Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:3501

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
18-04-2018
Datum publicatie
18-04-2018
Zaaknummer
21-006154-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verwerping beroep niet-ontvankelijkheid openbaar ministerie i.v.m. ontbreken origineel dossier. Burenruzie. Voldoende bewijs dat verdachte heeft gestoken. Veroordeling ter zake van bedreiging en poging tot doodslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-006154-14

Uitspraak d.d.: 18 april 2018

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 16 oktober 2014 met parketnummer 16-659443-14 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1964,

wonende te [woonplaats] , [woonadres] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 5 april 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte ter zake van het onder 1 en 2 primair ten laste gelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van 27 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. De schorsing van de voorlopige hechtenis dient te worden verlengd tot de dag van de uitspraak en vervolgens te worden opgeheven. De vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 1] dienen te worden toegewezen, telkens met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. J.T.E. Vis, naar voren is gebracht.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

Voor zover het hoger beroep van verdachte is gericht tegen de vrijspraak van het onder 3 ten laste gelegde feit, kan verdachte daarin niet worden ontvangen.

Het vonnis waarvan beroep

Bij bovengenoemd vonnis is verdachte veroordeeld ter zake van bedreiging (feit 1) en poging tot doodslag (feit 2 primair) tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en met oplegging van bijzondere voorwaarden. De vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] is volledig toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] zijn niet-ontvankelijk verklaard.

Het hof zal het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt en daarom opnieuw rechtdoen.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

Door de raadsman is ter terechtzitting van het hof bepleit dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging. Hiertoe heeft hij aangevoerd dat gedurende de procedure in hoger beroep is gebleken dat het originele politiedossier en de originele NFI-rapportages in het ongerede zijn geraakt. Vervolgens is het dossier aan de hand van prints ‘gereconstrueerd’, maar deze uitdraaien kunnen geen ‘kopieën conform origineel’ zijn. Wat er niet is, kan immers niet conform het origineel worden gekopieerd. De verdediging heeft zich aldus primair op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, nu het (blijvend) in het ongerede zijn van de originele stukken op basis waarvan de rechtbank heeft beraadslaagd en vonnis heeft gewezen, een genoegzame beoordeling van het vonnis in eerste aanleg moet worden geacht te verhinderen en onvoldoende aanknopingspunten biedt om de vragen van artikel 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering te beantwoorden.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

In de aanloop naar de zitting van 29 mei 2015 bleek dat in zowel het dossier van het Openbaar Ministerie als dat van het hof, het eindproces-verbaal van de politie en de NFI-rapportage van 1 augustus 2014 ontbrak. De zaak is vervolgens op 29 mei 2015 pro forma behandeld en daarbij is meegedeeld dat de rechtbank zal proberen de ontbrekende originele stukken bijeen te brengen. Dit is niet gelukt. Op de zitting van 11 juni 2015 is om die reden meegedeeld dat de advocaat-generaal de ontbrekende stukken opnieuw bij de desbetreffende bronnen zal opvragen. Dit is gebeurd en op de terechtzitting van 3 mei 2016 is te kennen gegeven dat het dossier van het hof compleet is. Op verzoek van de verdediging is er een proces-verbaal van bevindingen opgemaakt over hoe de opbouw van dit dossier is verlopen.

Dit proces-verbaal is opgemaakt door verbalisant [verbalisant] , inspecteur van politie, en is gedateerd 9 februari 2017. Het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal houdt onder meer in:

“Op 3 januari 2016 ontving ik een mail het met verzoek om het volledige politiedossier met proces-verbaalnummer 2014026550 naar het ressortsparket Arnhem-Leeuwarden te sturen. Uit het bedrijfsprocessensysteem van de politie Midden-Nederland bleek dat het politiedossier op 3 juni 2014 naar het Openbaar Ministerie is verzonden als vermeld op maatwerklijst 156. Op 18 april 2016 is mij door het ressortsparket Arnhem-Leeuwarden het verzoek gedaan om het hof een kopie-conform origineel van het einddossier met het proces-verbaalnummer 2014026550 te verstrekken. Hierop is op mijn verzoek op 20 april 2016, door een medewerker van de proces-verbaaladministratie van de politie Midden-Nederland, van het einddossier een kopie-conform origineel in tweevoud verstuurd naar het ressortsparket Arnhem-Leeuwarden”.

In voornoemd proces-verbaal is voorts beschreven uit welke stukken het einddossier bestaat en hoe het is genummerd. Voorts is opgesomd welke documenten na inzending van het einddossier naar het Openbaar Ministerie aan het dossier zijn toegevoegd, welke niet zijn opgenomen in de inhoudsopgave en niet van een paginanummer zijn voorzien.

Het hof constateert dat het politiedossier en de aanvullende documenten zoals die thans deel uitmaken van het dossier van het hof, overeenkomen met voornoemde beschrijving van verbalisant [verbalisant] . Het hof merkt voorts op dat verbalisant [verbalisant] in de geciteerde brief aangeeft dat het proces-verbaal een kopie conform is van het originele politiedossier zoals dat aan het Openbaar Ministerie is verzonden. Nu de raadsman ook na inzage van het dossier niet aangeeft welke stukken er thans zouden ontbreken en gelet op de wijze waarop het dossier beschikbaar is gekomen gaat het hof er van uit dat het dossier compleet is en conform het dossier welke in eerste aanleg is gebruikt. De situatie in deze zaak is daarom anders dan die in de zaken waar de raadsman in zijn pleidooi naar heeft verwezen, aangezien in die zaken het complete dossier of een aanzienlijk deel daarvan ontbrak.

Door de verdediging is niet aangevoerd in welk belang verdachte door voornoemde gang van zaken met betrekking het dossier is geschaad. Voor niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie als sanctie is volgens het arrest inzake [naam] slechts plaats, indien sprake is van 'ernstige inbreuken op beginselen van de behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekort gedaan'.

Van een dergelijke situatie is gezien het voorgaande geen sprake. Evenmin is er gehandeld in strijd met de grondslagen van het strafproces waardoor het wettelijk systeem in de kern is geraakt. Het verweer wordt verworpen.

Het openbaar ministerie is ontvankelijk in de vervolging.

De raadsman heeft subsidiair bepleit dat daaraan als rechtsgevolg nietigheid van de inleidende dagvaarding dient te worden verbonden.

Onder verwijzing naar hetgeen hiervoor is overwogen, stelt het hof vast dat het thans beschikt over een compleet dossier, dat overeenkomt met het originele dossier. Van een situatie dat het hof niet in staat is te beraadslagen en te beslissen op grondslag van de tenlastelegging, is daarom geen sprake. Het verweer wordt verworpen.

De inleidende dagvaarding is geldig.

De tenlastelegging

Aan verdachte is - voor zover in hoger beroep aan de orde - ten laste gelegd dat:

1:
hij op of omstreeks 17 april 2014 te [plaats] , althans in het arrondissement Midden-Nederland, [benadeelde partij 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [benadeelde partij 2] dreigend de woorden toegevoegd :"Indien zij naar buiten komt sla ik haar invalide voor het leven" en/of "Ik ga ze te grazen nemen als ik een gun in mijn handen krijg schiet ik de knieschrijven eruit" en/of "Ik maak je af en als je niet naar buiten komt anders sta ik vanavond naast je bed", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

2
primair:

hij op of omstreeks 17 april 2014 te [plaats] , althans in het arrondissement Midden-Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [benadeelde partij 1] van het leven te beroven, met dat opzet met een mes, althans met een scherp en/of puntig voorwerp, in de nek/hals, in elk geval in het bovenlichaam heeft gestoken en/of gesneden, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid.

2
subsidiair:

hij op of omstreeks 17 april 2014 te [plaats] , althans in het arrondissement Midden-Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [benadeelde partij 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [benadeelde partij 1] met een mes, althans met een scherp en/of puntig voorwerp, in de nek/hals, in elk geval in het bovenlichaam heeft gestoken en/of gesneden, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid.

2 meer subsidiair:

hij op of omstreeks 17 april 2014 te [plaats] , althans in het arrondissement Midden-Nederland, opzettelijk mishandelend [benadeelde partij 1] met een mes, althans met een scherp en/of puntig voorwerp, in de nek/hals, in elk geval in het bovenlichaam heeft gestoken en/of gesneden, waardoor voornoemde [benadeelde partij 1] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overwegingen met betrekking tot het bewijs

Feit 1 (bedreiging)

Door de raadsman is bepleit dat verdachte van het onder 1 ten laste gelegde feit dient te worden vrijgesproken, nu de bewoordingen in een telefoongesprek met een medewerkster van de politie Midden-Nederland zijn geuit, buiten tegenwoordigheid van [benadeelde partij 2] en zonder te beogen dat [benadeelde partij 2] van de inhoud ervan op de hoogte zou raken. Het vereiste opzet kan aldus niet uit de bewijsmiddelen blijken.

Uit het dossier blijkt dat [benadeelde partij 2] op 17 april 2014 om 19:22 uur de politie heeft gebeld en in dat gesprek onder meer heeft aangegeven dat de buurman van nummer [huisnummer] (het hof begrijpt: verdachte) haar heeft bedreigd. Op 18 april 2014 heeft zij daarover verklaard dat zij op 17 april 2014 op het adres [adres] verbleef, toen verdachte daar voor haar aan de deur kwam. Zij verklaart daarover onder meer: “Meneer [verdachte] (het hof begrijpt: verdachte) kwam daar aan de deur voor mij. Heeft geroepen dat hij mij zocht en ook bedreigd. Ik werd uitgescholden en verder hoorde ik dat meneer [verdachte] zei: “Ik maak je af. (…).

Anders dan de raadsman heeft betoogd zijn deze woorden (direct) aan [benadeelde partij 2] toegevoegd en kan het niet anders zijn dan dat verdachte aangeefster daarmee heeft willen bedreigen. Deze woorden zijn in de tenlastelegging opgenomen, zodat het feit in zoverre kan worden bewezen.

Ten aanzien van de overige ten laste gelegde bewoordingen heeft de raadsman terecht gesteld dat verdachte deze in een gesprek met de politie heeft geuit. Niet kan worden bewezen dat deze woorden aan aangeefster [benadeelde partij 2] zijn toegevoegd, zodat verdachte in zoverre van het ten laste gelegde zal worden vrijgesproken.

Feit 2 (poging tot doodslag)

Onder 2 wordt verdachte verweten dat hij op 17 april 2014 [benadeelde partij 1] met een mes in de nek/hals heeft gestoken. Primair is dit feit ten laste gelegd als poging doodslag, subsidiair als een poging tot zware mishandeling en meer subsidiair als eenvoudige mishandeling.

De raadsman heeft aangevoerd dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte [benadeelde partij 1] heeft gestoken, zodat hij van alle varianten van het onder 2 ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat de getuigenverklaringen inconsistent zijn, dat uit de op het inbeslaggenomen mes aangetroffen sporen geen strafbare betrokkenheid volgt, dat het ten laste gelegde scenario door de forensisch letseldeskundige als onwaarschijnlijk is aangemerkt en dat er een alternatieve verklaring is voor het bij [benadeelde partij 1] ontstane letsel.

De raadsman heeft voorts een voorwaardelijk verzoek gedaan inhoudende dat als het hof zich niet op voorhand voldoende geïnformeerd zou achten om tot een vrijspraak van feit 2 te komen, hij het noodzakelijk acht dat de getuige [benadeelde partij 2] (nogmaals) wordt gehoord.

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen. Het voorwaardelijk verzoek tot het horen van [benadeelde partij 2] dient volgens hem te worden afgewezen.

Voorwaardelijk verzoek

Het hof acht zich voldoende geïnformeerd om tot een inhoudelijke beoordeling van de zaak te komen en de vragen van artikel 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering te beantwoorden. Het horen van getuige [benadeelde partij 2] is daarom niet noodzakelijk en het (voorwaardelijke) verzoek daartoe wordt afgewezen.

Vaststelling feiten

Uit het dossier volgt dat verdachte en een aantal buurtbewoners al langere tijd met elkaar gebrouilleerd waren. Op 17 april 2014 heeft zich een incident voorgedaan tussen enerzijds aangeefster [benadeelde partij 2] (feit 1), woonachtig op [adres] , en anderzijds verdachte, woonachtig op [adres] en de (biologische) vader van diens stiefkinderen, genaamd [naam] .

Rond acht uur die avond wordt er over en weer gescholden, waarbij beide partijen in hun eigen tuin staan. Op een gegeven moment vliegt [naam] op [benadeelde partij 2] af en ontstaat er tussen hen een gevecht waarbij wordt geslagen en (naar achteraf blijkt) [naam] wordt gestoken.

Aangever [benadeelde partij 1] bevond zich ten tijde van het incident samen met zijn vriendin [naam] op het adres [adres] . Hij heeft verklaard dat hij op een gegeven moment zag dat het buiten uit de hand liep en dat hij zag dat [naam] [benadeelde partij 2] aanviel. [benadeelde partij 1] is daarop naar buiten gerend om [benadeelde partij 2] te helpen. Hij heeft verklaard dat toen hij gebukt stond om [naam] aan de kant te duwen, hij wat in zijn nek voelde. Toen hij naar rechts keek zag hij dat [verdachte] (het hof begrijpt: verdachte) een mes in zijn rechterhand had. [benadeelde partij 1] heeft verdachte naar eigen zeggen vervolgens tegen de schuur geduwd, zodat hij niet nogmaals kon steken.

Uit een proces-verbaal van bevindingen blijkt dat onmiddellijk na het incident het alarmnummer werd gebeld en toen de meldkamer vroeg wie er had gestoken, [benadeelde partij 1] meteen gezegd heeft dat dit ‘ [verdachte] ’ was. Ook in zijn verklaring bij de rechter-commissaris heeft [benadeelde partij 1] verklaard dat verdachte degene is geweest die hem heeft gestoken. Dit leidt hij af uit het feit dat toen hij zich omdraaide, hij verdachte zag staan met een mes met bloed in zijn handen. Vervolgens duwde hij verdachte met zijn schouders tegen de schuur. Verdachte had toen het mes nog in zijn handen.

[benadeelde partij 3] , de zoon van [benadeelde partij 2] , heeft verklaard dat hij verdachte met een mes heeft gezien en dat hij heeft gezien dat [benadeelde partij 1] door hem in zijn nek werd gestoken. [benadeelde partij 3] stond op dat moment naar zijn zeggen op niet meer dan een meter, anderhalve meter afstand van verdachte en [benadeelde partij 1] .

De getuige [getuige 1] , ook een bewoonster van de [adres] , heeft verklaard dat zij heeft gezien dat verdachte met een vleesmes tegen de schuur aanstond en dat zij vervolgens [getuige 2] (het hof begrijpt [getuige 2] ) heeft gewaarschuwd.

Uit een proces-verbaal van bevindingen d.d. 18 april 2014 blijkt dat [getuige 2] kort na het gebeuren ten overstaan van een verbalisant heeft verklaard dat hij een bebloed vleesmes van verdachte heeft afgenomen en dat hij dat voor de deur van de [adres] op de grond heeft gelegd.

Op de grond voor de [verbalisant] aan de [adres] is inderdaad een vleesmes aangetroffen. Dit mes is veiliggesteld en gewaarmerkt met SIN AAGR2395NL. Dit mes is vervolgens onderzocht door het NFI. Op zowel het lemmet als het heft werd bloed aangetroffen, onder meer van aangever [benadeelde partij 1] .

Het mes is door het NFI bemonsterd gericht op het verzamelen van celmateriaal van diegene(n) die het mes gehanteerd heeft/hebben. Dit onderzoek heeft onder andere de bemonstering AAGR2395NL#03 opgeleverd, waarin bloed is aangetroffen. Van het DNA in die bemonstering is een onvolledig DNA-profiel verkregen dat matcht met het DNA-profiel van verdachte. De kans dat het DNA-profiel van een willekeurig persoon matcht met het DNA verkregen in voornoemde bemonstering is kleiner dan één op één miljard.

Op verzoek van de verdediging heeft er gedurende de procedure in hoger beroep onderzoek op activiteitniveau plaatsgevonden door het NFI. De resultaten van het onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek blijken veel waarschijnlijker te zijn als verdachte het slachtoffer [benadeelde partij 1] met het mes in de nek heeft gestoken (hypothese 1) dan dat iemand anders dan verdachte het slachtoffer in de nek heeft gestoken en verdachte het mes niet heeft gehanteerd (hypothese 2). Onder beide hypothesen is daarbij de mogelijkheid van secundaire overdracht van DNA van [verdachte] in beschouwing genomen.

Vervolgens is op verzoek van de verdediging hypothese 1 afgezet tegen hypothese X, inhoudende dat [naam] het slachtoffer met een mes in de nek zou hebben gestoken. Dit verandert de conclusie met betrekking tot het voorgaande niet wezenlijk, omdat [naam] één van de personen is die die slachtoffer [benadeelde partij 1] onder hypothese 2 kan hebben gestoken.

Op de terechtzitting van 5 april 2018 is een deskundige van het NFI gehoord die voornoemde onderzoeken heeft toegelicht en de conclusies daaruit heeft bevestigd.

Ten slotte is door een arts van de GGD Fryslân een letselrapportage opgemaakt d.d. 29 november 2016. Hieruit blijkt dat het bij [benadeelde partij 1] geconstateerde letsel kan zijn ontstaan met het mes AAGR2395NL. Het letsel kan zijn ontstaan op het moment zoals [benadeelde partij 1] heeft verklaard. Het geconstateerde letsel kan mogelijk passen bij de door [benadeelde partij 1] aangegeven toedracht, maar een ander, alternatief scenario lijkt waarschijnlijker.

Verdachte heeft ontkend dat hij ten tijde van het incident op 17 april 2014 een mes in zijn handen heeft gehad. Volgens hem heeft [benadeelde partij 1] hem wel tegen de schuur geduwd, maar had hij toen geen mes maar een spatel in zijn handen. Over het inbeslaggenomen vleesmes heeft verdachte verklaard dat hij wel denkt dat hij een mes met zo’n handvat heeft.

Oordeel hof

Op grond van de verklaringen waarin over een vleesmes wordt gesproken, het aangetroffen bloed van [benadeelde partij 1] op het inbeslaggenomen vleesmes AAGR2395NL#03 en hetgeen daarover door de GGD Fryslân is gerapporteerd, stelt het hof vast dat dit het mes is geweest waarmee [benadeelde partij 1] is gestoken.

Anders dan de verdediging heeft bepleit, acht het hof voorts op grond van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen bewezen dat verdachte op 17 april 2014 dit mes in handen heeft gehad en dat hij degene is geweest die [benadeelde partij 1] heeft gestoken. Niet alleen heeft [benadeelde partij 1] verdachte meteen nadat hij wat in zijn nek voelde met een bebloed vleesmes zien staan en heeft hij verdachte meteen als dader bestempeld, ook getuigen hebben verdachte met een mes in de handen zien staan. Hoewel de verdediging terecht heeft aangevoerd dat het dossier weinig verklaringen van onafhankelijke getuigen bevat, is het hof van oordeel dat de hiervoor weergegeven verklaringen betrouwbaar zijn en voor het bewijs kunnen worden gebruikt.

[benadeelde partij 1] heeft verdachte meteen na het gebeuren als dader aangewezen en later ook verduidelijkt waarom hij denkt dat verdachte hem heeft gestoken. De verklaring van [benadeelde partij 1] vindt voorts bevestiging in de verklaringen van de genoemde getuigen.

Voor getuige [benadeelde partij 3] is daarbij van belang dat hij weliswaar de zoon van [benadeelde partij 2] is, maar zijn verklaring dat verdachte degene is geweest die [benadeelde partij 1] heeft gestoken, is meteen na het incident afgelegd en hij heeft bovendien belastend over zijn eigen moeder verklaard. Dat er sprake is van een ‘opzetje’ om verdachte ten onrechte te belasten, is daarom niet aannemelijk.

Ten aanzien van de getuige [getuige 1] is van belang dat zij een meer onafhankelijke getuige lijkt te zijn nu zij heeft verklaard dat zij het met beide ‘kampen’ wel goed kon vinden. Voor [getuige 2] geldt ten slotte dat hij en verdachte op hetzelfde adres wonen en dat hij heeft verklaard dat hij het erg goed met verdachte kan vinden. Hij kan daarom tot het ‘kamp’ van verdachte worden gerekend en het ligt enkel vanuit dit perspectief bezien daarom niet voor de hand dat hij verdachte ten onrechte zou belasten. Wel kan daaruit worden verklaard dat [getuige 2] nadien in zijn eigen verklaring heeft aangegeven dat hij het mes op de grond zag liggen, in plaats van dat hij het van verdachte heeft afgenomen. Het hof gaat echter van zijn eerdere verklaring uit, die hij kort na het incident ten overstaan van een verbalisant heeft afgelegd.

Het hof neemt voorts nog in aanmerking dat verdachte heeft verklaard dat hij door [benadeelde partij 1] tegen de schuur is geduwd en dat hij denkt dat hij wel een mes met zulke handvatten heeft, hetgeen strookt met de verklaringen van [benadeelde partij 1] en voornoemde getuigen.

Dat verdachte het inbeslaggenomen vleesmes - in tegenstelling tot zijn eigen verklaring - in handen heeft gehad en daarmee [benadeelde partij 1] heeft gestoken, vindt ten slotte in belangrijke mate steun in het forensisch bewijs zoals dat hiervoor is weergegeven. Dat er wat de toedracht betreft volgens de arts van de GGD Fryslân een alternatief scenario meer waarschijnlijk lijkt, maakt het voorgaande niet anders. Hij heeft immers tevens verklaard dat het letsel van [benadeelde partij 1] met voornoemd mes kan zijn ontstaan en op het moment zoals [benadeelde partij 1] heeft verklaard. Zijn conclusies omtrent die waarschijnlijkheid van een ander scenario staan daarom op zichzelf genomen aan een bewezenverklaring niet in de weg.

Op grond van het voorgaande acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [benadeelde partij 1] op 17 april 2014 met een vleesmes in de nek/hals heeft gestoken. De door de verdediging aangedragen alternatieve scenario’s zijn in het licht van de door het hof geselecteerde en hiervoor weergegeven bewijsmiddelen niet aannemelijk geworden en worden zelfs weersproken door die bewijsmiddelen zoals die in een eventuele aanvulling op dit arrest volledig zullen worden opgenomen.

Overeenkomstig het oordeel van de rechtbank en het standpunt van de advocaat-generaal kan bewezen worden dat verdachte (voorwaardelijk) opzet had op de dood van [benadeelde partij 1] . Door met een vleesmes in de nek/hals te steken heeft hij immers de aanmerkelijke kans aanvaard dat [benadeelde partij 1] daardoor het leven zou laten. Aldus kan het onder 2 primair ten laste gelegde wettig en overtuigend worden bewezen.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1:
hij op 17 april 2014 te [plaats] [benadeelde partij 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [benadeelde partij 2] dreigend de woorden toegevoegd : “Ik maak je af”.


2 primair:

hij op 17 april 2014 te [plaats] , ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [benadeelde partij 1] van het leven te beroven, met dat opzet met een mes in de nek/hals, heeft gestoken en/of gesneden, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Het onder 2 primair bewezen verklaarde levert op:

poging tot doodslag.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Zoals bij de bewijsoverweging uiteen is gezet, heeft verdachte zich op 17 april 2014 eerst schuldig gemaakt aan bedreiging van [benadeelde partij 2] , waarmee hij gevoelens van angst en onveiligheid bij haar teweeg heeft gebracht. Later die dag heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan poging tot doodslag op aangever [benadeelde partij 1] door hem met een vleesmes in de nek te steken. Naast het lichamelijke letsel, heeft het handelen van verdachte ook psychisch gezien een grote impact gehad, zo blijkt uit de toelichting op de vordering van de benadeelde partij.

Uit een verdachte betreffend uittreksel uit het justitieel documentatieregister d.d. 6 maart 2018 blijkt dat verdachte eerder (onherroepelijk) is veroordeeld ter zake van strafbare feiten, waaronder voor bedreiging.

Het hof houdt voorts rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte zoals die blijken uit het dossier en zoals die ter terechtzitting van het hof aan de orde zijn gekomen. Verdachte lijdt aan een zeldzame ziekte waardoor hij veel pijn ervaart en veel onderzoeken moet ondergaan. Een hernieuwde vrijheidsbeneming zou voor hem een grote lijdensdruk betekenen, zo heeft de raadsman aangevoerd. Onder verwijzing naar een recent reclasseringsadvies d.d. 29 maart 2018, waaruit onder meer blijkt dat verdachte thans een rustig en teruggetrokken bestaan leidt en geen sprake is van een delictpatroon, heeft de verdediging het hof verzocht de (onvoorwaardelijke) strafoplegging te beperken tot duur van het voorarrest.

Verdachte heeft 14 maanden in voorarrest gezeten. Zijn voorlopige hechtenis is geschorst met ingang van 12 juni 2015. Hoewel de aard en ernst van met name het onder 2 bewezenverklaarde feit maken dat oplegging van een gevangenisstraf passend en geboden is, is het hof - anders dan de advocaat-generaal - van oordeel dat het gelet op de persoonlijke omstandigheden van verdachte niet wenselijk is dat verdachte opnieuw gedetineerd raakt. Daarbij komt nog dat de redelijke termijn in hoger beroep is overschreden en dat het hof daarmee rekening houdt. Het hof ziet daarom aanleiding verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden op te leggen, waarvan 10 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, met aftrek van voorarrest. Met het voorwaardelijk deel van de straf beoogt het hof tevens te voorkomen dat verdachte zich in de toekomst nogmaals schuldig maakt aan (soortgelijke) strafbare feiten.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 220,- aan immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard. Het hof constateert dat de rechtbank kennelijk een onjuiste vordering van [benadeelde partij 2] heeft beoordeeld, namelijk de vordering die zij in de zaak van [naam] heeft ingediend (strekkende tot vergoeding van in totaal
€ 1.069,35).

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is onvoldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. De benadeelde partij heeft immers slechts gesteld dat zij schade heeft geleden maar dit niet nader onderbouwd. Verdachte is daarom niet tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden afgewezen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 4.692,70, bestaande uit € 1.192,70 aan materiële schade en € 3.500,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 2 primair bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Anders dan de raadsman heeft bepleit is het hof van oordeel dat ook de immateriële schade voldoende is onderbouwd en dat toekenning daarvan billijk is. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van ontstaan van de schade tot de dag der algehele voldoening. Verdachte dient voorts te worden veroordeeld in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en in het kader van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3]

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de benadeelde partij [benadeelde partij 3] zich in het geding in eerste aanleg heeft gevoegd, dat zijn vordering in eerste aanleg niet is toegewezen en dat hij zich in het geding in hoger beroep niet opnieuw heeft gevoegd. Derhalve duurt de voeging ter zake van haar vordering tot schadevergoeding in het geding in hoger beroep niet voort en kan het hof niet op die vordering beslissen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 45, 57, 285 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 3 ten laste gelegde.

Vernietigt het vonnis voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 primair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 (vierentwintig) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 10 (tien) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Heft op het (geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]

Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] tot schadevergoeding af.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] ter zake van het onder 2 primair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 4.692,70 (vierduizend zeshonderdtweeënnegentig euro en zeventig cent) bestaande uit € 1.192,70 (duizend honderdtweeënnegentig euro en zeventig cent) materiële schade en € 3.500,00 (drieduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 17 april 2014.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 1] , ter zake van het onder 2 primair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 4.692,70 (vierduizend zeshonderdtweeënnegentig euro en zeventig cent) bestaande uit € 1.192,70 (duizend honderdtweeënnegentig euro en zeventig cent) materiële schade en € 3.500,00 (drieduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 56 (zesenvijftig) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 17 april 2014.

Aldus gewezen door

mr. K. Lahuis, voorzitter,

mr. J.A.A.M. van Veen en mr. E.M.J. Brink, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. H. Akkerman, griffier,

en op 18 april 2018 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. Van Veen is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.