Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:3375

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
10-04-2018
Datum publicatie
12-04-2018
Zaaknummer
200.225.613/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Hof maakt korte metten met appel tegen contact- en gebiedsverbod.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.225.613/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/18/177936/KG ZA 17/180)

arrest in kort geding van 10 april 2018

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [A] ,

appellant,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: [appellant] ,

advocaat: mr. M.S. Gerson, kantoorhoudend te Amsterdam,

en

[geïntimeerde] ,

wonende te [B] ,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna: [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. H. Siesling-Vellinga, kantoorhoudend te Leeuwarden.

1 Het geding in eerste aanleg

1.1

Bij kort gedingdagvaarding van 2 augustus 2017 heeft [geïntimeerde] gevorderd [appellant] met onmiddellijke ingang te verbieden:

1. zich gedurende de periode van twee jaar na betekening van het vonnis te bevinden of

op te houden op de volgende locaties:

- het woonadres van [geïntimeerde] en de kinderen aan de [a-straat 1] te [B]

en de directe omgeving daarvan,

- de locatie en de directe omgeving van de [C]

,

- de locatie en de directe omgeving van de [D]

,

- de locatie en de directe omgeving van de [E]

,

- de locaties en de directe omgeving van alle uitwedstrijden en toernooien die de

kinderen, in welk verband ook (eigen club of [F] ), spelen,

- de beide locaties en directe omgeving van de school van de kinderen [G]

,

- de locatie en de directe omgeving van het adres van de vaste oppas van de kinderen,

[H] ,

- de locatie en de directe omgeving van de werkgever van [geïntimeerde] , [I]

,

een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,— per overtreding

van dit verbod, althans [appellant] te verbieden zich te bevinden of op te houden in een door

de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen gebied op straffe van verbeurte van

een dwangsom van € 1.000,-- per overtreding,

2. telefonisch, schriftelijk, elektronisch en/of in persoon contact op te nemen met [geïntimeerde]

en/of de kinderen, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,-- per

overtreding,

3. om zich op onrechtmatige wijze, in woord of geschrift, direct of indirect, in het openbaar

waaronder tevens wordt verstaan via internet, websites of weblog op het internet of

anderszins uit te laten over [geïntimeerde] , meer in het bijzonder om [geïntimeerde] te beschuldigen

van het maken van porno en plegen van belastingfraude, valsheid in geschrifte of

soortgelijke misdrijven, of daarnaar verwijzende opmerkingen te maken, op straffe van

verbeurte van een dwangsom van € 1.000,-- per overtreding,

met veroordeling van [appellant] in de kosten van de procedure, te vermeerderen met de

wettelijke rente vanaf veertien dagen na betekening van dit vonnis tot aan de dag van

algehele voldoening.

1.2

[appellant] heeft verweer gevoerd en geconcludeerd tot afwijzing van de vorderingen van [geïntimeerde] .

1.3

Na een mondelinge behandeling van de zaak op 14 augustus 2017 heeft de voorzieningenrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, bij vonnis van 7 september 2017, waarvan beroep,

(5.1) [appellant] met onmiddellijke ingang verboden om zich gedurende de periode van een jaar te bevinden of op te houden op de volgende locaties:

- het woonadres van [geïntimeerde] en de kinderen aan de [a-straat 1] te [B]

en de directe omgeving daarvan,

- de locatie en de directe omgeving van de [C]

,

- de locatie en de directe omgeving van de [D]

,

- de locatie en de directe omgeving van de [E]

,

- de beide locaties en de directe omgeving van de school van de kinderen, [G]

,

- de locatie en de directe omgeving van het adres van de vaste oppas van de kinderen,

[H] ,

- de locatie en de directe omgeving van de werkgever van [geïntimeerde] , [I]

;

(5.2) [appellant] met onmiddellijke ingang voor de periode van een jaar verboden telefonisch,

schriftelijk, elektronisch en/of in persoon contact op te nemen met [geïntimeerde] en/of de

kinderen;

(5.3) [appellant] met onmiddellijke ingang verboden om zich op onrechtmatige wijze, in

woord of geschrift, direct of indirect, in het openbaar waaronder tevens wordt verstaan via

internet, websites of weblog op het internet of anderszins uit te laten over [geïntimeerde] , meer in

het bijzonder om [geïntimeerde] te beschuldigen van het maken van porno en plegen van

belastingfraude, valsheid in geschrifte of soortgelijke misdrijven, of daarnaar verwijzende

opmerkingen te maken;

en bepaald dat [appellant] een dwangsom van € 250,-- verbeurt per overtreding van het

verbod onder 5.1, 5.2 of 5.3. met een maximum van € 5.000,--.

Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en de proceskosten zijn tussen partijen gecompenseerd.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure is als volgt:

- de dagvaarding in hoger beroep van 29 september 2017;

- he herstelexploot van 12 oktober 2017;

- de memorie van grieven van 21 november 2017;

- de memorie van antwoord van 16 januari 2018.

2.2

[geïntimeerde] heeft de stukken overgelegd en arrest gevraagd, en het hof heeft arrest bepaald.

2.3

In hoger beroep heeft [appellant] bij memorie van grieven - afwijkend van het petitum van de appeldagvaarding - gevorderd dat het hof het vonnis waarvan appel vernietigt en opnieuw rechtdoende de vorderingen van [geïntimeerde] alsnog afwijst met haar veroordeling in de kosten van beide procedures en te bepalen zoals het hof in goede justitie vermeent te behoren.

2.4

[geïntimeerde] heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het beroepen vonnis met veroordeling van [appellant] in de kosten van het geding in beide instanties.

3 De beoordeling door het hof

De feiten

3.1

Tegen de vaststelling door de voorzieningenrechter van de feiten zijn geen bezwaren ingebracht, zodat het hof ook van deze feiten zal uitgaan. Deze feiten luiden, bewerkt en aangevuld door het hof, als volgt.

3.2

Partijen hebben een affectieve relatie gehad, uit welke relatie zijn geboren [J] , geboren [in] 2005 in de gemeente [B] , erkend door [appellant] op 30 mei 2005, en [K] , geboren [in] 2009 in de gemeente [B] , erkend door [appellant] op 28 oktober 2009. Partijen hebben, althans hadden, gezamenlijk het gezag over [J] . [geïntimeerde] heeft alleen het gezag over [K] . De kinderen verblijven bij [geïntimeerde] .

3.3

Bij verzoekschrift, bij de rechtbank binnengekomen op 28 september 2016,

zaaknummer C/18/170445/FA RK 16-2713, heeft [appellant] verzocht, voor zover mogelijk

uitvoerbaar bij voorraad:

- partijen gezamenlijk te belasten met het gezag over [K] ,

- een contactregeling tussen hem en de kinderen vast te stellen van:

- een weekend per veertien dagen,

- en inhoudende dat hij de kinderen iedere maandag, dinsdag, donderdag en vrijdag uit

school haalt en naar training brengt, waarna [geïntimeerde] de kinderen weer kan ophalen of na het eten weer naar [geïntimeerde] brengt,

- alsmede gedurende de helft van de vakanties en feestdagen,

althans te bepalen zoals de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren.

Bij verweerschrift, tevens zelfstandig verzoek, heeft [geïntimeerde] verzocht om de verzoeken van

[appellant] af te wijzen. Bij zelfstandig verzoek heeft zij verzocht haar alleen te belasten met

het gezag over [J] .

3.4

In de beschikking van de rechtbank van 7 maart 2017 is onder meer overwogen dat de rechtbank het, gelet op de escalaties rondom de contactregeling en de wijze waarop

partijen tegenover elkaar staan, niet verantwoord acht om de contactregeling tussen [appellant]

en de kinderen op dat moment te laten voortduren. Binnen het onderzoek van de Raad voor de kinderbescherming (hierna: de raad) kan meegenomen worden of en wanneer en op welke wijze er contacten tussen [appellant] en de kinderen zullen plaatsvinden, aldus de rechtbank.

3.5

Bij genoemde beschikking van 7 maart 2017 is bepaald dat er voorlopig, totdat nader

is beslist, geen omgang is tussen [appellant] en de kinderen, tenzij de raad binnen het

raadsonderzoek beslist dat er contacten tussen hem en de kinderen zullen plaatsvinden.

Voorts is de raad verzocht een onderzoek in te stellen met betrekking tot het gezag en de

omgangs-/contactregeling met betrekking tot de kinderen.

3.6

Bij brief van 17 juli 2017 van drs. [L] , voorzitter van het College van

Bestuur van Openbaar Onderwijs Groningen is [appellant] naar aanleiding van een incident op

13 juli 2017 op de school [M] te [B] een school- en pleinverbod van een

jaar opgelegd.

3.7

In het rapport en advies van de raad van 23 juni 2017 is als advies opgenomen - kort gezegd - het gezag over [K] en [J] aan [geïntimeerde] te laten toekomen en niet aan [appellant] , en een geclausuleerde omgangsregeling tussen [appellant] en de kinderen vast te leggen. Bij brief van 9 augustus 2017 aan de rechtbank heeft de raad laten weten dit advies op grond van nieuwe ontwikkelingen en informatie te heroverwegen. In een in november 2017 uitgebracht nader advies heeft de raad geconcludeerd dat contact tussen de kinderen en [appellant] op dat moment in strijd is met de ontwikkelingsbehoeften van de kinderen en is geadviseerd het verzoek van [appellant] om vaststelling van een contact regeling af te wijzen. Het hof is niet bekend of de rechtbank inmiddels een nadere uitspraak heeft gedaan met betrekking tot het gezag of de contactregeling.

De motivering van de beslissing

3.8

[appellant] heeft tien grieven ontwikkeld tegen het vonnis van de voorzieningenrechter. [geïntimeerde] heeft deze alle weersproken. Het hof zal de grieven afzonderlijk bespreken.

3.9

In zijn eerste grief betwist [appellant] dat [geïntimeerde] een spoedeisend belang heeft bij haar vordering. Er is geen reële of recente dreiging van onrechtmatig handelen van zijn kant die een voorziening zoals getroffen kan rechtvaardigen.

3.10

[geïntimeerde] betwist dat: [appellant] heeft haar en de kinderen voortdurend lastiggevallen en hij heeft haar zwart gemaakt bij instanties en derden en/of daarmee gedreigd. Ook na het vonnis van 7 september 2017 is [appellant] doorgegaan met zijn kwalijke gedragingen; zo wordt hij nog regelmatig gezien in het winkelcentrum nabij de woning van [geïntimeerde] , terwijl hij daar niets te zoeken heeft. Ook heeft [appellant] begin november 2017 de partner van een kennis van [geïntimeerde] benaderd met de mededeling dat [geïntimeerde] die kennis bij haar werkgever in diskrediet zou willen brengen.

3.11

Met [geïntimeerde] is het hof van oordeel dat hetgeen zij gevorderd heeft uit zijn aard spoedeisend is. Het wangedrag van [appellant] in het recente verleden, voorafgaand aan het vonnis van 7 september 2017, staat in voldoende mate vast en is ernstig genoeg om er belang bij te hebben dat dat gedrag op korte termijn een halt wordt toegeroepen. De eerste grief faalt daarom.

3.12

Grief 2 is gericht tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat [geïntimeerde] haar vorderingen mede als wettelijk vertegenwoordiger van de kinderen heeft ingesteld. [appellant] stelt dat de kinderen het niet met het gevorderde eens zijn en dat het gevorderde niet in het belang van de kinderen is.

3.13

[geïntimeerde] heeft een machtiging van de kantonrechter overgelegd tot het optreden in rechte in de kort-gedingprocedure in eerste aanleg, voor zover nodig. Het gevorderde is naar haar inzien wel in het belang van de kinderen; dat blijkt ook uit de rapportage van de raad.

3.14

Het hof verwerpt deze grief. [geïntimeerde] heeft als met het gezag beklede ouder het recht en de taak om voor de belangen van de kinderen op te komen, en in beginsel ook om zelfstandig te bepalen wat die belangen inhouden. Het hof acht die bepaling in dit geval op juiste wijze verricht, gelet op de vaststaande feiten en omstandigheden. Bovendien heeft de kantonrechter [geïntimeerde] , voor zover dat noodzakelijk mocht zijn, gemachtigd om de kort- gedingprocedure mede namens de kinderen te voeren. Het hof acht die machtiging tevens van kracht voor de procedure in hoger beroep, mede nu [geïntimeerde] tot verder procederen gedwongen wordt doordat [appellant] in beroep is gekomen.

3.15

Met grief 3 komt [appellant] op tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat de door [geïntimeerde] gepresenteerde feiten en omstandigheden een straat- en contactverbod rechtvaardigen. Hij betwist het als onberekenbaar en gevaarlijk afgeschilderde beeld van hem dat [geïntimeerde] schetst. Partijen hebben een verschillend beeld van hun relatie, [geïntimeerde] neemt nu een slachtofferrol aan en schuift het gezamenlijk verleden van partijen op [appellant] af. Er is alleen ruimte voor toewijzing van ingrijpende maatregelen zoals een straat- en contactverbod wanneer de persoonlijke veiligheid van [geïntimeerde] en de kinderen niet op een andere manier te bereiken is. Daarvan is in de ogen van [appellant] geen sprake: er is onvoldoende reële dreiging van zijn kant van onrechtmatig handelen van zodanige ernst dat dergelijke verboden gerechtvaardigd zouden zijn.

3.16

[geïntimeerde] wijst erop dat zij met concrete voorbeelden duidelijk heeft gemaakt dat er sprake is van zeer kwalijk gedrag met ernstige en schadelijke gevolgen. [appellant] lijkt daar geen besef van te hebben en verandert zijn gedrag niet, zoals hij dat ook tijdens de relatie niet deed.

3.17

Gezien de door [geïntimeerde] omschreven feiten en gedragingen van [appellant] , onderbouwd door vele in het dossier aanwezige bewijsstukken, alsmede gezien de inhoud van het rapport van de raad van 23 juni 2017 (het recentere rapport van de raad is niet in het geding gebracht), is het hof van oordeel dat deze grief van [appellant] illustreert dat hem inzicht in de effecten van zijn handelen op [geïntimeerde] en de kinderen ten enenmale ontbreekt. Het is duidelijk dat in het verleden meermalen door meerdere personen en instanties is geprobeerd [appellant] tot het inzicht te brengen dat niet alleen zijn eigen perceptie van de realiteit van belang is om tot een manier van omgaan met elkaar te komen die ook voor [geïntimeerde] en de kinderen aanvaardbaar en niet bedreigend is. Het is evenzeer duidelijk dat [appellant] voor degelijke inzichten niet openstaat (en wellicht niet kan openstaan). In een dergelijke situatie zijn in redelijkheid geen andere, minder ingrijpende maatregelen voorhanden dan de door de voorzieningenrechter opgelegde verboden, om tot een voor [geïntimeerde] en de kinderen aanvaardbare en niet bedreigende situatie te komen. De grief faalt.

3.18

In zijn vierde grief betwist [appellant] het oordeel van de voorzieningenrechter dat het niet onaannemelijk is dat hij zonder straat- en contactverbod bij de woning van [geïntimeerde] of van de oppas zal verschijnen. Hij is daar al heel lang niet meer geweest en is dat ook niet van plan.

3.19

[geïntimeerde] bestrijdt dat [appellant] niet meer bij haar woning is geweest; een buurvrouw heeft hem daar gesignaleerd en zijzelf heeft hem in een straat erachter gezien. Daarnaast wijst zij erop dat [appellant] zich nergens iets van aantrekt en geheel zijn eigen gang gaat, en geen inzicht heeft welke impact dat op [geïntimeerde] en de kinderen heeft, zodat de voorzieningenrechter terecht [appellant] ’ bewegingsvrijheid heeft ingeperkt.

3.20

Het hof verwijst naar zijn constatering zoals verwoord in overweging 3.17 hierboven. Er is naar het oordeel van het hof sprake van een situatie die een voortdurende druk en spanning op [geïntimeerde] en de kinderen legt doordat steeds onzeker is of [appellant] iets onwenselijks zal ondernemen of ergens zal opduiken. Dat is een situatie die zij niet behoeven te accepteren en die, gelet op [appellant] ’ gedrag in het verleden en zijn ongevoeligheid voor correctie, vraagt om voldoende ruime maatregelen om de druk en spanning zoveel mogelijk weg te nemen. Het ligt juist door dat verleden en die ongevoeligheid inderdaad niet voor de hand om aan te nemen dat [appellant] zich zonder dergelijke maatregelen wel zodanig zal gedragen dat de door hem veroorzaakte druk en spanning binnen aanvaardbare grenzen blijven. Daarom is het verbod op zijn plaats en faalt de grief.

3.21

Grief 5 is gericht tegen het verbod met betrekking tot de scholen en voetbalvelden. Zodoende kan [appellant] de kinderen ook niet zien of ophalen op een neutrale plek. Bovendien wil [J] graag dat [appellant] bij voetbal komt kijken. Verder heeft [appellant] al een pleinverbod voor school zodat [geïntimeerde] bij een eigen verbod daaromtrent geen belang heeft.

3.22

[geïntimeerde] verwijst naar het raadsrapport van eind november 2017, waarin de raad concludeert dat contact tussen [appellant] en de kinderen op dat moment niet in het belang van de kinderen is, sterker nog: in strijd is met hun ontwikkelingsbehoeften, zodat de raad adviseert het verzoek van [appellant] om vaststelling van een contactregeling op dit moment af te wijzen. [geïntimeerde] meent dat de wens van [J] dat [appellant] bij het voetbal kan komen kijken voortvloeit uit zijn loyaliteit, maar dat dat niet de conclusie van de raad wegneemt dat contact in strijd is met het belang van de kinderen. Op het pleinverbod zoals door de school is uitgevaardigd heeft [geïntimeerde] geen invloed, zodat zij wel belang heeft bij een zelfstandig verbod daaromtrent.

3.23

Het hof volstaat met een verwijzing naar de overwegingen 3.17 en 3.20 hierboven, die mutatis mutandis ook voor dit verbod gelden en dat kunnen dragen. Ook hetgeen [geïntimeerde] stelt omtrent het pleinverbod is juist en draagt aan dit oordeel bij. De grief faalt.

3.24

Grief 6 is gericht tegen het straatverbod voor de omgeving van de werkgever van [geïntimeerde] . Er heeft zich slechts één incident bij een vorige werkgever van [geïntimeerde] voorgedaan met [appellant] en daarna niet meer. Daarnaast kan [appellant] de werkplek van [geïntimeerde] moeilijk vermijden als hij in de stad is. De gevorderde inbreuk op [appellant] ’ bewegingsvrijheid gaat te ver.

3.25

Volgens [geïntimeerde] heeft [appellant] zich niet alleen schuldig gemaakt aan een scene op de stoep voor het kantoor van haar voormalige werkgever, maar heeft hij ook meermalen contact gezocht met de werkgever en met [geïntimeerde] tijdens haar werkzaamheden bij haar nieuwe werkgever. Door dergelijk gedrag loopt zij de kans haar baan kwijt te raken, zodat het verbod op zijn plaats is.

3.26

Ook deze grief faalt om dezelfde redenen waarom de grieven 3, 4 en 5 falen. [appellant] heeft niet concreet gesteld waarom hij in de buurt van [geïntimeerde] ’s werkplek moet kunnen zijn, zodat een nadere motivering voor de verwerping van deze grief niet nodig is.

3.27

In zijn zevende grief stelt [appellant] dat een contactverbod niet nodig is. Van veelvuldig lastigvallen of contact zoeken is niet gebleken en is ook geen sprake. [geïntimeerde] heeft de telefoon van de kinderen voor [appellant] geblokkeerd, zodat hij sindsdien geen contact meer met ze heeft gehad.

3.28

[geïntimeerde] stelt dat voldoende naar voren is gekomen dat [appellant] haar en de kinderen veelvuldig lastigvalt. Dat hij de kinderen nu niet meer lastigvalt is haars inziens slechts vanwege het opgelegde contactverbod; zodra dat vervalt zal [appellant] naar [geïntimeerde] ’s verwachting weer volledig “losgaan”.

3.29

Deze grief deelt het lot van de grieven 3 tot en met 6, op dezelfde gronden; hij faalt.

3.30

Met grief 8 bestrijdt [appellant] de toewijzing van het gevorderde sub 3 (hierboven weergegeven onder overweging 1.1 – toevoeging hof). Hij betwist zich schuldig te hebben gemaakt of te zullen maken aan het gedrag waar dit verbod betrekking op heeft.

3.31

[geïntimeerde] stelt dat [appellant] zich wel aan dat gedrag schuldig heeft gemaakt.

3.32

Het hof is van oordeel dat er voldoende bewijsmiddelen – voor zover daarvan in een kort gedingprocedure sprake moet zijn – zijn overgelegd om te kunnen vaststellen dat de stelling van [geïntimeerde] dat [appellant] zich aan het in het verbod vervatte gedrag schuldig heeft gemaakt, voldoende aannemelijk is. Haar vrees dat [appellant] dat gedrag zonder daarop gericht verbod niet achterwege zal laten acht het hof reëel, gelet op hetgeen hierboven al is overwogen met betrekking tot het gedrag en de geestesgesteldheid van [appellant] . De grief faalt.

3.33

Grief 9 is gericht tegen de oplegging van dwangsommen. [appellant] meent dat die niet hadden moeten worden opgelegd, omdat de vorderingen van [geïntimeerde] hadden moeten worden afgewezen.

3.34

[geïntimeerde] acht de dwangsommen noodzakelijk. Zonder dat dwangmiddel zou [appellant] gewoon zijn doorgegaan met zijn kwalijke gedragingen. Hij doet dat nu overigens ook.

3.35

Nu het hof de opgelegde verboden in stand laat, gaat het argument van [appellant] niet op. De grief faalt.

3.36

De tiende grief tenslotte is gericht tegen de oplegging van de verboden voor de duur van de verboden, te weten een jaar. Dit vormt een inbreuk op het aan een ieder toekomende recht zich vrijelijk te verplaatsen en er moet sprake zijn van feiten en omstandigheden die in hoge mate zo’n inbreuk rechtvaardigen. Daarvan is volgens [appellant] geen sprake.

3.37

[geïntimeerde] ment dat het verbod terecht is opgelegd. Het kwalijke gedrag van [appellant] schaadt in zodanige mate de belangen van [geïntimeerde] en de kinderen dat een inbreuk op het recht van [appellant] om zich vrijelijk te verplaatsen en vrijelijk te communiceren in dit gevalgerechtvaardigd is.

3.38

Uit hetgeen het hof tot nu toe in deze zaak heeft overwogen vloeit voort dat het hof de inbreuk op de rechten van [appellant] , die het gevolg is van de hem opgelegde verboden, in dit geval gerechtvaardigd acht. De afweging van de belangen van [appellant] tegen die van [geïntimeerde] en de kinderen leidt tot dat oordeel.

Voor het geval de grief specifiek tegen de duur van de opgelegde verboden is gericht, is het hof van oordeel dat deze duur redelijk en realistisch is. Het heeft onvoldoende zin om een kortere termijn te hanteren, gelet op de verwachting dat [appellant] zijn gedrag niet vrijwillig aanpast. Dat zou alleen maar tot een eerder volgend kort geding leiden en daarmee is niemand gediend.

3.39

Beide partijen hebben verzocht de ander in de proceskosten in beide instanties te veroordelen. Gezien de aard van de zaak en de omstandigheid dat partijen gewezen partners zijn ziet het hof thans nog geen aanleiding om van de gebruikelijke compensatie van de kosten af te wijken. Dat kan bij voortduren van het wangedrag van [appellant] anders worden.

4 De beslissing

Het hof, recht doende in kort geding in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van 7 september 2017 van de voorzieningenrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, waarvan appel;

compenseert de proceskosten in hoger beroep aldus dat elk van partijen de eigen kosten draagt.

Dit arrest is gewezen door mr. J.D.S.L. Bosch, mr. M.W. Zandbergen en mr. G. Jonkman, en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 10 april 2018.