Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:3329

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
10-04-2018
Datum publicatie
12-04-2018
Zaaknummer
200.149.031/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Arbeidszaak. Ontbinding beëindigingsovereenkomst (vaststellingsovereenkomst) vanwege een tekortkoming van de werkgever in de nakoming van zijn verplichtingen uit die overeenkomst, te weten schending van het beding om zich niet negatief over elkaar uit te laten.

De uit de ontbinding voortvloeiende ongedaanmakingsverplichting omvat de verplichting van de werkgever om zijn medewerking te verlenen aan het herstel van de oorspronkelijke arbeidsovereenkomst.

Het niet nakomen van die verplichting levert een toerekenbare tekortkoming op en maakt de werkgever schadeplichtig.

Die schade van de werknemer bestaat uit gederfd inkomen tot aan de datum waarop de (herstelde) arbeidsovereenkomst geëindigd zou zijn. Dat is in dit geval de datum waarop de kantonrechter de arbeidsovereenkomst voorwaardelijk heeft ontbonden.

Tevens omvat die schade het derven van de ontbindingsvergoeding die de kantonrechter daarbij aan de werknemer heeft toegekend.

In die ontbindingsvergoeding moeten alle omstandigheden van het geval geacht worden te zijn meegewogen, zodat daarnaast niet nog aanspraak bestaat op aanvullende (immateriële) schadevergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2018-0460
JAR 2018/122
Prg. 2018/159
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.149.031/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen C/19/101066/ HA ZA 13-253)

arrest van 10 april 2018

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [A] ,

appellant in het principaal hoger beroep,

geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: eiser,

hierna: [appellant],

advocaat: mr. G.W. Brouwer, kantoorhoudende te Groningen,

tegen:

de stichting

Stichting Lentis Maatschappelijke Onderneming,

gevestigd te Zuidlaren,

geïntimeerde in het principaal hoger beroep,

appellante in het incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: Lentis,

advocaat: mr. F.J. Landstra, kantoorhoudende te Zwolle.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 9 mei 2017 hier over.

1.2

Het verdere verloop blijkt uit:

- het proces-verbaal van de op 17 januari 2018 gehouden comparitie van partijen;

- de gelijktijdig genomen akten van beide partijen na comparitie.

1.3

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

1.4

[appellant] vordert in hoger beroep in zijn memorie van grieven, samengevat, vernietiging van het vonnis van de kantonrechter te Assen van 3 september 2013 en van het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, van 19 februari 2014, en, opnieuw rechtdoende bij arrest, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
te verklaren voor recht dat de tussen partijen op 16 april 2012 gesloten vaststellingsovereenkomst met ingang van 5 juli 2012 buitengerechtelijk is ontbonden, en voorts:
primair:
- te verklaren voor recht dat daardoor het tussen partijen tot 1 juni 2012 bestaande dienstverband is herleefd per 5 juli 2012;
- te verklaren voor recht dat dit (herstelde, voortgezette en/of herleefde) dienstverband ingevolge de ontbindingsbeschikking van de kantonrechter te Groningen van 8 oktober 2012 met ingang van 1 november 2012 is ontbonden;
- Lentis te veroordelen tot doorbetaling van het salaris (€ 9.897,42 bruto per maand, inclusief vakantietoeslag en eindejaarsuitkering) tot de datum waarop dit dienstverband zal zijn geëindigd, te vermeerderen met wettelijke verhoging en wettelijke rente,
subsidiair:
- voor recht te verklaren dat Lentis tekort is geschoten in de nakoming van haar ongedaanmakingsverbintenissen voortvloeiend uit de ontbinding van de vaststellingsovereenkomst;
- Lentis op die grond te veroordelen tot betaling van:
a) een schadevergoeding van € 37.993,32 bruto, zijnde het loon dat [appellant] anders zou hebben ontvangen in de periode van 5 juli 2012 tot 1 november 2012, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 1 november 2012;
b) een schadevergoeding van € 273.341,19, zijnde de gederfde ontbindingsvergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 1 november 2012;
- voorwaardelijk, voor het geval de vordering hiervoor sub b) niet wordt toegewezen: een maandelijkse schadevergoeding gelijk aan het gederfde loon vanaf 1 november 2012 tot aan de AOW-leeftijd, te vermeerderen met wettelijke rente,
cumulatief:

- veroordeling van Lentis tot betaling van:
a) een aanvullende schadevergoeding ten bedrage van het loon dat [appellant] verdiend zou hebben bij GGZ-Friesland met het werkgeversaandeel in de pensioenpremie vanaf 1 november 2012 tot de AOW-gerechtigde leeftijd, te verminderen met wat [appellant] aan inkomen verwerft;
b) € 35.000,- netto aan immateriële schade;
c) € 21.564,31 bruto aan niet genoten verlofdagen, te vermeerderen met de wettelijke verhoging en wettelijke rente daarover vanaf 1 november 2012,

alles met veroordeling van Lentis in de proceskosten in beide instanties.

1.5

Bij akte na comparitie heeft [appellant] zijn vordering bedoeld onder cumulatief sub a) gewijzigd aldus, dat hij wegens gederfd salaris door het proeftijdontslag bij GGZ-Friesland
een schadevergoeding vordert van € 166.000,- bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 31 december 2012.

1.6

Lentis vordert in incidenteel hoger beroep bekrachtiging van het vonnis van de rechtbank van 19 februari 2014 voor zover in het vonnis de vorderingen van [appellant] zijn afgewezen en vernietiging van dat vonnis voor zover de vorderingen van [appellant] zijn toegewezen, met afwijzing van die vorderingen en veroordeling van [appellant] in de kosten in beide instanties.

2 De vaststaande feiten

2.1

Het hof gaat in hoger beroep uit van de volgende feiten.

2.2

Lentis is een zorgorganisatie die bestaat uit verschillende zorggroepen, waaronder de zorggroep Forint. Forint bestaat uit de afdelingen Intensieve Zorg Zuidlaren/forensisch psychiatrische afdeling (IZZ) en de Ambulante Forensische Psychiatrie Noord Nederland (AFPN). Onder IZZ vallen de locaties [B] en [C] .

2.3

[appellant] is psychiater. Op 1 maart 1998 is [appellant] op grond van een daartoe gesloten arbeidsovereenkomst in dienst getreden bij een rechtsvoorganger van Lentis, in de functie van arts-assistent. In de loop van de jaren is [appellant] doorgegroeid naar de functie van psychiater en manager inhoudelijke zaken. Door een reorganisatie is de leidinggevende functie van [appellant] opgeheven. Vanaf 1 januari 2011 is [appellant] werkzaam geweest als psychiater en behandelcoördinator op de locatie [C] van IZZ. Tevens was en bleef hij werkzaam voor de locatie [B] .

Het laatst door [appellant] verdiende salaris op basis van 32 uur per week bedroeg € 8.176,00 bruto (exclusief 8% vakantietoeslag en 6,75% eindejaarsuitkering).

Voorts ontving [appellant] een managementtoeslag van € 408,00 bruto per maand.

2.4

In juni 2011 heeft [D] , toentertijd als psycholoog werkzaam bij Lentis, geklaagd over het behandelklimaat op de locatie [C] . Lentis heeft naar aanleiding daarvan eerst een eigen onderzoek verricht. In overleg met Lentis heeft [appellant] daarop na de zomervakantie van 2011 zijn werkzaamheden alleen nog verricht op de locatie [B] .

2.5

Lentis heeft na het eigen onderzoek ook door het externe bureau Cordes een onderzoek laten verrichten naar de situatie op de locatie [C] .

Bij brief van 26 september 2011 heeft de Inspectie voor de Gezondheidszorg (hierna te noemen: de Inspectie) drie klachten van familieleden van patiënten en van een ex-patiënte aan Lentis doorgezonden. Volgens de brief van de Inspectie beklagen zij zich over de behandeling van hun familielid respectievelijk over hun eigen behandeling op de afdeling [B] en [C] , en spreken zij in het bijzonder hun ongenoegen uit over de bejegening door [appellant] . Lentis heeft deze brief doorgestuurd naar Cordes, die deze klachten heeft betrokken in haar onderzoek.

2.6

Cordes heeft op 22 november 2011 een eerste rapport uitgebracht. In dat rapport worden verschillende problemen gesignaleerd die bij [C] spelen. Als sleutelconflict wordt een conflict tussen de psychiater en de psycholoog benoemd.

2.7

Op 2 december 2011 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen de directie van Forint en [appellant] . Volgens het verslag dat van dat gesprek is opgemaakt, heeft Forint tijdens dat gesprek aan [appellant] kenbaar gemaakt dat het rapport van Cordes op zichzelf geen aanleiding gaf tot het nemen van maatregelen tegen hem, maar dat Lentis niettemin niet met hem verder wil, vanwege zijn negatieve opstelling na de reorganisatie en zijn problematische gedrag binnen diverse overlegvormen. Forint spreekt uit dat zij onvoldoende vertrouwen heeft in de steun van [appellant] voor de inhoudelijke koers en dat zij geen vertrouwen heeft in het alsnog veranderen van zijn omgangsstijl. Aan [appellant] wordt meegedeeld dat hij geoorloofd thuis kan blijven en dat nader contact met hem zal worden opgenomen.

2.8

[appellant] heeft zich op 5 december 2011 ziek gemeld.

2.9

[E] , lid van de directie van Forint, heeft op 27 december 2011 aan [appellant] medegedeeld dat, anders dan [appellant] kennelijk meende, hij niet uit zijn functie is ontheven maar dat de directie van Forint heeft aangegeven dat de functieuitoefening niet meer plaats zal vinden binnen Forint en dat de Raad van Bestuur met [appellant] in gesprek zal gaan over uitoefening van de eigen functie elders binnen de stichting.

2.10

Tussen Lentis en [appellant] heeft overleg plaatsgevonden over plaatsing van [appellant] op een andere zorggroep, te weten het FACT-team van zorggroep Linis.

Op 29 maart 2012 heeft [appellant] telefonisch contact opgenomen met [F] , voorzitter van de Raad van Bestuur van Lentis.
In een e-mail van 2 april 2012 aan [F] schrijft [appellant] in vervolg daarop:
“Voor de volledigheid meld ik je dat ik mij naar aanleiding van ons recente telefoongesprek, dd 29-03, waarin gesproken is over een wederzijdse beëindiging en dat ik vrijgesteld zou worden van werkzaamheden, vandaag niet bij het FACT-team heb gemeld. Ik ben trouwens nog in afwachting van het op schrift gestelde beëindigingsvoorstel per 01-06-2012.”

In antwoord daarop schrijft [F] aan [appellant] :
“Dank voor je mailtje. Ik pak vandaag e.e.a. op richting [G] [toev. hof: een medewerker P&O van Lentis]. (…)”
2.11 Partijen hebben vervolgens ter beëindiging van het dienstverband schriftelijk een door hen beide ondertekende overeenkomst gesloten, benoemd als “vaststellingsovereenkomst” en gedateerd op 16 april 2012. In artikel 1 van deze overeenkomst staat dat de arbeidsovereenkomst zal worden beëindigd “door middel van het ondertekenen van deze vaststellingsovereenkomst per 1 juni 2012, hierna te noemen: Einddatum, met wederzijds goedvinden”. Als grond voor de beëindiging vermeldt de overeenkomst dat tussen partijen verschil van inzicht bestaat over de wijze waarop de functie van [appellant] moet worden uitgeoefend, dat onvoldoende vertrouwen bestaat in een vruchtbare voortzetting en dat partijen elkaar dat niet kunnen verwijten. In de overeenkomst zijn verder, voor zover van belang, de volgende bepalingen opgenomen:

Eindafrekening
4. Lentis zal voor een correcte eindafrekening van het dienstverband zorg dragen en daartoe zal bij de eerstvolgende salarisronde na de Eindatum, het opgebouwde vakantiegeld, de (pro rata) eindejaarsuitkering en het verlofurensaldo inclusief LFB-uren aan [appellant] worden uitbetaald.
(…)
Communicatie en geheimhouding
13. Partijen onthouden zich nu en in de toekomst van negatieve uitlatingen over elkaar richting derden. Voorts onthouden zij zich, behoudens een wettelijke verplichting daartoe, aan derden verklaringen af te leggen, of anderszins uitlatingen te doen die de belangen van partijen kunnen schaden, een en ander in de ruimste zin des woords.
14. (…) Bij communicatie over de beëindiging van de arbeidsovereenkomst verwijzen partijen naar de redenen zoals vermeld in deze vaststellingsovereenkomst.
(…)
Finale kwijting
16. Met inachtneming en na uitvoering van het vorenstaande zullen partijen over en weer algeheel en finaal ten aanzien van elkaar gekweten zijn en hebben zij niets meer van elkaar te vorderen, (…).”

2.12

Op of omstreeks 24 april 2012 is een arbeidsovereenkomst tot stand gekomen tussen [appellant] en GGZ Friesland. Uit de akte waarin die arbeidsovereenkomst is neergelegd, blijkt dat [appellant] met ingang van 4 juni 2012 bij GGZ Friesland in dienst zal treden als psychiater.

2.13

Op 23 mei 2012 heeft [appellant] een brief ontvangen van de Evangelische Omroep (hierna: de EO), waarin wordt aangekondigd dat deze omroep in haar programma "De Vijfde Dag" aandacht zal besteden aan misstanden binnen een afdeling waar [appellant] werkt en dat hij in dat programma een grote rol zal gaan spelen.

2.14

De EO heeft [appellant] en Lentis in staat gesteld om het programma

“De Vijfde Dag” op 12 juni 2012 te bekijken voordat het zou worden uitgezonden en om op die “vooruitzending” een reactie te geven.

2.15

Op 13 juni 2012 heeft (de toenmalige advocaat van) [appellant] een e-mail van de EO ontvangen. Daarin is opgenomen, voor zover van belang:
Tevens melden we u dat Lentis inmiddels bij monde van dhr. [F] , voorzitter van de Raad van Bestuur, heeft gereageerd op de uitzending die zij gisteren hebben gezien. Zij geven onder meer aan dat het onderzoek - waarvan de uitkomsten ook in onze reportage zitten - de tekortkomingen aan het licht hebben gebracht die ook in ons programma naar voren komen. Tevens geven zij aan dat uw cliënt, dhr. [appellant] , van zijn functie als behandel coördinator van de afdeling [C] is ontheven in juli 2011, gezien zijn grote rol bij de problematiek. Ook geven zij aan dat hij in december 2011 volledig ontheven is van al zijn taken.

2.16

Op 14 juni 2012 heeft de EO het eerder aangekondigde programma uitgezonden. In die uitzending wordt een op 13 juni 2012 gedateerde brief van [F] namens de Raad van Bestuur getoond en voorgelezen. De brief luidt als volgt:
“Na het bekijken van de beelden voor de uitzending van De Vijfde Dag kan ik u de volgende reactie geven:
De problematiek die in de beelden naar voren komt is mij in juni 2011 schriftelijk gemeld door mevrouw [D] . Ik heb haar daarop uitgenodigd en haar signalen zeer serieus genomen door opdracht te geven tot een onderzoek door extern deskundigen. Ik heb mevrouw [D] op de hoogte gehouden middels de rapporten van dit onderzoek. Het onderzoek heeft de tekortkomingen aan het licht gebracht die in uw programma naar voren komen. Naar aanleiding van het onderzoek is een verbetertraject gestart dat momenteel loopt op de betreffende afdeling.
Wat de heer [appellant] betreft kan ik u meedelen dat ik en de directie van de betreffende afdeling hem gezien zijn grote rol bij de problematiek, in juli 2011 hebben ontheven van zijn functie als behandelcoördinator op de afdeling [C] en hem in december 2011 volledig hebben ontheven van al zijn taken. Per 1 juni 2012 is hij uit dienst.”

2.17

Per brief van 18 juni 2012 heeft GGZ Friesland aan [appellant] meegedeeld dat hij per 19 juni 2012 proeftijdontslag krijgt. In de brief staat verder, voor zover van belang:

“Hieraan ligt ten grondslag, dat wij voorafgaand aan en tijdens uw dienstverband met GGZ Friesland onvolledig door u zijn geïnformeerd over het arbeidsconflict tussen u en uw voormalige werkgever Lentis en de daarmee verband houdende vrijstelling van werkzaamheden.
Met het oog op het voorgaande, ontbreekt bij ons het vertrouwen in een vruchtbare toekomstige samenwerking.”

2.18

Op 5 juli 2012 heeft [appellant] de vaststellingsovereenkomst ontbonden.
De (huidige) advocaat van [appellant] heeft daartoe onder meer het volgende aan Lentis geschreven:
Met uw brief van 13 juni 2012 aan de EO-redactie De Vijfde Dag en uw op het intranet gepubliceerde reactie op het EO-programma van 15 juni 2012 heeft u deze artikelen [art. 13 en 14, hof] geschonden. U bent daardoor jegens cliënt toerekenbaar tekort geschoten in de nakoming van de vaststellingsovereenkomst. Op grond van deze tekortkoming ontbindt cliënt bij dezen, derhalve langs buitengerechtelijke weg, de hierboven aangeduide vaststellingsovereenkomst.”
In de brief stelt [appellant] zich per direct beschikbaar om op eerste afroep zijn werkzaamheden weer te verrichten en maakt hij aanspraak op loondoorbetaling vanaf 5 juli 2012.

2.19

Bij vonnis in kort geding van 8 oktober 2012 heeft de kantonrechter in de toenmalige rechtbank Groningen een vordering van [appellant] om Lentis bij wege van voorlopige voorziening te veroordelen tot doorbetaling van het loon vanaf 5 juli 2012 afgewezen. De voorzieningenrechter heeft daartoe overwogen dat door een (buitengerechtelijke) ontbinding van de vaststellingsovereenkomst de arbeidsovereenkomst nog niet herleeft.

2.20

Op 8 oktober 2012 heeft de kantonrechter tevens op verzoek van Lentis een beschikking gegeven waarmee voorwaardelijk, voor zover er tussen partijen een arbeidsovereenkomst bestaat, die arbeidsovereenkomst met ingang van 1 november 2012 wordt ontbonden onder toekenning van een vergoeding aan [appellant] van € 273.341,39 bruto, onder de bepaling dat die vergoeding pas opeisbaar is zodra onherroepelijk is komen vast te staan dat de arbeidsovereenkomst door die beschikking is geëindigd.

2.21

Bij brief van 10 oktober 2012 heeft (de advocaat van) [appellant] Lentis gesommeerd om binnen vijf dagen over te gaan tot herstel van de arbeidsovereenkomst per 5 juli 2012 en aanspraak gemaakt op loonbetaling, dan wel vervangende schadevergoeding vanaf 5 juli 2012. Aan die sommatie heeft Lentis geen gevolg gegeven.

2.22

In een brief van 25 juli 2013 heeft de Inspectie aan [appellant] onder meer het volgende bericht:
“De inspectie herkent op basis van het onderzoek de berichtgeving van de

Evangelische Omroep (EO) in juni 2012 niet. In een uitzending van De Vijfde Dag wordt over misstanden gesproken, in casu: machtsmisbruik, een cultuur van angst en intimidatie, vernederend gedrag naar patiënten, het buitensluiten van familieleden van patiënten, het niet serieus nemen van patiënten en het onnodig separeren, sederen en opsluiten van patiënten. Volgens de EO zou u verantwoordelijk zijn voor deze gedragingen. De inspectie heeft geen bevindingen aangetroffen die hierop zouden kunnen wijzen. De inspectie heeft evenmin

vastgesteld dat u in uw beroepsuitoefening afweek van geldende wettelijke regels, zoals bijvoorbeeld wanneer er sprake was van separeren."

3 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

3.1

[appellant] heeft in eerste aanleg dezelfde vorderingen ingesteld als in hoger beroep, hiervoor onder 1.4 samengevat weergegeven.

Hij heeft daarvoor, kort weergegeven, aangevoerd dat zijn dienstverband met Lentis

is beëindigd door middel van een vaststellingsovereenkomst, dat hij die

vaststellingsovereenkomst op grond van een tekortkoming in de nakoming daarvan door

Lentis buitengerechtelijk heeft ontbonden en dat daardoor zijn arbeidsovereenkomst met

Lentis is herleefd, met de voor hem daaruit voortvloeiende aanspraken. Althans dat Lentis toerekenbaar is tekortgeschoten in haar (ongedaanmakings)verplichting tot het verlenen van medewerking aan herstel van die arbeidsovereenkomst, waardoor zij is gehouden om [appellant] de voor hem daaruit voortgevloeide schade te vergoeden.

Zijn (cumulatieve) vordering tot betaling van aanvullende schadevergoeding heeft [appellant] gegrond op de stelling dat Lentis onder de gegeven omstandigheden in strijd heeft gehandeld met wat van een goed werkgever mocht worden verwacht en/of op grond van een onrechtmatige daad van Lentis. Volgens [appellant] heeft GGZ Friesland daardoor de arbeidsovereenkomst in de proeftijd beëindigd, en als gevolg daarvan heeft hij inkomen gederfd. Ook heeft hij door dat handelen immateriële (reputatie)schade geleden.

Tenslotte stelt [appellant] dat Lentis de niet genoten vakantiedagen nog niet heeft uitbetaald.

3.2

Lentis heeft in eerste aanleg op alle punten verweer gevoerd.

3.3

De kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, bij wie de zaak in eerste instantie aanhangig was gemaakt, heeft in zijn vonnis van 3 september 2013 geoordeeld dat de zaak vanwege zijn complexiteit ongeschikt is voor behandeling en beslissing door één rechter en heeft de zaak daarom verwezen naar de meervoudige kamer van de rechtbank Noord-Nederland, afdeling privaatrecht.

De rechtbank heeft vervolgens in haar bestreden vonnis van 19 februari 2014 voor recht verklaard dat de tussen partijen op 16 april 2012 gesloten vaststellingsovereenkomst op 5 juli 2012 buitengerechtelijk is ontbonden en heeft Lentis veroordeeld tot vergoeding van schade nader op te maken bij staat, met veroordeling van Lentis in de proceskosten, onder afwijzing van het meer of anders gevorderde.

4 De wijziging van eis in principaal appel

4.1

Lentis heeft bezwaar gemaakt tegen de wijziging van eis van [appellant] bij akte na comparitie (zie 1.5). Volgens Lentis wordt zij in dit stadium van die procedure door die wijziging in haar verdediging geschaad.

Het hof overweegt dat de in artikel 347 lid 1 Rv besloten twee-conclusie-regel de aan oorspronkelijk eiser toekomende bevoegdheid tot verandering of vermeerdering van eis in hoger beroep in die zin beperkt, dat hij in beginsel zijn eis niet later dan in zijn memorie van grieven of antwoord mag veranderen of vermeerderen. Dit geldt ook als de verandering of vermeerdering van eis slechts betrekking heeft op de grondslag van hetgeen ter toelichting van de vordering door de oorspronkelijke eiser is gesteld.

In dit geval komt de verandering van eis in feite neer op een nadere specificatie en vermindering van de oorspronkelijke eis; met de wijziging heeft [appellant] zijn vordering onder cumulatief sub a) concreet gemaakt over de periode tot 1 december 2014 en ook tot die periode beperkt.

Het hof is van oordeel dat Lentis door die wijziging niet in haar belangen wordt geschaad en dat ook overigens die wijziging niet in strijd is met een goede procesorde. Het hof zal derhalve recht doen met inachtneming van de gewijzigde vordering.

5 De beoordeling van de grieven en de vordering

5.1

[appellant] is in hoger beroep gekomen onder aanvoering van zes grieven, genummerd I tot en met VI.

Lentis heeft incidenteel hoger beroep ingesteld onder aanvoering van twee grieven, genummerd I en II.

voorts in principaal hoger beroep

5.2

[appellant] heeft geen grieven gericht tegen het vonnis van de kantonrechter van 3 september 2013, zodat hij in zijn hoger beroep tegen dat vonnis niet ontvankelijk verklaard dient te worden.

5.3

In grief II heeft [appellant] toegelicht dat de rechtbank in haar verkorte weergave van zijn vorderingen en stellingen onvolledig is geweest. Bij die grief heeft [appellant] geen belang. Ook als die grief gegrond zou zijn, leidt dat op zichzelf niet tot een andere beslissing. Overigens heeft het hof die vorderingen en stellingen hiervoor (onder 1.4 en 3.1) opnieuw weergegeven en daarbij rekening gehouden met wat [appellant] in zijn grief heeft aangevoerd.

voorts in principaal en in incidenteel hoger beroep

5.4

De overige grieven in principaal en incidenteel hoger beroep lenen zich vanwege hun samenhang voor gezamenlijke bespreking.

5.5

De eerste vraag die door de grieven in hoger beroep ter beantwoording wordt voorgelegd is of de verklaring die Lentis heeft opgesteld voor de EO uitzending “De Vijfde Dag” en die in die uitzending door de EO is voorgelezen (zie 2.16) een schending oplevert door Lentis van haar verplichting uit de vaststellingsovereenkomst om zich te onthouden van negatieve uitlatingen over [appellant] of uitlatingen die anderszins zijn belangen kunnen schaden (artikel 13 van de vaststellingsovereenkomst). Bij een bevestigend antwoord is de vervolgvraag of die schending ook de (buitengerechtelijke) ontbinding van de vaststellingsovereenkomst door [appellant] rechtvaardigde.

De rechtbank heeft beide vragen bevestigend beantwoord, maar Lentis betwist de juistheid van die oordelen (grief 1 in incidenteel hoger beroep).

5.6

Het hof stelt voorop dat niet in geschil is dat de uitzending “De Vijfde Dag” een negatief beeld schetst van het functioneren van [appellant] als psychiater. De Inspectie heeft dat beeld (onweersproken) verwoord in de brief van 25 juli 2013 (zie 2.22).
De reactie van Lentis op die uitzending (zie 2.16) houdt in dat Lentis dat beeld herkent en dat zij [appellant] inmiddels ook van zijn functie en taken heeft ontheven. Een dergelijke reactie is naar het oordeel van het hof onmiskenbaar negatief voor [appellant] . Immers, bezien in samenhang met de voorafgaande uitzending, wordt [appellant] daardoor weggezet als een slecht functionerende psychiater die verantwoordelijk is voor misstanden in de instelling en, zo is de suggestie in de reactie, daarom inmiddels uit zijn functie is gezet.

Die reactie levert daarmee een schending op door Lentis van haar verplichtingen voortvloeiend uit artikel 13 van de vaststellingsovereenkomst. Daaraan doet niet af dat Lentis zich daar, zoals zij aanvoert, niet van bewust is geweest. Als Lentis zich er inderdaad niet van bewust mocht zijn geweest dat haar reactie negatief was voor [appellant] , komt dat voor haar risico, nu objectief bezien sprake is van een voor [appellant] evident negatieve uitlating. Daarbij is op zichzelf niet van belang of de reactie inhoudelijk juist is. Zelfs als dat het geval zou zijn geweest, neemt dat het voor [appellant] negatieve karakter van de uitlating niet weg en diende Lentis zich daar op grond van artikel 13 van de overeenkomst in beginsel van te onthouden. Overigens merkt het hof op dat de Inspectie het door “De Vijfde Dag” geschetste beeld na onderzoek in het geheel niet herkent (zie 2.22). De uitlating van Lentis omtrent de ontheffing uit zijn functie is ook volledig in strijd met de eerdere eigen mededeling van Lentis (Forint) aan [appellant] dat daarvan geen sprake was (zie 2.9).

5.7

De ontbinding van een vaststellingsovereenkomst (als wederkerige overeenkomst) wegens een tekortkoming in de nakoming, wordt beheerst door artikel 6:265 BW. Iedere tekortkoming geeft derhalve de wederpartij de bevoegdheid de overeenkomst te ontbinden, tenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of beperkte betekenis, die ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt.

De in artikel 7:905 BW voor vaststellingsovereenkomsten vastgelegde uitzondering, die inhoudt dat een ontbinding vanwege een tekortkoming niet eenzijdig kan geschieden indien die een reeds tot stand gekomen, aan een partij of aan een derde opgedragen beslissing zou treffen, doet zich hier niet voor: in de vaststellingsovereenkomst is geen sprake van een opdracht aan een partij of aan een derde om enige beslissing te geven (zoals een arbitersbeslissing).

5.8

[appellant] was derhalve bevoegd om de vaststellingsovereenkomst buitengerechtelijk te ontbinden vanwege de hiervoor besproken tekortkoming van Lentis, tenzij die tekortkoming gezien haar bijzondere aard of beperkte betekenis die ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigde.
Het hof is van oordeel dat die uitzonderingssituatie zich niet voordoet.
Voor een uitzondering als bedoeld is niet toereikend dat, zoals Lentis heeft aangevoerd, de tekortkoming betrekking heeft op een nevenverplichting waarover niet is onderhandeld en die door Lentis ongevraagd in de vaststellingsovereenkomst is opgenomen. Dat maakt de tekortkoming in de nakoming van die verplichting nog niet beperkt van betekenis. Dat Lentis zich publiekelijk in (sterk) negatieve zin over [appellant] heeft uitgelaten, is diffamerend voor [appellant] en schaadt hem aanzienlijk in zijn belangen, temeer gelet op het landelijke bereik van het medium waarin die uitlatingen zijn gedaan.
Ook is niet toereikend de aard van de overeenkomst, te weten een vaststellingsovereenkomst waarmee partijen beoogden een einde te maken aan hun arbeidsovereenkomst, bezien in samenhang met de omstandigheid dat [appellant] met de ontbinding nu juist weer herleving dan wel herstel van die arbeidsverhouding beoogde. Dat partijen ten tijde van de totstandkoming van de vaststellingsovereenkomst van hun arbeidsverhouding af wilden, maakt nog niet dat [appellant] na de tekortkoming van Lentis geen te respecteren belang meer kon hebben bij voortzetting van het dienstverband. In dit geval had [appellant] kort na de tekortkoming van Lentis zijn baan bij GGZ-Friesland alweer verloren (proeftijdontslag) en hij had dus terstond belang bij een ander dienstverband. Daarbij geldt dat voortzetting van het dienstverband tussen partijen nog niet betekent dat partijen ongewild tot elkaar veroordeeld zouden blijven. Een voortzetting kan juist ook het vertrekpunt vormen voor

nadere afspraken of procedures over hoe partijen (opnieuw) uit elkaar gaan.
De slotsom is dat [appellant] de vaststellingsovereenkomst derhalve rechtsgeldig (buitengerechtelijk) ontbonden heeft op 5 juli 2012. Grief I in incidenteel hoger beroep faalt.

5.9

Daarmee ligt de vraag voor of de ontbinding van de vaststellingsovereenkomst inderdaad heeft geresulteerd in het (van rechtswege) herleven van de arbeidsovereenkomst
-het primaire standpunt van [appellant] - of dat daardoor op Lentis een verplichting is komen te rusten om medewerking te verlenen aan het herstel van die arbeidsovereenkomst, het subsidiaire standpunt van [appellant] .

De rechtbank heeft beide vragen ontkennend beantwoord, maar [appellant] betwist die oordelen (grieven I, III en IV in principaal hoger beroep).

5.10

Het hof stelt voorop dat de ontbinding van een wederkerige overeenkomst de rechtsverhouding zoals die was ontstaan door de overeenkomst weer opheft. Nog niet nagekomen prestaties hoeven niet meer verricht te worden en wat al verricht was, moet weer ongedaan gemaakt worden. Een ontbinding strekt er daarmee toe dat zoveel mogelijk teruggekeerd wordt naar de situatie zoals die bestond direct voorafgaand aan de totstandkoming van de ontbonden overeenkomst. Daarbij geldt dat een ontbinding geen terugwerkende kracht heeft -de rechtsgrond voor wat is verricht ter uitvoering van die overeenkomst blijft bestaan-, maar dat deze resulteert in verbintenissen tot ongedaanmaking van reeds verrichte prestaties (art. 6:271 BW). Voor zover ongedaanmaking niet mogelijk is, omdat een bepaalde prestatie naar zijn aard niet meer ongedaan gemaakt kan worden, treedt daarvoor in de plaats een verplichting tot vergoeding van de waarde die de prestatie had (art. 6:272 BW).

5.11

Vanwege het ontbreken van terugwerkende kracht, brengt de ontbinding van een overeenkomst nog niet met zich dat een rechtsverhouding zoals die vóór de totstandkoming van de (ontbonden) overeenkomst bestond en door die overeenkomst is gewijzigd of tenietgegaan, weer van rechtswege herleeft.

De onderhavige ontbinding van de vaststellingsovereenkomst op 5 juli 2012 resulteert dus niet van rechtswege in herleving van de, door die vaststellingsovereenkomst per 1 juni 2012 beëindigde, arbeidsovereenkomst. De (primaire) stelling van [appellant] dat door de ontbinding de arbeidsovereenkomst weer is herleefd, wordt dus verworpen en de op die stelling gegronde primaire vorderingen (zie 1.4) zijn niet toewijsbaar.

5.12

De uit een ontbinding voortvloeiende ongedaanmakingsverplichtingen brengen echter wel mee dat op Lentis de verplichting was komen te rusten om haar medewerking te verlenen aan het herstel van die arbeidsverhouding. Het hof overweegt daartoe het volgende.
De beëindiging van de arbeidsovereenkomst (per 1 juni 2012) vormde de kern van de vaststellingsovereenkomst. Met de ondertekening van die overeenkomst hebben beide partijen die beëindiging bewerkstelligd. Daarmee hebben zij wederzijds een in de vaststellingsovereenkomst vastgelegde prestatie (de rechtshandeling van toestemming voor de beëindiging met wederzijds goedvinden) verricht. De uit de ontbinding voortvloeiende ongedaanmakingsverplichting resulteerde er in dat partijen jegens elkaar gehouden raakten om (desverlangd) hun medewerking te verlenen aan het ongedaan maken van die beëindiging. Die ongedaanmaking diende erin te resulteren dat zoveel mogelijk zou worden teruggekeerd naar de situatie zoals die voorafgaande aan de totstandkoming van de vaststellingsovereenkomst bestond. Die situatie was dat tussen partijen een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde duur bestond. De ongedaanmakingsverplichting resulteerde daarmee in een verplichting van partijen om over en weer (desverzocht) hun medewerking te verlenen aan het herstel van die arbeidsovereenkomst.

De subsidiaire stelling van [appellant] dat door de ontbinding op Lentis een verplichting kwam te rusten om zijn medewerking te verlenen aan het herstel van de arbeidsverhouding zoals die tussen partijen had bestaan, is derhalve juist. Zijn grieven tegen het oordeel van de rechtbank dat op Lentis die verplichting niet rustte slagen dus.

5.13

Het hof merkt hierbij op dat de rechtbank heeft onderscheiden tussen het (eerdere) moment waarop partijen overeenstemming bereikten over beëindiging van de arbeidsverhouding –de rechtbank gaat uit van 29 maart 2012- en het moment waarop partijen die overeenstemming schriftelijk hebben vastgelegd in de vaststellingsovereenkomst. De rechtbank concludeert daaruit dat voorafgaand aan het moment van de totstandkoming van de vaststellingsovereenkomst al overeenstemming bestond over de beëindiging van de arbeidsverhouding. Omdat daarover al overeenstemming bestond, resulteert de ontbinding van de vaststellingsovereenkomst in dit geval niet in een verplichting tot herstel van de arbeidsovereenkomst, aldus de rechtbank.
Het hof maakt het door de rechtbank gemaakte onderscheid niet. De rechtsverhouding tussen partijen is pas gewijzigd door de (ondertekening van) de vaststellingsovereenkomst. Pas daardoor eindigde de arbeidsovereenkomst van partijen (per 1 juni 2012). Daaraan voorafgaand gold nog een arbeidsovereenkomst (voor onbepaalde duur). Dat is de situatie waar naar teruggekeerd diende te worden.

5.14

Vast staat dat [appellant] op 10 oktober 2012 Lentis heeft gesommeerd om het dienstverband weer te herstellen met ingang van 5 juli 2012 (zie 2.21) en dat Lentis daaraan geen gevolg heeft gegeven. Daarmee staat vast dat Lentis tekort is geschoten in haar uit de ontbinding van de vaststellingsovereenkomst voorvloeiende verplichting tot ongedaanmaking. Die tekortkoming is aan Lentis toerekenbaar en maakt haar schadeplichtig.

De door [appellant] subsidiair gevorderde verklaring voor recht is dus op zichzelf terecht voorgesteld. Omdat buiten de hierna te bespreken vorderingen tot schadevergoeding [appellant] geen belang heeft bij die verklaring voor recht, zal die echter niet worden gegeven.

5.15

Daarmee dient beoordeeld te worden of en in hoeverre de subsidiaire schadevorderingen van [appellant] (zie 1.4) toewijsbaar zijn.

Bij die boordeling dient een vergelijking te worden gemaakt tussen de situatie dat Lentis wel haar medewerking had verleend aan het herstel van de arbeidsverhouding per 5 juli 2012 en de situatie waarin dat niet is gebeurd.

5.16

Het hof stelt daarbij voorop dat een arbeidsovereenkomst ook met terugwerkende kracht kan worden hersteld. Uitgegaan dient daarom te worden van de situatie dat herstel van de arbeidsverhouding had plaatsgevonden per 5 juli 2012.

5.17

Uitgaande van die situatie zou [appellant] in beginsel aanspraak hebben gehad op loonbetaling over de periode van 5 juli 2012 tot 1 november 2012, de datum waarop de kantonrechter de arbeidsovereenkomst tussen partijen bij beschikking voorwaardelijk, voor het geval de overeenkomst nog mocht blijken te bestaan, heeft ontbonden.

Anders dan Lentis meent, bestaat geen grond om aan te nemen dat in geval het dienstverband hersteld zou zijn [appellant] (ex art. 7: 628 BW) geen aanspraak op loon zou zijn toegekomen of dat reden zou zijn geweest voor matiging van de loonbetalingsverplichting, omdat [appellant] in die periode feitelijk niet heeft gewerkt. [appellant] heeft zich in de brief van 5 juli 2012 al beschikbaar gesteld voor het verrichten van zijn werkzaamheden (toen nog uitgaande van de veronderstelling dat de arbeidsovereenkomst van rechtswege was herleefd). Dat Lentis aan dat aanbod (ten onrechte) voorbij is gegaan, dient thans – in redelijkheid - voor haar rekening te worden gelaten.

Lentis heeft (de berekening van) het door [appellant] aan loonderving bruto gevorderde bedrag over de periode van 5 juli 2012 tot 1 november 2012 verder niet (gemotiveerd) betwist, zodat dit bedrag als schade toewijsbaar is, te vermeerderen met de gevorderde en niet afzonderlijk betwiste wettelijke rente daarover vanaf 1 november 2012.
Het bedrag aan gederfd loon is bruto toewijsbaar, nu het een vergoeding betreft voor inkomsten uit arbeid.

5.18

Indien de arbeidsovereenkomst hersteld zou zijn, zou [appellant] ook de door de

kantonrechter aan de ontbinding van die overeenkomst per 1 november 2012 verbonden

ontbindingsvergoeding zijn toegekomen. De voorwaarde waaronder die vergoeding is

toegekend – te weten dat tussen partijen een arbeidsovereenkomst bestaat- zou dan vervuld zijn. Weliswaar zou dat in dat geval hebben betroffen een herstelde arbeidsovereenkomst en niet een herleefde arbeidsovereenkomst, maar dat dient naar het oordeel van het hof geen (beslissend) verschil te maken, nu het herstel ertoe diende te strekken dat de

rechtsverhouding zoals die had bestaan weer voortgezet diende te worden. De

periode tussen de beëindiging van het oorspronkelijke dienstverband en het herstel daarvan,

zoals dat had dienen plaats te vinden -de periode van 1 juni 2012 tot 5 juli 2012-, is daarbij

dermate kort dat dit geen grond geeft om het beëindigde en het herstelde dienstverband niet

als één geheel te beschouwen.

De vordering van [appellant] tot toekenning van de ontbindingsvergoeding bij wege van schadevergoeding aan hem is derhalve eveneens toewijsbaar, waarbij het hof voor de goede orde opmerkt dat het een bruto bedrag betreft, te vermeerderen met de gevorderde en niet afzonderlijk betwiste wettelijke rente daarover vanaf 1 november 2012.
De grieven I, III en IV slagen derhalve gedeeltelijk.

5.19

Met betrekking tot de cumulatief gevorderde bedragen heeft de rechtbank overwogen dat die vorderingen zich nog niet laten vaststellen en heeft de rechtbank de zaak verwezen naar de schadestaat. Daartegen keren zich de grieven V en VI van [appellant] . Volgens hem laten de aanvullende schadevergoeding en de immateriële schadevergoeding zich wel begroten (grief V) en is de rechtbank ten onrechte niet ingegaan op wat hij aan zijn vordering uit hoofde van niet genoten verlofdagen ten grondslag had gelegd (grief VI).

5.20

aanvullende schadevergoeding

De aanvullende schadevergoeding, zoals gevorderd in de akte na comparitie en bezien in samenhang met de formulering van die vordering in de memorie van grieven, heeft betrekking op vergoeding van inkomen dat [appellant] na 1 november 2012 heeft gederfd doordat de arbeidsovereenkomst met GGZ-Friesland is beëindigd, volgens [appellant] als gevolg van de reactie van Lentis op de uitzending van “De Vijfde Dag”.
Voor toewijzing van die vordering bestaat in dit geval geen grond. Ook niet als veronderstellenderwijs zou worden aangenomen dat het proeftijdontslag inderdaad (mede) het gevolg is van de reactie van Lentis op de uitzending, hetgeen Lentis heeft betwist.
In de naar billijkheid vastgestelde ontbindingsvergoeding, die deel uitmaakt van de aan [appellant] toe te kennen schadevergoeding (zie 5.18) en is gebaseerd op artikel 7:685 BW (oud), moeten namelijk door de kantonrechter alle omstandigheden van het concrete geval geacht worden te zijn meegewogen en tot uitdrukking zijn gebracht in de hoogte van de ontbindingsvergoeding (de zgn. Baijings-leer). Daaronder valt ook de inkomensderving die het gevolg zal zijn van de ontbinding. De kantonrechter heeft in dat verband in zijn beschikking uitdrukkelijk overwogen dat de kansen van [appellant] op de arbeidsmarkt klein zijn geworden en dat er voldoende aanleiding is om aan te nemen dat [appellant] “besmet” is geraakt. Nu [appellant] aanspraak maakt op die ontbindingsvergoeding (met daarin dus begrepen een vergoeding voor de derving van arbeidsinkomsten door die ontbinding) komt [appellant] daarnaast niet ook nog een aanspraak toe op vergoeding van gederfde inkomsten door het eerdere proeftijdontslag. Het nadeel dat hij daardoor heeft geleden is geabsorbeerd door het herstel dat had moeten plaatsvinden van zijn arbeidsovereenkomst met Lentis en de schadevergoeding waarop hij aanspraak heeft omdat dit herstel niet heeft plaatsgevonden (waaronder de ontbindingsvergoeding). Het hof merkt daarbij nog op dat de ontbindingsvergoeding ook aanzienlijk hoger is dan het bedrag dat [appellant] vordert als schade door het verlies van zijn betrekking bij GGZ-Friesland.
De door Lentis opgeworpen kwesties of het proeftijdontslag inderdaad is veroorzaakt door de reactie van Lentis op de uitzending van “De Vijfde Dag” en of [appellant] zelf ook een verwijt treft ten aanzien van het proeftijdontslag, kunnen bij deze stand verder buiten beschouwing blijven.

5.21

immateriële schade
Voor de door [appellant] gevorderde immateriële schadevergoeding, in het bijzonder gebaseerd op reputatieschade, geldt ook dat een vergoeding voor dergelijk nadeel geacht moet worden te zijn begrepen in de ontbindingsvergoeding. Het hof merkt daarbij op dat de kantonrechter in zijn ontbindingsbeschikking uitdrukkelijk de gang van zaken heeft betrokken rond de totstandkoming van de vaststellingsovereenkomst, de uitzending van “De Vijfde Dag”, de reactie daarop van Lentis, het proeftijdontslag van [appellant] bij GGZ-Friesland en de gevolgen daarvan voor [appellant] .
Dat de kantonrechter in de beschikking nog uitdrukkelijk overweegt dat de vergoeding uitsluitend de ontbinding van de arbeidsovereenkomst betreft, maakt dat, anders dan [appellant] meent, niet anders; de kantonrechter heeft de immateriële aspecten die de ontbinding aankleven daarmee niet uitdrukkelijk uitgezonderd van de door hem in zijn afweging betrokken omstandigheden.

5.22

niet genoten vakantie-uren
Tijdens die comparitie is naar voren gekomen dat het geschil met betrekking tot de vakantie- uren nog over 96 uur gaat en dat de uitkomst van dat geschil wordt bepaald door de vraag of [appellant] wel of niet aanspraak heeft op verlofuren berekend tot 1 november 2012. Daarnaast bestond nog geschil over het te hanteren uurtarief. In verband met dat laatste heeft het hof partijen opgedragen om zich in hun akte na comparitie uit te laten over het te hanteren uurtarief.
heeft zich in zijn akte daar echter niet over uitgelaten.
Lentis heeft in haar akte verklaard dat partijen het erover eens zijn geworden dat moet worden afgerekend tegen een uurtarief van € 65,90 bruto. Verder heeft Lentis verklaard dat partijen het erover eens zijn geworden dat [appellant] met betrekking tot de verlofuren tot

1 juni 2012 nog aanspraak heeft op nabetaling van een bedrag van € 1.362,25 bruto en dat het, in geval van verdere opbouw van verlofuren tussen 5 juli en 1 november 2012, dan nog 49,2 uren betreft, neerkomend op een bedrag van € 3.242,28 bruto.

Nu [appellant] zich in zijn akte niet heeft uitgelaten, houdt het hof het er voor dat Lentis in haar akte (inderdaad) het gezamenlijk standpunt van partijen heeft verwoord. Aan hetgeen Lentis in haar akte na comparitie verder nog naar voren heeft gebracht gaat het hof voorbij nu dat buiten het kader van de te nemen akte valt.

5.23

Uit wat hiervoor is overwogen volgt dat [appellant] als schadevergoeding inderdaad aanspraak heeft op betaling van verlofuren berekend tot 1 november 2012. Als schadevergoeding voor niet genoten verlofuren is derhalve een bedrag toewijsbaar van
€ 4.604,53 bruto, te vermeerderen met € 681,12 bruto (de wettelijke verhoging van 50% over de achterstallige verlofuren van € 1.362,25 bruto), en voorts te vermeerderen met de wettelijke rente over € 5.285,65 bruto vanaf 1 november 2012.

5.24

De conclusie is dat het hof voor wat betreft de cumulatief gevorderde schadevergoeding geen grond ziet voor verwijzing naar de schadestaat en die cumulatieve vorderingen zal toewijzen tot (alleen) het hiervoor onder 5.23 vermelde bedrag.

Grief V leidt daarmee niet tot toewijzing van schadevergoeding en grief VI slaagt gedeeltelijk.

5.25

Lentis komt in incidenteel appel in grief II nog op tegen haar veroordeling in de proceskosten in eerste aanleg. Die grief slaagt niet. Uit wat hiervoor is overwogen volgt dat het principale hoger beroep gedeeltelijk slaagt en dat het incidentele hoger beroep faalt. Die uitkomst bevestigt dat Lentis in eerste aanleg moet worden aangemerkt als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij.

5.26

[appellant] heeft gevorderd de jegens Lentis uit te spreken veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Lentis heeft in eerste aanleg verweer gevoerd tegen uitvoerbaar verklaring van het vonnis bij voorraad. Lentis heeft aangevoerd dat zij daardoor in de financiële problemen kan komen en dat betalingen dienen te worden uitgesteld tot in hoger beroep arrest wordt gewezen. In hoger beroep heeft Lentis geen grief gericht tegen de uitvoerbaar verklaring van het vonnis in eerste aanleg. Ook is zij in hoger beroep niet teruggekomen op haar bezwaren tegen de uitvoerbaar verklaring bij voorraad, zodat het hof verstaat dat zij in hoger beroep zich daartegen niet (langer) verzet. Het hof zal de tegen Lentis uit te spreken veroordelingen uitvoerbaar verklaren bij voorraad, nu [appellant] daar ontegenzeggelijk belang bij heeft.

6 De slotsom

6.1

De grieven in principaal hoger beroep slagen gedeeltelijk en de grieven in incidenteel beroep worden verworpen.
Het bestreden vonnis dient gedeeltelijk te worden vernietigd. Voor de duidelijkheid zal het hof het vonnis geheel vernietigen en opnieuw recht doen.

6.2

Als de in principaal en in incidenteel hoger beroep (overwegend) in het ongelijk te stellen partij zal het hof Lentis in de kosten van het hoger beroep veroordelen, zowel in principaal als in incidenteel hoger beroep.
De kosten voor de procedure in principaal hoger beroep aan de zijde van [appellant] gevallen zullen worden vastgesteld op € 93,80 aan explootkosten excl. btw, € 1.601,- voor griffierecht en op € 6.526,- voor salaris advocaat (2 punten x tarief VI).
De kosten voor de procedure in incidenteel hoger beroep aan de zijde van [appellant] gevallen zullen worden vastgesteld op € 894,- voor salaris advocaat (2 punten x 0,5 x tarief II).

7 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

verklaart [appellant] niet ontvankelijk in zijn hoger beroep tegen het vonnis van de kantonrechter te Assen van 3 september 2012;

vernietigt het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen van 19 februari 2014 en doet opnieuw recht;

verklaart voor recht dat de tussen partijen gesloten vaststellingsovereenkomst van 16 april 2012 op 5 juli 2012 buitengerechtelijk is ontbonden;

veroordeelt Lentis tot betaling aan [appellant] van:
a) een bedrag van € 37.993,32 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover van 1 november 2012 tot de dag van betaling,
b) een bedrag van € 273.341,19 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover van 1 november 2012 tot de dag van betaling,
c) een bedrag van € 5.285,65 bruto, (€ 4.604,53 bruto vermeerderd met 50% wettelijke verhoging over € 1.362,25 bruto), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover van

1 november 2012 tot de dag van betaling;

veroordeelt Lentis in de kosten van de eerste aanleg tot aan de bestreden uitspraak aan de zijde van [appellant] gevallen vastgesteld op € 1.330,82;

veroordeelt Lentis in de kosten van het principale hoger beroep aan de zijde van [appellant] , tot aan deze uitspraak vastgesteld op € 1.694,80 voor verschotten en op € 6.526,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

veroordeelt Lentis in de kosten van het incidentele hoger beroep aan de zijde van [appellant] , tot aan deze uitspraak vastgesteld op € 894,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

verklaart dit arrest ten aanzien van de daarin vervatte veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. O.E. Mulder, M.E.L. Fikkers en W.A. Zondag en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op

10 april 2018.