Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:354

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
11-01-2018
Datum publicatie
18-01-2018
Zaaknummer
200.210.028/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging gezag. De ondertoezichtstelling heeft niet tot verbeterde verhoudingen geleid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.210.028/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/19/115288 / FA RK 16-1399)

beschikking van 11 januari 2018

inzake

[verzoeker] ,

wonende te [A] ,
verzoeker in hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. L. Hoekstra te Drachten,

en

[verweerster] ,

wonende te [A] ,

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. T. Meier te Meppel.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, van 9 november 2016, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met productie(s), ingekomen op 8 februari 2017;

- het verweerschrift;

- twee brieven van de raad voor de kinderbescherming (verder te noemen: de raad) van 23 februari 2017 en 21 april 2017;

- een journaalbericht van mr. Hoekstra van 6 november 2017 met productie(s).

2.2

Op 14 november 2017 zijn de volgende minderjarigen verschenen, die buiten aanwezigheid van partijen door het hof zijn gehoord:

- [de minderjarige1] , geboren [in] 2002 (verder te noemen: [de minderjarige1] );

- [de minderjarige2] , geboren [in] 2003 (verder te noemen: [de minderjarige2] );

- [de minderjarige3] , geboren [in] 2005 (verder te noemen: [de minderjarige3] ).

2.3

De mondelinge behandeling is aangevangen op 15 november 2017. De vrouw is toen verschenen, bijgestaan door haar advocaat, alsmede de advocaat van de man. De mondelinge behandeling is voortgezet op 5 december 2017. Partijen zijn toen in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.

3 De feiten

3.1

Uit de - eind 2008 verbroken - affectieve relatie van de ouders zijn [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] geboren. Sinds het uiteengaan van partijen verblijven de kinderen bij de vrouw.

3.2

Vanaf 28 mei 2014 tot 28 mei 2015 is sprake geweest van een ondertoezichtstelling van de kinderen.

3.3

Bij beschikking van 3 juni 2015 heeft de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, voor zover hier van belang:

- het hoofdverblijf van de kinderen bij de vrouw bepaald;

- bepaald dat er geen contactregeling tussen de man en de kinderen zal gelden;

- het verzoek van de vrouw om haar met het eenhoofdig gezag te belasten, afgewezen.

De man heeft sindsdien geen omgang meer gehad met de kinderen.

4 De omvang van het geschil

4.1

Bij de bestreden, uitvoerbaar bij voorraad verklaarde beschikking heeft de rechtbank bepaald dat de vrouw voortaan alleen is belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] . De rechtbank heeft het meer of anders verzochte afgewezen.

4.2

De man is met drie grieven in hoger beroep gekomen van de beschikking van 9 november 2016. Deze grieven beogen het geschil in hoger beroep in volle omvang aan de orde te stellen. De man verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende het verzoek van de vrouw om met het eenhoofdig gezag belast te worden, af te wijzen, met veroordeling van de vrouw in de kosten van beide instanties.

4.3

De vrouw voert verweer en verzoekt het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen.

4.4

Het hof zal de grieven gezamenlijk beoordelen.

5 De motivering van de beslissing

5.1

Ingevolge artikel 1:253n van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of van een van hen het gezamenlijk gezag beëindigen als nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing op grond waarvan het gezamenlijk gezag is ontstaan van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. De rechter kan dan bepalen dat het gezag over een kind aan één van hen toekomt indien:

a. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of b. wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.

5.2

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de verhouding tussen partijen al sinds het uiteengaan van partijen in 2008 ernstig is verstoord en dat constructief overleg en een min of meer normale communicatie tussen partijen al jaren niet of nauwelijks heeft plaatsgevonden. Partijen hebben erkend dat de kinderen - in ieder geval gedurende een bepaalde periode - hierdoor klem en verloren zijn geraakt tussen de ouders. Het hof acht het zeer zorgelijk dat beide partijen de oorzaak van de ontstane situatie bij de ander neerleggen en niet hun eigen aandeel lijken in te zien. Het hof wenst in dit verband te benadrukken dat uit de overgelegde rapportages van onder meer de raad duidelijk naar voren komt dat het aandeel van partijen in het niet tot stand komen van een constructief overleg en het ontstaan van strijd even groot is. Zowel de man als de vrouw zijn dus verantwoordelijk voor hun verstoorde verhouding en het als gevolg daarvan klem en verloren raken van de kinderen.

5.3

In het licht van het hiervoor overwogene acht het hof het invoelbaar dat de man veel pijn en frustratie voelt dat - na al enkele jaren geen omgang te hebben gehad met zijn kinderen - thans ook bij de bestreden beschikking het gezamenlijk gezag van partijen is beëindigd en de vrouw alleen is belast met het gezag over de kinderen.

5.4

Echter, bij de vraag of er reden is om het gezamenlijk gezag te beëindigen, staat het belang van de kinderen voorop. Naar het oordeel van het hof is in het belang van de kinderen noodzakelijk dat het gezamenlijk gezag wordt beëindigd. Uit de stukken, waaronder het raadsrapport van 8 mei 2014 en het verslag van Jeugdbescherming Noord van 24 maart 2015, blijkt dat het partijen ook met hulp en inzet van verschillende hulpverlenende instanties niet lukt om - als ouders van [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] - in gezamenlijkheid op behoorlijke wijze uitvoering te geven aan het ouderschap; er is geen sprake van een constructieve communicatie en samenwerking. Partijen hebben verschillende gerechtelijke procedures gevoerd en er is in het kader van een ondertoezichtstelling van de kinderen hulpverlening geweest, maar ook dit heeft niet tot een verbetering van de verhoudingen geleid. De strijd lijkt eerder te zijn verhard. Voor het hof is evident dat de voortdurende strijd tussen de ouders schadelijke gevolgen voor de kinderen heeft. De kinderen zijn door de strijd dusdanig klem en verloren geraakt tussen de ouders dat er hulpverlening nodig was voor [de minderjarige1] en [de minderjarige2] : [de minderjarige1] heeft gesprekken met een psycholoog gevoerd en [de minderjarige2] krijgt in verband met PTSS EMDR-therapie. De man heeft zich op het standpunt gesteld dat hij, om ervoor te zorgen dat de kinderen rust zouden krijgen, in 2015 bewust een stap terug heeft gedaan en zich heeft neergelegd bij de beslissing van de rechtbank om geen omgangsregeling vast te stellen. Volgens de man zitten de kinderen sindsdien niet meer klem tussen de ouders. Het hof volgt de man niet in dit standpunt. Naar het oordeel van het hof heeft het ontbreken van omgang tussen de man en de kinderen niet geleid tot zodanige rust voor de kinderen dat zij geen nadeel meer ondervinden van de strijd tussen de ouders. De ouders communiceren nog altijd niet met elkaar en zijn niet in staat gebleken hieraan te werken. Tot op heden heeft dat niet tot zeer grote problemen in de gezagsuitoefening geleid. Naar het oordeel van het hof is dat mede te danken aan de jarenlange begeleiding door hulpverlening. De ouders hebben echter niet laten zien dat zij ook zelfstandig, zonder hulpverlening, in staat zijn op behoorlijke wijze met elkaar over de kinderen in overleg te treden dan wel tot gezamenlijke beslissingen te komen. Het hof acht het zeer zorgelijk dat partijen niet nader tot elkaar kunnen komen en dat de man op dit moment geen rol heeft in het leven van de kinderen. In deze situatie valt naar het oordeel van het hof echter binnen afzienbare tijd niet voldoende verbetering te verwachten.

5.5

Het hof neemt bij zijn oordeel voorts in aanmerking dat sinds de vrouw bij de bestreden beschikking met het eenhoofdig gezag is belast, er voor de kinderen relatieve rust lijkt te zijn ontstaan. Alle drie de kinderen hebben tijdens het gesprek met de raadsheer-commissaris verklaard dat zij zich nu veel beter voelen en dat er in het verleden sprake was van veel onrust, bijvoorbeeld over hun schoolkeuze. Het geeft hen rust dat er nu beslissingen in hun leven genomen kunnen worden zonder dat zij bang hoeven te zijn dat de strijd tussen de ouders weer oplaait.

5.6

Gezien het vorenstaande is het hof van oordeel dat sprake is van een andere situatie dan in de door de advocaat van de man aangehaalde uitspraak van het hof Den Haag (ECLI:NL:GHDHA:2015:2250); in die zaak betrokken partijen de kinderen niet bij hun onderlinge strijd, wat ook door de kinderen zelf was erkend. In de onderhavige zaak zijn partijen niet in staat de strijd met elkaar te staken, worden de kinderen in ernstige mate belast met deze strijd en hebben de kinderen veel onrust ervaren in de periode dat er sprake was van gezamenlijk gezag. Bovendien zag het in die uitspraak verzochte raadsonderzoek enkel op de vervangende toestemming voor wijziging van de geslachtsnaam. In het onderhavige geval komt het hof gelet op de beslissing over het gezag niet toe aan het inleidend verzoek van de vrouw met betrekking tot wijziging van de achternaam van de kinderen. Gelet op het hiervoor overwogene ziet het hof bovendien geen aanleiding om, zoals door de man verzocht, de raad een onderzoek te laten instellen naar het gezag over de kinderen. Na een jarenlange periode van veel strijd tussen de ouders en inzet van hulpverlening, ook voor de kinderen, acht het hof het in het belang van de kinderen dat er thans rust en duidelijkheid komt. Bovendien heeft de raad, zo wordt vermeld in de bestreden beschikking, ter zitting in eerste aanleg zich onthouden van het advies en niet - zoals de man heeft betoogd - verklaard over onvoldoende informatie te beschikken om advies uit te brengen. Het hof acht zich dan ook op grond van de stukken en de mondelinge behandeling voldoende voorgelicht om een verantwoorde beslissing te kunnen nemen.

6 De slotsom

6.1

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof de bestreden beschikking bekrachtigen.

6.2

Het hof zal de proceskosten in beide instanties compenseren, nu partijen een relatie met elkaar hebben gehad en de procedure de uit die relatie geboren kinderen betreft.

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, van 9 november 2016;

compenseert de kosten van het geding in beide instanties in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. G. Jonkman, E.B.E.M. Rikaart-Gerard en M.A.F. Holtvluwer-Veenstra, bijgestaan door mr. H.B. Fortuyn als griffier, en is op 11 januari 2018 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.