Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:3604

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
17-04-2018
Datum publicatie
18-04-2018
Zaaknummer
200.221.034/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ziektekostenverzekeraar zoekt na mishandeling van verzekerde verhaal op dader. Causaal verband tussen ziektekosten en mishandeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2018-0338
Verrijkte uitspraak

Uitspraak


GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.221.034/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 5226836 / CV EXPL 16-5858)

arrest van 17 april 2018

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [A] ,

appellant,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: [appellant],

advocaat: mr. C.C.N. Cats, kantoorhoudend te Emmen,

tegen

Menzis Zorgverzekeraar N.V.,

gevestigd te Wageningen,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna: Menzis,

advocaat: mr. B.T.J.A. van Aalst, kantoorhoudend te Wageningen.

1 Het verloop van de procedure in eerste aanleg en in hoger beroep

1.1

Het verloop van de procedure in eerste aanleg blijkt uit de vonnissen van 11 oktober 2016 en 16 mei 2017 van de rechtbank Noord-Nederland, afdeling privaatrecht, locatie Assen (hierna: de kantonrechter).

1.2

[appellant] heeft bij exploot van 4 augustus 2017 appel ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter van 16 mei 2017.

1.3

Vervolgens zijn de volgende stukken gewisseld:
- de memorie van grieven;
- de memorie van antwoord (met een productie).

1.4

[appellant] heeft geen gebruik gemaakt van de hem geboden gelegen bij akte te reageren op de bij de memorie van antwoord overgelegde productie.

1.5

Ten slotte hebben partijen de stukken overgelegd voor arrest - het door [appellant] overgelegde procesdossier was overigens niet helemaal volledig, voor de ontbrekende stukken heeft het hof uit het door Menzis overgelegde procesdossier geput - en heeft het hof arrest bepaald.

1.6

De vordering van [appellant] in hoger beroep strekt er, naar het hof begrijpt, toe dat het vonnis van de kantonrechter van 16 mei 2017 wordt vernietigd en dat de vorderingen van Menzis alsnog worden afgewezen, met veroordeling van Menzis in de proceskosten in beide instanties. Het hof merkt daarbij op dat het de woorden "de vorderingen van rekwirante zoals bij dagvaarding geformuleerd alsnog toe te wijzen" in het petitum van het appelexploot leest als "de vorderingen van gerekwireerde alsnog af te wijzen". [appellant] was in eerste aanleg gedaagde en heeft geen vorderingen ingesteld, terwijl de vorderingen van Menzis, eiseres in eerste aanleg, door de kantonrechter zijn toegewezen. [appellant] is het daar, zo volgt uit de memorie van grieven, niet mee eens en is juist om die reden in beroep gekomen. De aangehaalde passage uit het petitum, inhoudende dat zijn vorderingen alsnog worden toegewezen, zal dan ook het gevolg zijn van een kennelijke verschrijving.

2 De vaststaande feiten

2.1

De kantonrechter heeft in het vonnis van 16 mei 2017 (rechtsoverweging 2.1 tot en met 2.15) de feiten vastgesteld. Tegen deze vaststelling zijn geen grieven gericht en ook overigens is niet van bezwaren gebleken. Het hof zal dan ook uitgaan van de door de kantonrechter vastgestelde feiten, die - met wat verder over de feiten is gebleken - op het volgende neerkomen.

2.2

De heer [B] (hierna: [B] ) heeft een zorgverzekering bij Menzis. [B] lijdt aan primaire pulmonale hypertensie, een zeldzame aandoening waardoor de druk in de rechterhartkamer te hoog is.

[In] 2014 in de avond heeft te [A] een handgemeen plaatsgevonden tussen [appellant] en [B] , waarbij [appellant] , die op dat moment klompen droeg, [B] heeft geschopt. Het handgemeen vond plaats bij het huis van de ex-partner van [appellant] , mevrouw [C] (hierna: [C] ). Volgens het proces-verbaal van verhoor van [appellant] als verdachte van 3 september 2014, heeft [appellant] over dit voorval onder meer het volgende tegenover de politie verklaard:

" (...) Ik heb die jongen een goede trap tegen de schenen verkocht daardoor ging hij plat.

(...). Hij sloeg mij als eerste. Ik schopte hem vervolgens tegen zijn schenen aan. Voordat hij

de grond raakte gaf ik hem nog een trap in zijn ribben. (...) Ik heb hem tweemaal getrapt

tegen de schenen en ribben. (...) Volgens mij weerde hij de trap tegen zijn ribben af met zijn

armen of handen. (...)" .
In het proces-verbaal van aangifte van 3 september 2014 is de volgende constatering door de verbalisant vermeld:
"Ik zag dat aangever het volgende letsel had:
(…)
- dikke buil met bloeduitstorting op de linkeronderarm; voor rust onderarm maakte slachtoffer gebruik van een mitella."
[B] heeft over de mishandeling onder meer het volgende verklaard:
“Direct toen ik mij op deze wijze met het geschreeuw van de man tegen zijn ex had bemoeid, explodeerde de man. Hij gaf mij direct een zeer harde trap met zijn klomp, die hij aan zijn voet had, tegen mijn linkeronderbeen. De trap was zo hard dat ik direct met een klap onderuitging (…)
Ik viel op de grond en ik zag en voelde dat de man tegen mijn lichaam bleef doortrappen. Hij trapte met zijn klompen tegen:
- mijn ribbenkast,
- mijn hals.
Ik beschermde mijn hoofd met mijn armen. De man bleef doortrappen in de richting van mijn hoofd, waar ik dus mijn handen/armen voor had. Hij trapte met zijn klompen tegen:
- mijn onderarm.”

2.3

[B] heeft door het handgemeen letsel opgelopen. Hij is na het handgemeen per

ambulance naar de spoedeisende hulp gebracht van het Ziekenhuis Bethesda te Hoogeveen.

Daar is hij behandeld aan een beenwond. Ook had hij gekneusde ribben en werd, blijkens het verslag van het bezoek aan de spoedeisende hulp, aan zijn linkerarm een "zwelling midschacht ulnaire zijde onderarm" vastgesteld. In het verslag is verder onder meer het volgende

vermeld:

"Conclusie:

50 jarige man presenteert zich op de SEH i.v.m. lichamelijke verwondingen na mishandeling. Er waren geen aanwijzingen voor osaal letsel, echter wel enkele huidwonden.

Beleid:

Beleid/afspraken: Op SEH zijn de wonden gereinigd. Eén wond op het scheenbeen is gehecht

met 5 onoplosbare hechtingen en daarna verbonden.

Drukverband om linker onderbeen,

Tetanusbooster gegeven.

Hechtingen over 10 dagen laten verwijderen door eigen huisarts."

2.4

Op 4 september 2014 is [B] in het Rijnstate Ziekenhuis te Arnhem behandeld

voor een gebroken linker onderarm.

2.5

Op 5 september 2014 is [B] vanwege een longontsteking per ambulance

vervoerd naar het Rijnstate Ziekenhuis te Arnhem. Hij is daar tot en met 7 september 2014

opgenomen geweest.

2.6

Op 8 september 2014 heeft [B] zijn huisarts geconsulteerd. Op 9 september 2014 is hij per ambulance naar het ziekenhuis vervoerd vanwege pijn aan zijn arm.

2.7

Op 23 oktober 2014 is [B] geopereerd aan de breuk in zijn arm. Daarbij is een osteosynthese mat in zijn arm aangebracht.

2.8

Op 2 december 2014 is [B] wederom behandeld aan de wond aan zijn been.

2.9

Op 5 december 2014, 5 december 2015, 3 april 2016 en 25 mei 2016 is [B] opnieuw aan zijn arm behandeld. Daarnaast heeft [B] manuele therapie en

fysiotherapie gehad.

2.10

Op 20 maart 2015 is [appellant] ter zake poging tot zware mishandeling veroordeeld tot

een werkstraf van 200 uren subsidiair 100 dagen hechtenis, een gevangenisstraf van twee

maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren en een maatregel van

schadevergoeding van €1.511,52 subsidiair 25 dagen hechtenis ten behoeve van [B] .

2.11

De medische kosten van [B] zijn vergoed door Menzis. Bij brief van

19 mei 2015 heeft Menzis, [appellant] meegedeeld de door haar geleden schade op hem te

verhalen. Bij brief van 21 juli 2015 heeft Menzis [appellant] verzocht binnen veertien dagen

een bedrag van € 8.520,54 te betalen en daarbij vermeld dat als [appellant] niet op tijd betaalt,

zij hem in gebreke stelt en aanspraak maakt op wettelijke rente. Bij brief van 9 november

2016 heeft Menzis [appellant] meegedeeld dat opnieuw kosten zijn gemaakt en [appellant]

verzocht om een (aanvullend) bedrag van €3.257,71 binnen veertien dagen te betalen.

2.12

[appellant] heeft de vordering van Menzis betwist.

2.13

Bij brief van 27 november 2015 heeft [C] het volgende verklaard:

“Toen [B] in het ziekenhuis terecht kwam, ben ik er achter aan gereden. Er was eerst bij mij thuis al een punt of het nodig was. Er waren twee van de ambulance aanwezig. De vrouw heeft de wond schoongemaakt en vond verdere onderzoeken niet nodig. De mannelijke broeder daar in tegen wilde hem wel even mee hebben ivm de bloedverdunners die [B] gebruikte. In het ziekenhuis aangekomen hebben ze hem onderzocht. Wond op het been schoongemaakt, wat bij mij thuis ook is gebeurd. Zijn arm hebben ze ook nagekeken. De ernst van de arm was niet in die mate, dat er fotos of echo van gemaakt moest worden. Wel het advies dat hij ook even naar zijn eigen huisarts moest. De dagen er na heb ik contact met hem gehouden, en hij liet al snel weten dat hij op wraak uit was. [appellant] , zou en mag niets meer hebben, hij zou er voor zorgen dat Joop kapot gemaakt zou worden. Financieel en geestelijk. (...)"

2.14

Bij brief van 7 december 2016 heeft de longarts, dr. [D] , (onder meer)

het volgende verklaard over [B] :

“Ik heb nogmaals alle uitslagen van het bloed en foto's van de longen bekeken uit die tijd.
Van 5/9/2014 t/m 10/9/2014 toont het bloedonderzoek verhoogde infectiewaardes als

gevolg van een ontsteking in de long links (longontsteking links), die hij opgelopen kan

hebben door de gekneusde ribben. Immers bij veel pijn aan de ribben door mishandeling,

kan moeilijk worden doorgezucht en is er een verhoogde kans op een longontsteking. Dit

staat los van de pulmonale hypertensie, het ziektebeeld waarvoor hij in Amsterdam/Arnhem chronisch wordt behandeld.

Die longontsteking links bestond er op de foto’s van 5 en 8 september 2014. Op 10 september was het longbeeld weer vrijwel genormaliseerd

In die tijd was er een hoge ziektelast en veel pijn en benauwdheid van de mishandeling.”

2.15

Bij brief van 13 december 2016 heeft de orthopedisch chirurg, dr. [E] ,

(onder meer) het volgende verklaard over het letsel van [B] :

“Ik heb patiënt voor het eerst gezien op 25-05-2016 op verzoek van collega [F] , traumachirurg. Patiënt vertelde dat hij op 24-10-2014 geopereerd is aan zijn linker onderarm wegens een fractuur. De diagnose die ik stelde op 25-05-2016 was artrose van het polsgewricht waarvoor een operatie werd voorgesteld. De operatie zou plaatsvinden op 13-09-2016 echter patiënt zag toen op de dag zelf van de operatie af wegens teveel stress die hij ervaart van de ernstige mishandeling. (..) Hij zegt nu wel klaar te zijn voor de operatie en hij werd opnieuw ingepland voor deze operatie.

Of zijn letsel het gevolg is van de mishandeling kan ik alleen antwoord geven op het letsel

aan de pols. Dit letsel is het gevolg van de mishandeling. (...)"

3 De procedure in eerste aanleg

3.1

Menzis heeft [appellant] gedagvaard en, na vermeerdering van eis, betaling gevorderd van een bedrag van € 12.818,43, te vermeerderen met wettelijke rente en proceskosten. Aan deze vordering heeft zij ten grondslag gelegd dat zij genoemd bedrag (minus een bedrag van € 965,62 vanwege buitengerechtelijke kosten) heeft vergoed voor de medische behandelingen die [B] heeft ondergaan als gevolg van de mishandeling door [appellant] .

3.2

[appellant] heeft verweer gevoerd. Hij heeft ten aanzien van de meeste medische behandelingen waarvan de kosten zijn gevorderd bestreden dat deze het gevolg zijn van de mishandeling.

3.3

Nadat de kantonrechter, in het vonnis van 11 oktober 2016, een comparitie van partijen had gelast, deze comparitie had plaatsgevonden en Menzis nog aanvullende (medische) stukken in het geding had gebracht, heeft de kantonrechter in het vonnis van
16 mei 2017 de vordering van Menzis grotendeels (behoudens de kosten van ambulancevervoer en de buitengerechtelijke kosten) toegewezen, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten.

4 De bespreking van de grieven

4.1

Het hof stelt bij de bespreking van de grieven voorop dat in hoger beroep niet ter discussie staat dat [appellant] onrechtmatig heeft gehandeld jegens [B] door [B] te mishandelen en dat [appellant] volledig aansprakelijk is voor de schade die het gevolg is van deze mishandeling. Het staat ook vast dat [appellant] jegens Menzis gehouden is om de kosten van de medische behandelingen van [B] die het gevolg zijn van het door [B] bij de mishandeling opgelopen letsel volledig te vergoeden. Evenmin staat ter discussie dat Menzis tot het gevorderde bedrag kosten heeft gemaakt voor medische behandelingen van [B] . Menzis heeft geen incidenteel appel ingesteld tegen de afwijzing van haar vordering tot betaling van de kosten van ambulancevervoer op 9 september 2014. Ook dit geschilpunt kan in hoger beroep onbesproken blijven.

4.2

Het debat in hoger beroep spitst zich toe op de vraag of deze behandelingen het gevolg zijn van de mishandeling van [B] door [appellant] . De stelplicht en de bewijslast ten aanzien van het causaal verband tussen de mishandeling en de medische behandelingen die [B] nadien heeft ondergaan rusten op Menzis.

4.3

Met grief 1 komt [appellant] op tegen het oordeel van de rechtbank dat de longontsteking van [B] op 5 september 2015 het gevolg is van de mishandeling door [appellant] op
2 september 2015. Volgens [appellant] is het weliswaar mogelijk dat de longontsteking het gevolg is geweest van de mishandeling, maar kan deze ook het gevolg zijn geweest van de longziekte van [B] . [appellant] betwist dan ook dat sprake is van conditio sine qua non verband tussen de mishandeling en de longontsteking.

4.4

Menzis heeft haar stelling dat de longontsteking bij [B] het gevolg is van de mishandeling onderbouwd met de brief van longarts [D] van 7 december 2016 (aangehaald in r.o. 2.15). Uit deze brief volgt dat bij iemand met gekneusde ribben sprake is van een verhoogde kans op een longontsteking. Dat [B] door de mishandeling gekneusde ribben heeft opgelopen, staat niet ter discussie. Dat kort daarna een longontsteking bij hem is ontstaan, staat evenmin ter discussie. Daarmee heeft Menzis het causaal verband tussen de mishandeling en de longontsteking voldoende onderbouwd. [appellant] heeft niet weersproken dat de mishandeling, waarbij [B] gekneusde ribben heeft opgelopen, de longontsteking kan hebben veroorzaakt. Hij heeft slechts aangevoerd dat de longontsteking ook kan zijn ontstaan door de chronische ziekte van [B] , maar hij heeft die stelling verder niet toegelicht. Zo heeft hij niets aangevoerd waaruit volgt dat bij deze ziekte ook sprake is van een verhoogde kans op longontsteking. [appellant] heeft naar het oordeel van [B] dan ook onvoldoende weersproken dat de longontsteking het gevolg is van de mishandeling.

4.5

De grief faalt dan ook.

4.6

Met grief 2 komt [appellant] op tegen het oordeel van de kantonrechter dat de gebroken arm het gevolg is geweest van de mishandeling. [appellant] wijst erop dat in het ziekenhuis in Hoogeveen geen gebroken arm is vastgesteld en dat [B] indien sprake was geweest van een gebroken arm extreem veel pijn aan de arm moet hebben gehad. Dat was niet het geval; [appellant] kon na het bezoek aan het ziekenhuis in zijn auto stappen en naar huis rijden, aldus [appellant] .

4.7

Het hof stelt bij de bespreking van deze grief het volgende vast:
- [appellant] heeft [B] in de avond van 2 september 2014 met zijn klompen tegen het lichaam geschopt en [B] is daarbij ten val gekomen;
- op de spoedeisende hulp is geen breuk in de onderarm vastgesteld, maar er zijn geen foto’s gemaakt en [B] heeft het advies gekregen om de arm bij de huisarts te laten onderzoeken (vgl. r.o. 2.4 en 2.14);
- door de verbalisant die de aangifte van [B] opnam is na de mishandeling een verwonding aan de linker onderarm (een dikke buil en een bloeduitstorting, terwijl [B] de arm in een mitella droeg) vastgesteld (vgl. r.o. 2.3);
- op 4 september 2014 is bij [B] een breuk in de linker onderarm vastgesteld.
Uit deze feiten volgt dat [B] op de avond van 2 september ook letsel heeft opgelopen aan de linker onderarm en dat op 4 september een fractuur in de onderarm is vastgesteld. Dat de fractuur kan zijn ontstaan door de mishandeling wordt door [appellant] niet (gemotiveerd) weersproken. Het is ook alleszins aannemelijk. Indien [appellant] [B] niet ook met zijn klompen tegen de linkerarm heeft geschopt - volgens [B] is dat het geval geweest -, staat in elk geval vast dat [B] ten val is gekomen. [B] kan bij de val zijn arm hebben gebroken. Indien [appellant] hem met zijn klompen tegen de onderarm heeft geschopt, kan de breuk ook daardoor zijn ontstaan. Menzis heeft haar stelling dat de fractuur bij de mishandeling is ontstaan dan ook voldoende onderbouwd.

4.8

[appellant] wijst erop dat de breuk niet op de spoedeisende hulp is ontdekt, zodat het niet aannemelijk is dat toen al sprake was van een breuk. Daarmee heeft [appellant] de stelling van Menzis naar het oordeel van het hof onvoldoende weersproken. Daartoe is het volgende redengevend. Allereerst was het onderzoek op de spoedeisende hulp, volgt uit het verslag van de behandeling daar en uit de verklaring van [C] , beperkt. Zo zijn er op de spoedeisende hulp geen foto’s gemaakt. Bovendien heeft [B] het advies gekregen om voor zijn onderarm naar de huisarts te gaan. Verder had [B] niet alleen letsel aan de linker onderarm, maar ook aan zijn ribben en linker onderbeen, waardoor voorstelbaar is dat de pijnklachten aan de linker onderarm niet de aandacht kregen die ze zouden hebben gekregen wanneer [B] alleen letsel zou hebben gehad aan de linker onderarm. Menzis heeft er vervolgens, met een beroep op door haar bij memorie van antwoord overgelegde medische literatuur, op gewezen dat het geregeld voorkomt dat een fractuur niet onmiddellijk wordt onderkend. [appellant] heeft, hoewel hij daartoe in de gelegenheid is gesteld, niet gereageerd op deze literatuur en de daarop gebaseerde stelling van Menzis onweersproken gelaten. Ten slotte heeft [appellant] geen andere verklaring gegeven voor het ontstaan van een fractuur aan (juist) de linker onderarm (waaraan [B] al letsel had) in een periode van maximaal twee dagen tussen de mishandeling en de ontdekking van de fractuur.

4.9

Ook deze grief faalt.

4.10

Grief 3 betreft het door de kantonrechter aangenomen causaal verband tussen de mishandeling en de artrose aan de linker pols van [B] . Volgens [appellant] is van een causaal verband geen sprake, gelet op het karakter van artrose als een reumatische ziekte die op zichzelf voorkomt, maar ook kan ontstaan na een gewrichtsontsteking of bij zwakke gewrichtsbanden. Gelet op het korte tijdsbestek (naar het hof aanneemt: tussen de mishandeling en het ontstaan van artrose) is het volgens [appellant] onwaarschijnlijk dat de artrose het gevolg is van de mishandeling.

4.11

Menzis heeft het causaal verband tussen de mishandeling en de artrose onderbouwd met een verwijzing naar de in rechtsoverweging 2.16 aangehaalde brief van orthopeed dr. [E] van 13 december 2016. Dr. [E] is in zijn brief stellig over dit verband: volgens hem is de artrose aan de pols het gevolg van de mishandeling. Ook heeft zij verwezen naar medische informatie over het ontstaan van artrose en naar de NHG-Standaard Hand- en polsklachten (de NHG is het Nederlands Huisartsen genootschap) waarin een verband wordt gelegd tussen het ontstaan van artrose en doorgemaakte fracturen. Volgens Menzis volgt uit de medische literatuur dat artrose kan ontstaan als gevolg van een botbreuk. Aldus heeft Menzis het causaal verband tussen de mishandeling (waarbij een fractuur in de linker onderarm is ontstaan - het hof verwijst naar wat het bij de bespreking van grief 2 heeft overwogen) en de artrose aan de pols voldoende onderbouwd.

4.12

[appellant] heeft de stellingen van Menzis slechts summier weersproken. Hij heeft niet aangegeven op welke medische literatuur zijn stellingen over (het ontstaan van) artrose zijn gebaseerd en is niet ingegaan op de brief van dr. [E] . Hij heeft zijn verweer tegen de deugdelijk gemotiveerde stellingen van Menzis dan ook onvoldoende onderbouwd, zodat het hof eraan voorbij zal gaan.

4.13

Ook grief 3 faalt.

4.14

De slotsom is dat de grieven falen. Het hof zal het bestreden vonnis dan ook bekrachtigen. [appellant] zal als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de proceskosten van het geding in hoger beroep (geliquideerd salaris van de advocaat: 1 punt, tarief II).

5 De beslissing
Het gerechtshof, rechtdoende in hoger beroep:
bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;
veroordeelt [appellant] in de proceskosten van het geding in hoger beroep en begroot deze kosten, voor zover tot op heden gevallen, op € 716,- aan verschotten en op € 894,- voor geliquideerd salaris van de advocaat;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit arrest is gewezen door mr. H. de Hek, mr. M.M.A. Wind en mr. I.F. Clement, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op

17 april 2018.