Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:3357

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
10-04-2018
Datum publicatie
12-04-2018
Zaaknummer
200.199.724/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Door UMCG aan eiser (appellant) op goede gronden opgelegde restricties bij het betreden van het ziekenhuisterrein. Klachten daartegen treffen geen doel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2018-0317
GJ 2018/60
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.199.724/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/18/166542/ HA ZA 16-85)

arrest van 10 april 2018

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [A] ,

appellant,

in eerste aanleg: eiser,

hierna: [appellant],

advocaat: mr. M.G.J. Smit, kantoorhoudend te Rotterdam,

tegen

Universitair Medisch Centrum Groningen,

gevestigd te Groningen,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: het UMCG,

advocaat: mr. J. Zaal, kantoorhoudend te Groningen.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 26 september 2017 hier over.

1.2

Na dit tussenarrest heeft op 8 maart 2018 een comparitie van partijen plaatsgevonden. Het hiervan opgemaakte proces-verbaal bevindt zich in afschrift bij de stukken.

1.3

Daarna is arrest bepaald op basis van de beschikbare stukken.

2 De vaststaande feiten

2.1

Uitgaande van wat door de rechtbank onbestreden is vastgesteld en wat in hoger beroep verder is komen vast te staan, neemt het hof de volgende feiten bij de beoordeling tot uitgangspunt.

2.1.1

In een brief van 5 februari 2013 heeft het UMCG [appellant] de toegang tot het terrein van het UMCG ontzegd voor een periode van 12 maanden, eindigend op 25 januari 2014.

2.1.2

In een verstekvonnis van 9 oktober 2013 (hierna het eerste vonnis te noemen), heeft de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen op vordering van [appellant] beslist dat het UMCG [appellant] schriftelijk de reden van de ontzegging moet meedelen en dat het UMCG de ontzegging moet opheffen.

2.1.3

In een brief van 30 oktober 2013 heeft het UMCG [appellant] meegedeeld dat het UMCG geen verzet zal instellen tegen het verstekvonnis en dat het de door de rechtbank genomen beslissingen zal nakomen.

2.1.4

Het UMCG heeft in deze brief een opgave gedaan van hetgeen redengevend is geweest voor de ontzegging en heeft de ontzegging ingetrokken. In deze brief heeft het UMCG ook voorwaarden gesteld aan [appellant] om toegang te behouden tot het terrein van het UMCG. Deze voorwaarden luiden:

- U valt - ter beoordeling aan het UMCG - geen medewerkers van het UMCG lastig;

- Bij bezoek aan het UMCG kunt u aantonen dat dit is in het kader van een medische behandeling van uzelf of iemand die u begeleidt, danwel een bezoek aan een u bekende, in het UMCG opgenomen patiënt. Als hiernaar gevraagd wordt, kunt u hier adequaat antwoord op geven.

2.1.5

Het UMCG heeft [appellant] aangezegd dat als hij zich niet aan deze voorwaarden houdt, hem opnieuw de toegang tot het terrein van het UMCG zal worden ontzegd.

3 Het geschil en de beslissing van de rechtbank

3.1

In eerste aanleg heeft [appellant] veroordeling van het UMCG gevorderd, kort gezegd (i) tot nakoming van het eerste vonnis; (ii) tot opheffing van de aan hem gestelde voorwaarden; (iii) tot het op de hoogte brengen van de politie dat de ontzegging is opgeheven; (iv) tot het verschaffen van duidelijkheid over "de daadwerkelijke redenen" van de ontzegging; (v) tot betaling van een schadevergoeding; (vi) een met dwangsommen versterkte veroordeling van het UMCG voor iedere dag dat het UMCG niet heeft voldaan aan het eerste vonnis en (iiv) een met dwangsommen versterkte veroordeling van het UMCG voor iedere dag dat het UMCG niet aan het eerste vonnis heeft voldaan.

3.2

De voorzieningenrechter heeft al deze vorderingen afgewezen.

4 De vordering in hoger beroep

4.1

[appellant] heeft in dit hoger beroep zijn vordering gewijzigd en gevorderd dat het vonnis van 1 juni 2016 wordt vernietigd, met veroordeling van het UMCG tot betaling van € 4.000,- aan immateriële schade, te vermeerderen met wettelijke rente, en het opleggen van de verplichting aan het UMCG om 'het verbod weg te laten halen bij de politie', kosten rechtens. Tegen deze wijziging is geen bezwaar gemaakt, terwijl ook niet is gebleken dat de wijziging strijdig is met de regels van een goede procesorde. Het hof zal daarom uitgaan van de gewijzigde eis.

5 De beoordeling van de grieven

5.1

De voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat de vordering die ertoe strekt dat de politie van de opheffing van de ontzegging op hoogte wordt gebracht, erop afstuit dat niet valt te begrijpen welk belang [appellant] daarbij heeft. Tegen deze overweging is geen grief gericht. Voor zover [appellant] heeft bedoeld die vordering in andere bewoordingen te handhaven, moet het hoger beroep om die reden worden verworpen. Voor zover met de formulering 'het verbod weg te halen bij de politie' is bedoeld de strekking van de vordering in enig opzicht te wijzigen, strandt het hoger beroep op de constatering dat die gewijzigde vordering het zonder begrijpelijke onderbouwing moet stellen.

5.2

Ter zitting heeft de advocaat van [appellant] bevestigd dat de vordering tot vergoeding van immateriële schade uitsluitend is gebaseerd op de stelling dat het UMCG zich heeft schuldig gemaakt aan smaad, laster en belediging. Deze vordering strandt op de constatering dat niets concreet is aangevoerd waarop dat verwijt kan worden gestoeld. Meer in het bijzonder zijn geen feiten of omstandigheden gesteld of gebleken waaruit de conclusie zou kunnen worden getrokken dat (enige medewerker van) het UMCG in enig opzicht enig subjectief recht van [appellant] heeft geschonden.

5.3

In aanvulling op het voorgaande overweegt het hof het volgende.

5.4

In de memorie van grieven wordt bij herhaling opgemerkt dat het [appellant] erom te doen is dat het eerste vonnis wordt nagekomen. Aan die stelling is in het gevorderde geen invulling gegeven. Het volgende wordt daarom ten overvloede overwogen.

5.5

De termijn van de ontzegging waarover in het eerste vonnis is geoordeeld, is inmiddels verstreken. Het UMCG heeft [appellant] na het eerste vonnis niet langer de toegang tot het terrein ontzegd. Het UMCG heeft wel aanleiding gezien de toegang nu en in de toekomst slechts onder voorwaarden toe te staan. De feitelijke aanleiding daarvoor is van de zijde van [appellant] niet gemotiveerd bestreden: hij heeft bij herhaling medewerkers van het UMCG op hun werkplek bezocht en heeft hij zich ook toegang weten te verschaffen tot een gebouw dat alleen voor medewerkers van het UMCG toegankelijk is. Hij heeft zich daarbij gedragen op een wijze die als bedreigend en intimiderend is ervaren. Onder die omstandigheden staat niets eraan in de weg dat het UMCG aan het betreden van het ziekenhuisterrein voorwaarden stelt, zo lang die voorwaarden voldoen aan de daaraan te stellen eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Dat is hier het geval, aangezien de voorwaarden die zijn gesteld [appellant] in staat stellen zich op die plaatsen te bevinden waar hij enig te respecteren belang bij heeft. Het hof ziet niet in dat de beslissing in het eerste vonnis daar iets aan kan afdoen.

5.6

Hoewel ook daar in de vordering en de grieven geen invulling aan is gegeven, blijkt uit de stukken en het verhandelde ter zitting dat [appellant] zich met name in zijn belangen geschaad acht doordat de heer Kattestaart, een beveiligingsmedewerker van het UMCG, de belofte niet zou zijn nagekomen een drietal vragen van [appellant] te beantwoorden, en omdat de ware reden voor de ontzegging nog steeds niet aan hem zou zijn meegedeeld. Het hof treft in het dossier echter geen aanknopingspunt aan voor enige (nadere) vordering tegen het UMCG ter zake, noch op grond van het leerstuk van onrechtmatige daad, noch op grond van smaad, laster of belediging, noch anderszins.

5.7

De conclusie luidt dat de grieven falen en het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd, met veroordeling van [appellant] in de kosten van het hoger beroep (tariefgroep II, 2 punten).

6 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

Bekrachtigd het vonnis waarna beroep;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van het UMCG vastgesteld op € 718,- voor verschotten en op € 1.788,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

veroordeelt [appellant] in de nakosten, begroot op € 131,- met bepaling dat dit bedrag zal worden verhoogd met € 68,-- in geval [appellant] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak heeft voldaan én betekening heeft plaatsgevonden;

verklaart dit arrest ten aanzien van de daarin vervatte veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mr. M.W. Zandbergen, mr. H. de Hek en mr. L. Janse en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag 10 april 2018.