Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:3571

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
17-04-2018
Datum publicatie
18-04-2018
Zaaknummer
200.179.868/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Tussenuitspraak
Inhoudsindicatie

Tussenarrest. Grief. Uitleg overeenkomst. Hoogte loon. Kantonrechter acht het bestaan van een dienstverband op basis van 40 uur per week niet bewezen. Gronden tegen dat oordeel zijn niet behoorlijk naar voren gebracht en daarom niet voldoende kenbaar. Van een grief op dat onderdeel is daarom geen sprake. De arbeidsovereenkomst vermeldt als omvang dienstverband “±32” uur per week. Werknemer stelt dat bedoeld is “32”. Werkgever stelt “±32” en wil op basis van feitelijk gewerkte uren (gemiddeld 25 per week) uitbetalen. Haviltex. Uitleg werkgever in strijd met toepasselijke cao. Zaak naar de rol verwezen om hoogte loon vast te stellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2018-0488
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.179.868/01

(zaaknummers rechtbank Midden-Nederland 2199361 MC13-7557,647722 MC 1559)

arrest van 17 april 2018

in de zaak van

Sing's B.V. h.o.d.n. Chinees Thais Specialiteitenrestaurant '' De Chinese Muur'',

gevestigd te Almere,

appellante in het principaal hoger beroep,

geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: Sing's,

advocaat: mr. A.J.F. Gonesh, kantoorhoudend te 's-Gravenhage,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [A] ,

geïntimeerde in het principaal hoger beroep,

appellant in het incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: eiser,

hierna: [geïntimeerde],

advocaat: mr. R. Grijpstra, kantoorhoudend te Almere.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van

15 januari 2014, 5 november 2014 en 29 juli 2015 die de kantonrechter van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Almere, heeft gewezen.

2 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

2.1

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 12 september 2017 hier over.

2.2

Het (verdere) verloop blijkt uit:

- het (voorafgaand aan dat tussenarrest nog toegezonden, maar daarin niet vermelde) journaalbericht van 18 november 2016 van mr. Grijpstra met productie,

- de comparitie van partijen d.d. 28 maart 2018 zoals daarvan blijkt uit het opgemaakte proces-verbaal met productie.

2.3

Vervolgens hebben partijen arrest gevraagd op basis van het voorafgaand aan het wijzen van het tussenarrest van 12 september 2017 door Sing's overgelegde procesdossier en het van de comparitie van partijen van 28 maart 2018 opgemaakte proces-verbaal.

3 De vaststaande feiten

3.1

Het hof gaat uit van de volgende feiten.

3.2

Tussen partijen is per 1 maart 2005 een vast dienstverband voor onbepaalde tijd tot stand gekomen. In de aan dat dienstverband ten grondslag liggende arbeidsovereenkomst (productie 2 bij inleidende dagvaarding in zaak B) is opgenomen:

"De werknemer treedt in dienst voor een:

□ fulltime dienstverband (38 uren per week)

□ parttime dienstverband (minder dan 38 uren per week)

Indien de werknemer voor minder dan 38 uur per week in dienst treedt, bedraagt het aantal uren waarvoor hij in dienst treedt ± 32 per week (…)".

3.3

Op deze arbeidsovereenkomst is van toepassing de Cao voor het horeca- en aanverwante bedrijf (verder: de Cao Horeca).

3.4

[geïntimeerde] is per 9 december 2011 voor 100% arbeidsongeschikt geraakt. Door het UWV is beslist dat aan [geïntimeerde] salaris moest worden doorbetaald tot 4 augustus 2014. Aan [geïntimeerde] is, al dan niet volledig, salaris betaald tot en met september 2014. Het dienstverband is geëindigd per 31 oktober 2015.

3.5

Het bruto uurloon conform de Cao Horeca bedroeg in de jaren 2008 tot en met 2014:

2008 jan/jun: EUR 9,00 juli/dec: EUR 9,30

2009 jan/jun: EUR 9,30 juli/dec: EUR 9,44

2010 jan/jun: EUR 9,63 juli/dec: EUR 9,63

2011 jan/jun: EUR 9,70 juli/dec: EUR 9,79

2012 jan/jun: EUR 9.79 juli/dec: EUR 9,79

2013 jan/jun: EUR 9,98 juli/dec: EUR 9,98

2014 jan/sep: EUR 9,98

4 Het geschil, de beslissing in eerste aanleg en de vordering in hoger beroep

4.1.

In eerste aanleg is sprake geweest van twee procedures tussen partijen: de zaak met nummer 2199361 (zaak A) en die met nummer 647722 (zaak B). Bij vonnis van 15 januari 2014 heeft de kantonrechter de zaken gevoegd. Aan de vorderingen in beide zaken lag ten grondslag de stelling van [geïntimeerde] dat hij in dienst was van Sing's maar dat het hem toekomende loon niet volledig is uitbetaald. Op basis daarvan heeft hij (na wijziging van eis in zaak B) gevorderd veroordeling tot:

in zaak A:

- betaling van achterstallig loon over de periode van 1 juli 2008 tot 9 december 2011 op basis van een arbeidsovereenkomst van 40 uur per week en een loon van € 1.696,93 bruto per maand, althans 32 uur per week en een loon van € 1.357,55 bruto per maand;

- betaling van vakantietoeslag over het achterstallige loon;

- betaling van wettelijke verhoging en wettelijke rente over het verschuldigde;

- afgifte van salarisspecificaties;

in zaak B:

- betaling van achterstallig loon vanaf 9 december 2011 op basis van een arbeidsovereenkomst van 40 uur per week en een loon van € 1.696,93 bruto per maand, althans 32 uur per week en een loon van € 1.357,55 bruto per maand;

- betaling van vakantietoeslag over het achterstallige loon;

- betaling van wettelijke verhoging en wettelijke rente over het verschuldigde;

- afgifte van salarisspecificaties;

in beide zaken:

- betaling van de proceskosten.

4.2

De kantonrechter heeft bij tussenvonnis van 5 november 2014 [geïntimeerde] in zaak A toegelaten te bewijzen dat een dienstbetrekking van 40 uur per week was overeengekomen én dat hem maandelijks € 600,- contant werd uitbetaald. Bij eindvonnis van 29 juli 2015 heeft de kantonrechter het een noch het ander bewezen geacht. Sing's is vervolgens, onder compensatie van de proceskosten, veroordeeld tot:

in zaak A:

- betaling van loon en 8 % vakantietoeslag op basis van een bruto maandloon van € 1.357,54 over de periode van 1 juli 2008 tot 9 december 2011 verminderd met hetgeen per bank is uitbetaald en verminderd met een nabetaling van € 3.554,33 bruto;

- wettelijke verhoging van 25 % en wettelijke rente over het verschuldigde;

- afgifte van bruto-nettospecificaties over het loon over de periode van 1 juli 2008 tot

9 december 2011;

in zaak B:

- betaling van een netto loon van € 200,- en 8% vakantietoeslag per maand verminderd met 5% over de periode van 9 december 2011 tot 9 december 2012;

- betaling van een netto loon van € 200,- en 8% vakantietoeslag per maan verminderd met 25% over de periode van 9 december 2012 totdat de dienstbetrekking rechtsgeldig is geëindigd;

- wettelijke verhoging van 25 % en wettelijke rente over het verschuldigde;

- afgifte van bruto-nettospecificaties over het loon over de periode van 9 december 2011 tot einde dienstbetrekking.

4.3

Sing's is in hoger beroep gekomen en heeft daarin gevorderd de vonnissen van

5 november 2014 en 29 juli 2015 te vernietigen, de vorderingen van [geïntimeerde] alsnog geheel af te wijzen en [geïntimeerde] te veroordelen in de proceskosten van beide instanties.

4.4

[geïntimeerde] heeft incidenteel hoger beroep ingesteld en gevorderd het vonnis van 29 juli 2015 te vernietigen, zijn in eerste aanleg ingestelde vorderingen alsnog volledig toe te wijzen met dien verstande dat als einddatum kan gelden 30 september 2014 en Sing's te veroordelen in de proceskosten van beide instanties.

5 De beoordeling van de grieven en de vordering

Omvang incidenteel hoger beroep

5.1

In eerste aanleg heeft de kantonrechter twee hoofdthema's onderscheiden, te weten of sprake was van een dienstverband van 40 uur per week en of aan [geïntimeerde] tot datum ziekmelding (9 december 2011) maandelijks netto contant een bedrag van € 600,- was uitbetaald. [geïntimeerde] is toegelaten tot bewijslevering op beide onderdelen. De kantonrechter heeft vervolgens het bewijs niet geleverd geoordeeld. [geïntimeerde] heeft tegen het oordeel van de kantonrechter één grief ("grief 1") ontwikkeld in incidenteel appel.

5.2

Die ene grief is voorzien van het kopje "beloning". In de tekst van de grief wordt gesteld dat de kantonrechter ten onrechte de in eerste aanleg ingestelde vorderingen - primair gebaseerd op een arbeidsomvang van 40 uur per week, subsidiair op een arbeidsomvang van 32 uur per week en meer subsidiair op basis van een arbeidsverhouding waarbij in aanvulling op een per bank betaald bedrag van € 800,- per maand contant € 600,- per maand werd bijbetaald - (deels) heeft afgewezen. Onder het kopje "Toelichting" wordt daarna stil gestaan bij de omvang van de contante betalingen, worden de bewijsmiddelen die daarop betrekking hebben besproken en wordt betoogd dat, anders dan de kantonrechter heeft geoordeeld, het bewijs van de maandelijkse contante betalingen van € 600,- wel degelijk geleverd is. Voorts wordt een specifiek bewijsaanbod gedaan in verband met deze contante betalingen van

€ 600,- per maand.

5.3

Sing's heeft zich op het standpunt gesteld dat de grief lijkt te suggereren dat de kantonrechter de vorderingen van [geïntimeerde] heeft toegewezen uitgaande van een dienstverband van 40 uur per week en dat de grief in zoverre van een verkeerde lezing van het vonnis van de kantonrechter uitgaat. Die toewijzing heeft immers plaats gevonden op basis van het oordeel dat het dienstverband een arbeidsomvang kende van 32 uur per week. Ook Sing's heeft vervolgens de bewijsmiddelen inzake de contante betalingen van € 600,- per maand besproken en geconcludeerd dat de kantonrechter terecht heeft geoordeeld dat het bewijs daarvan niet is geleverd.

5.4

Daarnaar gevraagd heeft [geïntimeerde] ter comparitie in hoger beroep doen betogen dat het incidenteel beroep ook gericht was tegen het oordeel van de kantonrechter dat niet bewezen is dat sprake was van een arbeidsomvang van 40 uur per week. Hij verwijst daartoe naar de tekst van de grief en naar de memorie van antwoord in het principaal appel/incidentele vordering tot uitvoerbaarverklaring bij voorraad (opgenomen in hetzelfde processtuk als de memorie van grieven in het incidenteel appel) waarin volgens [geïntimeerde] op diverse plaatsen wordt gesteld dat het primaire standpunt van [geïntimeerde] was en is dat hij een dienstverband had van 40 uur per week.

5.5

Voorop wordt gesteld dat als grieven worden aangemerkt alle gronden die de appellant aanvoert ten betoge dat de bestreden uitspraak behoort te worden vernietigd, waarbij de eis geldt dat die gronden behoorlijk in het geding naar voren zijn gebracht zodat zij voor de rechter en de wederpartij, die immers moet weten waartegen zij zich heeft te verweren, voldoende kenbaar zijn (HR 3 februari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU8278).

5.6

De enkele vermelding in de tekst van de grief in incidenteel appel dat de kantonrechter ten onrechte de vorderingen van Sing's, zoals in eerste aanleg primair, subsidiair en meer subsidiair geformuleerd, (deels) heeft afgewezen is niet voldoende om aan te nemen dat het door [geïntimeerde] , zoals hierna zal blijken, niet nader omlijnde punt van de 40-urige omvang van het dienstverband naast het andere wel door [geïntimeerde] nader omlijnde punt van de contante betalingen van € 600,- per maand in hoger beroep opnieuw aan de orde werd gesteld, tenzij dit voor de wederpartij kenbaar was. Die situatie doet zich echter niet voor. In de tekst van noch de toelichting op de grief wordt namelijk uiteengezet op welke gronden [geïntimeerde] bezwaar maakt tegen het oordeel van de kantonrechter over de kwestie van het 40-urige dienstverband. Dergelijke bezwaren kunnen ook niet gelezen worden in passages uit de memorie van antwoord in het principaal appel tevens incidentele vordering tot uitvoerbaarverklaring bij voorraad nu daarin telkens niet meer te lezen valt dan dat [geïntimeerde] zich (kennelijk: nog steeds) op het standpunt stelt dat sprake was van een 40-urige werkweek. Een toelichting op die stellingname ontbreekt ook in deze passages. In randnummer 6 van de memorie van antwoord in het principaal appel gaat [geïntimeerde] in op grief 1 in principaal hoger beroep en biedt hij tegenbewijs aan van zijn stelling dat hij meer dan 32 uur per week werkte, door het horen van zichzelf en [B] . Wat ook zij van de bedoeling van deze passage, het aanbod ziet eraan voorbij dat [B] en [geïntimeerde] reeds als getuigen in eerste aanleg zijn gehoord. [geïntimeerde] heeft geen reden opgegeven waarom dezelfde getuigen opnieuw moeten worden gehoord en dat mocht wel van hem worden verlangd (zie HR 3 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012: BU6496).

De toelichting op de grief in incidenteel hoger beroep heeft blijkens het daarboven geplaatste kopje en de inhoud ervan in het bijzonder tot onderwerp de kwestie van de maandelijkse contante betalingen van € 600,-. Het gedane bewijsaanbod in incidenteel hoger beroep ziet voorts uitsluitend op die kwestie en niet (ook) op de kwestie van het 40-urige dienstverband. Tot slot geldt dat Sing's de grief blijkens het door haar ingenomen standpunt feitelijk niet heeft opgevat als een grief tegen de kwestie van het 40-urige dienstverband en die uitleg door Sing's kan, gezien het voorgaande, redelijkerwijs aan de grief gegeven worden.

5.7

Het voorgaande leidt tot het oordeel dat geen grief is gericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat van een arbeidsomvang van 40 uur per week niet is gebleken. Ook in hoger beroep dient op die grond van dat gegeven te worden uitgegaan.

Omvang dienstverband: 32 uur of ± 32 uur per week

5.8

De subsidiaire stellingname van [geïntimeerde] in eerste aanleg hield in dat sprake was van een arbeidsomvang van 32 uur per week. De kantonrechter is hem daarin gevolgd. Tegen dat oordeel komt Sing's op in hoger beroep op basis van de stelling dat overeengekomen is een arbeidsomvang van ± 32 uur en niet van (precies) 32 uur per week, dat [geïntimeerde] derhalve betaald diende te worden naar rato van het door hem gewerkte aantal uren en dat die betaling naar rato ook feitelijk heeft plaats gevonden. Deze stelling is terug te vinden in de grieven 1, 2, 3, 4, 8, 9, 10, 11 en 15.

5.9

Na aanvankelijk ook zelf ervan te zijn uitgegaan dat de arbeidsomvang 32 uur per week was, heeft Sing's op 18 februari 2015 het roer omgegooid. In de akte van die datum heeft Sing's stelling genomen conform zijn thans in hoger beroep ingenomen en in de vorige rechtsoverweging weergegeven standpunt. Ter onderbouwing daarvan verwijst Sing's naar de tekst van de gesloten arbeidsovereenkomst waarin wordt gesproken van een arbeidsomvang van "± 32" uur en naar door [geïntimeerde] getekende urenlijsten waaruit blijkt dat [geïntimeerde] gemiddeld minder dan 32 uur per week werkte, namelijk aldus:

2008: 27,98

2009: 28,06

2010: 24,03

2011: 23,16

Voorts beroept Sing's zich op de loonstrookjes, die op basis van het genoemde aantal gewerkte uren zijn opgemaakt en op de conform die loonstrookjes gedane betalingen aan [geïntimeerde] , deels per bank, deels contant.

5.10

[geïntimeerde] voert aan dat Sing's niet kan terugkomen op haar in eerste aanleg gedane gerechtelijke erkenning van het bestaan van een dienstverband met een arbeidsomvang van 32 uur per week. Subsidiair voert hij aan dat uit de als een onderhandse akte aan te merken schriftelijke arbeidsovereenkomst dwingend blijkt van een arbeidsomvang van 32 uur per week. De urenlijsten zijn door [geïntimeerde] ‘blind’ getekend. Met de loonstrookjes, voor zover ontvangen, is [geïntimeerde] nimmer akkoord gegaan.

5.11

Het argument van [geïntimeerde] dat de akte dwingend bewijs oplevert van het bestaan van een 32-urig dienstverband mist feitelijke grondslag omdat de akte als aantal uren niet noemt "32" maar "± 32". Over de uitleg van die laatste vermelding ("± 32") verschillen partijen van mening. Dat betekent dat de rechter aan de hand van hetgeen partijen over en weer hebben verklaard en uit elkaars verklaringen en gedragingen, overeenkomstig de zin die zij daaraan in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mochten toekennen, hebben afgeleid, en van hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten, de betekenis van dat beding dient vast te stellen. Uit dit een en ander volgt dat redelijkheid en billijkheid hierbij een rol spelen (de zogenoemde Haviltex-maatstaf naar HR 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158, NJ 1981, 635).

5.12

Op de arbeidsovereenkomst is van toepassing de Cao Horeca. Uit de tekst van de gesloten arbeidsovereenkomst blijkt dat, kennelijk geheel conform de toepasselijke cao, op het punt van de arbeidsomvang als keuzemogelijkheid is geboden een fulltime dienstverband (38 uur per week) of parttime dienstverband (minder dan 38 uur per week). Die tekst wijst in deze richting dat de cao deeltijdwerk toelaat, maar dat voor het werken in deeltijd wel een vast aantal uren moet worden afgesproken. Dat de toepasselijke cao naast werken in voltijd of vaste deeltijd (en buiten een eventuele regeling voor overuren en een eventuele regeling voor flexibele invulling van werktijd binnen de overeengekomen arbeidstijd) nog een derde mogelijkheid kent, namelijk werken in (wat arbeidsomvang betreft) ‘flexibele deeltijd’, is door Sing's niet gesteld. Een uitleg van de gesloten arbeidsovereenkomst zoals door Sing's bepleit zou dan ook in strijd zijn met de toepasselijke cao en is, waar ook Sing's uitgaat van die toepasselijkheid, om die reden niet aanvaardbaar.

5.13

Tegen deze achtergrond bezien komt aan de stellingen van Sing's inzake urenstaten en loonstrookjes geen betekenis toe voor wat betreft de vraag welke arbeidsomvang is overeengekomen. Indien het al zo is dat [geïntimeerde] de urenstaten ter accordering daarvan getekend heeft en indien het al zo is dat hij (maandelijks) kennis heeft kunnen nemen van de loonstrookjes doet dat niet af aan het gegeven dat voor hem een vast deeltijddienstverband gold van 32 uur per week. Hooguit kunnen die stukken (indien juist) aantonen dat [geïntimeerde] voor minder uren is ingezet dan overeengekomen. Dat is een vrijheid die de werkgever heeft, maar het gebruik maken van die vrijheid doet aan de overeengekomen omvang van het dienstverband niet af.

5.14

De grieven van Sing's tegen het oordeel van de kantonrechter, dat uitgegaan moet worden van een arbeidsomvang van 32 uur per week, falen. Bij die stand van zaken heeft [geïntimeerde] geen belang bij beoordeling van zijn verweer inzake de gerechtelijke erkenning van die arbeidsomvang door Sing's. Die beoordeling wordt daarom achterwege gelaten.

Verschuldigd loon

5.15

In de grieven 5, 6, 7, 13, 14, 16, 17 en 18 komt Sing's op tegen de hoogte van het bedrag tot betaling waarvan de kantonrechter haar veroordeeld heeft. Aan een eindbeoordeling van dat onderdeel van het hoger beroep kan het hof bij gebreke van voldoende informatie op dit moment niet toekomen.

5.16

Teneinde te kunnen vaststellen of aan [geïntimeerde] nog enig bedrag toekomt, dient eerst te worden bepaald op welk bedrag hij recht had in de periodes waarover deze procedure gaat, te weten de periode van 1 juli 2008 tot 9 december 2011 en de periode van 9 december 2011 tot 4 augustus 2014. Vervolgens dient te worden bepaald welk bedrag hem feitelijk is uitbetaald over die periodes. Daarna kan worden vastgesteld of sprake is van een restvordering en, zo ja, of aanleiding bestaat daarover de wettelijke verhoging en wettelijke rente toe te kennen.

5.17

Uitgangspunt voor beide periodes is, zo blijkt uit hetgeen hiervoor werd overwogen, een arbeidsomvang van 32 uur per week. Het standpunt van Sing's (zoals, bijvoorbeeld nog eens verwoord in grief 5) kan niet anders begrepen worden dan in deze zin dat het toepasselijke uurloon telkens was het in de cao bepaalde uurloon. Een overzicht daarvan is in grief 5 gegeven en hiervoor in rechtsoverweging 3.5 opgenomen. [geïntimeerde] heeft dat overzicht niet weersproken. Dat overzicht dient daarom als uitgangspunt voor berekening te worden genomen. Voor de periode vanaf 9 december 2011 (datum ziekmelding) geldt dat niet in geschil is dat over het eerste jaar van de ziekte een loonbetalingsverplichting gold van 95% en over de periode daarna van 75%.

5.18

Voor de periode van 1 juli 2008 tot 9 december 2011 betekent het voorgaande dat een berekening in de vorm van een bruto-nettospecificatie dient te worden overgelegd van het loon dat [geïntimeerde] toekwam op basis van de volgende uitgangspunten:

- arbeidsomvang van 32 uur per week;

- cao-loon per uur zoals in rechtsoverweging 3.5 vermeld;

- vakantietoeslag van 8%.

De specificatie dient per jaar (of toepasselijk deel daarvan) te worden opgemaakt en te laten zien dat de genoemde uitgangspunten in acht zijn genomen.

5.19

Voor de periode van 9 december 2011 tot 4 augustus 2014 dient eveneens een berekening in de vorm van een bruto-nettospecificatie te worden overgelegd van het loon dat [geïntimeerde] toekwam op basis van de volgende uitgangspunten:

- berekeningsgrondslag is een arbeidsomvang van 32 uur per week;

- cao-loon per uur zoals in rechtsoverweging 3.5 vermeld;

- vakantietoeslag van 8%;

- vermindering met 5% over de periode van 9 december 2011 tot 9 december 2012;

- vermindering met 25% over de periode van 9 december 2012 tot 4 augustus 2014.

Ook op dit onderdeel geldt dat de specificatie per jaar (of toepasselijk deel daarvan) dient te worden opgemaakt en dat deze moet laten zien dat de genoemde uitgangspunten in acht zijn genomen. Daarnaast geldt dat afzonderlijk dient te worden vermeld welk bedrag verschuldigd was over de periode van 1 tot en met 3 augustus 2014. De reden daarvoor wordt hierna (onder 5.29) gegeven.

5.20

Het is aan de werkgever de werknemer te voorzien van loonspecificaties. Om die reden zal Sing's in de gelegenheid worden gesteld de gevraagde berekeningen bij akte over te leggen. [geïntimeerde] kan daarop vervolgens reageren.

Gedane betalingen

5.21

Ten aanzien van de vraag welke bedragen als reeds gedane betaling in mindering moeten worden gebracht op het verschuldigde loon (zoals dat na ontvangst van de gevraagde bruto-nettospecificaties zal worden vastgesteld) worden reeds nu de volgende opmerkingen gemaakt.

5.22

Tussen partijen is niet in geschil welke bedragen aan [geïntimeerde] over de gehele periode per bank zijn voldaan. Op basis van de bij akte van 18 februari 2015 verstrekte gegevens gaat het hof ervan uit dat in de periode van 1 juli 2008 tot en met 31 december 2011 per bank is voldaan (in €):

2008 4.800

2009 10.300

2010 9.300

2011 9.200

-------- +

Totaal 33.600

5.23

In de periode daarna is uitsluitend per bank betaald conform de als producties 6 en 8 bij memorie van grieven in het principaal appel overgelegde loonstrookjes. Optelling van de op die loonstrookjes vermelde "Uit te betalen" bedragen leidt tot de volgende vaststelling:

2012 10.804,01

2013 13.333,89

2014 8.951,64

In het bedrag over 2013 is begrepen de nabetaling van € 3.554,33 bruto (productie 7 bij memorie van grieven in het principaal appel). Daarnaast is in het bedrag over 2013 begrepen het rentebedrag van € 405,45 (uitbetaald in februari 2013) dat in genoemde productie 7 is opgenomen van welk rentebedrag door [geïntimeerde] in maart 2013 dan weer, via verrekening, een deel ter grootte van € 294,94 is terugbetaald.

5.24

[geïntimeerde] heeft zich zowel in eerste aanleg als in hoger beroep op het standpunt gesteld dat sprake is geweest van contante betalingen van € 600,- per maand in de periode van 1 juli 2008 tot 1 december 2011. Sing's heeft dat weliswaar bestreden, maar waar [geïntimeerde] deze contante betalingen zelf tot uitgangspunt van de berekening van zijn vordering maakt verzet geen belang van [geïntimeerde] (laat staan enig belang van Sing's) zich ertegen in deze procedure uit te gaan van die betalingen en die betalingen dus aan te merken als (deel)betaling op hetgeen aan loon verschuldigd zal blijken te zijn. In totaal gaat het dan om 41 maanden à € 600,- = € 24.600,-. In zijn incidentele grief wijdt [geïntimeerde] nog beschouwingen aan het oordeel van de kantonrechter dat de contante betalingen van € 600,- per maand niet bewezen zijn. Nu het hof, anders dan de kantonrechter, die betalingen tot uitgangspunt voor verdere beoordeling neemt, heeft [geïntimeerde] bij beoordeling van deze grief geen belang.

5.25

Over december 2011 heeft [geïntimeerde] , volgens Sing's, contant ontvangen een bedrag van € 514,64 (zie productie n bij de akte van 18 februari 2015). [geïntimeerde] heeft de ontvangst ervan gemotiveerd betwist. De (bij genoemde akte) overgelegde stukken bewijzen de uitbetaling van dat bedrag niet. Een specifiek bewijsaanbod van de kant van Sing's, op wie de bewijslast rust, ontbreekt. Die betaling staat daarom niet vast en wordt te zijner tijd bij het opmaken van de eindafrekening niet meegenomen als betaling.

5.26

Tot slot moet in dit verband genoemd worden het feit dat Sing's ter uitvoering van het vonnis van 29 juli 2015 feitelijk aan [geïntimeerde] heeft voldaan € 13.030,18, zoals gespecificeerd in de ter gelegenheid van de comparitie van partijen door Sing's overgelegde stukken. In dat bedrag is begrepen een bedrag van € 3.820,44 aan wettelijke rente. Voor het overige betreft het salaris.

Klachtplicht, wettelijke verhoging en wettelijke rente

5.27

In grief 12 komt Sing's nog op tegen de beslissing van de kantonrechter tot toekenning van wettelijke verhoging en wettelijke rente. Daarbij beroept Sing's zich er op dat [geïntimeerde] te laat geklaagd heeft en daardoor zijn recht op nabetaling van loon heeft verspeeld. Op de stellingen van Sing's zal nader ingegaan worden indien en zodra de eindafrekening kan worden opgemaakt.

Verrekening

5.28

Sing's heeft zich (in grief 16), voor het geval nog enig bedrag verschuldigd zou zijn, beroepen op verrekening met al hetgeen door Sing's aan [geïntimeerde] is voldaan. Op dat beroep wordt teruggekomen indien en zodra vastgesteld kan worden of Sing's nog een bedrag verschuldigd is.

5.29

Een bijzondere positie neemt (mogelijk) in de loonbetaling over de periode van

4 augustus 2014 tot en met 30 september 2014. Onweersproken is door Sing's gesteld dat op basis van de beslissing van het UWV van 28 augustus 2014 (productie 2 bij memorie van grieven in het principaal appel) per 4 augustus 2014 geen loon meer behoefde te worden betaald aan [geïntimeerde] , dat een dergelijke betaling niettemin heeft plaats gevonden en dat aldus onverplicht loon is betaald over de periode van 4 augustus 2014 tot en met 30 september 2014. Op basis van de als productie 8 bij memorie van grieven in het principaal appel in het geding gebrachte loonstrookjes over de maanden augustus en september 2014 alsmede de in rechtsoverweging 5.19 verzochte specificatie van het loon over de eerste drie dagen van augustus 2014 zal door het hof berekend kunnen worden welk bedrag feitelijk aan [geïntimeerde] is voldaan over de periode van 4 augustus 2014 tot en met 30 september 2014. Ook op dit onderdeel van het beroep op verrekening van Sing's zal daarom pas bij eindarrest worden beslist.

6 De slotsom

Zoals uit het voorgaande blijkt kan nog geen eindbeslissing gegeven worden omdat nadere informatie noodzakelijk is. De zaak zal naar de rol worden verwezen. Sing's wordt verzocht bij akte in het geding te brengen bruto-nettospecificaties van het [geïntimeerde] toekomende loon zoals in de rechtsoverwegingen 5.18 en 5.19 bedoeld. [geïntimeerde] mag bij antwoordakte op de inhoud van die akte reageren. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

7 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

verwijst de zaak naar de roldatum van dinsdag 5 juni 2018 voor het nemen van een akte door Sing's zoals hiervoor in de rechtsoverwegingen 5.18 en 5.19 bedoeld.

houdt verder iedere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mr. W.P.M. ter Berg, mr. M.E.L. Fikkers en mr. W.A. Zondag en is door de rolraadsheer, in tegenwoordigheid van de griffier, in het openbaar uitgesproken op 17 april 2018.