Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:3336

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
11-04-2018
Datum publicatie
25-04-2018
Zaaknummer
WAHV 200.195.582
Rechtsgebieden
Strafprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet de rijbaan gebruiken. Waarde van de eed die de verbalisant heeft afgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 200.195.582

11 april 2018

CJIB 188686195

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

zittingsplaats Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam

van 13 mei 2016

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [A] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie genomen beslissing ongegrond verklaard.

Het procesverloop

De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De betrokkene heeft schriftelijk een nadere toelichting gegeven op het beroep.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een reactie te geven op de nadere toelichting op het beroep. Hiervan is geen gebruik gemaakt.

Beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 90,- opgelegd ter zake van “als bestuurder van een motorvoertuig niet de rijbaan gebruiken (bijv. laten stilstaan op trottoir/voetpad/etc.)”, welke gedraging zou zijn verricht op 4 maart 2015 om 08:32 uur op de Iepenweide te Barendrecht met het voertuig met het kenteken [00-YY-YY] .

2. De betrokkene ontkent dat hij op de stoep heeft geparkeerd. De betrokkene kwam dagelijks ter plaatse om zijn kinderen naar school te brengen. Hij zag de politie elke ochtend controleren en zou nooit een boete riskeren. De betrokkene maakt bezwaar tegen het oordeel van de kantonrechter dat de verbalisant geen aankondiging van beschikking op zijn auto achter hoefde te laten. Volgens de betrokkene heeft hij daardoor geen getuigen meer kunnen zoeken. Als de agent even had gewacht, had hij de betrokkene kunnen aanspreken. Verder meent de betrokkene dat er geen bewijs is geleverd voor de overtreding. Het verbaast de betrokkene dat hij kennelijk bewijs moet leveren van het tegendeel. De verbalisant zou een eed hebben afgelegd, maar de betrokkene is daar niet bij geweest. Verder vraagt hij zich af of alle agenten in God geloven. Zo niet, dan stelt deze eed niets voor. Een agent kan ook fouten maken, bewust of onbewust. Tot slot klaagt de betrokkene over de lengte van de procedures.

3. Anders dan de betrokkene ziet het hof geen aanleiding te betwijfelen dat de verbalisant is beëdigd. In de aankondiging van de beschikking heeft de verbalisant aangegeven dat hij zijn verklaring op ambtseed heeft afgelegd. In het zaakoverzicht zijn de gegevens van de verbalisant opgenomen, waaronder zijn naam, zijn rang (brigadier van politie) en het ambtenaarnummer. Kennelijk heeft de verbalisant uit geloofsovertuiging gekozen voor het afleggen van de eed. Niet-religieuze ambtenaren kunnen ervoor kiezen de (seculiere) ambtsbelofte af te leggen.

4. In zaken betreffende de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) biedt de verklaring van de verbalisant in beginsel een voldoende grondslag voor de vaststelling dat de gedraging is verricht. Dat is anders indien de betrokkene voor zijn zaak specifieke feiten en omstandigheden aanvoert, die aanleiding geven te twijfelen aan de juistheid van één of meer onderdelen van de verklaring dan wel indien uit het dossier zulke feiten en omstandigheden blijken.

5. Bij de stukken bevindt zich een aankondiging van beschikking, met daarop het kenteken, de locatie en de datum en tijd als onder 1. vermeld. Verder is daarop de volgende ambtsedige verklaring van de verbalisant opgenomen:
“Ik, ambtenaar, zag/hoorde/stelde na onderzoek vast dat op genoemde datum, tijdstip en plaats door betrokkene/verdachte met het omschreven voer-/vaartuig de volgende gedraging/overtreding werd verricht: parkeren op trottoir. (…) Personenauto stond met de linker 2 wielen op het trottoir. Personenauto stond tevens niet in een vak geparkeerd. Ter plaatse is een parkeerzonering, bord E1, van kracht.”

6. Het enkel ontkennen van de gedraging en het opwerpen van de suggestie dat de verbalisant een fout kan hebben gemaakt, is onvoldoende om twijfel aan de verklaring van de verbalisant te rechtvaardigen. Naar het oordeel van het hof staat op basis van deze verklaring vast dat de gedraging is verricht.

7. Artikel 4, derde lid, van de Wahv luidt als volgt:
“Een aankondiging van de beschikking kan worden uitgereikt aan degene tot wie zij zich richt of kan worden achtergelaten in of aan het motorrijtuig.”

8. Voormelde bepaling geeft de verbalisant de mogelijkheid om een aankondiging van beschikking achter te laten, maar verplicht hem daartoe niet. De kantonrechter heeft dit verweer van de betrokkene dan ook terecht verworpen. De inleidende beschikking is op 16 april 2015 – dus ruim binnen de wettelijke termijn van vier maanden na de gedraging – aan de betrokkene toegezonden. Er is geen sprake van een zodanig tijdsverloop dat de betrokkene daardoor redelijkerwijs geen adequaat verweer meer kon voeren tegen de sanctie.

9. Ten aanzien van de klacht over de duur van de procedure overweegt het hof dat in navolging van vaste rechtspraak van de hoogste bestuursrechters bij arrest van 3 maart 2017 (gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:GHARL:2017:1777) is geoordeeld dat de redelijke termijn van berechting wordt geschonden als de procedure in eerste aanleg – inclusief administratief beroep – langer dan twee jaar duurt. Deze termijn start op het moment dat het bestuursorgaan een handeling verricht waaraan een betrokkene in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat hem een boete zal worden opgelegd. Ook voor het hoger beroep is de redelijke termijn van berechting maximaal twee jaar. Die termijn gaat in op het moment dat het rechtsmiddel is ingesteld.

10. Het hof stelt vast dat in deze zaak de redelijke termijn van berechting zowel in eerste aanleg als in hoger beroep niet is overschreden.

11. Geen van de klachten slaagt. Het hof bevestigt de beslissing van de kantonrechter.

Beslissing

Het gerechtshof:

bevestigt de beslissing van de kantonrechter.

Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Huizenga als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.