Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:3577

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
17-04-2018
Datum publicatie
18-04-2018
Zaaknummer
200.199.605/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Arbeidsrecht, ketenregeling en loonvordering. Vraag of vierde arbeidsovereenkomst tot stand is gekomen. Aanspraak op cao-vergoedingen. Verzwaarde stelplicht werkgever die zich niet aan het door de cao voorgeschreven controlesysteem houdt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2018-0494
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.199.605/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 4457682 CV EXPL 15-9953)

arrest van 17 april 2018

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [A] ,

appellant,

in eerste aanleg: eiser,

hierna: [appellant] ,

advocaat: mr. D.F.W. Schalkwijk,

tegen

Koeriersdienst De Jong B.V.,

gevestigd te Heerenveen,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: Koeriersdienst De Jong,

advocaat: mr. N.H.M. Poort.

Het hof heeft op 15 november 2016 een tussenarrest gewezen waarin een comparitie na aanbrengen is bepaald.

1 Het vervolg van de procedure in hoger beroep

1.1

Op 9 januari 2017 is de comparitie na aanbrengen gehouden. Daarvan is proces-verbaal opgemaakt. Vervolgens zijn de volgende stukken gewisseld:

- de memorie van grieven van [appellant] ;

- de memorie van antwoord, met twee producties, van Koeriersdienst De Jong;

- de akte uitlating producties van [appellant] .

1.2

Vervolgens hebben beide partijen de stukken overgelegd voor arrest en heeft het hof arrest bepaald.

1.2

[appellant] heeft, kort weergegeven, vernietiging gevorderd van het bestreden eindvonnis van 31 mei 2016 en gevorderd zijn vorderingen alsnog toe te wijzen, onder veroordeling van Koeriersdienst De Jong in de proceskosten van beide instanties.

2 De feiten

2.1

Tegen de door de kantonrechter in het eindvonnis onder 2.1 tot en met 2.4 vastgestelde feiten is geen grief gericht. Ook overigens is niet gebleken dat die feitenweergave onjuist is. Aangevuld met wat in hoger beroep is komen vast te staan, zijn de feiten als volgt.

2.2

Koeriersdienst De Jong richt zich op transport en bezorging van post en pakketten voor vooral (ziekenhuis)apotheken. [B] is directeur.

2.3

[appellant] , geboren [in] 1973, is op 13 april 2012 voor 40 uur per week als chauffeur bij Koeriersdienst De Jong in dienst getreden, aanvankelijk voor de duur van zes maanden, eindigend op 12 oktober 2012. Na die datum is de arbeidsovereenkomst voortgezet tot de einddatum van 12 april 2013. Daaraan is vorm gegeven door een nieuwe schriftelijke overeenkomst voor de duur van één jaar, ingaande 13 april 2012 en eindigend op 12 april 2013.

Op 21 maart 2013 hebben partijen een volgende schriftelijke arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd ondertekend die aanvangt op 13 april 2013 en van rechtswege eindigt op

12 april 2014.

Op deze overeenkomsten is de Cao voor het Beroepsgoederenvervoer van toepassing verklaard.

2.4

Tot januari 2013 reed [appellant] op een van de twee vrachtwagens van Koeriersdienst De Jong. Deze vrachtauto's werden na verlies van een opdracht buiten gebruik gesteld en daarna reed [appellant] , net als de andere chauffeurs van Koeriersdienst De Jong, met een bestelbus.

2.5

Voorafgaand aan de einddatum van 12 april 2014 hebben directeur [B] en [appellant] gesproken over een volgende verlenging, waartoe [B] bereid was indien [appellant] akkoord ging met een arbeidsomvang van 36 uur per week, gelijk aan die van de andere chauffeurs. [appellant] weigerde daarmee akkoord te gaan.

2.6

Op maandag 14, dinsdag 15 en woensdag 16 april 2014 heeft [appellant] gewerkt. [appellant] heeft op 16 april 2014 geweigerd de nieuwe schriftelijke arbeidsovereenkomst voor 36 uur per week te tekenen en is daarop door [B] weggestuurd. Vanaf 17 april 2014 heeft [appellant] geen werkzaamheden meer voor Koeriersdienst De Jong verricht.

2.7

[appellant] heeft zich op het standpunt gesteld dat er na 12 april 2014 een vierde arbeidsovereenkomst tussen partijen is ontstaan en hij heeft in kort geding doorbetaling van zijn loon gevorderd. Die vordering is bij vonnis van 10 juni 2014 afgewezen. Vervolgens heeft Koeriersdienst De Jong tweemaal een verzoek ingediend tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst, voor zover deze nog zou bestaan. Het eerste verzoek is afgewezen en het tweede verzoek is toegewezen bij beschikking van 1 oktober 2014 met ingang van

16 oktober 2014, onder eveneens voorwaardelijke toekenning van een ontbindingsvergoeding.

2.8

[B] heeft op 27 mei 2014 bij de politie aangifte gedaan van diefstal van 1000 tachograafschijven en enkele ritstaten van het bestelbusje met kenteken [YY000Y] uit zijn kantoor in het bedrijfspand, gepleegd tussen 29 maart 2014 en 19 mei 2014. Op 22 juli 2014 heeft De Jong een aanvullende verklaring afgelegd tegenover de politie. Daarin staat dat [appellant] tijdens een rechtszitting op 3 juli 2014 heeft toegegeven dat hij de tachograafschijven en de ritstaten uit het kantoor heeft meegenomen.

[appellant] heeft ritstaten en schijven afgegeven aan de politie die deze vervolgens aan [B] ter hand heeft gesteld.

3 De vordering en beoordeling door de kantonrechter

3.1

[appellant] heeft gevorderd dat de kantonrechter, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

- voor recht verklaart dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen na 12 april 2014 geldt als voor onbepaalde tijd;

- Koeriersdienst De Jong veroordeelt tot betaling van:

  • -

    € 13.363,21 bruto achterstallig loon tot en met 16 oktober 2014, te vermeerderen met wettelijke verhoging en wettelijke rente;

  • -

    € 9.792,37 bruto achterstallige Cao-vergoedingen (consignatie, overwerk, zaterdagtoeslag en zon- en feestdagentoeslag) en € 824,94 netto verblijfvergoeding, met wettelijke verhoging en wettelijke rente;

- Koeriersdienst De Jong veroordeelt in de proceskosten met nakosten en wettelijke rente.

3.2

Koeriersdienst De Jong heeft erkend dat zij nog € 1.162,26 bruto verschuldigd is voor op 33 zaterdagen gewerkte uren en € 211,14 bruto voor een rit op Hemelvaartsdag 9 mei 2013, Eerste Kerstdag in 2013 en Nieuwjaarsdag 2014, en de vorderingen voor het overige betwist.

3.3

De kantonrechter heeft overwogen dat de drie na 12 april 2014 gewerkte dagen niet gelden als een nieuwe arbeidsovereenkomst, zodat geen arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd tot stand is gekomen en de loonvordering wordt afgewezen.

Met betrekking tot de Cao-vergoedingen rust de stelplicht en bewijslast op [appellant] . [appellant] heeft onvoldoende gesteld voor het bestaan van verplichte beschikbaarheidsdiensten. De overuren en verblijfsvergoeding zijn onderbouwd met tachograafgegevens waarvan de authenticiteit is betwist en een door [appellant] zelf opgestelde, maar door Koeriersdienst De Jong betwiste, urenregistratie. Een nader bewijsaanbod ontbreekt.

3.4

De kantonrechter heeft de vordering toegewezen voor zover Koeriersdienst De Jong deze heeft erkend, dus tot € 1.373,40 bruto, met 50% wettelijke verhoging en wettelijke rente over beide in 3.2 genoemde posten vanaf 14 september 2015. De vordering is voor het overige afgewezen en [appellant] is veroordeeld in de proceskosten.

4 De beoordeling in hoger beroep

4.1

Met zes grieven komt [appellant] op tegen de afwijzing van zijn vorderingen en de veroordeling in de proceskosten.

4.2

Grief I is gericht tegen het oordeel over de gestelde vierde arbeidsovereenkomst en de daaruit voortvloeiende afwijzing van het achterstallige loon tot en met 16 oktober 2014.

Die grief is ongegrond, zoals het hof hierna zal toelichten.

4.3

Koeriersdienst De Jong heeft al in eerste aanleg, bij conclusie van antwoord, ondertekende schriftelijke verklaringen overgelegd van haar werknemers [C] , [D] , [E] , [F] en directeur [B] . [C] , [D] en [E] geven daarin aan dat de directeur al vanaf februari 2014 (of misschien begin maart, aldus [E] ) met [appellant] in discussie was over verlenging waarbij [appellant] niet akkoord wilde gaan met het aanbod voor 36 uur. Op vrijdag 11 april 2014 heeft [B] een handtekening van [appellant] onder het aangeboden contract geëist, anders was er geen werk meer. Alle werknemers verklaren dat [appellant] toen het contract naar zich toetrok en verklaarde er het weekend over te zullen denken en er maandag op terug te komen.

Volgens [C] , [D] en [E] heeft de directeur zowel de maandag als dinsdag erop aan [appellant] om het ondertekende contract gevraagd, waarop [appellant] beide dagen antwoordde dat hij het contract was vergeten mee te nemen. Op woensdag heeft de directeur daar geen genoegen mee genomen, waarna [appellant] aangaf het contract niet te zullen tekenen. Vervolgens heeft [B] aangegeven dat het dan afgelopen was.

De verklaring van [B] is uitgebreider en die van [F] korter, maar ook [F] schrijft dat [appellant] in zijn aanwezigheid op vrijdag 11 april 2014 weigerde akkoord te gaan met het aangeboden contract, het toch mee naar huis nam en zei dat [B] het maandag terug zou krijgen, wat niet gebeurde.

[appellant] heeft geen andere lezing gegeven van de feiten.

4.4

Uit de niet betwiste weergave van de gang van zaken in de periode van 11 april tot en met 16 april 2014 moet het [appellant] duidelijk zijn geweest dat zijn werkgever alleen tot verlenging van de arbeidsovereenkomst wilde overgaan wanneer de arbeidsomvang 36 uur per week zou zijn en dat [appellant] daarom een nieuwe overeenkomst moest tekenen. Door op de maandag en dinsdag erna in antwoord op de vraag naar het ondertekende contract niet te zeggen dat hij daarmee niet akkoord ging, maar slechts mee te delen dat hij dat contract vergeten was mee te nemen, heeft [appellant] het doen voorkomen dat hij instemde met de voorwaarden van zijn werkgever, dus met een overeenkomst voor 36 uur. Door vervolgens op woensdag 16 april 2014 te weigeren daarvoor te tekenen en uitdrukkelijk te blijven bij zijn eis dat hij een arbeidsovereenkomst voor 40 uur wenste, moet worden vastgesteld dat de wil van [appellant] niet op de aangeboden overeenkomst voor 36 uur was gericht en dat er dus na 12 april 2014 geen nieuwe arbeidsovereenkomst tot stand is gekomen. Duidelijk was immers dat Koeriersdienst De Jong geen overeenkomst voor 40 uur per week wilde. Van een stilzwijgende verlenging is geen sprake geweest, zoals [appellant] ook erkent.

4.5

Volgens [appellant] volgt uit het feit dat hij nog drie dagen arbeid heeft verricht dat de arbeidsovereenkomst is voortgezet. Dat er gewerkt is, is een feit. Maar gesteld noch gebleken is dat partijen zijn overeengekomen dat zij de arbeidsovereenkomst zouden voortzetten voor de duur van nadere onderhandelingen.

Voor [appellant] was duidelijk dat de wil van zijn werkgever op een andere arbeidsomvang was gericht dan zijn eigen wil. Daarmee moet voor hem ook duidelijk zijn geweest dat het enkele feit dat hij nog heeft doorgewerkt onder de in de vorige overweging bedoelde omstandigheden, niet zou leiden tot wilsovereenstemming over een nieuwe arbeidsovereenkomst met de door hem gewenste grotere omvang.

Grief I is ongegrond.

4.6

Met grief II komt [appellant] op tegen de afwijzing van de vergoeding voor consignatiediensten. Deze vergoeding is opgenomen in artikel 42 van de Cao (2012-2014). Om voor die vergoeding in aanmerking te komen dient de werknemer opdracht te hebben van zijn werkgever om zich gedurende een bepaalde vooraf vastgestelde tijdsruimte beschikbaar te houden voor werk, waarvoor hij kan worden opgeroepen en aan welke oproep hij verplicht is gevolg te geven. Tegenover de betwisting door Koeriersdienst De Jong dat dergelijke opdrachten zijn gegeven, heeft [appellant] ook in hoger beroep niet deugdelijk onderbouwd dat daarvan wèl sprake was. Ook heeft hij geen concreet bewijs van zijn stelling op dit punt aangeboden. Het hof ziet geen reden om uit te gaan van vermoedelijke opdrachten om de enkele reden dat Koeriersdienst De Jong geen urenregistratie ter controle aan [appellant] heeft aangeboden. Uit eventuele extra ritten of juist het ontbreken daarvan volgt immers niet dat [appellant] op concrete uren paraat diende te staan, zoals bedoeld in artikel 42 van de Cao.

Grief II slaagt niet.

4.7

Grief III stelt de afwijzing aan de orde van de aanspraak op uitbetaling van overuren en de verblijfsvergoeding.

In dit verband is van belang dat de Cao in artikel 26 voorschrijft dat de werkgever zijn werknemer een urenverantwoordingsstaat geeft, dat de werknemer een registratieplicht heeft en dat de werknemer een, na controle, door de werkgever voor akkoord ondertekend exemplaar van die staat ontvangt, waartegen de werknemer nog gedurende drie maanden bezwaar kan maken. Maakt de werknemer binnen die termijn geen bezwaar, dan geldt de staat vanaf dat moment als bewijs.

Koeriersdienst De Jong heeft [appellant] nimmer zo'n urenverantwoordingsstaat verschaft. Ook is niet gebleken dat op een andere wijze, controleerbaar voor de werknemer, een urenregistratie werd bijgehouden. Van een vrijstellingsregeling is niet gebleken.

4.8

[appellant] heeft als productie 18 bij dagvaarding in eerste aanleg een zelf gemaakt dagoverzicht overgelegd van de uren waarop hij volgens hem in 2012 heeft gewerkt, waarbij hij stelt te hebben aangesloten bij de rijgegevens op de tachograafschijven waarvan hij kopieën heeft overgelegd als productie 17. Volgens dit overzicht heeft hij in een groot aantal weken in 2012 meer dan 40 uur gewerkt en in die weken overuren gemaakt die tegen 130% verloond moeten worden. Over 2012 vordert [appellant] € 2.888,70 bruto.

Koeriersdienst De Jong bestrijdt die vordering en heeft aangevoerd dat zij niet meer kan controleren of productie 17 kopieën bevat van de echte tachograafschijven van de door [appellant] bestuurde vrachtauto, terwijl voor het lezen van die schijven bovendien een zekere deskundigheid nodig is.

Het hof acht dit verweer onvoldoende. Koeriersdienst De Jong heeft er indertijd niet op toegezien dat zij gegevens kreeg die zij wel kon controleren en waaraan, bij uitblijven van een tijdige reactie van [appellant] , bewijs ontleend kon worden. [appellant] kan, zonder die door zijn werkgever opgevraagde en gecontroleerde gegevens, niet meer doen dan hij heeft gedaan ter onderbouwing van zijn aanspraak. Het hof is van oordeel dat op Koeriersdienst De Jong, gelet op het voorgeschreven maar door haar niet toegepaste controlesysteem in de Cao, een verzwaarde stelplicht rust: zij diende voldoende feitelijke gegevens te verstrekken ter motivering van haar betwisting van de door [appellant] opgegeven overuren uit 2012. Aan die verplichting heeft zij niet voldaan.

4.9

Met betrekking tot de werkzaamheden in 2013 en 2014 heeft [appellant] geen tachograafschijven die zijn aanspraak onderbouwen, maar (als productie 11 bij dagvaarding in eerste aanleg) een handgeschreven opgave van per dag gereden kilometers, welk overzicht op veel plaatsen bij het hof de indruk wekt van strafregels die in korte tijd zijn overgeschreven.

Voorts heeft [appellant] als productie 20 overgelegd een overzicht van gewerkte dagen, waarbij hij is uitgegaan van 7 reguliere werkuren per dag. In weken waarin hij opgeeft 6 dagen te hebben gewerkt, komt hij (daarom) iedere keer aan 2 overuren. In totaal zijn dat 26 overuren, waarvan er volgens [appellant] bij de eindafrekening 21,5 tegen het gewone tarief zijn verloond in plaats van tegen 130%. [appellant] maakt daarom nog aanspraak op € 144,31 bruto.

Koeriersdienst De Jong heeft betwist dat uitgegaan mag worden van de kilometerregistratie. Een gebruikelijke route is 200 tot 250 kilometer, zodat routes van 500 tot 600 kilometer op een dag onverklaarbaar zijn. Verder betwist Koeriersdienst De Jong dat uitgegaan mag worden van een 7-urige werkdag: een rit kost gewoonlijk 6 uur per dag, en met gemiddeld één of twee spoedritten per week, op vrijwillige basis en bij toerbeurt, komt een chauffeur met een 36-urige werkweek bij haar dan op een gemiddelde werkweek van 36 uur.

Het hof acht ook dit verweer onvoldoende. Een extra rit op een dag kost meer kilometers en het hof kan zich zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet goed voorstellen dat Koeriersdienst De Jong er niet voor heeft gezorgd dat [appellant] in ieder geval zijn 40 uur per week zou volmaken, en dus tenminste even vaak, maar waarschijnlijk méér extra ritten moest maken in vergelijking met werknemers die voor 36 uur in dienst waren.

De kilometerregistratie zegt evenwel op zichzelf weinig over het aantal gewerkte uren. Bij gebreke van een deugdelijke urenverantwoording, waarvoor Koeriersdienst De Jong het initiatief had moeten nemen, kan het hof weinig anders doen dan uitgaan van gemiddelde werktijden. Ter nadere onderbouwing van zijn stelling dat een gewone rit ongeveer 7 uur tijd nam, heeft [appellant] in eerste aanleg (als productie 24 bij akte van 8 maart 2016) een tijdschema overgelegd van de laatstelijk door hem gereden 'Leeuwarden route', aan de hand van de ANWB-routeplanner. Het hof acht die onderbouwing voldoende inzichtelijk. Koeriersdienst De Jong heeft daar (met behulp van een uitdraai uit Google maps, haar productie 11) tegenover gesteld dat die route in minder dan 6 uur is te doen met minder laad- en lostijd, en dat de door [appellant] genoemde afleveradressen niet op alle dagen bezocht moesten worden. Het hof ziet evenwel niet in waarom de uitdraai van Koeriersdienst De Jong een beter beeld van de gemiddelde arbeidsduur zou moeten geven dan het beeld dat [appellant] heeft geschetst. Daarbij heeft het hof acht geslagen op de reactie van [appellant] onder punt 6 tot en met 11 in diens akte uitlating producties en op het feit dat door Koeriersdienst De Jong niet voldoende inzichtelijk is gemaakt met welke frequentie iedere klant gemiddeld wordt bevoorraad en tot welk tijdbeslag dat leidt. Op Koeriersdienst De Jong rust ook hier, gelet op het voorgeschreven maar door haar niet toegepaste controlesysteem in de Cao, een verzwaarde plicht om te motiveren waarom het door [appellant] berekende gemiddelde en de daaraan gekoppelde overuren uit 2013 en 2014 niet kloppen. Aan die verplichting heeft zij tot nu toe niet voldaan.

4.10

Het hof verbindt hieraan de consequentie dat Koeriersdienst De Jong de stellingen van [appellant] op het punt van gewerkte uren onvoldoende gemotiveerd heeft betwist. Daarbij betrekt het hof ook dat Koeriersdienst De Jong in hoger beroep weliswaar nog heeft aangeboden door middel van getuigen te bewijzen, voor zover hier van belang, "dat er door [appellant] geen overuren zijn gemaakt", maar nimmer de al bij inleidende dagvaarding onder 3.17 ingenomen stelling heeft betwist dat bij de eindafrekening in april 2014 21,5 overuren zijn uitbetaald. Reeds daarom is het bewijsaanbod in dit stadium van de procedure te vaag, zodat het wordt gepasseerd.

4.11

Koeriersdienst De Jong heeft ter afwering van de vorderingen van [appellant] nog een beroep gedaan op Cao-bepalingen waaruit volgt dat zij voor diverse bescheiden een korte bewaartermijn heeft. Daarmee miskent zij dat [appellant] een loonvordering heeft ingesteld waarvoor de verjaringstermijn vijf jaar is, en dat zij [appellant] steeds een door haar voor akkoord ondertekend exemplaar van de urenverantwoordingsstaat had moeten verschaffen.

Het gaat in deze zaak niet om een controle van (onderliggende) bescheiden door een werknemersorganisatie, waarvoor die beperkte bewaartermijn geldt.

Dit verweer faalt.

4.12

De bedragen van € 2.888,70 bruto en € 144,31 bruto zijn toewijsbaar, evenals de post van € 824,94 netto voor verblijfskosten, gebaseerd op de uren die volgens de overgelegde tachograafschijven zijn gereden.

Grief III is gegrond.

4.13

Grief IV heeft betrekking op de afgewezen claim van [appellant] tot uitbetaling van toeslagen over méér gewerkte uren op zaterdagen, zon- en feestdagen dan Koeriersdienst De Jong heeft erkend.

De claim voor zon- en feestdagen (€ 328,44 bruto) heeft hij in eerste aanleg bij akte van

8 maart 2016 verminderd met € 82,11 voor de op Goede Vrijdag gewerkte uren omdat dit volgens de Cao geen feestdag is. Daardoor resteren de drie onder 3.2 genoemde feestdagen en zondag 29 december 2013 uit de periode waarin [appellant] niet meer op de vrachtwagen reed en waarvan dus geen tachograafschijven bestaan.

Van het aldus voor zon- en feestdagen resterende bedrag van € 246,33 dat [appellant] claimt, heeft Koeriersdienst De Jong € 211,14 erkend. Zij heeft echter van meet af aan betwist dat in haar bedrijf ooit op zondag is gewerkt.

[appellant] heeft volstaan met de zelf ingevulde rittenstaten, niet onderbouwd waarom hij wel één keer op zondag 29 december 2013 heeft moeten rijden en daarvan ook geen nader bewijs aangeboden. Onder deze omstandigheden ziet het hof geen reden om het verschil van € 35,19 voor rekening van Koeriersdienst De Jong te brengen.

De claim van [appellant] betreffende de zaterdagen ziet ook uitsluitend over de periode waarin hij niet meer op de vrachtwagen reed. Volgens [appellant] heeft hij op 40 zaterdagen gewerkt. In haar conclusie van antwoord heeft Koeriersdienst De Jong zonder nadere toelichting gesteld dat [appellant] 38 zaterdagen heeft gewerkt (en in het midden gelaten welke zaterdagen zij betwist) en het aantal werkuren per zaterdag gesteld op 6, hetgeen tot een te betalen bedrag leidde van

€ 1.338,36. Bij antwoordakte van 22 maart 2016 heeft Koeriersdienst De Jong zeven van de 40 zaterdagen betwist. Dat zijn vier zaterdagen in mei 2013, over welke periode [appellant] geen rittenstaten heeft overgelegd, en drie data waarop volgens de rittenstaten van [appellant] niet [appellant] , maar " [B] " heeft gereden: 13 juli, 20 juli en 14 december 2013. Voor de resterende

33 zaterdagen met een werktijd van 6 uur erkent Koeriersdienst De Jong € 1.162,26 bruto verschuldigd te zijn.

Het hof is van oordeel dat Koersdienst De Jong voldoende gemotiveerd heeft betwist dat [appellant] vier zaterdagen in mei 2013 heeft gewerkt, en [appellant] heeft zijn vordering op dit punt onvoldoende onderbouwd. Hij heeft ook geen gespecificeerd bewijsaanbod gedaan.

Van [appellant] had in hoger beroep ook mogen worden verwacht dat hij zou verklaren hoe het kan dat hij op drie zaterdagen in 2013 ritten zou hebben gemaakt terwijl " [B] " dan als chauffeur staat vermeld. Het hof gaat daarom uit van 33 zaterdagen (zoals ook door werkgeefster erkend) maar van, zoals hiervoor al overwogen, gemiddeld 7 uur elk, zodat voor deze zaterdagen 33 x 7 x 5,87 is € 1.355,97 bruto betaald had moeten worden, waarvan € 1.162,26 bruto door de kantonrechter is toegewezen.

4.14

Grief IV is dus gedeeltelijk gegrond. Aan toeslagen voor zaterdagen en feestdagen is Koeriersdienst De Jong verschuldigd € 211,14 plus € 1.355,97 is € 1.567,11 bruto.

4.15

Het hof ziet aanleiding om gebruik te maken van zijn discretionaire bevoegdheid om de wettelijke verhoging over het achterstallige salaris (overuren en toeslagen) te matigen tot 25% nu het gaat om een pas na het einde van de arbeidsovereenkomst ingediende claim, waarbij om die reden minder gewicht toekomt aan de aansporingsfunctie van de wettelijke verhoging dan bij schending van de loonverplichting in een lopende arbeidsverhouding: een extra prikkel bovenop de wettelijke rente om het loon tijdig te betalen.

4.16

Aan de grief V komt geen zelfstandige betekenis toe. Hoewel grief III geheel en grief IV gedeeltelijk gegrond is, is [appellant] te beschouwen als de overwegend in het ongelijk te stellen partij, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep, nu de belangrijkste geschilpunten de met de grieven I en II aan de orde gestelde kwesties zijn. Ook grief VI is daarom ongegrond.

4.17

De slotsom is dat het vonnis van 31 mei 2016 moet worden vernietigd voor zover het de dicta onder 5.1 en 5.2 betreft en dat Koeriersdienst De Jong in plaats daarvan moet worden veroordeeld tot betaling van € 3.033,01 bruto wegens achterstallige overuren,

€ 824,94 netto voor verblijfskosten en € 1.567,11 bruto voor zaterdag- en feestdagtoeslagen, met 25% wettelijke verhoging daarover. Uiteraard strekt op deze veroordelingen in mindering hetgeen Koeriersdienst de Jong inmiddels daarop mocht hebben betaald.

Het bestreden vonnis wordt voor het overige bekrachtigd en [appellant] wordt veroordeeld in de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van Koeriersdienst De Jong te stellen op € 718,- griffierecht en € 3.474,- (2 punten, tarief III) voor salaris advocaat volgens liquidatietarief.

5 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

vernietigt het vonnis van de kantonrechter te Leeuwarden van 31 mei 2016 voor zover Koeriersdienst De Jong daarbij onder 5.1 is veroordeeld tot betaling van € 1.373,40 achterstallig salaris en onder 5.2 tot betaling van 50% wettelijke verhoging, en doet in zoverre opnieuw recht:

5.1

veroordeelt Koeriersdienst De Jong tot betaling aan [appellant] van:

- € 3.033,01 bruto wegens overuren

- € 824,94 netto verblijfskosten

- € 1.567,11 bruto voor zaterdag- en feestdagtoeslagen;

5.2

veroordeelt Koeriersdienst De Jong tot betaling aan [appellant] van de wettelijke verhoging van 25% over de onder 5.1 bedoelde bedragen;

bekrachtigt het bestreden vonnis voor het overige en veroordeelt [appellant] in de kosten van de

procedure in hoger beroep, aan de zijde van Koeriersdienst De Jong vastgesteld op € 718,-

griffierecht en € 3.474,- salaris advocaat volgens liquidatietarief;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad en wijst af wat in hoger beroep meer of anders is gevorderd.

Dit arrest is gewezen door mr. M.E.L. Fikkers, mr. C. Hoogland en mr. W.C. Haasnoot en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier op

17 april 2018.