Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:3462

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
10-04-2018
Datum publicatie
24-04-2018
Zaaknummer
200.227.000/01 en 200.227.000/02
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Tussenbeschikking
Inhoudsindicatie

Omgangsregeling met vader in Amerika. Benoeming bijzondere curator, die opkomt voor de belangen van de minderjarige en hem een stem geeft.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummers gerechtshof 200.227.000/01 en 200.227.000/02

(zaaknummer rechtbank Overijssel C/08/198166/FA RK 17-380)

beschikking van 10 april 2018

inzake

[verzoekster] ,

wonende te [A] ,
verzoekster in het principaal hoger beroep,

verweerster in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. M. van Haaf-Noot te Schalkhaar,

en

[verweerder] ,

wonende te [B] , Verenigde Staten van Amerika (hierna: Amerika)

verweerder in het principaal hoger beroep,

verzoeker in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de vader,

advocaat: mr. P. van Dolderen te Arnhem.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 2 augustus 2017, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met productie(s), tevens houdende een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening en een verzoek tot benoeming van een bijzondere curator, ingekomen op 24 oktober 2017;

- het verweerschrift tevens houdende een incidenteel hoger beroep;

- het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep met productie(s), ingediend bij journaalbericht van 12 februari 2018;

- een brief van mr. Van Haaf-Noot van 24 oktober 2017 met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Van Dolderen van 15 februari 2018;

- een journaalbericht van mr. Van Haaf-Noot van 16 februari 2018;

- een journaalbericht van mr. Van Haaf-Noot van 16 februari 2018 met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Van Haaf-Noot van 20 februari 2018;

- een journaalbericht van mr. Van Dolderen van 21 februari 2018 met productie(s).

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 22 februari 2018 plaatsgevonden. De vader is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn advocaat en een beëdigd tolk in de Engelse taal, de heer [C] (tolknummer [000] ). Namens de moeder is verschenen haar advocaat.

3 De feiten

3.1

Partijen zijn de ouders van [de minderjarige] (verder te noemen: [de minderjarige] ), geboren [in] 2012, over wie zij gezamenlijk het ouderlijk gezag uitoefenen. [de minderjarige] is woonachtig bij zijn moeder. [de minderjarige] heeft zowel de Nederlandse als de Amerikaanse nationaliteit.

3.2

De vader is woonachtig in [B] , in Amerika.

3.3

In het door de ouders op 4 mei 2013 ondertekende ouderschapsplan zijn de ouders

-voor zover hier van belang- het volgende overeen gekomen:

Bezoekregeling:

5. Er zullen jaarlijks ten minste 4 bezoekmomenten zijn:

I. [de minderjarige] zal 1 keer in het jaar 2 weken in de zomervakantie (juli of augustus) zijn vader bezoeken gedurende enkele weken, in 2013 beginnende met 2 weken. In 2014 zal dit 3 weken zijn. Om 3 weken in de zomer in [B] door te brengen is mogelijk als [de minderjarige] niet met kerst naar [B] reist. Moeder heeft een totaal van 21 vakantiedagen in het jaar te besteden.

II. Om het jaar zal [de minderjarige] met de Kerstvakantie (december) 1 week in Amerika verblijven om vader te bezoeken; deze periode kan in de toekomst uitgebreid worden naar 2 weken als op enig moment de aanwezigheid van moeder bij de omgang niet langer noodzakelijk is. Het volgende jaar zal vader met de Kerstvakantie 1 week of indien voor hem mogelijk 2 weken in Nederland verblijven om [de minderjarige] te bezoeken. (dus 1 jaar kerst in [B] en vervolgens 1 jaar kerst in Nederland etc.)

III. Voorts zal tussen vader en moeder in overleg jaarlijks een 3e omgangsperiode in april/mei en een 4e omgangsperiode tussen de zomervakantie en de Kerstvakantie worden aangewezen die vader in Nederland bij/met [de minderjarige] doorbrengt.

(…)

Tussentijds contact:

10. Tussen de omgangsmomenten door staat het vader vrij, indien wenselijk, op vooraf te kennen gegeven zondagen tussen 17.00 uur en 19.00 uur (Nederlandse tijd) via telefoon en/of skype contact te hebben met [de minderjarige] .”

4 De omvang van het geschil

4.1

Tussen partijen zijn in geschil de schorsing van de uitvoerbaar bij voorraad verklaarde beslissing over omgang in de meivakantie 2018 en het verzoek om een voorlopige voorziening daarover te treffen, de benoeming van een bijzondere curator, de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen hen betreffende [de minderjarige] en de reiskosten met betrekking tot de omgang.

4.2

Bij de bestreden beschikking is, voor zover hier van belang en uitvoerbaar bij voorraad, (met wijziging van het ouderschapsplan van 4 mei 2013 voor wat betreft de zorg- en contactregeling) bepaald dat [de minderjarige] omgang heeft met de vader:

- in het schooljaar 2017/2018 (september tot september):

 twee aaneengesloten weken in de kerstvakantie bij de vader in Amerika;

 een week aaneengesloten tijdens de voorjaars-/krokusvakantie in Nederland;

 de eerste week van de meivakantie bij de vader in Amerika;

 vier aaneengesloten weken in de zomervakantie bij de vader in Amerika;

 en eventueel nader in onderling overleg af te spreken momenten als de vader tussentijds in Nederland is;

- in het schooljaar 2018/2019 (september tot september):

 een week aaneengesloten in de voorjaars-/krokusvakantie bij de vader in Amerika;

 een week aaneengesloten in de meivakantie in Nederland;

 drie aaneengesloten weken in de zomervakantie bij de vader in Amerika;

 en eventueel nader in onderling overleg af te spreken momenten als de vader tussentijds in Nederland is, zoals gedurende een week aaneengesloten tijdens de kerstvakantie;

- in het schooljaar 2019/2020 (september tot september):

 twee aaneengesloten weken in de kerstvakantie bij de vader in Amerika;

 een week aaneengesloten tijdens de voorjaars-/krokusvakantie in Nederland;

 de eerste week van de meivakantie bij de vader in Amerika;

 vier aaneengesloten weken in de zomervakantie bij de vader in Amerika;

 en eventueel nader in onderling overleg af te spreken momenten als de vader tussentijds in Nederland is;

- in het schooljaar 2020/2021 (september tot september):

 een week aaneengesloten in de voorjaars-/krokusvakantie bij de vader in Amerika;

 een week aaneengesloten in de meivakantie in Nederland;

 drie aaneengesloten weken in de zomervakantie bij de vader in Amerika;

 en eventueel nader in onderling overleg af te spreken momenten als de vader tussentijds in Nederland is, zoals gedurende een week aaneengesloten tijdens de kerstvakantie;

en zo om en om verder, en

dat [de minderjarige] en de vader wekelijks op dinsdag en zaterdag om 18:30 uur (Nederlandse tijd) contact hebben via Facetime;

Tevens is bepaald dat de ouders [de minderjarige] om en om dienen te begeleiden tijdens de reis naar de vader in Amerika, met dien verstande dat de moeder [de minderjarige] naar Amerika brengt en de vader [de minderjarige] weer terug brengt naar Nederland en verstaat dat de vader de reiskosten (kosten van ticket) van [de minderjarige] voor zijn rekening neemt.

4.3

De moeder is met twee grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. De grieven zien op de zorgregeling en de reiskosten van de moeder.

De moeder verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en nader rechtdoende:

I. Alvorens verder te beslissen, over te gaan tot het benoemen van een bijzondere curator over [de minderjarige] ;

en voorts bij afwijzing van het verzoek tot benoeming van de bijzondere curator of nadat advies is uitgebracht:

II. Te bepalen dat tussen de minderjarige en zijn vader een zorgregeling zal gelden:

  • -

    iedere zomervakantie drie aaneengesloten weken in Amerika;

  • -

    ieder oneven jaar twaalf dagen in de kerstvakantie in Amerika;

  • -

    ieder even jaar twee weken in Nederland, door ouders in onderling overleg te bepalen;

  • -

    de mogelijkheid voor vader om buiten de genoemde omgangsmomenten naar Nederland te komen voor omgang met [de minderjarige] , waarbij moeder in ieder geval 3 weken in de zomervakantie alleen met [de minderjarige] door kan brengen, het even jaar met Kerst en daarnaast ieder jaar één andere schoolvakantie naast de zomervakantie;

of een zodanige regeling als door het hof gerade wordt geacht.

Daarnaast verzoekt de moeder:

De bestreden beschikking te schorsen (het hof begrijpt voor zover het de uitvoerbaarheid bij voorraadverklaring betreft ten aanzien van de beslissing over de omgang in de meivakantie 2018) en in dat kader de volgende spoedvoorzieningen te treffen:

te bepalen dat de omgang in de meivakantie van 2018 tussen de vader en [de minderjarige] plaats zal vinden in Nederland, waarbij de vader de kosten van de reis en zijn verblijf betaalt.

4.4

De vader is op zijn beurt met ongenummerde grieven in incidenteel hoger beroep gekomen. De grieven zien op de omgang tussen de vader en [de minderjarige] en op het onder begeleiding vliegen van [de minderjarige] . De vader verzoekt het hoger beroep van de moeder af te wijzen en de bestreden beschikking te vernietigen voor zover daarbij de zorgregeling is vastgesteld anders dan door hem wordt verzocht en is bepaald dat de ouders gehouden zijn om en om [de minderjarige] te begeleiden op zijn reis naar en van Amerika, en nader rechtdoende te bepalen:

I Dat tussen [de minderjarige] en zijn vader een zorgregeling zal gelden gedurende:

ene jaar (2018):

  • -

    voorjaarsvakantie in Nederland;

  • -

    volledige meivakantie bij de vader in de Verenigde Staten;

  • -

    1 week herfstvakantie bij de vader in de Verenigde Staten;

  • -

    2 weken in de kerstvakantie in Nederland;

andere jaar (2019):

  • -

    voorjaarsvakantie bij de vader in de Verenigde Staten;

  • -

    tenminste 1 week in de meivakantie in Nederland;

  • -

    5 weken in de zomervakantie bij de vader in de Verenigde Staten

  • -

    1 week herfstvakantie in Nederland;

  • -

    2 weken kerstvakantie bij de vader in de Verenigde Staten;

II dat [de minderjarige] naar en van zijn vader kan reizen met gebruikmaking van het begeleidingsprogramma voor minderjarigen van luchtvaartmaatschappijen en hij ook op zijn reis begeleid kan worden door de echtgenote van de man.

4.5

De moeder voert hiertegen verweer en verzoekt de grieven van de vader te verwerpen en zijn verzoeken af te wijzen.

4.6

Het hof zal de grieven in principaal en incidenteel hoger beroep gezamenlijk beoordelen.

5 De motivering van de beslissing

Schorsing van de uitvoerbaar bij voorraad verklaring en het treffen van een voorlopige voorziening

5.1

Aan de orde is het verzoek van de moeder schorsing te bevelen van de werking van de bestreden beschikking, voor zover het de omgang in de meivakantie 2018 betreft en om vervolgens een voorlopige voorziening te treffen. De vader voert hiertegen gemotiveerd verweer.

5.2

Hoger beroep schorst de werking, tenzij de beschikking uitvoerbaar bij voorraad is verklaard. Op grond van artikel 360 lid 2, tweede volzin, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan de hogere rechter, indien hoger beroep is ingesteld tegen een beschikking die uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, alsnog de werking schorsen.

5.3

Het hof stelt het volgende voorop onder verwijzing naar HR 20 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:688 en HR 30 mei 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC5012:

( i) De verzoeker moet belang hebben bij de door hem gevorderde schorsing van de tenuitvoerlegging van de beschikking.

(ii) Bij de beoordeling van een verzoek tot schorsing van de tenuitvoerlegging van een beschikking moeten de belangen van partijen worden afgewogen in het licht van de omstandigheden van het geval. Daarbij moet worden nagegaan of op grond van die omstandigheden het belang van de veroordeelde bij behoud van de bestaande toestand tot op het hoger beroep is beslist, zwaarder weegt dan het belang van zijn wederpartij bij (voortzetting van) de tenuitvoerlegging van de beschikking. Indien de beslissing de veroordeling tot betaling van een geldsom betreft, is het belang van de schuldeiser bij de uitvoerbaarverklaring bij voorraad in beginsel gegeven.

(iii) Bij deze belangenafweging moet worden uitgegaan van de bestreden beslissing en van de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen, en blijft de kans van slagen van het hoger beroep in beginsel buiten beschouwing.

(iv) Indien de rechtbank in eerste aanleg een gemotiveerde beslissing heeft gegeven over de uitvoerbaarverklaring bij voorraad, zal de verzoeker die wijziging van deze beslissing wenst, aan zijn verzoek ten grondslag moeten leggen een kennelijke juridische of feitelijke misslag in de bestreden uitspraak dan wel feiten en omstandigheden die bij die beslissing niet in aanmerking konden worden genomen doordat zij zich eerst na de uitspraak hebben voorgedaan, en die kunnen rechtvaardigen dat van die eerdere beslissing wordt afgeweken.

( v) Indien de rechtbank in eerste aanleg geen gemotiveerde beslissing heeft gegeven op de vordering tot uitvoerbaarverklaring bij voorraad geldt de hiervoor onder (iv) vermelde eis niet en moet worden beslist met inachtneming van het hiervoor onder (i) tot en met (iii) vermelde. Dat neemt niet weg dat ook dan de verzoeker die wijziging van de beslissing over de uitvoerbaarverklaring bij voorraad wenst aan zijn verzoek ten grondslag kan leggen een kennelijke juridische of feitelijke misslag in de bestreden uitspraak dan wel feiten en omstandigheden die bij die beslissing niet in aanmerking konden worden genomen doordat zij zich eerst na de uitspraak hebben voorgedaan en die kunnen rechtvaardigen dat van die eerdere beslissing wordt afgeweken.

5.4

Het hof constateert dat de rechtbank in de bestreden beschikking geen gemotiveerde beslissing heeft gegeven over de uitvoerbaarverklaring bij voorraad. Derhalve zal het hof het schorsingsverzoek beoordelen aan de hand van de hiervoor onder (i) tot en met (iii) en in de slotzin vermelde.

5.5

Op grond van de stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gekomen is het hof van oordeel dat de moeder geen concrete feiten of omstandigheden naar voren heeft gebracht waaruit blijkt dat haar belang bij de door haar verzochte schorsing van de werking van de uitvoerbaar bij voorraadverklaring van de bestreden beschikking groter is dan het belang van de vader en [de minderjarige] bij handhaving van de tenuitvoerlegging. Hoewel de moeder stelt dat ze onvoldoende financiële middelen heeft om de omgang te bekostigen is het hof van oordeel dat de moeder dit onvoldoende heeft onderbouwd door enkel een salarisspecificatie te overleggen. Daarnaast stelt de moeder dat het vanwege een operatie in verband met een hernia niet verstandig lijkt om een verre vliegreis in mei te maken en dat de betreffende zorgregeling te belastend is voor [de minderjarige] . Uit de stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gekomen blijkt evenwel niet onomstotelijk dat de moeder niet zou kunnen vliegen, dat de door de rechtbank bepaalde omgang te belastend is voor [de minderjarige] en dat zijn gezondheid te lijden heeft onder de verre vliegreizen. Daarbij komt dat door de moeder niet is onderzocht of er een mogelijkheid bestaat dat een andere (bekende) volwassene [de minderjarige] op zijn reis in de meivakantie 2018 zou kunnen begeleiden. Daarom is het hof van oordeel dat het belang van de vader bij de tenuitvoerlegging van de bestreden beschikking zwaarder dient te wegen dan het belang van de moeder bij een schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beschikking. Dit brengt met zich dat het verzoek van de moeder tot schorsing van de uitvoerbaar bij voorraad verklaring dient te worden afgewezen.

Het verzoek om voorlopige voorzieningen ex artikel 223 Rv

5.6

De moeder heeft bij wege van voorlopige voorziening verzocht te bepalen dat de omgang in de meivakantie van 2018 tussen de vader en [de minderjarige] plaats zal vinden in Nederland, waarbij de vader de kosten van de reis en zijn verblijf betaalt.

5.7

Het hof overweegt als volgt. Bij uitspraak van 5 december 2014 (ECLI:NL:HR:2014:3533) heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de wet en de aard van de verzoekschriftprocedure zoals geregeld in artikel 261 e.v. Rv zich niet verzetten tegen overeenkomstige toepassing van artikel 223 Rv op verzoekschriftprocedures. Daarom kan iedere partij tijdens een aanhangig geding verzoeken dat de rechter een voorlopige voorziening zal treffen voor de duur van het geding. Voor de verzochte voorlopige voorziening is slechts plaats, indien er een voldoende (spoedeisend) belang bestaat, in die zin dat van verzoeker niet kan worden gevergd dat hij de afloop in de bodemzaak afwacht.

5.8

De moeder stelt weliswaar dat de door de rechtbank opgelegde zorgregeling voor [de minderjarige] te zwaar is, dat zij onvoldoende financiële middelen heeft om de omgang te bekostigen en dat zij vanwege een hernia de vliegreis (in mei) niet kan maken, maar het hof is van oordeel dat de moeder onvoldoende heeft onderbouwd een (dringend) belang te hebben bij de verzochte voorlopige voorziening. Het hof verwijst, mutatis mutandis, naar hetgeen onder 5.5 is overwogen. Uit het voorgaande volgt dat het verzoek van de moeder tot het treffen van een voorlopige voorziening zal worden afgewezen.

Verzoek benoeming van een bijzondere curator

5.9

Ingevolge artikel 1:250 van het Burgerlijk Wetboek (BW) benoemt de rechter bij wie de zaak aanhangig is, indien hij dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk acht, op verzoek van een belanghebbende of ambtshalve een bijzondere curator om de minderjarige, zowel in als buiten rechte, te vertegenwoordigen, wanneer in aangelegenheden betreffende diens verzorging en opvoeding, dan wel het vermogen van de minderjarige, de belangen van de met het gezag belaste ouders of één van hen dan wel van de voogd of de beide voogden in strijd zijn met die van de minderjarige.

5.10

Het hof is van oordeel dat zich in deze procedure met betrekking tot [de minderjarige] een belangenstrijd in de zin van voormeld artikel voordoet, welke strijd zich toespitst op de omgang van [de minderjarige] met de vader. De moeder stelt dat het niet in het belang van [de minderjarige] is dat de omgang (te) vaak in Amerika plaatsvindt. Daarentegen is de vader van mening dat het juist in het belang van [de minderjarige] is dat hij vaak naar Amerika komt zodat hij een goede band opbouwt met zijn vader, zijn familie in Amerika en het land van zijn vader. Verder verschillen de ouders van mening over de vraag hoe [de minderjarige] naar Amerika moet reizen. De moeder is van mening dat dit nog voor langere tijd onder begeleiding van een ouder zou moeten gebeuren, terwijl de vader van mening is dat [de minderjarige] al wel de vliegreis kan maken onder gebruikmaking van het begeleidingsprogramma voor minderjarigen van luchtvaartmaatschappijen of onder begeleiding van zijn echtgenote.

Er is in dit geval sprake van tegenstrijdige belangen, waarbij ook de verstoorde relatie tussen de ouders en hun financiën een rol spelen. Daarnaast is de feitelijke uitvoering van de omgang tussen [de minderjarige] en de vader vanwege de grote afstand tussen de woonplaatsen van de ouders een punt dat bijzondere aandacht behoeft. Het hof is daarom van oordeel dat de belangen van [de minderjarige] in dit specifieke geval gebaat zijn bij een onafhankelijke derde die opkomt voor zijn belangen, hem een stem geeft en hem vertegenwoordigt.

Het hof acht het derhalve in het belang van [de minderjarige] dat een bijzondere curator zijn belangen behartigt en kan bezien welke zorgregeling in zijn belang moet worden geacht.

5.11

Het hof verzoekt de bijzondere curator bij haar werkzaamheden de leidraad werkwijze en verslag bijzondere curatoren ex artikel 1:250 BW in acht te nemen, te raadplegen via www.rechtspraak.nl, met dien verstande dat het hof de bijzondere curator niet zo zeer verzoekt om de (primaire) bemiddelende rol op zich te nemen (waarbij door middel van gesprekken met de minderjarige en de ouders wordt getracht het conflict in der minne op te lossen). Het hof acht de taak van de bijzondere curator er in deze zaak in gelegen dat zij ervoor zorgt dat de belangen van [de minderjarige] zo goed mogelijk worden belicht en dat hij zich gehoord voelt. Het hof verzoekt de bijzondere curator in dit verband om te onderzoeken hoe het met [de minderjarige] is, wat de gevolgen voor hem zijn van de strijd tussen de ouders en wat zijn mening is over de zorgregeling. De bijzondere curator kan in deze zaak volstaan met het voeren van een persoonlijk gesprek (of gesprekken) met [de minderjarige] en hoeft slechts voor zover zij dat noodzakelijk acht ook gesprekken met de ouders te voeren. Het hof verzoekt de bijzondere curator vanuit het belang van [de minderjarige] aan het hof te adviseren welke beslissing het hof dient te nemen over de zorgregeling.

5.12

Mevrouw [D] , kantoorhoudende te [E] en verbonden aan [F] , is bereid gevonden om in deze procedure als bijzondere curator op te treden en zal hiertoe door het hof, alvorens verder te beslissen, worden benoemd. Indien één van partijen gerede bezwaren heeft tegen de benoeming van deze persoon tot bijzondere curator, dient dit binnen een week na heden schriftelijk en gemotiveerd kenbaar te worden gemaakt aan het hof.

5.13

Gelet op het voorgaande, acht het hof zich op grond van de thans beschikbare informatie nog onvoldoende voorgelicht om een verantwoorde definitieve beslissing ten aanzien van de zorgregeling te kunnen geven. Het hof zal daarom de behandeling van de zaak aanhouden en de resultaten van het onderzoek van de bijzondere curator afwachten. Het hof verzoekt de bijzondere curator tijdig, doch uiterlijk binnen drie maanden na benoeming, een verslag van bevindingen aan het hof toe te zenden.

5.14

Met betrekking tot de kosten van de werkzaamheden van de bijzondere curator overweegt het hof als volgt. Nu vast staat dat de bijzondere curator niet als mediator in de zin van de Wet op de rechtsbijstand bij de Raad voor Rechtsbijstand is ingeschreven, en er derhalve geen toevoeging kan worden verleend, zal het hof bepalen dat de kosten van de bijzondere curator in de onderhavige zaak tot een maximaal bedrag van € 900,- inclusief verschotten en omzetbelasting, ten laste zal komen van 's Rijks kas. De deskundige dient te declareren aan de hand van een tijdsverantwoording en op basis van een uurtarief, exclusief omzetbelasting.

6 De slotsom

Op grond van vorenstaande zal het hof beslissen als na te melden.

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

in het incident (zaaknummer 200.227.000/02):

wijst de verzoeken van de moeder tot schorsing van de uitvoerbaar bij voorraad verklaarde beslissing ten aanzien van de meivakantie en tot het treffen van voorlopige voorzieningen ex artikel 223 Rv af;

in de hoofdzaak (zaaknummer 200.227.000/01):

alvorens verder te beslissen:

benoemt tot bijzondere curator over de minderjarige:

[D]

[a-straat 1]

[E] ;

met het verzoek het hof tijdig, doch uiterlijk binnen drie maanden na benoeming, over de hiervoor onder r.o. 5.10 en 5.11 geformuleerde vragen te rapporteren en te adviseren;

indien één van partijen gerede bezwaren heeft tegen deze benoeming, dient dit binnen een week na heden schriftelijk kenbaar gemaakt te worden aan het hof;

bepaalt dat, na rapportage en advies van de bijzondere curator omtrent de zorgregeling, de zaak verder op de stukken zal worden afgedaan tenzij het hof, al dan niet op gemotiveerd verzoek van één van partijen, anders beslist;

bepaalt dat de advocaat van de vrouw zo spoedig mogelijk na de datum van deze beschikking (een afschrift van) de processtukken, alsmede de contactgegevens van partijen ter beschikking van de bijzondere curator zal stellen;

bepaalt dat de kosten van de bijzondere curator ten laste van 's Rijks kas zullen komen tot een maximaal bedrag van € 900,-, inclusief verschotten en omzetbelasting, een en ander met inachtneming van het hiervoor in rechtsoverweging 5.15 bepaalde;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mrs. I.M. Dölle, A.W. Beversluis en C. Koopman, bijgestaan door mr. I.G. Vos als griffier, en is op 10 april 2018 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.