Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:3141

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
04-04-2018
Datum publicatie
20-04-2018
Zaaknummer
17/00736
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2017:3179, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wet Woz. Waardevaststelling vrijstaande woning. Behoorlijk proces.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2018/887
V-N 2018/34.21 met annotatie van Redactie
Viditax (FutD), 20-04-2018
FutD 2018-1153
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

locatie Arnhem

nummer 17/00736

uitspraakdatum: 4 april 2018

Uitspraak van de veertiende enkelvoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 22 juni 2017, nummer AWB 16/6544, in het geding tussen belanghebbende en

de heffingsambtenaar van het gemeentelijk belastingkantoor Munitax (hierna: de heffingsambtenaar)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak [a-straat] 88 te [Z] , per waardepeildatum 1 januari 2015 en naar de toestand op die datum, voor het jaar 2016 vastgesteld op € 270.000. Tegelijk met deze beschikking is de aanslag onroerendezaakbelasting 2016 (hierna: OZB) voor zover het betreft het eigenaarsgedeelte vastgesteld op € 270.

1.2.

Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de heffingsambtenaar bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar de beschikking en de aanslag gehandhaafd.

1.3.

Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.

1.5.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 maart 2018. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 Vaststaande feiten

2.1.

De onroerende zaak bestaat uit een vrijstaande woning met een inhoud van ongeveer 375 m3 en een perceel van ongeveer 1.253 m2. De woning is rond 1886 gebouwd. De woning is gelegen aan een dijk.

3 Geschil

3.1.

In geschil is:

  • -

    Of belanghebbende bij de Rechtbank voldoende spreektijd heeft gekregen;

  • -

    Of de Rechtbank voldoende acht heeft geslagen op de argumenten en de stukken van belanghebbende;

  • -

    Of in deze procedure ook de WOZ-waarden en de daarbij horende aanslagen OZB van de afgelopen vijf jaren kunnen worden betrokken;

  • -

    De hoogte van het OZB-tarief in verband met een eventuele overschrijding van de macronorm;

  • -

    De WOZ-waarde van de onroerende zaak, in welk verband vooral de inhoud van de wederzijdse taxatierapporten, de doelmatigheid van de woning, de status van de onroerende zaak als gemeentelijk monument, de ligging van de onroerende zaak in de beschermingszone en de vrijstelling voor grond binnen een waterstaatswerk in de beoordeling dienen te worden betrokken;

  • -

    Of het EVRM wordt geschonden.

4 Beoordeling van het geschil

Spreektijd

4.1.

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat hij onvoldoende spreektijd heeft gekregen tijdens de zitting van de Rechtbank en dat de aandacht van de rechter ongelijk over de partijen was verdeeld. Zo mocht hij zijn pleitnota niet integraal voorlezen en was de leespauze die werd ingelast voor de resterende passages, veel te kort. Voorts kregen de vertegenwoordigers van de heffingsambtenaar ook meer spreektijd dan hij. De heffingsambtenaar weerspreekt het standpunt van belanghebbende. Een pleitnota moet altijd integraal worden gelezen, om te voorkomen dat je iets mist waarop je beter had kunnen reageren.

4.2.

Het Hof leidt uit de inleiding tot de pleitnota die belanghebbende bij de Rechtbank heeft ingebracht af dat belanghebbende zelf heeft voorgesteld om niet de gehele pleitnota voor te lezen. Dit voorstel heeft belanghebbende ter zitting van het Hof ook gedaan. De Rechtbank heeft ingestemd met het voorstel van belanghebbende en een leespauze ingelast, zodat toch iedereen kennis kon nemen van de inhoud. Belanghebbende heeft desgevraagd ter zitting van het Hof bevestigd dat het zijn mening is dat de leespauze te kort was. Concrete aanwijzingen waaruit blijkt dat de leespauze te kort was in vergelijking met de lengte van de te lezen tekst, heeft belanghebbende niet genoemd. Van de heffingsambtenaar en van de rechter mag worden verwacht dat zij alle ingebrachte stukken integraal lezen. Het Hof gaat er, nu het tegendeel niet is gebleken, van uit dat de pleitnota en bijlagen inderdaad integraal zijn gelezen. Het standpunt van belanghebbende faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag. Het Hof voegt voor de volledigheid het volgende toe. Het Hof heeft de desbetreffende stukken gelezen en belanghebbende verzocht zijn nieuwe pleitnota integraal voor te lezen. Wat betreft de klacht van belanghebbende dat hij minder spreektijd had tijdens de zitting van de Rechtbank, stelt het Hof voorop dat voor de verdeling van de spreektijd geen regels gelden. De verdeling vloeit onder meer voort uit de vragen die de ingediende stukken oproepen en komt verder spontaan tot stand tijdens en als gevolg van het debat ter zitting. Belanghebbende heeft niet gesteld dat hem het spreken is belet of dat hij bepaalde uitlatingen niet heeft kunnen doen. Het Hof concludeert dat belanghebbende niet in zijn procesbelang is geschaad. Het Hof verwerpt het standpunt van belanghebbende.

Waardering bewijsmiddelen

4.3.

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de Rechtbank minder acht heeft geslagen op wat hij heeft ingebracht in vergelijking met wat de heffingsambtenaar heeft ingebracht. Zo gaat de Rechtbank in de uitspraak wel in op de kritiek van de heffingsambtenaar op het taxatierapport dat belanghebbende heeft ingebracht, maar niet op de kritiek van belanghebbende op het taxatierapport van de heffingsambtenaar.

4.4.

De Rechtbank heeft het taxatierapport van de heffingsambtenaar en de kritiek van de heffingsambtenaar op het taxatierapport van belanghebbende kennelijk overtuigender geacht dan de door belanghebbende ingebrachte stukken en argumenten. Het is aan de rechter die het beroep behandelt om de bewijsmiddelen te wegen en een oordeel te geven over de aan hem voorgelegde geschilpunten. Dat de Rechtbank in haar uitspraak meer aandacht lijkt te besteden aan het taxatierapport van de heffingsambtenaar en de kritiek van laatstgenoemde op het taxatierapport van belanghebbende, betekent niet dat de Rechtbank de argumenten en het taxatierapport van belanghebbende heeft genegeerd of, erger nog, daarvan geen kennis heeft genomen. Het Hof ziet in het dossier geen aanwijzingen dat de procedure bij de Rechtbank niet eerlijk is verlopen of dat de goede procesorde is geschonden. Uit de omstandigheid dat de Rechtbank belanghebbende in het ongelijk heeft gesteld, kan evenmin worden afgeleid dat geen zorgvuldige beoordeling van diens argumenten en standpunten heeft plaatsgevonden. Het Hof verwerpt het standpunt van belanghebbende.

Uitbreiding procedure naar afgelopen vijf jaren

4.5.

Belanghebbende wil in deze procedure de WOZ-waarden en de aanslagen OZB van de afgelopen vijf jaren betrekken. Het Hof stelt voorop dat dit niet mogelijk is. Ingevolge artikel 26 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: Awr) kan tegen een ingevolge de belastingwet genomen besluit slechts beroep bij de bestuursrechter worden ingediend, indien het betreft een belastingaanslag of een voor bezwaar vatbare beschikking. Het vaststellen van de WOZ-waarde van een onroerende zaak wordt aangemerkt als een ingevolge de belastingwet genomen besluit. De WOZ-waarde wordt vastgesteld door middel van een voor bezwaar vatbare beschikking (artikel 22 van de Wet WOZ). Een belanghebbende die de vastgestelde waarde wil betwisten, dient tijdig (binnen zes weken) een bezwaarschrift in te dienen bij de heffingsambtenaar (artikel 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht; hierna: Awb). De daarop genomen beslissing is voor beroep door de bestuursrechter (in casu de belastingrechter) vatbaar (artikel 8:1 van de Awb). Belanghebbende heeft tegen de aan hem gerichte WOZ-beschikkingen en aanslagen OZB geen rechtsmiddelen aangewend, behoudens de WOZ-beschikking en de aanslag OZB voor het belastingjaar 2016, die in deze procedure voorliggen, en een bezwaar tegen de WOZ-beschikking en de aanslag OZB voor het belastingjaar 2009. Aangezien het doorlopen van de bezwaar- en beroepsfasen een voorwaarde is voor de toegang tot hoger beroep, kan belanghebbende slechts in hoger beroep worden ontvangen voor zover het de WOZ-beschikking en de aanslag OZB 2016 betreft.

Hoogte OZB-tarief

4.6.

Met de Rechtbank is het Hof van oordeel dat de hoogte van het OZB-tarief niet ter beoordeling van de rechter staat. Het is de gemeentelijke wetgever, de gemeenteraad, die jaarlijks het OZB-tarief vaststelt. De belastingrechter is in beginsel niet bevoegd om over de vastgestelde tarieven te oordelen, tenzij deze tariefstelling of de stijging van het tarief leidt tot een willekeurige of onredelijke belastingheffing die de wetgever bij het toekennen van voormelde bevoegdheid niet voor ogen kan hebben gehad, dan wel een regeling is getroffen die in strijd is met enig algemeen rechtsbeginsel (vergelijk Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 8 oktober 2013, ECLI:NL:GHARL:2013:7497). Daarvan is in het onderhavige geval echter niet gebleken. Of de macronorm is geschonden, is bij deze beoordeling niet relevant.

WOZ-waarde

4.7.

Het Hof ziet, anders dan belanghebbende bepleit, geen aanleiding een onafhankelijke taxateur te vragen de WOZ-waarde van de onroerende zaak te beoordelen. Het Hof is bevoegd zelf een oordeel te geven over de WOZ-waarde en zal dit hierna ook doen, aan de hand van de geldende regelgeving en de wederzijds ingebrachte bewijsmiddelen.

4.8.

Op grond van artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ wordt de waarde bepaald op de waarde die aan de onroerende zaak dient te worden toegekend indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Daarbij heeft als waarde te gelden de waarde in het economische verkeer die dient te worden vastgesteld op de prijs die bij aanbieding ten verkoop op de voor de onroerende zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding door de meestbiedende gegadigde voor de onroerende zaak zou zijn besteed (vgl. TK, vergaderjaar 1992-1993, 22.885, nr. 3, blz. 44, en HR 8 augustus 2003, nr. 38.085, ECLI:NL:HR:2003:AI0924). Artikel 4, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Uitvoeringsregeling instructie waardebepaling Wet waardering onroerende zaken (de Uitvoeringsregeling) schrijft voor dat de waarde, bedoeld in artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ, voor woningen wordt bepaald door middel van een methode van systematische vergelijking met woningen waarvan marktgegevens beschikbaar zijn, de zogenaamde vergelijkingsmethode.

4.9.

Aanvullende regelgeving is te vinden in het Uitvoeringsbesluit Wet waardering onroerende zaken (laatstelijk gewijzigde versie gepubliceerd in Stb. 2007, 258), het Besluit gegevensverstrekking Wet waardering onroerende zaken (laatstelijk gewijzigde versie gepubliceerd in Stb. 2011, 677) en de Uitvoeringsregeling instructie waardebepaling Wet waardering onroerende zaken (laatstelijk gewijzigde versie gepubliceerd in Stcrt. 2011, 22974). Op internet is informatie te vinden over de taken en de werkzaamheden van de Waarderingskamer, die toeziet op de wijze waarop de gemeenten de in hun grondgebied gelegen onroerende zaken waarderen.

4.10.

De WOZ-waarde van onroerende zaken die tot woning dienen wordt bepaald aan de hand van een analyse van verkoopgegevens van vergelijkbare objecten. Deze objecten behoeven niet identiek te zijn. Het heeft de voorkeur dat de objecten zoveel mogelijk vergelijkbaar zijn, bijvoorbeeld wat betreft inhoud, kavelgrootte, ligging en type. Er is, anders dan belanghebbende voorstaat, geen verplichting uitsluitend gegevens te gebruiken van woningen uit dezelfde bouwstroom. Mits in voldoende mate rekening wordt gehouden met de verschillen tussen de te waarderen onroerende zaak en de vergelijkingsobjecten waarvan verkoopgegevens beschikbaar zijn, zijn ook verkoopgegevens van onroerende zaken met afwijkende kenmerken, zoals uit een andere bouwstroom, bruikbaar voor de analyse.

4.11.

Belanghebbende bepleit gemotiveerd een lagere dan de door de heffingsambtenaar vastgestelde waarde. In dat geval rust op de heffingsambtenaar de last feiten aannemelijk te maken die meebrengen dat de door hem verdedigde waarde niet te hoog is.

4.12.

Met betrekking tot het aandragen van nieuwe vergelijkingsobjecten door de heffingsambtenaar in de beroepsfase merkt het Hof op dat het in een bestuursrechtelijke procedure aan partijen, dus ook aan de heffingsambtenaar, vrij staat in de loop van die procedure hun standpunt van nieuwe of andere argumenten te voorzien. Deze vrijheid wordt begrensd door de beginselen van een goede procesorde, zoals het beginsel dat de wederpartij door het alsnog inbrengen van argumenten niet in zijn procespositie mag worden geschaad. In deze zaak is daarvan geen sprake, aangezien belanghebbende daarop in beroep en hoger beroep heeft kunnen reageren.

4.13.

De heffingsambtenaar verwijst ter onderbouwing van de door hem voorgestane waarde naar het taxatierapport van 5 december 2016 van taxateur [A] , waarin de onroerende zaak per waardepeildatum 1 januari 2015 is getaxeerd op € 360.000. In het taxatierapport zijn gegevens opgenomen van vier vergelijkingsobjecten, te weten [a-straat] 82 en [a-straat] 38, beide te [Z] , en [b-straat] 4 en [c-straat] 19, beide te [B] .

4.14.

Het Hof stelt voorop dat de keuze van de taxateur is voorbehouden aan de heffingsambtenaar. Het Hof zal geen algemeen oordeel uitspreken over de deskundigheid van de door de heffingsambtenaar ingeschakelde taxateur. Het Hof zal uitsluitend de inhoud van diens taxatierapport toetsen aan de hiervoor genoemde wet- en regelgeving.

4.15.

Het Hof is van oordeel dat de heffingsambtenaar met het taxatierapport in beginsel een waarde van € 360.000 per waardepeildatum 1 januari 2015 aannemelijk heeft gemaakt. Het Hof neemt daarbij in aanmerking dat de vergelijkingsobjecten [a-straat] 82 en [a-straat] 38 qua ligging en perceelsoppervlakte (995 m2 en 985 m2 ten opzichte van 1253 m2) goed vergelijkbaar zijn en dat aan de grond boven 900 m2 slechts een waarde is toegekend van € 11 per m2. Door voor de factoren kwaliteit, onderhoud, doelmatigheid en voorzieningen een 1 te hanteren, heeft de heffingsambtenaar voldoende rekening gehouden met de mindere staat van onderhoud en de door belanghebbende aangevoerde ondoelmatige indeling (hokkerigheid) van de woning. Voor de woning is uiteindelijk een prijs per m3 gehanteerd van € 232. Voor de vergelijkingsobjecten [a-straat] 82 is dit € 304 (kwaliteit een 4, onderhoud een 4, doelmatigheid een 3 en voorzieningen een 4) en voor [a-straat] 38 is dit € 327 (kwaliteit, onderhoud, doelmatigheid en voorzieningen alle een 2). Beide vergelijkingsobjecten zijn wat betreft type (twee-onder-één-kap) en bouwjaar (1932 en 1904) weliswaar minder goed vergelijkbaar, maar ook met deze verschillen heeft de heffingsambtenaar voldoende rekening gehouden. Daarbij neemt het Hof in aanmerking dat de onroerende zaak van belanghebbende vrijstaand is, waarvan in het algemeen geen waardevermindering uitgaat.

4.16.

Belanghebbende heeft daartegen ingebracht dat de onroerende zaak in het in zijn opdracht opgestelde taxatierapport van [C] van 12 oktober 2016, is getaxeerd op € 250.000. Naar het oordeel van het Hof werpt dit taxatierapport geen ander licht op de waarde van de onroerende zaak per waardepeildatum 1 januari 2015. Het Hof wijst er in dit verband op dat [C] drie vergelijkingsobjecten heeft gebruikt die wat betreft ligging (niet in of in de nabije omgeving van [Z] , te weten [d-straat] 50 te [D] en [e-straat] 50 te [E] ) of verkoopdatum (18 januari 2012, dus bijna drie jaar vóór de waardepeildatum 1 januari 2015, te weten [a-straat] 5 te [Z] ) niet vergelijkbaar c.q. bruikbaar zijn. Daarbij komt dat de gegevens die in het taxatierapport over de vergelijkingsobjecten zijn opgenomen, een goede vergelijking met de onroerende zaak van belanghebbende niet mogelijk maken. Bovendien maakt [C] op geen enkele wijze inzichtelijk hoe hij uit de gegevens van de drie vergelijkingsobjecten een WOZ-waarde van de onroerende zaak van belanghebbende van € 250.000 per waardepeildatum 1 januari 2015 heeft herleid.

4.17.

Belanghebbende heeft ter zitting van het Hof verder gewezen op drie factoren die naar zijn mening moeten leiden tot een lagere WOZ-waarde. Het Hof verwerpt het standpunt van de heffingsambtenaar dat deze factoren te laat zijn ingebracht. De heffingsambtenaar heeft voldoende kunnen reageren op deze factoren. Wat betreft de status van de onroerende zaak als gemeentelijk monument overweegt het Hof dat belanghebbende enkel heeft gesteld dat hiervan een waardeverminderende invloed uitgaat, zonder evenwel te onderbouwen waarom of in welke mate dat het geval is. De heffingsambtenaar heeft er ter zitting van het Hof op gewezen dat het door hem gebruikte vergelijkingsobject [a-straat] 82 ook een gemeentelijk monument is, zodat een eventuele waardeverminderende invloed in de verkoopprijs van dit object is verdisconteerd. De heffingsambtenaar heeft desgevraagd toegevoegd dat uit zijn algemene analyse van verkopen niet is gebleken dat de status van gemeentelijk monument een negatieve invloed op de verkoopprijs heeft. Het Hof kan uit de beschikbare gegevens niet afleiden dat van de status van gemeentelijk monument enige invloed op de waarde uitgaat. Het Hof zal deze factor dan ook negeren. Wat betreft de ligging in de beschermingszone stelt het Hof vast dat twee van de door de heffingsambtenaar gebruikte vergelijkingsobjecten ( [a-straat] 82 en 38) eveneens in de beschermingszone liggen. Een eventuele invloed op de waarde is in de verkoopprijzen van deze objecten verdisconteerd. Het Hof ziet dan ook geen aanleiding met deze factor rekening te houden. Dit is anders voor de vrijstelling vanwege de gedeeltelijke ligging van de grond van belanghebbende binnen een waterstaatswerk. Tussen partijen is niet in geschil dat deze factor van invloed kan zijn op de WOZ-waarde van de onroerende zaak van belanghebbende. In welke mate dit het geval is, kan niet met zekerheid uit de beschikbare gegevens worden afgeleid. Het Hof komt echter tot de conclusie dat het alsnog in aanmerking nemen van de vrijstelling per saldo niet tot een vermindering van de WOZ-waarde leidt. Immers, naar het oordeel van het Hof heeft de heffingsambtenaar de getaxeerde waarde van € 360.000 aannemelijk gemaakt (zie 4.15). De heffingsambtenaar heeft de WOZ-waarde echter vastgesteld op € 270.000. Dit betekent dat zelfs indien de helft van de grond van belanghebbende is vrijgesteld, de WOZ-waarde van € 270.000 nog niet te hoog is. Gelet op de luchtfoto en de kadastrale tekening die tot de gedingstukken behoren, acht het Hof niet aannemelijk dat (meer dan) de helft van de grond van belanghebbende is vrijgesteld. Ook de door belanghebbende ter zitting genoemde waardedaling van 22%, resulteert – indien dat percentage al juist zou zijn – niet in een verlaging van de WOZ-waarde. De heffingsambtenaar heeft derhalve aannemelijk gemaakt dat de WOZ-waarde van € 270.000 niet te hoog is.

Schending EVRM

4.18.

Het Hof begrijpt uit de toelichting ter zitting dat belanghebbende zich zorgen maakt over de begrijpelijkheid van de regelgeving rond de vaststelling van de WOZ-waarde en de beweegruimte van de gemeenteraad rond de vaststelling van het OZB-tarief, en dat belanghebbende vreest dat de toegang tot de rechter niet is gewaarborgd. Belanghebbende meent dat sprake is van schending van het EVRM. Het Hof verwijst voor de vaststelling van het OZB-tarief naar hetgeen is overwogen onder 4.6. De gemeenteraad is de bevoegde wetgever, en zorgen en vragen kunnen worden gericht aan de leden van de gemeenteraad. Wat betreft de toegang tot de rechter kan het Hof constateren dat bezwaar, beroep, hoger beroep en cassatie openstaan tegen zowel de WOZ-beschikking als de aanslag OZB (behoudens de discretionaire bevoegdheid omtrent het tarief). Belanghebbende heeft van deze rechtsmiddelen gebruik gemaakt. De belastingrechter is bevoegd de WOZ-waarde van de onroerende zaak en de rechtmatigheid van de OZB-aanslag te toetsen. De toegang tot de rechter is niet uiterst moeilijk of onmogelijk. Het griffierecht is laag, de voorwaarde van verplichte rechtsbijstand wordt niet gesteld, de procedure is informeel en laagdrempelig en belanghebbende had gebruik kunnen maken van een gespecialiseerd bureau, dat op no-cure-no-pay-basis WOZ-zaken behandelt. Het Hof concludeert dat de toegang tot de rechter en de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechter zijn gewaarborgd. Van strijd met het recht op een eerlijk proces dat in het EVRM is neergelegd, is geen sprake. Het Hof verwerpt het standpunt van belanghebbende.

Slotsom
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.

5 Griffierecht en proceskosten

Het Hof ziet geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of een veroordeling in de proceskosten.

6 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. van Dongen, raadsheer, in tegenwoordigheid van drs. S. Darwinkel als griffier.

De beslissing is op 4 april 2018 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, het lid van de enkelvoudige kamer,

(S. Darwinkel) (A. van Dongen)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op: 4 april 2018

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH DEN HAAG.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.