Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:3127

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
03-04-2018
Datum publicatie
13-04-2018
Zaaknummer
200.222.035
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Incidentele vordering ex artikel 843a Rv.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.222.035

(zaaknummer rechtbank Gelderland, 307341)

arrest van 3 april 2018

in het incident ex artikel 843a Rv in de zaak van

de maatschap

[appellante] ,

gevestigd te [plaats] ,

appellante, tevens eiseres in het incident,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna: [appellante] ,

advocaat: mr. J.T. Fuller,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[geïntimeerde] ,

gevestigd te [plaats] ,

geïntimeerde, tevens verweerster in het incident,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. W.M.J. Saes.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van
23 november 2016 en 3 mei 2017 die de rechtbank Gelderland, team kanton- en handelsrecht, zittingsplaats Arnhem, heeft gewezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 26 juli 2017,

- de memorie van grieven, tevens incidentele memorie ex artikel 843a Rv met één productie,

- de memorie van antwoord in het incident.

2.2

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest in het incident aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest in het incident bepaald.

3 De motivering van de beslissing in het incident

3.1

Het gaat in deze zaak kort gezegd om het volgende. [appellante] exploiteert een melkveehouderij. [geïntimeerde] houdt zich bezig met de bemiddeling in en verkoop van melkquota. [appellante] en [geïntimeerde] zijn met elkaar overeengekomen dat [appellante] melkquotum met een vrij hoog vetpercentage aan [geïntimeerde] zou leveren en dat [geïntimeerde] een vervangend melkquotum met een lager vetpercentage aan [appellante] zou terugleveren. [appellante] zou hierdoor meer liters kunnen melken en leveren zonder superheffing te betalen en [geïntimeerde] kon het van [appellante] verkregen melkquotum in gedeelten tegen een hoge prijs verkopen. [geïntimeerde] heeft geen vervangend melkquotum aan [appellante] geleverd, waardoor [appellante] met het betalen van superheffing werd geconfronteerd. [appellante] heeft gesteld dat partijen, nadat was gebleken dat [geïntimeerde] geen vervangend melkquotum terugleverde, nader mondeling zijn overeengekomen dat [geïntimeerde] de volledige door [appellante] verschuldigde superheffing zou voldoen. Over de jaren 2013-2014 en 2014-2015 heeft [geïntimeerde] niet volledig aan die betalingsverplichting voldaan, waardoor [appellante] aanspraak maakt op betaling over die periode. Na vermindering van eis betreft de vordering van [appellante] – kort gezegd – nog € 175.786,87. De rechtbank heeft de vordering afgewezen. Tegen dat oordeel komt [appellante] in hoger beroep op.

3.2

In dit incident vordert [appellante] op grond van artikel 843a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) afgifte van, en daardoor inzage in, de financiële administratie ten aanzien van het door [appellante] aan [geïntimeerde] geleverde melkquotum, specifieker de nota’s van het door [geïntimeerde] verhandelde – van [appellante] afkomstige – melkquotum. Met inzage en afgifte van de bescheiden door [geïntimeerde] wordt volgens [appellante] ‘het plaatje compleet’ en zal er meer duidelijkheid ontstaan over hoe de verhoudingen daadwerkelijk liggen. [appellante] stelt partij te zijn bij de rechtsbetrekking waarop de bescheiden betrekking hebben en stelt rechtmatig belang te hebben bij het inbrengen van de bedoelde stukken in de procedure, omdat zij belang heeft bij het bewijs van de financiële voordelen die [geïntimeerde] heeft gehad voortvloeiende uit de door [appellante] gestelde overeenkomst. Dit laatste is volgens [appellante] van belang, omdat de rechtbank – onder meer – oordeelde dat [geïntimeerde] geen enkel belang had bij de door [appellante] gestelde nadere overeenkomst.

3.3

[geïntimeerde] betwist de door [appellante] gestelde nadere overeenkomst. In het incident voert [geïntimeerde] aan dat voor het bewijs van de door [appellante] gestelde nadere mondelinge overeenkomst de gevorderde inzage in de financiële administratie van [geïntimeerde] ten aanzien van het door [appellante] geleverde melkquotum en in het bijzonder de nota’s van het door [geïntimeerde] verhandelde melkquotum niet relevant is. [geïntimeerde] betoogt verder dat [appellante] niet onderbouwt hoe het al dan niet bestaan van een financieel belang aan de zijde van [geïntimeerde] bij de door [appellante] gestelde nadere mondelinge overeenkomst tot het bewijs van die nadere overeenkomst kan bijdragen.

3.4

Ten aanzien van de vraag of een vordering tot overlegging van of inzage in bescheiden voor toewijzing in aanmerking komt, stelt het hof voorop dat artikel 843a Rv niet voorziet in een onbeperkt recht op inzage van bescheiden jegens degene die deze te zijner beschikking of onder zijn berusting heeft, maar dat deze bepaling het recht op inzage, afschrift of uittreksel van bepaalde bescheiden afhankelijk stelt van een aantal cumulatieve vereisten. Op grond van het eerste lid van artikel 843a Rv moet de eiser een rechtmatig belang hebben bij de inzage, het afschrift of het uittreksel en moet hij inzage, afschrift of uittreksel vorderen van bepaalde bescheiden aangaande een rechtsbetrekking waarin hij of zijn rechtsvoorgangers partij zijn. Artikel 843a Rv biedt niet de mogelijkheid voor het opvragen van documenten waarvan [appellante] slechts vermoedt dat zij wel eens steun zouden kunnen geven aan haar stellingen.
Ook indien aan voormelde vereisten is voldaan, kan de vordering wegens gewichtige redenen of omdat redelijkerwijs kan worden aangenomen dat ook zonder de gevorderde gegevens een behoorlijke rechtsbedeling is gewaarborgd, worden afgewezen.

3.5

Naar het oordeel van het hof heeft [appellante] een rechtmatig belang bij haar vordering. Immers, [appellante] heeft aangevoerd aan de hand van de bescheiden te willen aantonen dat [geïntimeerde] een financieel belang had bij de door [appellante] gestelde mondelinge overeenkomst tot het volledig betalen van de superheffing. Daardoor heeft [appellante] belang bij afgifte van de gevorderde stukken. Het hof stelt vast dat de door [appellante] genoemde bescheiden betrekking hebben op een rechtsbetrekking waarbij, zoals [appellante] heeft gesteld en [geïntimeerde] niet heeft betwist, [appellante] partij is. In hetgeen [geïntimeerde] als bezwaar tegen toewijzing van de vordering heeft aangevoerd, ziet het hof geen grond voor afwijzing van de vordering.

3.6

Hetgeen hiervoor in rechtsoverweging 3.4 is overwogen leidt er toe dat het hof de vordering in het incident zal toewijzen. Het hof zal [geïntimeerde] als de in het ongelijk te stellen partij veroordelen in de kosten van het incident tot aan deze uitspraak aan de zijde van [appellante] vastgesteld op € 894,00 (1 punt x tarief II) voor salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief.

3.7

Het hof zal de hoofdzaak naar de rol verwijzen voor memorie van antwoord aan de zijde van [geïntimeerde] . Verder houdt het hof iedere beslissing aan.

4 De beslissing

Het hof, recht doende:

in het incident:

wijst de incidentele vordering toe en veroordeelt [geïntimeerde] om binnen een maand na betekening van dit vonnis afschriften aan [appellante] over te leggen van de nota’s van het door [geïntimeerde] verhandelde – door [appellante] aan [geïntimeerde] geleverde – melkquotum;

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het incident, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [appellante] vastgesteld op € 894,00 voor salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief;

in de hoofdzaak:

verwijst de zaak naar de roldatum 15 mei 2018 voor memorie van antwoord aan de zijde van [geïntimeerde] ;

houdt verder iedere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. Th.C.M. Willemse, M.F.J.N. van Osch en W.C. Haasnoot en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 3 april 2018.