingevolge artikel 1:265b, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter de gecertificeerde instelling, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid. Ingevolge artikel 1:265c lid 2 BW kan de kinderrechter op verzoek van de gecertificeerde instelling, de raad of het openbaar ministerie de duur van de machtiging tot uithuisplaatsing telkens met ten hoogste een jaar verlengen.

5.3

In zijn eerdere beschikking van 1 juni 2017 heeft het hof gemotiveerd uiteengezet waarom sprake is van zodanig ernstige zorgen dat een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de kinderen of tot onderzoek van hun geestelijke of lichamelijke gesteldheid. Het hof verwijst naar de rechtsoverwegingen 5.3 tot en met 5.21 van die eerdere beschikking, woordelijk luidend als volgt:

" 5.3 Het hof is op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting tot het oordeel gekomen dat de machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van [de minderjarige2] . Daarbij heeft het hof het volgende in aanmerking genomen.

5.4

Er zijn ernstige zorgen over [de minderjarige2] . Zij heeft naast het developmental coordination syndrome (DCD) dat bij haar is vastgesteld, meerdere medische klachten die gediagnosticeerd zijn als somatisch onverklaarde lichamelijke klachten (SOLK), vroeger ook wel conversie genoemd, en hypersensitisatie. Het [L] heeft aangegeven dat de klachten van [de minderjarige2] lichamelijk niet maar psychosomatisch wel verklaarbaar zijn. Uit de hierna te noemen revalidatie is naar voren gekomen dat er bij [de minderjarige2] sprake is van uitval van kracht en aansturing, zonder dat er iets mis is met het lichaam. De kinderarts van [de minderjarige2] bij het [L] , dr. [J] geeft in haar brief van 13 april 2017 daarover de volgende uitleg: "De systemen (van [de minderjarige2] ) werken maar worden soms fout aangestuurd. Zowel [de minderjarige2] als de moeder zijn overgevoelig voor allerlei invloeden en trekken elkaar in een negatieve beleving en spiraal."

Op de oude school heeft [de minderjarige2] met regelmaat gedragsproblemen vertoond waarvoor time-outs nodig waren. Het gedrag van [de minderjarige2] is steeds extremer geworden. Zij is heel angstig. Zij heeft een groot wantrouwen richting volwassenen, met name mannen, en is erg claimend naar de pleegmoeder toe. [de minderjarige2] heeft meermalen aangegeven dat zij geen contact wil met de moeder en dat zij bang is voor haar. Sinds oktober 2016 is er daarom geen omgang meer geweest tussen de moeder en [de minderjarige2] . [de minderjarige2] kan de laatste tijd niet goed slapen en heeft nare dromen. [de minderjarige2] heeft depressieve klachten. Zij wil niet meer leven. Dat heeft ertoe geleid dat zij niet meer heeft willen eten en dat zij voor een rijdende auto heeft willen springen. Zorgelijk is hoe [de minderjarige2] haar emoties beleeft. Zij kan overvallen worden door emoties. Zij weet niet hoe zij moet aangeven wat er is en wil dit ook niet, omdat zij bang is dat het negatieve gevolgen heeft. [de minderjarige2] is zeer gesloten, net als [de minderjarige1] . Zij heeft weinig eigenheid en kan niet (goed) aangeven wat zij wil, bijvoorbeeld als het eten of kleding betreft. [de minderjarige2] heeft boze buien die uit het niets (lijken te) ontstaan en is dan onbereikbaar voor de pleegouders. Zij lijkt herbelevingen te hebben. Er is vervangende toestemming gevraagd om [de minderjarige2] bij [M] - en niet [N] zoals de moeder wil - aan te melden voor onderzoek en behandeling voor traumaverwerking. Een ander zorgelijk signaal is dat [de minderjarige2] pijn bij het plassen heeft en pijn ervaart in haar vagina, waardoor zij bij het fietsen niet kan zitten op haar zadel. De pleegmoeder heeft ter zitting laten weten dat dat al vanaf het begin van de uithuisplaatsing zo is.

5.5

Naar het oordeel van het hof is de manier waarop de moeder omgaat met de ziekte van haar kinderen zeer verontrustend. Het betreft bij [de minderjarige1] de ziekte Neurofibromatose type 1 (NF1), ook ziekte van Recklinghausen genoemd, een aangeboren erfelijke ziekte met vlekken van de huid in combinatie met goedaardige gezwelletjes, en bij [de minderjarige2] DCD. Er is jarenlang sprake van overmatig waarnemen van klachten door de moeder. De moeder heeft een extreme preoccupatie met lichamelijke sensaties bij zichzelf, bij haar moeder en bij de kinderen en zij kan lichamelijke sensaties of klachten niet op de juiste waarde schatten. De mate waarop de moeder klachten ervaart bij haar kinderen, symptomen waarneemt en symptomen toedicht komt niet overeen met de werkelijkheid. Dr. [J] geeft daarover aan dat de moeder hypersensitief en oversensitief reageert op klachten bij [de minderjarige2] . Een voorbeeld daarvan is dat de door de moeder gestelde hoofdpijn en spierzwakte bij [de minderjarige2] , die haar functioneren zouden beperken, niet te rijmen zijn met waarnemingen van anderen. Medewerkers van Basisschool [O] , waar de kinderen 2,5 jaar op school hebben gezeten, hebben aangegeven dat zij geen signalen hebben opgevangen waaruit zou kunnen worden afgeleid dat [de minderjarige2] moeite had met lopen en rennen. Wel werden de kinderen snel ziek gemeld.

Volgens de moeder had [de minderjarige2] een loopfiets nodig, terwijl de leerkrachten van de nieuwe Basisschool [P] zagen dat [de minderjarige2] de loopfiets vaak vergat in spontane situaties en dat zij goed kon lopen. Ook moest [de minderjarige2] van de moeder haar zonnebril ophouden om hoofdpijn te voorkomen, maar die bleek ook vaak niet nodig.

[de minderjarige2] huidige school heeft in de motorische ontwikkeling geen bijzonderheden waargenomen. Er is daar niet waargenomen dat [de minderjarige2] moeite heeft met bewegen. [de minderjarige2] heeft volgens de school een enkele keer hoofdpijn, maar niet vaker dan andere kinderen.

Op 14 oktober 2015 verslikte [de minderjarige2] zich en heeft de moeder de ambulancemedewerker verteld, dat er bij [de minderjarige2] een spierziekte is vastgesteld en dat dat ertoe heeft geleid dat [de minderjarige2] sinds twee weken niet meer kan lopen. Toen de verpleegkundige aan [de minderjarige2] vroeg om zich uit te kleden en op de weegschaal te gaan staan, kon [de minderjarige2] dat zonder enig probleem.

De pleegmoeder heeft ter zitting genoemd dat [de minderjarige2] twee keer in de week voetbalt en dat zij daarnaast ook wedstrijden speelt en dat zij veel op de trampoline springt. Alle hiervoor genoemde voorbeelden rondom het gedrag van [de minderjarige2] passen naar het oordeel van het hof niet bij door de moeder genoemde ziekteverschijnselen waar [de minderjarige2] mee te kampen zou hebben.

5.6

De moeder houdt vast aan de door haar genoemde ziekteverschijnselen en klachten van [de minderjarige2] , ook als artsen anders oordelen en ook ten aanzien van de steeds terugkerende vraag van de moeder of [de minderjarige2] net als [de minderjarige1] NF1 heeft. Dr. [J] heeft daarop recent geantwoord dat, net zoals in 2012 is vastgesteld, nog steeds geldt dat de diagnose NF1 niet bij [de minderjarige2] kan worden gesteld en dat er hiervoor ook geen aanwijzingen zijn. Wat betreft de revalidatie waarvoor [de minderjarige2] van eind mei 2015 tot september 2015 vier maanden opgenomen is geweest, was de moeder het ook niet eens over de oorsprong van de klachten en de behandelaanpak. De revalidatiearts heeft met de moeder besproken dat er - anders dan de moeder vermoedt - geen aanwijzingen zijn voor onderliggende pathologie (ziekte). De moeder heeft in haar beroepschrift gewezen op de (in januari 2013 gestelde) diagnose DCD als verklaring voor [de minderjarige2] klachten, maar dr. [J] heeft in haar brief van 10 april 2017 aangegeven dat de klachten bij de opname in 2015 niet verklaard kunnen worden door de diagnose DCD.

5.7

Het hof constateert dat er sprake is van een patroon waarbij de klachten van [de minderjarige2] kennelijk verslechteren als [de minderjarige2] onder invloed staat van de moeder en verbeteren als anderen de zorg voor [de minderjarige2] hebben. De moeder wijst erop dat de psychologen drs. [Q] , drs. [R] en drs. [S] die in 2008 een onderzoek naar [de minderjarige2] hebben verricht, geen aanwijzing voor het gevaar voor verwaarlozing of misbruik vonden, noch aanwijzingen voor Munchhausen by proxy of de pseudovariant daarvan. De moeder bestrijdt daarom dat er sprake is van pediatric condition falsification, ook wel Münchhausen by proxy genoemd. Het hof overweegt hieromtrent dat ook indien er aan de zijde van de moeder geen sprake is van Munchhausen by proxy of de pseudovariant daarvan en de klachten van de kinderen een andere oorzaak zouden hebben dat onverlet laat dat de aanwezigheid van de moeder en de invloed van de moeder op [de minderjarige2] , leiden tot een verslechtering van de somatisch onverklaarde lichamelijke klachten van [de minderjarige2] . Zowel de moeder als [de minderjarige2] lijken wat betreft medisch-somatische klachten overgevoelig te zijn en zij hebben een negatieve wisselwerking op elkaar. De moeder en [de minderjarige2] zitten daardoor in een negatieve spiraal waar zij niet uit kunnen komen zoals ook blijkt uit de (door de moeder niet weersproken) brief van dr. [J] van 13 april 2017.

Daar komt naar het oordeel van het hof bij dat in oktober 2015 de moeder van de kamergenote van [de minderjarige2] op de kinderafdeling van het [L] heeft verteld dat de moeder [de minderjarige2] regelmatig toespreekt over wat zij wel en niet moet doen wat betreft bewegen, eten en drinken. Nadat [de minderjarige2] een week verlof heeft gehad van de revalidatie, welke week zij bij de moeder heeft doorgebracht, meldt de moeder nieuwe zorgen over [de minderjarige2] . Opnieuw belandt [de minderjarige2] in een rolstoel en gebruikt zij de zonnebril, terwijl het revalidatieteam heeft aangegeven dat daar geen aanleiding voor is.

Het hof stelt aan de hand van de stukken vast dat het niet alleen beter met [de minderjarige2] gaat wanneer zij op school is, maar ook tijdens de opname in het [L] , in het revalidatiecentrum en bij de pleegouders. Bij de revalidatie heeft de moeder aangegeven dat [de minderjarige2] door haar benen zakt en weinig kracht heeft in haar armen. Tijdens de revalidatie wordt evenwel gezien dat [de minderjarige2] normaler beweegt in een spontane situatie dan wanneer zij zich bekeken voelt of de nadruk ligt op specifiek bewegen. Zij heeft bij de revalidatie goede vorderingen gemaakt en heeft de rolstoel niet meer nodig. Zoals dr. [J] in de brief van 13 april 2017 aangeeft bestonden de conversieklachten van [de minderjarige2] niet meer na haar ontslag uit het [L] en zijn die niet teruggekomen in de pleeggezinnen. Ook tijdens de opname bij het [L] na de verslikking op 14 oktober 2015 gaat [de minderjarige2] geleidelijk weer normaal eten en drinken en beweegt zij meer.

De moeder heeft er op gewezen dat de ziekteverschijnselen ook terugkeren wanneer [de minderjarige2] niet bij haar is omdat zij ook in het pleeggezin klachten heeft. De klachten in het pleeggezin zijn evenwel niet dezelfde klachten als die welke zij bij de moeder had. Het gaat om klachten aan haar pols en vaginale klachten. [de minderjarige2] heeft last gehad van hoofdpijn maar dat lijkt niet met teveel licht te maken te hebben, anders dan bij de moeder. De pleegmoeder heeft laten weten dat [de minderjarige2] de zonnebril zelf eenvoudig kan pakken als zij dat zou willen maar dat zij die niet gebruikt. Zij heeft niet de behoefte gehad om haar zonnebril op te zetten.

5.8

Het hof constateert dat de moeder steeds weer aandacht vraagt voor de klachten van de kinderen en de moeder benadrukt deze klachten en zij vergroot de klachten. Kennelijk bestaat bij de moeder de idee dat de kinderen baat hebben bij het steeds weer benoemen en uitvergroten van lichamelijk klachten. Het tegenovergestelde lijkt echter te gebeuren. Het belemmert de kinderen in hun functioneren en schaadt hun sociaal-emotionele, fysieke en cognitieve ontwikkeling. De moeder stelt de kinderen door haar handelen bloot aan onderzoeken en (langdurige) opnamen die niet noodzakelijk worden geacht door artsen. De moeder is meer gefocust geweest op de zoektocht naar ziekte van [de minderjarige2] dan haar herstel. [de minderjarige2] is beperkt (geweest) in haar dagelijkse activiteiten. Haar symptomen hebben onder meer tot afhankelijkheid van hulpmiddelen zoals een rolstoel, een loopfiets en zonnebril geleid. De kinderen hebben beiden een jaar gedoubleerd vanwege ziekte en schoolverzuim.

5.9

Zoals dr. [J] heeft aangegeven, dienen de moeder en [de minderjarige2] apart van elkaar te gaan werken aan nieuwe reactiepatronen richting elkaar. Voor [de minderjarige2] is separatie en behandeling van haar en de moeder nodig zodat de negatieve beleving en de wederzijdse negatieve beïnvloeding wordt doorbroken. Onder deze omstandigheden kan [de minderjarige2] naar het oordeel van het hof niet bij de moeder wonen. Weliswaar is de moeder vanaf januari 2016 bij een psychotherapeut in behandeling, maar uit de daarover ingebrachte stukken kan het hof niet opmaken dat moeder op dit punt (voldoende) is veranderd, nog daargelaten dat niet gebleken is dat [de minderjarige2] (voldoende) behandeld is. Als [de minderjarige2] terugkeert naar de moeder is er een te groot risico dat de klachten bij [de minderjarige2] weer toenemen en een gezonde en adequate ontwikkeling weer belemmerd wordt. Anders dan de moeder mogelijk beoogt te betogen, kan het hof overigens uit die stukken evenmin opmaken dat de draaglast van de moeder door de behandeling niet langer haar draagkracht overstijgt.

5.10

Uit het voorgaande volgt dat de uithuisplaatsing van [de minderjarige2] naar het oordeel van het hof noodzakelijk is. Verdere gronden voor deze maatregel luiden als volgt.

5.11

De moeder heeft medische informatie achtergehouden door niet toe te staan dat ziekenhuizen medische dossiers opvragen bij andere ziekenhuizen. Ook de huisarts beschikt niet over dossierinformatie. Dat belemmert de medische hulpverlening aan [de minderjarige2] en leidt tot onnodige onderzoeken van [de minderjarige2] .

5.12

In de thuissituatie bij de moeder is al jaren sprake is van een onrustige opvoedingsomgeving voor [de minderjarige1] en [de minderjarige2] . De kinderen zijn geconfronteerd geweest met huiselijk geweld toen de moeder een gezin vormde met de vader. Het hof oordeelt het van algemene bekendheid dat huiselijk geweld alle leden van het gezin raakt, al dan niet rechtstreeks, en dat zulks met name voor kinderen zeer schadelijk is voor hun ontwikkeling. Dit heeft ook voor [de minderjarige1] en [de minderjarige2] te gelden.

5.13

Ook heeft aan de onrust bijgedragen dat [de minderjarige1] en [de minderjarige2] op veel verschillende plekken hebben gewoond. De moeder en de kinderen zijn in de periode van 2006 tot 2014 12 keer verhuisd. Daarnaast is [de minderjarige1] eerder ook eens uit huis geplaatst geweest, en is er sprake geweest van opnamen van een (van de) kind(eren) in ziekenhuizen, in [I] en in een revalidatiecentrum. De kinderen zijn ook meermalen van school gewisseld.

Deze wisselingen verstoren de stabiliteit en continuïteit die voor de kinderen nodig zijn voor een evenwichtige ontwikkeling.

5.14

De moeder functioneert op meerdere leefgebieden niet goed. Het lukt de moeder niet om werk te vinden. Zij is niet in staat om na een verhuizing de thuissituatie op orde te krijgen. Het is haar al een paar jaar niet gelukt om de verhuisdozen die in de woonkamer (en de kamer ernaast) staan uit te pakken. Opvallend is dat de kinderkamers kaal/leeg zijn en er weinig speelgoed in huis te zien is. Dat is niet kindvriendelijk en komt gevoelsarm over. De moeder maakt(e) veelvuldig schoon met chloor en er is bij haar veelvuldig maar ook bij de kinderen een chloorlucht waargenomen. Dit kan een nadelige invloed hebben op de sociale aansluiting van het gezin. De moeder heeft voorts verteld dat zij onverwachts en zonder reden zoveel is aangekomen dat zij van maat 36 naar maat 46 ging. Ook dat wijst op een gebrekkige zelfverzorging van de moeder.

5.15

De moeder bestrijdt de bevindingen van de hierna te noemen deskundigen van het [T] , maar dat laat naar het oordeel van het hof onverlet dat uit het door haar ingebrachte onderzoek van de deskundige drs. [Q] , GZ-psycholoog die op 24 december 2008 heeft gerapporteerd, over de moeder het volgende naar voren komt:

Er is sprake van spanningsgevoeligheid, neiging tot passiviteit, gevoelens van vervreemdheid tot de ander, een grote draaglast bij een beperkte draagkracht en weinig belangstelling voor andere mensen.

De moeder heeft volgens [Q] een aantal zorgelijke persoonseigenschappen waarvan de gevoeligheid tot controleverlies, het zelf als persoon tekort komen, de neiging tot ontwijken en externaliseren (dat is de oorzaak of schuld buiten zichzelf zoeken), de negatieve introspectie en gebrekkige interesse in de ander het sterkst in het licht springen. [Q] ziet de moeder als een vrouw die sowieso moeite zal hebben zich goed in het leven staande te houden.

5.16

De moeder heeft aangevoerd dat [Q] rapport beperkt geldig is. De moeder heeft het rapport echter zelf overgelegd en aangehaald. Los daarvan ziet het hof geen reden om te twijfelen aan de bevindingen van [Q] , mede omdat deze bevindingen ook steun vinden in de overige -hiervoor genoemde- informatie die zich in het dossier bevindt. Die constateringen sluiten ook aan bij de recente bevindingen van de deskundigen van het [T] , kinder- en jeugdpsychiater [U] en GZ-psycholoog [V] , die op respectievelijk 22 oktober 2016 en 19 oktober 2016 gerapporteerd hebben.

5.17

Het hof maakt uit de rapportages van de [T] -deskundigen voorts het volgende op. Bij de moeder zijn aanwijzingen voor de aanwezigheid van een persoonlijkheidsstoornis NAO met antisociale en paranoïde trekken en kenmerken van een autismespectrumstoornis. Deze stoornissen beïnvloeden de affectieve en pedagogische vaardigheden van de moeder negatief. De moeder is niet sensitief voor signalen van anderen. De moeder is meer op zichzelf gericht dan dat zij zich kan verplaatsen in de gevoels- en leefwereld van de kinderen. Het kost haar moeite emoties bij haarzelf te herkennen en te uiten en om emoties bij anderen te herkennen en op waarde te schatten. Zij mist empathie. Zij is rigide/weinig flexibel.

Er is sprake van een gebrekkige reflectie, zelfinzicht en een beperkt probleembesef. Zij is onvoldoende in staat om te kijken naar haar eigen aandeel in de zorgen over de kinderen. Dat bemoeilijkt dat de moeder daaraan kan werken.

5.18

Tevens is voor het hof de belaste voorgeschiedenis van de moeder uitermate zorgelijk: haar vader verliet het gezin toen zij 8 jaar was en zij heeft hem nooit meer gezien. Van haar 17e of 18e levensjaar tot ongeveer haar 26e heeft zij voor haar zieke moeder gezorgd. Rond haar 25e levensjaar kreeg zij psychische problemen in de vorm van een angststoornis en rond haar 26e was er sprake van overspannenheid en depressieve klachten. In de relatie met de vader is de moeder slachtoffer geweest van huiselijk geweld. In 2015 is PTSS bij de moeder vastgesteld. Uit de brief van Centrum [W] (thans genaamd [W] ) van 11 november 2016 blijkt dat de moeder psychotherapie heeft om nare ervaringen uit het verleden te verwerken. Een gerichte traumabehandeling zoals EMDR wordt pas gestart als de uithuisplaatsing van [de minderjarige2] en de lopende rechtszaak is afgesloten. Uit de brief van [W] van 16 februari 2017 maakt het hof op dat EMDR nog niet heeft plaatsgevonden.

5.19

Het hof is op grond van het voorgaande van oordeel dat de moeder in ernstige mate tekort schiet in haar opvoedkundig handelen, hetgeen een ernstig ontwikkelingsbedreigend effect heeft op [de minderjarige2] . Het hof komt ook tot dit oordeel als de [T] -rapportages buiten beschouwing zouden worden gelaten. Het lukt de moeder niet om [de minderjarige2] de nodige zorg en affectie te bieden. Het gegeven dat het verblijf en de behandeling van de moeder en de kinderen in 2011 bij [I] in [X] positief zijn verlopen en het gegeven dat de kinderrechter in 2011 heeft besloten om de ondertoezichtstelling te beëindigen, maken het oordeel van het hof niet anders. Immers er zijn sindsdien weer ernstige zorgen ontstaan over de mogelijkheden van de moeder om structureel tegemoet te komen aan de opvoedbehoeften van [de minderjarige2] en over de mogelijkheden van de moeder om [de minderjarige2] veiligheid en een gezonde ontwikkeling te bieden. De machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige2] is dan ook noodzakelijk in het belang van haar verzorging en opvoeding.

5.20

Het voorgaande geldt ook voor [de minderjarige1] . De zorgen over het opvoedkundig handelen van de moeder betreft ook [de minderjarige1] . [de minderjarige1] lijdt volgens de moeder aan ernstige hoofdpijnklachten waar hij bijna dagelijks last van heeft en die hem in zijn dagelijks functioneren belemmeren. De school [P] heeft echter aangegeven dat zij niet aan het gedrag van [de minderjarige1] hebben gemerkt dat hij elke dag hoofdpijn heeft. [de minderjarige1] heeft in het pleeggezin geen hoofdpijnklachten meer. [de minderjarige1] maakt in het pleeggezin ook verder een goede ontwikkeling door. Hij doet het goed op school. Hij ontwikkelt zich inmiddels positief op verstandelijk en fysiek gebied. In zijn sociaal-emotionele ontwikkeling valt evenwel op dat er geen sprake is van vriendschappen met leeftijdgenoten. Hij heeft moeite met sociale aansluiting op school. Hij is jong in zijn gedrag en kan sociaal onhandig overkomen.

Omdat de situatie thuis bij de moeder ook voor [de minderjarige1] onvoldoende veilig is, is een machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk in het belang van zijn verzorging en opvoeding.

5.21

Het voorgaande betekent dat het hof voorbij gaat aan het verzoek van de moeder ter zitting van het hof om de beslissing over de machtigingen tot uithuisplaatsing aan te houden in afwachting van de beslissingen op de klachten die zij over en naar aanleiding van de [T] -rapportages heeft ingediend. Het hof acht namelijk ook zonder die rapportages voldoende grond aanwezig voor de machtigingen tot uithuisplaatsing van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] . "

5.4

Uit de in het onderhavige hoger beroep overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting zijn het hof thans geen zodanige wijzigingen gebleken dat op grond daarvan moet worden teruggekomen op het eerdere oordeel over de noodzakelijkheid van de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen, zoals hiervoor aangehaald. Integendeel, gebleken is dat er nog altijd zeer ernstige zorgen bestaan.
Ten aanzien van [de minderjarige2]

5.5

Hoewel het aanvankelijk na de uithuisplaatsing naar omstandigheden beter met [de minderjarige2] leek te gaan, is daar op dit moment geen sprake meer van. De afgelopen periode geeft [de minderjarige2] steeds (golven) bloed op, is zij volledig afhankelijk geworden van sondevoeding en gaat zij niet naar school. Ook heeft [de minderjarige2] nog steeds veel fysieke klachten rondom haar vagina, waardoor zij beperkt wordt in het zitten en fietsen. De gesprekken die [de minderjarige2] had bij de vakgroep seksueel misbruik van [M] zijn als gevolg van haar gezondheidsklachten gestopt. [de minderjarige2] vertoont bovendien toenemende gedragsproblemen. Ze is extreem angstig en wantrouwend naar volwassenen, met name naar mannen, en is claimend naar de pleegmoeder. [de minderjarige2] wil geen contact met haar moeder en heeft angst voor haar. Bij [de minderjarige2] is tevens sprake van stemmingsproblematiek. Zij wil niet meer leven.

5.6

De GI heeft ter zitting naar voren gebracht dat [de minderjarige2] in het pleeggezin uitspraken doet over fysieke mishandeling en seksueel misbruik door de moeder en verschillende mannelijke vrienden van de moeder. Dit misbruik zou volgens [de minderjarige2] niet alleen thuis hebben plaatsgevonden, maar ook elders. [de minderjarige2] heeft volgens de GI verteld dat ze daarbij geblinddoekt werd. Ook [de minderjarige1] zou volgens [de minderjarige2] betrokken zijn geweest bij het seksueel misbruik. [de minderjarige1] zal daar echter volgens [de minderjarige2] nooit over kunnen praten. De pleegmoeder van [de minderjarige2] heeft ter zitting naar voren gebracht dat [de minderjarige2] vertelt dat ze werd vastgebonden, opgesloten en dat er tape over haar mond werd geplakt. [de minderjarige2] is volgens de GI consistent in haar verhalen over wat er is gebeurd en zij laat ook gedrag zien dat past bij het door haar omschreven misbruik. De moeder, die ter zitting voor het eerst met deze uitspraken van [de minderjarige2] werd geconfronteerd, heeft ontkend dat sprake is geweest van het door [de minderjarige2] omschreven misbruik en wijst erop dat [de minderjarige2] de neiging heeft dingen te verzinnen.

5.7

Vast staat dat [de minderjarige2] op korte termijn multidisciplinair zal worden onderzocht door het Landelijk Expertise Centrum Kindermishandeling (LECK). Het hof acht het van groot belang dat er middels dit onderzoek meer duidelijk wordt over de oorzaak van de lichamelijke en psychische klachten waar [de minderjarige2] mee kampt. Gelet op de zeer ernstige zorgen die er over [de minderjarige2] zijn, waaronder de uitlatingen die zij doet over fysieke mishandeling en seksueel misbruik, alsmede gelet op de angst die [de minderjarige2] heeft voor de moeder, dient dit onderzoek naar het oordeel van het hof plaats te vinden vanuit de voor [de minderjarige2] veilige en stabiele situatie van het pleeggezin. Nu nog niet bekend is wanneer het onderzoek van het LECK zal zijn afgerond, ziet het hof reeds op die grond geen aanleiding de maatregel in duur te beperken, zoals door de moeder is verzocht.

5.8

Het hof neemt bij dit oordeel tevens in aanmerking dat, los van het vorenstaande, ook de zorgen die er waren over de persoonlijkheid en de pedagogische mogelijkheden van de moeder op dit moment nog onvoldoende zijn weggenomen. De moeder heeft weliswaar de conclusies uit het [T] -rapport ter discussie gesteld, maar zij heeft nagelaten het [T] -rapport ook in deze zaak over te leggen. Het hof heeft vooralsnog dan ook geen aanleiding om aan de uitkomsten van genoemd onderzoek te twijfelen.

Ten aanzien van [de minderjarige1]

5.9

Hoewel de GI ter zitting naar voren heeft gebracht dat [de minderjarige1] het goed naar zijn zin heeft in het nieuwe, perspectief biedende pleeggezin waar hij sinds juli 2017 verblijft, zijn er ook over hem nog onveranderd zorgen, met name over zijn identiteitsontwikkeling. [de minderjarige1] , die erg gesloten is, lijkt zich weliswaar in het nieuwe pleeggezin steeds meer open te stellen, maar de GI heeft ook naar voren gebracht dat [de minderjarige1] zich extreem aan het gezin lijkt aan te passen. Zo is [de minderjarige1] volgens de GI bovenmatig behulpzaam ('pleasend') en neemt hij hobby's over van de andere kinderen.

5.10

Zoals hiervoor overwogen onder rechtsoverweging 5.8 zijn er nog onverkort zorgen over de persoonlijkheid en de pedagogische mogelijkheden van de moeder. Mede in aanmerking genomen de uitlatingen die [de minderjarige2] heeft gedaan over [de minderjarige1] in relatie tot het seksueel misbruik, zoals hiervoor omschreven onder rechtsoverweging 5.6, is het hof van oordeel dat de situatie bij de moeder thuis ook voor [de minderjarige1] nog altijd onvoldoende veilig is. Het hof acht een machtiging tot uithuisplaatsing in het belang van de verzorging en opvoeding van [de minderjarige1] noodzakelijk en ziet geen aanleiding om de maatregel in duur te verkorten, zoals door de moeder is verzocht.

5.11

Hetgeen door de moeder overigens in haar beroepschrift is aangevoerd, maakt het oordeel van het hof niet anders. Dit betekent dat het hof de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, zal bekrachtigen.

6 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, van 19 juli 2017 voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen.

Deze beschikking is gegeven door mrs. G.M. van der Meer, I.M. Dölle en F. Kleefmann, bijgestaan door mr. L.S. Veldmans als griffier, en is op 11 januari 2018 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.