Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:3351

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
10-04-2018
Datum publicatie
12-04-2018
Zaaknummer
200.187.349/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schadevergoeding na mishandeling. Causaal verband tussen verlies verdienvermogen en mishandeling onvoldoende onderbouwd. Hoogte smartengeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2018-0316
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.187.349/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/19/110470 / HA ZA 15-116)

arrest van 10 april 2018

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [A] ,

appellant,

in eerste aanleg: eiser,

hierna: [appellant],

advocaat: mr. M.J. de Vries, kantoorhoudend te Groningen,

tegen

1 [geïntimeerde1] ,

wonende te [B] ,

hierna: [geïntimeerde1],
advocaat: mr. M.A. Pasma, kantoorhoudend te Groningen,

2. [geïntimeerde2] ,

wonende te [C] ,

hierna: [geïntimeerde2],
advocaat: mr. F.M. Meis, kantoorhoudend te Groningen,

3. [geïntimeerde3] ,

wonende te [D] ,

hierna: [geïntimeerde3],
advocaat mr. F.M. Meis, kantoorhoudend te Groningen,

geïntimeerden,

in eerste aanleg: gedaagden,

hierna gezamenlijk te noemen: [geïntimeerden] c.s.

Het hof neemt het tussenarrest van 4 juli 2017 hier over.

1 Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep

1.1

Bij genoemd tussenarrest heeft het hof een comparitie van partijen gelast. De comparitie is op 13 maart 2018 gehouden. [appellant] heeft toen een akte overlegging producties genomen. Het proces-verbaal van de comparitie bevindt zich bij de gedingstukken.

1.2

Ter comparitie hebben partijen arrest gevraagd op het overgelegde dossier en op de aanvullende stukken, waarna arrest is bepaald op heden.

2 De vaststaande feiten

2.1

De rechtbank heeft in rechtsoverweging 2 (2.1 tot en met 2.8) de feiten vastgesteld. Tegen deze feitenvaststelling zijn geen grieven gericht en ook overigens is niet van bezwaren gebleken. Het hof zal dan ook uitgaan van de door de rechtbank vastgestelde feiten die, aangevuld met enkele andere vaststaande feiten, op het volgende neerkomen.

2.2

Op 1 oktober 2011 is [appellant] mishandeld door [geïntimeerden] c.s. Als gevolg daarvan heeft hij een fractuur van het rechter jukbeen en van de bodem van de rechter oogkas opgelopen. Op
2 oktober 2011 heeft een operatieve behandeling (repositie) van de fracturen plaatsgevonden. [appellant] verliet het ziekenhuis op 3 oktober 2011. Bij controle op 12 oktober 2011 was er nog sprake van een geringe postoperatieve zwelling. Het beloop was verder goed.

2.3

Vanaf oktober 2011 tot juli 2013 is [appellant] onder behandeling geweest bij GGZ-Drenthe, afdeling Kinder- en Jeugdpsychiatrie. In een brief van 19 september 2013 heeft GGZ-Drenthe onder meer het volgende geschreven aan de huisarts van [appellant] :
"Aard en ernst van het letsel:
[appellant] heeft forse klachten t.a.v. prikkelbaarheid, snel afgeleid zijn, slechte concentratie, stress, vergeetachtigheid en herbelevingen.
Diagnostische omschrijving
PTSS bij een jongeman die in korte tijd 3 keer is mishandeld en bedreigd.
Classificatie volgens DSM4R/DCO-3
(…)
AS I:
(309.81) Posttraumatische stress-stoornis (primaire diagnose)
(…)
AS IV:
(10) Problemen binnen de primaire steungroep
(…)
Advies en beleid:
Wat betreft toedracht van de mishandeling. [appellant] is buiten zijn schuld om, mishandeld door een aantal jongeren, zodanig dat hij forse PTSS klachten heeft overgehouden waarvoor behandeling noodzakelijk is.
De behandeling die is ingezet is EMDR.
De prognose voor behandeling is goed."

2.4

In een rapportage ten behoeve van politie en justitie d.d. 10 februari 2012 schrijft forensisch arts [E] , verbonden aan Forensische Geneeskunde GGD Drenthe, het volgende over [appellant] :

"Op verzoek (...) heb ik op 21 december 2011 de heer [appellant] gezien in verband met het verzoek om een letselonderzoek te verrichten naar aanleiding van een mishandeling op 1 oktober 2011.

(...)

Omdat hij eens eerder het slachtoffer is geweest van een geweldmisdrijf heeft de nu aangegeven mishandeling psychische gevolgen gehad waarvoor hij zich onder behandeling heeft gesteld van GGZ Drenthe. (...)

Een andere klacht die de heer [appellant] mij heeft aangegeven is een asymmetrie in zijn gezicht

(...) De kaakchirurg heeft hierover echter wel informatie kunnen geven. Op de postoperatieve

controle van de foto is een goede repositie van de fractuurdelen te zien, die niet volledig

anatomisch is. Bij meting, aan de hand van de opnamen van een CT scan, is er tussen de linker en rechterzijde een verschil van 2 mm zichtbaar. De kaakchirurg geeft aan dat een dergelijk verschil doorgaans klinisch niet zichtbaar is, maar als hij de heer [appellant] van voren bekijkt is hem wel duidelijk wat de heer [appellant] daarmee bedoelt en is er toch een klein links/rechtsverschil zichtbaar. (...) Er kan dus sprake blijven van een klein anatomisch links/rechtsverschil. (...) De heer [appellant] heeft verder aangegeven door het voorval ook psychische klachten te hebben gekregen, waarvoor hij onder behandeling is gekomen van de GGZ Drenthe.

De interpretatie van zijn psychische klachten valt buiten mijn competentiegebied, maar het is wel invoelbaar dat er door het aangegeven voorval psychische problematiek kan worden

geluxeerd."

2.5

In een rapport van 25 oktober 2013 van bedrijfsarts [F] , de medisch adviseur van Heling & Partners, van 25 oktober 2013, is onder meer het volgende vermeld:

"Er zijn erg weinig medische gegevens voorhanden. (...)

Er is tot het moment van mishandeling sprake van een blanco voorgeschiedenis. (...)

Op 2 oktober 2011 vond een operatieve correctie van het rechterjukbeen en de oogkas plaats. Hoewel de operatie geslaagd is, is er sprake gebleven van een asymmetrie in het gelaat, waarbij het rechterkaakkopje 3 mm afstaat. Daarnaast is er sprake van een doof gevoel in de ooghoek.

(...)

Betrokkene heeft na het ongeval psychische klachten ontwikkeld. Hij werd prikkelbaar, vergat dingen en had nergens zin meer in. In die periode heeft hij ook zijn studie beëindigd. Hij was er al langere tijd van overtuigd dat hij iets anders, meer commercieel wilde, maar de gevolgen van het ongeval hebben hem het laatste zetje gegeven. Het werk op zich was niet het probleem, maar betrokkene kon de mishandeling niet uit zijn hoofd krijgen. Hij kreeg herbelevingen en werd naar de GGZ verwezen.
(…)

Informatie GGZ Drenthe 19 september 2013 (. .):

Diagnostische omschrijving: PTSS bij een jongeman die in korte tijd 3 maal is mishandeld en bedreigd. (...)

Bij onderzoek op 18 september 2013 werd een niet zieke jongeman gezien met een duidelijk asymetrisch gelaat. Tijdens het consult van een uur vallen geen duidelijke concentratiestoornissen op; betrokkene blijft gedurende het gesprek alert en geeft adequate antwoorden. Ook geheugenstoornissen worden in dit consult niet gezien. Van enige prikkelbaarheid is sprake wanneer doorgevraagd wordt op het beëindigen van zijn werk. (…)

Ten aanzien van de fysieke beperkingen kan worden gesteld dat deze betrokkene weliswaar in het

dagelijks leven belemmeren bij kauwen en dergelijke, maar niet van invloed zijn op zijn

belastbaarheid.

Ten aanzien van de psychische beperkingen valt op dat er een discrepantie is tussen de mate van

beperkingen zoals die naar voren komt in het consult van 18 september 2013 en de berichtgeving

van de behandelaar van 19 september 2013. Van belang is dat in beide gevallen de mate van

concentratieverlies, geheugenproblematiek en afleidingsgevoeligheid onvoldoende geobjectiveerd

is c q. kan worden.

Het is onduidelijk in hoeverre deze beperkingen betrokkene hinderen in het maken van

(opleidings)keuzes of dat naast de gevolgen van het ongeval ook onzekerheid over toekomstkeuzes

een rol spelen of hebben gespeeld."

2.6

In een brief over [appellant] van psychiater [G] , verbonden aan GGZ Drenthe,

van 22 mei 2014 staat onder meer te lezen:

"Eind december 2013 kwam patiënt bij ons in zorg, nadat hij al bij de afdeling Kinder- en

Jeugdpsychiatrie van de GGZ Drenthe was geweest, maar hij kon niet voldoende profiteren van de aldaar aangeboden behandeling. Bij de intake bleek dat er sprake was van klachten die ontstaan waren naar aanleiding van een ernstige mishandeling: prikkelbaarheid, nachtmerries en herbeleving. Diagnostisch gezien bleek er sprake te zijn van een posttraumatische stress-stoornis, en tevens waren er forse systeemproblemen aanwezig, waarvoor reeds gesprekken met de systeemtherapeut in gang waren gezet. Patiënt leek er moeite mee te hebben om emoties (en met name woede) op adequate wijze te ervaren en vervolgens ook te uiten. Dit bemoeilijkte de behandeling en was ons inziens mede een reden van de stagnatie in het herstel. Daarom hebben wij patiënt toen aangemeld voor psychomotore therapie (PMT), wat in februari daadwerkelijk begonnen is. In april is patiënt echter niet meer verschenen op de afspraken bij de PMT. En inmiddels is de systeemtherapie ook afgesloten, waarbij patiënt zelf het bij de laatste sessie eveneens liet afweten: alleen zijn vader was toen aanwezig."

2.7

In een Voortgangsverslag van Heling & Partners van 26 maart 2014, opgesteld door registerarbeidsdeskundige [H] , is onder meer opgenomen:

"Van 1 juli 2010 tot 1 augustus 2012 was betrokkene bij Broekhuis in Assen in dienst als leerling eerste monteur. Hij had hier een arbeidsovereenkomst voor de duur van de opleiding tot eerste monteur. Daarna heeft Broekhuis hem een contract voor onbepaalde tijd aangeboden als monteur. Gezien het incident dat op 1 oktober 2011 plaatsvond heeft betrokkene echter besloten hier niet op in te gaan. Doordat hij de aangeboden arbeidsovereenkomst heeft afgewezen heeft hij geen WW-uitkering kunnen aanvragen.
`Van 1 januari tot en met 13 juni 2013 heeft betrokkene als commercieel medewerker gewerkt bij GMSF."

2.8

Op 14 juli 2012 schreef [appellant] op Facebook:
"auto verkocht, eindelijk lang vakantie en gestopt met automonteur met als vooruitzicht offshore werken op een booreiland."

2.9

[geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] zijn op 18 september 2012 en [geïntimeerde3] is op 4 december 2013 door de

strafrechter onherroepelijk veroordeeld voor de hiervoor bedoelde mishandeling van
[appellant] . De vorderingen die [appellant] in de betreffende strafprocessen als benadeelde partij tegen [geïntimeerden] c.s. heeft ingediend zijn hoofdelijk toegewezen tot een bedrag van € 3.049,97
(€ 1.049,97 materiële schade en € 2.000,00 immateriële schade). [appellant] is in het resterende deel van zijn vorderingen niet-ontvankelijk verklaard.

2.10

In aanvulling op de door [geïntimeerden] c.s. betaalde vergoeding van € 2.000,00 aan immateriële schadevergoeding heeft het Schadefonds Geweldsmisdrijven

aan [appellant] op 5 februari 2013 een tegemoetkoming van € 575,00 in immateriële schade

toegekend. Daarnaast heeft het fonds een tegemoetkoming in materiële schade van
€ 20,00 toegekend voor twee nachten die [appellant] in het ziekenhuis heeft verbleven.

2.11

In een brief van 18 oktober 2017 aan de huisarts van [appellant] heeft kaakchirurg dr. [I] onder meer het volgende geschreven:
"Patiënt is in 2011 behandeld aan een zygomafractuur rechts. Voorheen had hij nooit pijnklachten in het aangezicht. Sinds het trauma zijn deze in wisselende mate aanwezig. In 2013 heeft een behandeling met dry needling effect gehad. Nadien is patiënt een splint gaan dragen en daarmee zijn de klachten tot ongeveer een jaar geleden redelijk onder controle geweest. In het afgelopen jaar zijn deze, ondanks regelmatig dragen van de splint, weer toegenomen en treden er naast pijnklachten in de regio van de masseter rechts soms ook slotverschijnselen op.
Patiënt is zich niet bewust van klemmen of knarsen en meldt in de anamnese geen andere parafuncties.
Bij onderzoek valt echter wel op dat de m. masster beiderzijds flink is ontwikkeld. Op basis hiervan is de conclusie dat de huidige klachten toch weer het gevolg zijn van overbelasting van de kauwmusculatuur. De oorsprong hiervan lijkt nog altijd te liggen in het trauma van 2011.
Hierbij het verzoek aan collega Bron om patiënt opnieuw op te ropen voor dry needling. Indien dit onvoldoende effect heeft kan patiënt weer contact met mij opnemen. We zouden dan een proef kunnen starten met amitriptyline."

2.12

In een brief van 19 december 2017 aan de advocaat van [appellant] heeft klinisch psycholoog [J] van GGZ Drenthe onder meer het volgende geschreven:
"De heer [appellant] werd medio 2017 door de huisarts naar de polikliniek van GGZ Drenthe verwezen in verband met een vermoeden van een post traumatische stressstoornis, gerelateerd aan de ervaring van ernstige mishandeling door een groep jongens in 2011. Ik breng alleen verslag uit van deze bevindingen, aangezien hij in 2013 en daarna, niet bij mij in beeld was en u van die periode al eens van mijn collega [G] , psychiater, informatie heeft gekregen.
Op grond van de intakeprocedure bij mij, in oktober 2017, heb ik geconcludeerd dat er diagnostisch gezien sprake is van een chronische, persisterende post traumatische stressstoornis. Hij heeft klachten van, flashbacks, nachtmerries, dagelijks denken aan de mishandeling ervaring, angstklachten, waakzaamheid, inslaapproblemen en op zijn hoede zijn als hij alleen in het donker, op pad is. Hij is bang voor herhaling en hij ervaart de wereld en de mensen als onveilig. De idee van: het kan weer gebeuren en mensen zijn niet te vertrouwen speelt een rol. Hierdoor is hij na het trauma veranderd van een spontane jongeman, in iemand die zich terug is gaan trekken. Hij ervaart vooral gevoelens van verdriet en angst als hij bij het trauma en de gevolgen ervan, stilstaat. Hij heeft moeite met het ervaren van positieve emoties en hij heeft een verminderde belangstelling voor zaken. Zijn klachten hinderen hem ook in zijn functioneren op het werk.
Dhr. [appellant] is nog niet in behandeling. Hij staat op een wachtlijst bij onze polikliniek voor een traumabehandeling. Een cognitieve gedragstherapie, in combinatie met emdr of eventueel imaginaire exposure. De verwachting is dat deze behandeling in januari geëffectueerd gaat worden.
Ik ga er van uit dat deze behandeling effectief zal zijn en dat de PTSS klachten en symptomen hierdoor af zullen nemen, waardoor hij beter zal functioneren.
Deze behandelingen zijn evidence based, dat wil zeggen dat wetenschappelijk is aangetoond dat het bij deze problematiek de meest effectieve interventies zijn."

3 De procedure en de beslissing in eerste aanleg

3.1

[appellant] heeft [geïntimeerden] c.s. gedagvaard en gevorderd dat voor recht wordt verklaard dat zij hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de door hem geleden en nog te lijden schade als gevolg van de mishandeling op 1 oktober 2011 en worden veroordeeld om aan hem te betalen een bedrag van € 50.320,88 als voorschot op de schadevergoeding en bedragen van ruim € 5.000,- aan deskundigenkosten en ruim € 10.000,- aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met rente en proceskosten. In het lichaam van de dagvaarding is aangegeven dat [appellant] ook verwijzing naar de schadestaat vordert. Het bedrag van € 50.320,88 is opgebouwd uit een bedrag van € 1.515,35 aan overige schade, € 45.805,53 aan verlies verdienvermogen voor de periode van 1 april 2014 tot en met 31 augustus 2016 en € 3.000,- aan nog niet vergoed smartengeld. Aan de vordering betreffende het verlies verdienvermogen heeft [appellant] ten grondslag gelegd dat hij na het afronden van zijn opleiding bij Broekhuis eind juli 2012 vanwege de gevolgen van de mishandeling niet in staat was als eerste monteur te werken en om die reden de hem door Broekhuis aangeboden baan heeft moeten weigeren. Nadien heeft hij geen vast werk gevonden. Hij is vanwege de bij hem ontstane PTSS afgekeurd voor een baan bij de landmacht. Om zijn kansen op de arbeidsmarkt te vergroten is hij per 1 september 2014 met een tweejarige opleiding gestart, maar hij heeft die niet afgerond. Inmiddels is hij al weer enige tijd aan het werk. Bij de berekening van het verlies verdienvermogen is [appellant] uitgegaan van het inkomen dat hij zou hebben verdiend bij Broekhuis.

3.2

[geïntimeerden] c.s. hebben gemotiveerd verweer gevoerd. Nadat de rechtbank een comparitie van partijen had gelast en deze comparitie had plaatsgevonden, heeft de rechtbank ten aanzien van het verlies verdienvermogen overwogen dat er onvoldoende causaal verband bestaat tussen de mishandeling en het gestelde verlies verdienvermogen. Volgens de rechtbank was het de eigen keuze van [appellant] om te stoppen bij Broekhuis. [appellant] heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zijn psychische klachten hem hebben belemmerd om bij Broekhuis te (blijven) werken, aldus de rechtbank.
De rechtbank achtte de vordering tot vergoeding van immateriële schade toewijsbaar tot een bedrag van € 1.425,-, waarbij de rechtbank uitging van een bedrag van € 4.000,- en op dit bedrag bedragen van € 2.000,- (het door de politierechter toegewezen bedrag) en € 575,- (het door het Schadefonds Geweldsmisdrijven toegekende bedrag) in mindering bracht.
Van de post overige schade is volgens de rechtbank een bedrag van € 902,20 toewijsbaar.
De rechtbank wees de vorderingen betreffende de deskundigenkosten en de buitengerechtelijke kosten af.
Omdat zijzelf de schade al had begroot, zag de rechtbank geen grond voor een verwijzing naar de schadestaat.
Al met al veroordeelde de rechtbank [geïntimeerden] c.s. tot betaling van een bedrag van € 2.334,20, te vermeerderen met wettelijke rente en verklaarde zij voor recht dat [geïntimeerden] c.s. hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de door [appellant] geleden en nog te lijden schade. [appellant] werd als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij door de rechtbank in de proceskosten veroordeeld.

4 Bespreking van de grieven

4.1

Met de grieven I tot en met III komt [appellant] op tegen het oordeel van de rechtbank over het verlies verdienvermogen. In de toelichting op de grieven komt [appellant] ook op tegen het oordeel van de rechtbank over de omvang van het smartengeld. Grief IV betreft de beslissing van de rechtbank tot afwijzing van de gevorderde kosten voor fysiotherapie (onderdeel van de post overige schade). Het hof stelt vast dat geen grieven zijn gericht tegen afwijzing van de vorderingen betreffende de deskundigenkosten en de buitengerechtelijke kosten. Ook is geen grief gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat het door het Schadefonds geweldsmisdrijven toegekende bedrag in mindering strekt op de vordering van [appellant] op [geïntimeerden] c.s. Het hof kan zich dan ook beperken tot de posten verlies verdienvermogen, smartengeld en kosten fysiotherapie.

4.2

De grieven I tot en met III betreffende het verlies verdienvermogen en het smartengeld hangen met elkaar samen. Het hof zal ze dan ook tezamen bespreken. Bij deze bespreking stelt het hof voorop dat de feitelijke grondslag van de vordering van [appellant] ook in hoger beroep, naar de advocaat van [appellant] desgevraagd bij gelegenheid van de comparitie van partijen uitdrukkelijk heeft aangegeven, is dat [appellant] in de situatie zonder ongeval na afronding van zijn opleiding als monteur bij Broekhuis in dienst zou zijn getreden. De schade die [appellant] geleden heeft en nog lijdt bestaat dan ook uit het verschil tussen het inkomen dat [appellant] als monteur bij Broekhuis zou hebben ontvangen en het inkomen dat hij nu ontvangt, aldus [appellant] . Bij deze feitelijke grondslag is voor de toewijsbaarheid van de vordering van [appellant] noodzakelijk dat causaal verband bestaat tussen het niet aanvaarden door [appellant] van de baan bij Broekhuis en de mishandeling. Indien geen sprake is van dat causaal verband, ontbreekt een grondslag voor de vordering van [appellant] tot vergoeding van schade vanwege verlies verdienvermogen, zoals de advocaat van [appellant] bij gelegenheid van de comparitie in hoger beroep ook heeft aangegeven, nu niet is aangevoerd dat indien dat causaal verband ontbreekt toch ook nog sprake is van een verschil in inkomen tussen de hypothetische situatie zonder ongeval en de feitelijke situatie.

4.3

Het hof staat dan ook voor de vraag of sprake is van causaal verband tussen het vertrek van [appellant] bij Broekhuis en (het letsel als gevolg van) de mishandeling. Bij het beantwoorden van die vraag stelt het hof het volgende vast:

- ten tijde van de mishandeling werkte [appellant] in het kader van een leer- werktraject als automonteur bij Broekhuis. Na de mishandeling is hij enkele weken uitgevallen, maar daarna heeft hij zijn opleiding en werk weer hervat tot het einde van zijn opleiding, op
1 augustus 2012. Broekhuis heeft hem per die datum een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd als automonteur aangeboden;
- bedrijfsarts [F] heeft in zijn in rechtsoverweging 2.5 aangehaalde rapport van
25 oktober 2013 in de anamnese vermeld dat [appellant] er al langere tijd van overtuigd was dat hij iets anders, meer commercieel, wilde gaan doen en dat de gevolgen van het ongeval hem “het laatste zetje (hebben) gegeven”;
- uit het in rechtsoverweging 2.7 aangehaalde voortgangsverslag van Heling & Partners volgt dat [appellant] na zijn vertrek bij Broekhuis enige maanden werkloos is geweest en met ingang van 1 januari 2013 gedurende bijna een half jaar als commercieel medewerker heeft gewerkt;
- op Facebook heeft [appellant] als verklaring voor zijn vertrek bij Broekhuis gegeven dat hij op een booreiland wil gaan werken.

4.4

De hiervoor vermelde feiten wijzen er niet op dat [appellant] , zoals hij stelt, vanwege de door hem ondervonden (psychische) klachten is gestopt bij Broekhuis. Als die klachten hem al hinderden, vormde dat voor Broekhuis geen beletsel om [appellant] een vast contract aan te bieden. Kennelijk functioneerde [appellant] desondanks naar behoren. Het lijkt er veeleer op dat [appellant] voor zichzelf geen toekomst als automonteur zag, maar een andere carrière ambieerde. Het rapport van bedrijfsarts [F] - een commerciële functie - en het Facebookbericht - werken in de offshore - wijzen in die richting, evenals het feit dat [appellant] na enkele maanden in een commerciële functie is gaan werken.

4.5

[appellant] , op wie op dit punt de stelplicht en bewijslast rusten, heeft naar het oordeel van het hof dan ook onvoldoende onderbouwd dat hij wanneer de mishandeling niet zou hebben plaatsgevonden wel per 1 augustus 2012 voor onbepaalde tijd bij Broekhuis in dienst zou zijn getreden als automonteur. Ook indien zijn klachten, zoals [appellant] stelt, hem hinderden bij zijn werk als automonteur, hij bang was om uit te vallen vanwege die klachten en hij om die reden het aanbod van Broekhuis niet heeft geaccepteerd, is daarmee nog niet voldoende aannemelijk dat [appellant] zonder die klachten het aanbod van Broekhuis wel zou hebben geaccepteerd. Uit de door [appellant] gedane uitlatingen volgt immers dat hij op zoek was naar een andere uitdaging. Dat [appellant] (voornamelijk) vanwege zijn klachten een andere uitdaging zocht, heeft hij onvoldoende aannemelijk gemaakt.

4.6

De slotsom is dat de grieven I tot en met III van [appellant] falen voor zover zij de vorderingen inzake het verlies verdienvermogen betreffen, nu de feitelijke grondslag van deze vorderingen onvoldoende is onderbouwd. Het hof merkt op dat de grieven betreffende deze vorderingen berusten op een onjuiste lezing van het vonnis voor zover ze erover klagen dat de rechtbank ten onrechte een beroep op schending van de schadebeperkingsplicht heeft gehonoreerd. De rechtbank heeft de vorderingen betreffende het verlies verdienvermogen niet afgewezen vanwege schending van de schadebeperkingsplicht door [appellant] maar vanwege het ontbreken van causaal verband tussen de mishandeling en de keuze van [appellant] om bij Broekhuis te vertrekken. Voor de rechtbank was (terecht) bepalend dat [appellant] niet aannemelijk had gemaakt dat hij in de situatie zonder mishandeling bij Broekhuis zou zijn gebleven, niet dat hij in de feitelijke situatie na de mishandeling een keuze heeft gemaakt waarvan de gevolgen (geheel of gedeeltelijk) voor zijn rekening moeten komen.

4.7

De rechtbank heeft de hoogte van het smartengeld wel, in de bewoordingen van de rechtbank, ‘gematigd’ tot € 4.000,- vanwege schending van de schadebeperkingsplicht door [appellant] . Volgens de rechtbank is de frustratie van [appellant] over het einde van zijn carrière als automonteur het gevolg van de eigen keuze van [appellant] om te stoppen en weegt de afkeuring voor een functie bij de Koninklijke Landmacht vanwege PTSS in 2014 niet mee, omdat [appellant] er zelf voor heeft gekozen om de psychologische behandeling in verband met PTSS-klachten te stoppen. [appellant] komt naar het hof de grieven van [appellant] verstaat, mede in het licht van de ter comparitie gegeven toelichting, op tegen dit oordeel. Volgens hem heeft hij zijn schadebeperkingsplicht niet geschonden door te stoppen met de psychologische behandeling, maar kon (en wilde) hij de kosten ervan niet betalen. Hij betoogt verder dat van een slachtoffer niet teveel kan worden gevergd en dat het stopzetten van de psychologische behandeling niet aan hem kan worden toegerekend en wijst erop dat nog steeds sprake is van hinderlijke fysieke beperkingen, onder meer aan zijn kaak en aangezichtsspieren, en van aanzienlijke psychische klachten.

4.8

Het hof is, met [appellant] , van oordeel dat hij aanzienlijk letsel heeft opgelopen bij de mishandeling. Uit de overgelegde medische stukken volgt dat niet alleen sprake is van psychische klachten, maar ook van fysiek letsel, waarvan [appellant] nu, geruime tijd na de mishandeling, nog hinder ondervindt en medische behandelingen moet ondergaan. Ook indien er, met [geïntimeerden] c.s., van moet worden uitgegaan dat de psychische klachten van [appellant] zouden zijn weggenomen of zijn verminderd indien hij de psychologische behandeling niet zou hebben afgebroken, rechtvaardigen het fysieke letsel en de psychische klachten die hij de eerste tijd na de mishandeling heeft ondervonden, en de gevolgen daarvan voor zijn dagelijks leven, mede in het licht van de aard van de aansprakelijkheid van [geïntimeerden] c.s., toewijzing van een bedrag aan smartengeld van € 5.000,-, het door [appellant] passend geachte bedrag. Bij deze stand van zaken kan in het midden blijven wat de reden is van het afbreken van de psychologische behandeling, welke gevolgen het afbreken heeft gehad en of die gevolgen geheel aan [appellant] moeten worden toegerekend zoals de rechtbank heeft gedaan, nu bij schending van de schadebeperkingsplicht eerst een causale afweging dient te worden gemaakt, waarna eventueel nog een billijkheidscorrectie dient plaats te vinden.

4.9

Nu in hoger beroep niet ter discussie staat dat op het bedrag van € 5.000,- aan smartengeld een bedrag van € 2.575,- in mindering strekt, resteert een vordering van
€ 2.425,-, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de door [appellant] gevorderde ingangsdatum 18 november 2015, de datum van het vonnis in eerste aanleg. De grieven I tot en met III slagen in zoverre, nu de rechtbank slechts een bedrag van € 1.425,- toewijsbaar oordeelde.

4.10

[appellant] heeft de kosten van de door hem ondergane behandelingen bij de fysiotherapeut gevorderd. De rechtbank heeft die kosten afgewezen omdat het causaal verband onvoldoende is onderbouwd. Met grief IV komt [appellant] op tegen dit oordeel. [geïntimeerden] c.s. menen dat geen sprake is van causaal verband. Zij voeren bovendien aan dat deze kosten onder het bereik van de ziektekostenverzekering van [appellant] vallen.

4.11

Naar het oordeel van het hof volgt uit de door [appellant] overgelegde overzichten van zijn zorgverzekeraar dat [appellant] in de loop van 2013 negen behandelingen heeft ondergaan bij een fysiotherapeut in Groningen. Voor deze behandelingen heeft de fysiotherapeut steeds
€ 40,- in rekening gebracht. De verzekeraar vergoedde daarvan € 22,67, met als toelichting:
“Voor deze zorg vergoeden wij een standaardtarief. Het gedeclareerde bedrag is hoger dan dit standaardtarief. Hierdoor ontvangt u geen volledige vergoeding.”
In het licht hiervan acht het hof voldoende aannemelijk geworden dat de verzekeraar van [appellant] , anders dan [geïntimeerden] c.s. betogen, niet de volledige kosten van fysiotherapie voor haar rekening nam. De afrekeningen van de ziektekostenverzekeraar bieden ook geen grond voor de gedachte dat het niet vergoede bedrag betrekking had op het eigen risico van [appellant] , nu in de overzichten een eigen risico van € 0,00 wordt vermeld en geen melding wordt gemaakt in mutaties van het eigen risico. Indien [geïntimeerden] c.s. hebben willen aanvoeren dat de reiskosten van en naar de fysiotherapeut door de ziektekostenverzekering kunnen worden vergoed en om die reden geen schade vormen, hebben zij die stelling onvoldoende onderbouwd.

4.12

[appellant] heeft dan ook aannemelijk gemaakt dat hij de door hem gevorderde (reis)kosten in verband met fysiotherapie heeft gemaakt. In zijn grief heeft hij toegelicht dat de asymmetrie tot een verkramping van de aangezichtsspieren heeft geleid waardoor hij zijn kaken niet goed kon bewegen. Vanwege die klachten is hij doorverwezen naar de fysiotherapeut, aldus [appellant] . Deze toelichting van [appellant] vindt steun in de medische stukken. In de in rechtsoverweging 2.11 aangehaalde brief van kaakchirurg [I] is aangegeven dat [appellant] in 2013 vanwege pijnklachten in het aangezicht een behandeling met dry needling heeft ondergaan. [appellant] heeft deze behandeling bij gelegenheid van de comparitie in hoger beroep omschreven als “een soort acupunctuur”. Een dergelijke behandeling wordt verricht door een fysiotherapeut. Nu de gevorderde kosten betrekking hebben op een fysiotherapeutische behandeling in 2013, heeft [appellant] voldoende onderbouwd dat de kosten betrekking hebben op de verwijzing door de kaakchirurg in 2013, welke verwijzing volgens de kaakchirurg noodzakelijk was vanwege de pijnklachten in het aangezicht. Uit de aangehaalde brief volgt dat de kaakchirurg causaal verband tussen deze pijnklachten en de bij de mishandeling ontstane fractuur aannemelijk acht.

4.13

In het licht van de (in hoger beroep wel) gemotiveerd onderbouwde stelling van [appellant] over het bestaan van causaal verband hebben [geïntimeerden] c.s. hun betwisting van het causaal verband onvoldoende onderbouwd. Het hof zal dan ook aan het verweer van [geïntimeerden] c.s. voorbij gaan.

4.14

Grief IV slaagt. De gevorderde kosten - € 147,78 aan reiskosten en € 155,97 aan voor eigen rekening komende kosten van de behandeling, in totaal € 303,75 - komen dan ook voor vergoeding in aanmerking.

4.15

De slotsom is dat grieven I tot en met III gedeeltelijk - voor zover ze betrekking hebben op het smartengeld - slagen en dat grief IV geheel slaagt. Het hof acht, mede in aanmerking genomen het reeds in eerste aanleg ter zake van medische behandelingen toegewezen bedrag van € 909,20 een totaalbedrag van € 3.637,95 toewijsbaar. [appellant] is in hoger beroep betreffende twee van de drie in hoger beroep ter discussie staande schadeposten in het gelijk gesteld. Betreffende de andere schadepost wordt hij niet in het gelijk gesteld. Met die schadepost is een aanzienlijk hoger bedrag gemoeid dan met de beide andere schadeposten tezamen. Het hof ziet in een en ander aanleiding de proceskosten van het geding in hoger beroep te compenseren.

4.16

Het hof zal het vonnis in eerste aanleg vernietigen voor wat betreft het door de rechtbank toegewezen bedrag, maar het vonnis voor het overige in stand laten. Dat betekent dat het hof ook de proceskostenveroordeling ten laste van [appellant] in stand laat. De reden daarvan is dat [appellant] in eerste aanleg ook betreffende twee andere schadeposten - de kosten van de deskundige en de buitengerechtelijke kosten - in het ongelijk is gesteld en om die reden als de overwegend in het ongelijk gestelde partij heeft te gelden.

5 De beslissing
Het gerechtshof, rechtdoende in hoger beroep:
bekrachtigt vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 18 november 2015, behoudens voor zover voor zover de rechtbank in rechtsoverweging 5.2 de vordering van [appellant] heeft beperkt tot een bedrag van € 2.334,20 in hoofdsom;
vernietigt genoemd vonnis voor zover de rechtbank in rechtsoverweging 5.2 de vordering van [appellant] heeft beperkt tot een bedrag van € 2.334,20 in hoofdsom,
en in zoverre opnieuw rechtdoende:
veroordeelt [geïntimeerde1] , [geïntimeerde2] en [geïntimeerde3] hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt de anderen zullen zijn bevrijd, om aan [appellant] te betalen een bedrag van € 3.637,95, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van 18 november 2015 tot de dag van volledige betaling;
verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin dat partijen ieder de eigen kosten dragen;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. H. de Hek, mr. M.M.A. Wind en mr. W.T.H. Braams en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op
10 april 2018.