Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:360

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
11-01-2018
Datum publicatie
17-01-2018
Zaaknummer
200.222.601/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vervangende toestemming verhuizing. Wijziging hoofdverblijfplaats en zorgregeling. Geen gewijzigde situatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.222.601/01

(zaaknummer rechtbank C/08/200202 / FA RK 17-752)

beschikking van 11 januari 2018

inzake

[verzoeker] ,

wonende te [A] ,
verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de vader,

advocaat: mr. J.A.C.H. Hana te Zwolle,

en

[verzoekster] ,

wonende te [A] ,

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. S.M. Wolff te Zwolle.

1
1. Het geding in eerste aanleg

1.1

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle (hierna: de rechtbank), van 30 mei 2017, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met productie(s), ingekomen op 28 augustus 2017;

- het verweerschrift;

- een brief van de raad voor de kinderbescherming (verder te noemen: de raad) van
12 september 2017, waarin de raad bericht niet ter zitting aanwezig te zullen zijn;

- een journaalbericht van mr. Wolff van 21 november 2017 met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Hana van 22 november 2017 met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Wolff van 23 november 2017, met als bijlage een brief van mr. Wolff van 23 november 2017;

- een journaalbericht van mr. Hana van 27 november 2017.

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 6 december 2017 plaatsgevonden. Partijen zijn verschenen, bijgestaan door hun advocaten. De moeder werd voorts vergezeld door
mevrouw [B] , tolk in de Portugese taal (ingeschreven in het Register beëdigde tolken en vertalers onder nummer [0000] ). Beide advocaten hebben ter zitting mede het woord gevoerd aan de hand van door hen overgelegde pleitnotities.

2.3

Mr. Wolff heeft ter zitting toegezegd de beschikking van de rechtbank van
2 december 2014 na de zitting aan het hof te zullen doen toekomen. Het hof heeft deze beschikking echter niet ontvangen.

3 De feiten

3.1

Uit de affectieve relatie die tussen partijen heeft bestaan is [in] 2011 geboren de minderjarige [de minderjarige] (verder te noemen: [de minderjarige] ). De vader heeft [de minderjarige] erkend en partijen zijn gezamenlijk met het gezag over [de minderjarige] belast.

3.2

Partijen hebben ter zitting naar voren gebracht dat de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij beschikking van de rechtbank van 2 december 2014 bij de moeder is bepaald.

3.3

Bij beschikking van de rechtbank van 30 juni 2015 is de zorgregeling tussen de vader en [de minderjarige] aldus gewijzigd dat de vader gerechtigd is [de minderjarige] bij zich te hebben:

- de ene week van donderdag uit peuterspeelzaal c.q. school tot zondag 17.00 uur;

- de andere week van donderdag uit peuterspeelzaal c.q. school tot vrijdag 17.00 uur,

waarbij de activiteiten zoals verjaardagsfeestjes en eventueel zwemlessen in de toekomst op die middagen ook door de vader gevolgd zullen worden;

- de eerste drie weken in de zomervakanties in de even jaren;

- de laatste drie weken in de zomervakanties in de oneven jaren;

- de eerste week in de kerstvakanties in de oneven jaren;

- de tweede week in de kerstvakanties in de even jaren;

- de voorjaarsvakanties in de oneven jaren;

- de herfstvakanties in de even jaren.
[de minderjarige] verblijft voorts:

- met Pinksteren en Pasen aansluitend bij degene bij wie [de minderjarige] dat voorgaande weekend verblijft;

- met Hemelvaart bij degene bij wie [de minderjarige] het aansluitend daarop volgende weekend is;

- op Vaderdag bij de vader (op Moederdag bij de moeder);

- op verjaardagen van de vader, de moeder en [de minderjarige] bij degene bij wie [de minderjarige] op dat moment verblijft in het kader van de zorgregeling;

het halen en brengen in onderling overleg door de vader en de moeder te bepalen.

3.4

Bij inleidend verzoek heeft de moeder de rechtbank op 3 april 2017, voor zover hier van belang, verzocht om, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
- vervangende toestemming te verlenen voor vertrek van de moeder met [de minderjarige] naar

Brazilië om zich aldaar blijvend te vestigen en - naar het hof begrijpt - de zorgregeling tussen de vader en [de minderjarige] te wijzigen;

- vervangende toestemming te verlenen voor het aanvragen van een (verlenging) van

een paspoort voor [de minderjarige] .

3.5

De vader heeft hiertegen verweer gevoerd en heeft zelfstandig verzocht:

- te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij de vader zal zijn;

- tussen de vader en [de minderjarige] een zorgregeling vast te stellen conform zijn voorstel.

3.6

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank, voor zover hier van belang:

- bij gebreke van toestemming van de vader aan de moeder vervangende toestemming verleend tot afgifte/verlenging van een Nederlands paspoort voor [de minderjarige] ;

- bij gebreke van toestemming van de vader aan de moeder vervangende toestemming verleend tot een verhuizing van [de minderjarige] met de moeder naar Brazilië, na 4 september 2017;

- een zorgregeling vastgesteld zoals in rechtsoverweging 6.29 van de beschikking van de rechtbank vermeld, luidend als volgt:
Als zorgregeling zal de rechtbank bepalen dat de moeder zich dient in te spannen dat de vader meermalen per week Skypecontact met [de minderjarige] heeft en dat de moeder [de minderjarige] in de zomervakanties in staat stelt om maximaal drie weken vakantie met zijn vader door te brengen, het ene jaar in Brazilië en het andere jaar in Nederland, waarbij [de minderjarige] tijdens de reis naar Nederland wordt begeleid door een door beide ouders goed te keuren persoon. In onderling overleg kunnen de ouders andere periodes en/of een andere tijdsduur overeenkomen. Indien de vader in de gelegenheid is om vaker naar Brazilië te komen om contact met [de minderjarige] te hebben, dient de moeder zich ervoor in te spannen dat [de minderjarige] een prettig en onbezorgd contact met de vader kan hebben.

4 De omvang van het geschil

4.1

De vader is met vier grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. De eerste grief ziet op de verleende vervangende toestemming tot verhuizing, de tweede grief ziet op de verleende vervangende toestemming voor het aanvragen/verlengen van een paspoort voor [de minderjarige] , de derde grief ziet op het zelfstandig verzoek van de vader om de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij hem te bepalen en de vierde grief ziet op het zelfstandig verzoek van de vader tot het vaststellen van een zorgregeling. De vader verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen - behoudens formeel voor wat betreft de afwijzing van de verzoeken om vervangende toestemming voor een vakantie naar Italië van 4 tot
30 augustus 2017 - en opnieuw beschikkende:
I. het verzoek van de moeder om vervangende toestemming te verlenen voor vertrek met

[de minderjarige] naar Brazilië om zich aldaar blijvend te vestigen af te wijzen;

II. het verzoek van de moeder om vervangende toestemming te verlenen voor het aanvragen van (een verlenging van) een paspoort voor [de minderjarige] af te wijzen,

en voorts alsnog de zelfstandige verzoeken toe te wijzen, voor zover de wet zulks toelaat uitvoerbaar bij voorraad:

I. te bepalen dat [de minderjarige] met ingang van de ten deze te wijzen beschikking zijn hoofdverblijfplaats bij de vader zal hebben;

II. als zorgregeling te bepalen dat [de minderjarige] met ingang van de ten deze te wijzen beschikking bij de moeder zal verblijven:

de ene week van vrijdag 18.00 uur tot woensdag naar school;

de andere week van maandag uit school tot woensdag naar school;

zodat [de minderjarige] feitelijk bij de vader zal verblijven:

de ene week van woensdag uit school tot maandag naar school;

de andere week van woensdag uit school tot vrijdag 18.00 uur;

en voor het overige te handhaven de vakantie- en feestdagenregeling volgens de beschikking van de rechtbank Overijssel d.d. 30 juni 2015.

4.2

De moeder heeft verweer gevoerd en zij heeft het hof verzocht de bestreden beschikking te bekrachtigen, waarbij buiten beschouwing gelaten kan worden de afwijzing van de verzoeken verband houdende met de vakantie naar Italië van de moeder in augustus 2017.

5 De motivering van de beslissing
De vervangende toestemming voor verhuizing van de moeder met [de minderjarige] naar Brazilië

5.1

De moeder heeft het hof bij journaalbericht van 23 november 2017 bericht dat zij haar voorgenomen verhuizing naar Brazilië met [de minderjarige] , en haar uit een andere relatie geboren
17-jarige dochter [C] , niet door zal zetten. Mr. Wolff heeft namens de moeder naar voren gebracht dat het verzoek van de vader om de door de rechtbank daarvoor verleende vervangende toestemming te vernietigen voor toewijzing gereed ligt.

5.2

Het hof ziet gelet hierop aanleiding om de bestreden beschikking te vernietigen voor zover daarbij vervangende toestemming tot verhuizing van de moeder met [de minderjarige] naar Brazilië is verleend en het inleidend verzoek daartoe alsnog af te wijzen.
De vervangende toestemming voor het aanvragen van (een verlenging) van het paspoort van [de minderjarige]

5.3

Partijen hebben ter zitting naar voren gebracht dat nu de verhuizing van de moeder en [de minderjarige] naar Brazilië niet door gaat, voor [de minderjarige] geen paspoort hoeft te worden aangevraagd en dat nu kan worden volstaan met een identiteitskaart. Het hof zal de bestreden beschikking daarom vernietigen voor zover daarbij vervangende toestemming is verleend voor de aanvraag/verlenging van een paspoort voor [de minderjarige] en het inleidend verzoek daartoe alsnog afwijzen. De vader heeft ter zitting toegezegd dat hij mee zal werken aan de aanvraag van een identiteitskaart voor [de minderjarige] .
Het verzoek tot wijziging van de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige]

5.4

Indien in geval van gezamenlijke gezagsuitoefening tussen de ouders een geschil ontstaat met betrekking tot de hoofdverblijfplaats van het kind, kan dat geschil op grond van artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (BW) aan de rechter worden voorgelegd. De rechter neemt een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt. In beginsel is het vanuit een oogpunt van continuïteit en stabiliteit in het belang van een kind dat diens gewone verblijfplaats niet wordt gewijzigd. Slechts wanneer zwaarwegende belangen van het kind zich verzetten tegen een langer (hoofd)verblijf bij de betreffende ouder, kan er aanleiding zijn de gewone verblijfplaats te wijzigen.

5.5

Het hof is op grond van de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting van oordeel dat het belang van [de minderjarige] het meest is gediend bij behoud van zijn hoofdverblijfplaats bij de moeder. Van zwaarwegende belangen van [de minderjarige] die zich verzetten tegen behoud van zijn hoofdverblijfplaats bij de moeder is niet gebleken. De vader heeft naar voren gebracht dat met name de instabiele psychische gesteldheid van de moeder maakt dat [de minderjarige] niet langer hoofdverblijf kan hebben bij haar. Ook ten tijde van het raadsonderzoek in 2014 was bij de moeder echter al sprake van psychische klachten. In het raadsrapport staat immers opgenomen: "De raad maakt zich zorgen over de draagkracht/draaglast van de moeder. De huisarts meldt dat moeder psychisch klem zit in de situatie met vader. Dit uit zich in somberheid en moeder kan momenteel zelfs depressief worden genoemd". De raad heeft in zijn rapport van 6 augustus 2014 niettemin geadviseerd om de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] niet te wijzigen. In het advies staat het volgende opgenomen: "Nadat ouders uit elkaar zijn gegaan hebben ze beiden het besluit genomen dat [de minderjarige] bij moeder blijft wonen. Moeder is daarmee de hoofdopvoeder van [de minderjarige] geworden. Uit het onderzoek is niet gebleken dat er zorgen over [de minderjarige] zijn die een ingrijpende wijziging zoals een wijziging van de hoofdverblijfplaats zouden rechtvaardigen. De raad vindt het derhalve van belang dat de hoofdverblijfplaats bij moeder voortgezet moet worden." Het hof is van oordeel dat er geen sprake is van gewijzigde omstandigheden ten opzichte van de situatie zoals die was ten tijde van het raadsonderzoek in 2014, die een wijziging van [de minderjarige] 's hoofdverblijfplaats rechtvaardigen. Dat de vader meer tijd en gelegenheid zou hebben om voor [de minderjarige] te zorgen dan de moeder, maakt dit oordeel niet anders. Niet gebleken is dat er in de opvoedingssituatie bij de moeder onvoldoende zorg en aandacht is voor [de minderjarige] . Ook in hetgeen de vader verder heeft aangevoerd, leest het hof geen andere relevante stellingen die dit oordeel anders maken. De bestreden beschikking zal derhalve worden bekrachtigd voor zover daarbij het verzoek van de vader om de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij hem te bepalen is afgewezen.
Het verzoek tot uitbreiding van de zorgregeling tussen de vader en [de minderjarige]

5.6

De vader heeft voorts verzocht om de zorgregeling tussen hem en [de minderjarige] uit te breiden.

5.7

In zijn rapport van 6 augustus 2014 heeft de raad geadviseerd de op dat moment bestaande zorgregeling tussen de vader en [de minderjarige] te continueren. [de minderjarige] verbleef op grond van die zorgregeling bij de vader om de week in het weekend vanaf vrijdagmiddag 17:00 uur tot zondagmiddag 17:00 uur en de andere week vanaf dinsdagmiddag 17:00 uur tot de volgende dag woensdagmiddag 17:00 uur. De raad was voorts van mening dat middels de in te zetten hulpverlening gewerkt diende te worden aan een uitbreiding van deze zorgregeling.
Bij beschikking van 2 december 2014 is de door de raad geadviseerde zorgregeling vastgelegd en heeft tevens een uitbreiding van deze zorgregeling plaatsgevonden, in die zin dat bij die beschikking ook een regeling voor de vakanties is getroffen. Bij beschikking van de rechtbank van 30 juni 2015 is de zorgregeling opnieuw uitgebreid, in die zin dat het weekend dat [de minderjarige] in de ene week bij de vader verblijft reeds aan ging vangen op donderdagmiddag in plaats van op vrijdagmiddag. Tevens is een wijziging aangebracht in de doordeweekse regeling van de andere week en een specifiekere regeling voor de vakanties en feestdagen vastgesteld.

5.8

De uitbreiding die de vader thans verzoekt behelst dat de zorgregeling in de ene week niet aanvangt op donderdag uit school, maar op woensdag uit school, en dan niet duurt tot zondag 17.00 uur, maar tot maandag naar school. In de andere week wenst de vader dat de zorgregeling eveneens niet aanvangt op donderdag uit school, maar op woensdag uit school, en dat deze niet duurt tot vrijdag 17.00 uur, maar tot vrijdag 18.00 uur.

5.9

Naar het oordeel van het hof is geen sprake van gewijzigde omstandigheden ten opzichte van de situatie zoals die was ten tijde van de beschikking van 30 juni 2015, die een uitbreiding van de zorgregeling tussen de vader en [de minderjarige] rechtvaardigen. [de minderjarige] is vertrouwd met de huidige zorgregeling en niet gebleken is dat hij daar niet goed bij gedijt. Dat de thuissituatie bij de vader rustiger, en daarmee volgens de vader beter, voor [de minderjarige] zou zijn, is naar het oordeel van het hof niet vast komen te staan.
De vader stelt zich op het standpunt dat tot op heden onvoldoende uitvoering is gegeven aan het advies van de raad in zijn rapport van 6 augustus 2014 om de zorgregeling tussen de vader en [de minderjarige] in de toekomst verder uit te breiden. Hij verliest daarbij naar het oordeel van het hof echter uit het oog dat er nadien reeds tweemaal uitbreiding heeft plaatsgevonden, zoals hiervoor omschreven onder rechtsoverweging 5.7. Niet gebleken is dat een verdere uitbreiding van de zorgregeling thans in het belang van [de minderjarige] is. Dat [de minderjarige] het moeilijk vindt om afscheid te nemen van de vader en weer naar de moeder te gaan, is op zichzelf geen omstandigheid op grond waarvan de zorgregeling zou moeten worden uitgebreid, maar moet worden geduid in het licht van het bij [de minderjarige] aanwezige loyaliteitsconflict.

5.10

De bestreden beschikking zal op grond van het vorenstaande worden bekrachtigd voor zover daarbij het verzoek van de vader om de zorgregeling tussen hem en [de minderjarige] uit te breiden is afgewezen.

5.11

Het hof overweegt in dit verband ten overvloede nog dat het partijen uiteraard altijd vrij staat om de zorgregeling in onderling overleg te veranderen of uit te breiden indien zij daartoe aanleiding zien. Het hof acht het gelet op de communicatieproblemen van partijen in het belang van [de minderjarige] dat partijen investeren in hun onderlinge communicatie en vertrouwen. Een goede communicatie tussen de ouders is van groot belang voor een verdere gezonde ontwikkeling van [de minderjarige] .

5.12

Op grond van het vorenstaande zal het hof beslissen als na te melden.

6 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van
30 mei 2017, voor zover daarbij:
- vervangende toestemming aan de moeder is verleend tot afgifte/verlenging van een Nederlands paspoort voor [de minderjarige] ;

- vervangende toestemming aan de moeder is verleend tot een verhuizing van [de minderjarige] met de moeder naar Brazilië;

- de zorgregeling tussen de vader en [de minderjarige] is gewijzigd,

en in zoverre opnieuw beschikkende:

wijst af het inleidend verzoek van de moeder om vervangende toestemming te verlenen tot afgifte/verlenging van een Nederlands paspoort voor [de minderjarige] ;

wijst af het inleidend verzoek van de moeder om vervangende toestemming te verlenen tot een verhuizing van [de minderjarige] met de moeder naar Brazilië;

wijst af het inleidend verzoek van de moeder om de zorgregeling tussen de vader en [de minderjarige] te wijzigen;

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van
30 mei 2017 voor het overige, voor zover aan dit hoger beroep onderworpen;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. I.M. Dölle, G.M. van der Meer en F. Kleefmann, bijgestaan door mr. L.S. Veldmans als griffier, en is op 11 januari 2018 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.